Zaak T‑420/05 R II
Vischim Srl
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Kort geding – Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging – Richtlijn 91/414/EEG – Nieuw verzoek – Nieuwe feiten – Spoedeisendheid – Geen”
Beschikking van de president van het Gerecht van 13 oktober 2006
Samenvatting van de beschikking
Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Afwijzing van verzoek
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 109)
Onder „nieuwe feiten” in de zin van artikel 109 van het Reglement voor de procesvoering zijn te verstaan feiten die zich hebben voorgedaan na de beschikking waarbij het eerste verzoek om voorlopige maatregelen is afgewezen, of die de verzoeker niet heeft kunnen aanvoeren in zijn eerste verzoekschrift of tijdens de procedure die heeft geleid tot de eerste beschikking, en die relevant zijn voor de beoordeling van het specifieke geval.
Voor de verlening van de opschorting of de voorlopige maatregelen moeten deze feiten kunnen leiden tot een herziening van het oordeel van de kortgedingrechter over de voorwaarden waaraan deze verlening is onderworpen.
(cf. punten 54‑55)
BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
13 oktober 2006 (*)
„Kort geding – Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging – Richtlijn 91/414/EEG – Nieuw verzoek – Nieuwe feiten – Spoedeisendheid – Geen”
In zaak T‑420/05 R II,
Vischim Srl, gevestigd te Cesano Maderno (Italië), vertegenwoordigd door C. Mereu en K. Van Maldegem, advocaten,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Doherty en L. Parpala als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek tot opschorting van de op 31 augustus 2006 verstrijkende termijn, gesteld in artikel 3 van richtlijn 2005/53/EG van de Commissie van 16 september 2005 tot wijziging van richtlijn 91/414/EEG van de Raad ten einde chloorthalonil, chloortoluron, cypermethrin, daminozide en thiofanaat-methyl op te nemen als werkzame stof (PB L 241, blz. 51),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230, blz. 1) behelst een gemeenschappelijke regeling voor de toelating en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen.
2 Artikel 4 van richtlijn 91/414 bepaalt dat „[d]e lidstaten erop toezien dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten indien [...] de werkzame stoffen die het bevat in bijlage I zijn vermeld”.
3 Bij richtlijn 2005/53/EG van de Commissie van 16 september 2005 tot wijziging van richtlijn 91/414 teneinde chloorthalonil, chloortoluron, cypermethrin, daminozide en thiofanaat-methyl op te nemen als werkzame stof (PB L 241, blz. 51; hierna: „litigieuze richtlijn”) is bijlage I bij richtlijn 91/414 gewijzigd om er chloorthalonil met een zuiverheidsgraad voor hexachloorbenzeen van 0,01 g/kg in op te nemen. De richtlijn is op 1 maart 2006 in werking getreden.
4 Artikel 2 van de litigieuze richtlijn bepaalt:
„De lidstaten dienen uiterlijk op 31 augustus 2006 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 september 2006 [...].”
5 Artikel 3 van de litigieuze richtlijn bepaalt:
„1. De lidstaten moeten overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 91/414/EEG uiterlijk op 31 augustus 2006 bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die chloorthalonil [...] als werkzame stof bevatten, naar gelang van het geval wijzigen of intrekken.
Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot chloorthalonil [...] is voldaan [...].
2. [...] Na die bepaling moeten de lidstaten [...] als chloorthalonil [...] de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 28 februari 2010 wijzigen of intrekken [...]”
Feiten
6 Op 8 juli 1993 heeft Vischim Srl, een Italiaanse vennootschap die chloorthalonil produceert, de Commissie ervan in kennis gesteld dat zij deze stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 opgenomen wenste te zien. Daartoe heeft zij bij de rapporteur de dossiers ingediend, bedoeld in artikel 6, leden 2 en 3, van verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 (PB L 366, blz. 10).
7 Ofschoon de versie van de werkzame stof waarvan de verzoekster kennis gaf, een zuiverheidsgraad voor hexachloorbenzeen van 0,072 g/kg had, wees zij er in de mondelinge behandeling (zie punt 20 hierna) op dat zij chloorthalonil met een zuiverheidsgraad voor hexachloorbenzeen van niet meer dan 0,04 g/kg kon produceren.
8 Na de procedure overeenkomstig richtlijn 91/414 heeft de Commissie op 16 september 2005 de litigieuze richtlijn vastgesteld, waarbij chloorthalonil met een zuiverheidsgraad voor hexachloorbenzeen van 0,01 g/kg in bijlage I bij richtlijn 91/414 is opgenomen, wat overeenkomt met de toentertijd door de Food and Agriculture Organisation (FAO, Voedsel‑ en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties) aangenomen standaard.
9 Op 26 april 2006 kwam de krachtens artikel 5, lid 2, sub b, van verordening nr. 3600/92 als rapporteur aangewezen lidstaat in zijn rapport tot de conclusie dat verzoeksters product gelijkwaardig was aan het in richtlijn 91/414 beschreven referentieproduct, behalve wat de zuiverheidsgraad voor hexachloorbenzeen betrof.
10 In december 2005 heeft de FAO een nieuwe standaard voor chloorthalonil aangenomen, die een zuiverheidsgraad voor hexachloorbenzeen van 0,04 g/kg voorschreef.
11 Na de vaststelling van deze nieuwe FAO-standaard heeft de Commissie de noodzakelijke procedures ingeleid voor de vaststelling van een nieuwe richtlijn tot wijziging van de litigieuze richtlijn, om chloorthalonil met een zuiverheidsgraad voor hexachloorbenzeen van 0,04 g/kg voor te schrijven.
12 Ten slotte heeft de Commissie op 22 september 2006 richtlijn 2006/76/EG tot wijziging van richtlijn 91/414 wat betreft de specificatie van de werkzame stof chloorthalonil (PB L 263, blz. 9) vastgesteld, die overeenkomstig artikel 3 ervan op 23 september 2006 in werking is getreden. Deze richtlijn voorziet in een zuiverheidsgraad voor hexachloorbenzeen van 0,04 g/kg.
Procesverloop en conclusies van partijen
13 Bij op 25 november 2005 ter griffie van het Gerecht ingediend verzoekschrift heeft verzoekster krachtens artikel 230, vierde alinea, EG een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze richtlijn en van het evaluatieverslag voor chloorthalonil en, subsidiair, op basis van artikel 232 EG een beroep wegens nalaten ingesteld. In haar verzoekschrift heeft verzoekster ook een beroep tot schadevergoeding krachtens artikel 288 EG ingesteld.
14 Bij op 12 december 2005 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoekster een verzoek in kort geding ingediend (hierna: „eerste verzoek in kort geding”).
15 Bij beschikking van 4 april 2006 heeft de president van het Gerecht het eerste verzoek in kort geding afgewezen, omdat verzoekster niet genoegzaam de noodzaak van de gewenste voorlopige maatregelen ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade had aangetoond (hierna: „beschikking van 4 april 2006”).
16 Bij op 21 augustus 2006 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoekster het onderhavige verzoek in kort geding ingediend. Zij verzoekt daarin de president van het Gerecht om op basis van artikel 105, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te beslissen voordat de Commissie haar opmerkingen heeft ingediend.
17 Op 28 augustus 2006 heeft de Commissie haar opmerkingen over dit nieuwe verzoek in kort geding ingediend.
18 Op verzoek van de president van het Gerecht heeft verzoekster op 4 september 2006 haar opmerkingen over de opmerkingen van de Commissie ingediend.
19 Op verzoek van de president van het Gerecht heeft de Commissie op 13 september 2006 een kopie van een voorontwerp van richtlijn tot wijziging van de litigieuze richtlijn ingediend.
20 Partijen zijn op 14 september 2006 gehoord in hun mondelinge toelichtingen.
21 Bij op 26 september 2006 ter griffie neergelegde brief heeft de Commissie het Gerecht meegedeeld dat zij op 22 september 2006 richtlijn 2006/76 had vastgesteld.
22 Verzoekster concludeert dat het de president van het Gerecht behage:
– het verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren;
– vast te stellen dat verzoekster ernstige en onherstelbare schade dreigt te lijden, bij het verstrijken van de in de litigieuze richtlijn bepaalde termijn op 31 augustus 2006;
– de door de litigieuze richtlijn vastgestelde fatale datum van 31 augustus 2006 voor verzoeksters producten op te schorten totdat het geschil in de hoofdzaak volledig is beslist, of, subsidiair;
– de door de litigieuze richtlijn vastgestelde fatale datum van 31 augustus 2006 op te schorten totdat de Commissie bij het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid een voorstel met een nieuwe kalender voor de aanpassing aan de nieuwe voorwaarden voor opneming in bijlage I heeft ingediend en totdat deze kalender in werking treedt;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
23 De Commissie concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring van het verzoek en tot verwijzing van verzoekster in de kosten.
In rechte
Argumenten van partijen
Ontvankelijkheid
24 De Commissie betwist de ontvankelijkheid van het verzoek in kort geding. Om te beginnen houdt het verzoek in strijd met artikel 104, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering geen verband met het beroep in de hoofdzaak.
25 Vervolgens wettigt niets in het verzoekschrift de conclusie dat er sprake is van een fumus boni juris.
26 Ten slotte, aldus de Commissie, liggen aan het nieuwe verzoek in kort geding, in strijd met het vereiste van artikel 109 van het Reglement voor de procesvoering, geen nieuwe feiten ten grondslag.
27 Volgens verzoekster is het verzoek ontvankelijk. Enerzijds huldigt de communautaire rechtspraak het beginsel dat de bepalingen inzake de ontvankelijkheid ruim moeten worden uitgelegd om de rechtsbescherming van particulieren te verzekeren.
28 Anderzijds hebben zich haars inziens na de beschikking van 4 april 2006 verschillende nieuwe feiten voorgedaan, die de indiening van een nieuw verzoek rechtvaardigen.
Fumus boni juris
29 Enerzijds herhaalt verzoekster de argumenten die zij reeds in het eerste verzoek in kort geding heeft aangevoerd, en die ertoe strekten aan te tonen dat het beroep in de hoofdzaak ontvankelijk en de litigieuze richtlijn op het eerste gezicht onrechtmatig is.
30 Anderzijds voegt verzoekster eraan toe dat de Commissie, gelet op verzoeksters verzoeken en een nieuwe evaluatie van de gelijkwaardigheid door de als rapporteur optredende lidstaat, voornemens is de litigieuze richtlijn te wijzigen en overeenkomstig de nieuwe FAO-standaard een zuiverheidsgraad voor hexachloorbenzeen van 0,04 g/kg toe te staan. Deze omstandigheid bevestigt althans op het eerste gezicht dat de door de litigieuze richtlijn vastgestelde zuiverheidsgraad niet correct is.
31 Volgens de Commissie heeft verzoekster niet aangetoond dat het onderhavige verzoek in kort geding gegrond is.
Spoedeisendheid
32 Verzoekster stelt dat zij krachtens artikel 3 van de litigieuze richtlijn haar bestaande toelatingen vanaf 31 augustus 2006 zal verliezen en, doordat zij haar producten met chloorthalonil niet meer zal kunnen verkopen, ernstige en onherstelbare schade dreigt te lijden.
33 Ten bewijze dat de nationale autoriteiten, in casu de bevoegde Britse autoriteiten, de procedures tot intrekking van de nationale toelatingen reeds hebben aangevat, heeft zij bij haar verzoekschrift een aan haar gerichte brief van 28 juli 2006 en brieven aan een aantal van haar klanten van 2 en 17 augustus 2006 overgelegd, waarin deze autoriteiten hun voornemen te kennen geven de toelatingen in te trekken omdat verzoekster geen volledig dossier met alle in bijlage II bij richtlijn 91/414 vereiste inlichtingen en onderzoeken heeft kunnen overleggen.
34 Tevens legt verzoekster een brief van 13 juli 2006 over, waarmee zij wil aantonen dat haar concurrente Syngenta heeft geweigerd in te gaan op een verzoek om toegang tot haar dossier krachtens artikel 13 van richtlijn 91/414.
35 Bovendien stelt verzoekster ernstige en onherstelbare schade, in de eerste plaats bestaande in verlies van marktaandeel, in de tweede plaats sluiting van haar fabriek en in de derde plaats bedreiging van haar voortbestaan zelf.
36 Wat om te beginnen het verlies van marktaandeel betreft, stelt verzoekster dat zij als gevolg van de intrekking van de toelatingen (i) haar producten niet meer in de Europese Unie zal kunnen verkopen, (ii) haar producten niet langer aan haar klanten zal kunnen leveren, (iii) vorderingen wegens contractbreuk tegemoet zal moeten zien, daar zij haar contractuele verplichtingen jegens haar klanten niet meer zal kunnen nakomen, en (iv) haar marktaandeel aan Syngenta zal verliezen, de enige onderneming die toelatingen heeft om chloorthalonil en producten met chloorthalonil te verkopen.
37 Vervolgens, aldus verzoekster, zal zij haar fabriek in Italië moeten opgeven, daar deze fabriek specifiek alleen voor de productie van chloorthalonil is ontworpen. 80 % van de productiecapaciteit ervan is bestemd voor de Europese markt, en overschakeling van de productie van chloorthalonil op een ander product is in de huidige toestand van de fabriek en zonder grote investeringen technisch onmogelijk.
38 Ten slotte dreigt verzoekster indien de eindbeslissing in de hoofdzaak moet worden afgewacht, te verdwijnen als onderneming omdat zij alleen producten op basis van chloorthalonil produceert en verkoopt en 80 % van haar omzet in de Europese Unie behaalt. Aangezien de toelatingen voor de verkoop van haar enige product, naar zij stelt, haar enige activa zijn, zou zij bij verlies van deze toelatingen onvermijdelijk failliet gaan.
39 Volgens de Commissie is verzoekster er niet in geslaagd genoegzaam de aanwezigheid van factoren aan te tonen, die de conclusie wettigen dat zij ernstige en onherstelbare schade dreigt te lijden indien de door haar gevraagde maatregelen niet worden verleend.
De belangenafweging
40 Volgens verzoekster slaat de schaal door ten gunste van de verlening van de gevraagde maatregelen.
41 In de eerste plaats wordt met de gevraagde opschorting alleen de status quo voor chloorthalonil en verzoeksters producten gehandhaafd.
42 In de tweede plaats heeft verzoekster aanzienlijk geïnvesteerd in de Europese markt en verwachtte zij dat haar product in bijlage I bij richtlijn 91/414 werd opgenomen. Bijgevolg heeft zij een rechtmatig belang dat behoort te worden beschermd.
43 In de derde plaats schaadt de gevraagde opschorting niet het leven van mens of dier of het milieu, daar de evaluatie van de rapporteur, die door het permanent comité is gevalideerd, heeft bevestigd dat verzoeksters product veilig is, en de litigieuze richtlijn moet worden gewijzigd om met deze evaluatie rekening te houden.
44 Volgens de Commissie heeft verzoekster niet aangetoond dat de schaal doorslaat ten gunste van verlening van de gevraagde maatregelen.
Beoordeling door de kortgedingrechter
45 Krachtens de artikelen 242 EG en 243 EG enerzijds en artikel 225, lid 1, EG anderzijds kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
46 Volgens artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moeten verzoeken om voorlopige maatregelen een duidelijke omschrijving bevatten van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede van de middelen, feitelijke en rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt (fumus boni juris). Deze voorwaarden zijn cumulatief, zodat het verzoek om voorlopige maatregelen moet worden afgewezen wanneer aan één ervan niet wordt voldaan. In voorkomend geval gaat de kortgedingrechter voorts over tot afweging van de betrokken belangen (beschikkingen president Hof van 19 juli 1995, Commissie/Atlantic Container Line e.a., C‑149/95 P(R), Jurispr. blz. I‑2165, punt 22, en 17 december 1998, Emesa Sugar/Commissie, C‑364/98 P(R), Jurispr. blz. I‑8815, punten 43 en 47].
47 Bovendien beschikt de kortgedingrechter in het kader van dit algemene onderzoek over een ruime beoordelingsbevoegdheid en kan hij, met inachtneming van de bijzonderheden van de zaak, vrij bepalen hoe en in welke volgorde deze verschillende voorwaarden worden onderzocht, aangezien geen enkele gemeenschapsrechtelijke regel een vooraf vastgesteld onderzoeksschema voor de beoordeling van de noodzaak van voorlopige maatregelen voorschrijft (beschikkingen Commissie/Atlantic Container Line e.a., punt 46 hierboven, punt 23, en Emesa Sugar/Commissie, punt 46 hierboven, punt 44).
48 Het onderhavige verzoek in kort geding volgt op een soortgelijk verzoek, dat ook in het kader van zaak T‑420/05 is ingediend en bij beschikking van de president van het Gerecht is afgewezen.
49 In de beschikking van 4 april 2006 kwam de kortgedingrechter met name tot de conclusie dat verzoekster er niet in was geslaagd genoegzaam aan te tonen dat verlening van de gevraagde voorlopige maatregelen spoedeisend was (punt 91).
50 In het bijzonder met betrekking tot de eerste van de door verzoekster gestelde schades kwam de kortgedingrechter tot de conclusie dat de schade die volgens verzoekster verband hield met de intrekking van de nationale toelatingen waarvan zij houdster was, niet afhing van de handeling waarvan opschorting werd gevraagd, maar van de eventuele vaststelling van een besluit door een lidstaat (punten 70‑72). Bovendien werd de schade die volgens verzoekster verband hield met het verlies van haar marktaandeel, enerzijds niet veroorzaakt door de litigieuze richtlijn en anderzijds kon zij niet als onherstelbaar worden beschouwd (punten 75 en 76). Ten slotte vloeide de schade die volgens verzoekster verband hield met de bedreiging van haar voortbestaan zelf, enerzijds niet voort uit de litigieuze richtlijn en anderzijds had verzoekster geen feiten of omstandigheden aangevoerd ten bewijze van de ernst ervan, met name gelet op haar materiële situatie, beoordeeld met inachtneming van de kenmerken van de groep waartoe zij via haar aandeelhouder behoort (punten 77‑82).
51 Met betrekking tot de tweede van de twee door verzoekster gestelde schades, die verband hield met schending van artikel 13 van richtlijn 91/414 en met name met de onmogelijkheid voor verzoekster om toegang tot Syngenta’s dossier te krijgen, kwam de kortgedingrechter tot de conclusie dat verzoekster (i) dit enkel had gesteld zonder nader bewijs te leveren en (ii) erop had gewezen dat Syngenta een concurrerende onderneming was. Dit enkele feit was onvoldoende om aan te nemen dat Syngenta niet bereid zou zijn toegang tot haar dossier te verlenen (punten 83 en 87).
52 Gelet op het feit dat de beschikking van 4 april 2006 het verzoek om voorlopige maatregelen heeft afgewezen en daartegen geen hogere voorziening bij het Hof is ingesteld, is artikel 108 van het Reglement voor de procesvoering hier niet toepasselijk [zie in die zin beschikkingen Hof van 14 februari 2002, Commissie/Artegodan, C‑440/01 P(R), Jurispr. blz. I‑1489, punten 62‑64, en president Gerecht van 22 december 2004, European Dynamics/Commissie, T‑303/04 R II, Jurispr. blz. II‑4621, punt 54]. Anderzijds kan het onderhavige verzoek slechts ontvankelijk kan worden verklaard indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 109 van het Reglement voor de procesvoering (zie in die zin beschikkingen president Gerecht European Dynamics/Commissie, reeds aangehaald, punt 56, en 17 februari 2006, Nijs/Rekenkamer, T‑171/05 R II, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 27).
53 Volgens artikel 109 van het Reglement voor de procesvoering belet „[d]e afwijzing van een verzoek tot verkrijging van een voorlopige maatregel [...] geenszins, dat de verzoeker andermaal een verzoek indient op grond van nieuwe feiten”.
54 Onder „nieuwe feiten” in de zin van deze bepaling zijn te verstaan feiten die zich hebben voorgedaan na de beschikking waarbij het eerste verzoek om voorlopige maatregelen is afgewezen, of die de verzoeker niet heeft kunnen aanvoeren in zijn eerste verzoekschrift of tijdens de procedure die heeft geleid tot de eerste beschikking, en die relevant zijn voor de beoordeling van het specifieke geval (beschikkingen European Dynamics/Commissie, punt 52 hierboven, punt 60, en Nijs/Rekenkamer, punt 52 hierboven, punt 28).
55 Nagegaan moet dus worden of verzoekster in het onderhavige verzoek nieuwe feiten heeft aangevoerd die kunnen leiden tot een herziening van het oordeel van de kortgedingrechter over de in punt 46 hierboven in herinnering gebrachte voorwaarden waaraan de verlening van de opschorting of de voorlopige maatregel is onderworpen (zie in die zin beschikking president Hof van 10 juli 1979, Buttner e.a./Commissie, 51/79 R II, Jurispr. blz. 2387, punt 4; beschikkingen president Gerecht van 8 oktober 2001, Stauner e.a./Parlement en Commissie, T‑236/00 R II, Jurispr. blz. II‑2943, punt 49; European Dynamics/Commissie, punt 52 hierboven, punten 65, 73 en 75, en 22 december 2004, Microsoft/Commissie, T‑201/04 R, Jurispr. blz. II‑4463, punt 325; zie ook, naar analogie, met betrekking tot het begrip „wijziging in de omstandigheden” in de zin van artikel 108 van het Reglement voor de procesvoering, beschikking Commissie/Artegodan, punt 52 hierboven, punten 63 en 64; beschikkingen president Gerecht van 4 april 2002, Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, T‑198/01 R, Jurispr. blz. II‑2153, punt 123, en 21 januari 2004, FNSEA e.a./Commissie, T‑245/03 R, Jurispr. blz. II‑271, punt 129).
56 De kortgedingrechter achtte het in de beschikking van 4 april 2006 niet nodig de voorwaarde inzake fumus boni juris te onderzoeken en de betrokken belangen af te wegen (punt 91). Bijgevolg dient eerst te worden nagegaan of verzoekster nieuwe feiten heeft aangevoerd die tot een herziening van het oordeel van de kortgedingrechter over de spoedeisendheid kunnen leiden.
Door verzoekster uitdrukkelijk als nieuw aangevoerde feiten
57 In haar opmerkingen van 4 september 2006 voert verzoekster drie feiten uitdrukkelijk als nieuw aan. In de eerste plaats zijn verzoeksters producten op 26 april 2006 door de rapporteur onderzocht en wat zuiverheid betreft gelijkwaardig aan het in bijlage I bij richtlijn 91/414 opgenomen product bevonden. In de tweede plaats heeft de Commissie een nieuwe richtlijn tot wijziging van de litigieuze richtlijn vastgesteld. In de derde plaats wordt verzoeksters enige product bij het verstrijken van de termijn op 31 augustus 2006 uit de markt genomen.
58 In de eerste plaats dient te worden vastgesteld dat het rapport van 26 april 2006 na de beschikking van 4 april 2006 is opgesteld en relevant is voor de beoordeling van de onderhavige zaak.
59 Anders dan verzoekster stelt, heeft de als rapporteur optredende lidstaat in zijn nieuwe beoordeling haar product evenwel niet gelijkwaardig aan het in bijlage I bij richtlijn 91/414 beschreven referentieproduct geacht, wat de in de litigieuze richtlijn bepaalde zuiverheidsgraad voor hexachloorbenzeen betreft.
60 Ook al zou in deze nieuwe beoordeling het product van Vischim als gelijkwaardig aan het in bijlage I bij richtlijn 91/414 beschreven referentieproduct zijn beschouwd, zou dit nochtans geen betekenis hebben voor het oordeel over de spoedeisendheid in de beschikking van 4 april 2006, dat, zoals uiteengezet in punt 50 hierboven, erop berustte dat verzoekster geen causaal verband tussen de bestreden handeling en de gestelde schade had aangetoond en geen bewijs had aangevoerd dat de conclusie kon wettigen dat de gestelde schade ernstig of onherstelbaar was, in het bijzonder gelet op haar financiële positie (zie in die zin beschikking European Dynamics/Commissie, punt 52 hierboven, punt 76).
61 Het rapport, hoewel het na de beschikking van 4 april 2006 is opgesteld en relevant is voor de beoordeling van de onderhavige zaak, laat het oordeel van de kortgedingrechter over de noodzaak de gevraagde voorlopige maatregelen te verlenen dus onverlet.
62 In de tweede plaats is de nieuwe richtlijn (2006/76) tot wijziging van richtlijn 91/414 eerst op 22 september 2006 vastgesteld, dat wil zeggen nadat verzoekster haar eindopmerkingen had ingediend. In deze opmerkingen verwijst verzoekster dus alleen naar het voorontwerp van deze handeling.
63 Hierbij moet worden opgemerkt dat de Commissie steeds heeft geweigerd een kopie van dit voorontwerp mee te delen aan verzoekster, die er zich dus niet op heeft kunnen beroepen in haar eerste verzoek in kort geding of tijdens de procedure die tot de beschikking van 4 april 2006 heeft geleid. De Commissie heeft eerst op 13 september 2006 op verzoek van de president van het Gerecht een kopie van dit voorontwerp ingediend.
64 Daaruit volgt dat het voorontwerp, voor zover het voor de beoordeling van de onderhavige zaak relevant is, een nieuw feit in de zin van artikel 109 van het Reglement voor de procesvoering is.
65 Blijkens punt 72 van de beschikking van 4 april 2006 had de kortgedingrechter evenwel reeds de door verzoekster zelf erkende mogelijkheid beoordeeld, dat de Commissie de litigieuze richtlijn zou wijzigen en een hogere zuiverheidsgraad voor hexachloorbenzeen dan in de litigieuze richtlijn als aanvaardbaar zou beschouwen. Het onderhavige verzoek in kort geding bevat geen omstandigheden die de conclusie kunnen dragen, dat het voorontwerp van richtlijn 2006/76 als zodanig een herziening van het oordeel over de spoedeisendheid in de beschikking van 4 april 2006 noodzakelijk maakt.
66 In de derde plaats is het gevaar van intrekking van verzoeksters toelatingen in de beschikking van 4 april 2006 reeds beoordeeld in de punten 70 tot en met 72. In het onderhavige verzoek in kort geding heeft verzoekster geen nieuw feit aangevoerd dat herziening van dit oordeel kan rechtvaardigen.
67 Geen van de door verzoekster uitdrukkelijk als nieuw aangevoerde feiten kan dus leiden tot herziening van het oordeel van de kortgedingrechter over de spoedeisendheid van de gevraagde voorlopige maatregelen.
Andere voor het eerst in het onderhavige verzoek aangevoerde feiten
68 Verzoekster voert vier feiten aan die zij niet als nieuw kwalificeert, maar die zij in haar eerste verzoek in kortgeding niet heeft aangevoerd. In de eerste plaats stelt verzoekster dat Syngenta bij brief van 13 juli 2006, dus na de beschikking van 4 april 2006, haar de toegang tot haar dossier heeft geweigerd. In de tweede plaats stelt verzoekster dat de Britse bevoegde autoriteiten bij een aan haar gerichte brief van 28 juli 2006 en bij brieven aan een aantal van verzoeksters klanten van 2 en 17 augustus 2006 hun voornemen te kennen hebben gegeven om verzoeksters nationale toelatingen in te trekken. In de derde plaats beroept verzoekster zich in het onderhavige verzoek voor het eerst erop dat zij door de vaststelling van de litigieuze richtlijn gevaar loopt haar fabriek in Italië te verliezen. Ter ondersteuning van haar betoog betreffende de bedreiging van haar voortbestaan en tot bewijs van de financiële situatie van de groep ondernemingen waartoe verzoekster via haar aandeelhouders behoort, heeft verzoekster het kwartaalrapport voor het tweede kwartaal 2006 van een van haar aandeelhouders overgelegd.
69 In de eerste plaats heeft de kortgedingrechter in zijn beschikking van 4 april 2006 (punt 87) vastgesteld:
„[...] enerzijds heeft verzoekster de onmogelijkheid om toegang tot Syngenta's dossier te verkrijgen, enkel gesteld zonder nader bewijs te leveren en erop gewezen dat Syngenta een concurrerende onderneming is. Dit enkele feit is echter onvoldoende om aan te nemen dat Syngenta niet bereid zou zijn toegang tot haar dossier te verlenen.”
70 De weigeringsbrief van Syngenta van 13 juli 2006 dateert dus van na de beschikking van 4 april 2006 en is relevant voor de beoordeling van de schade die verband zou houden met de onmogelijkheid voor verzoekster om toegang tot Syngenta's dossier te verkrijgen. Deze brief is dus een nieuw feit in de zin van artikel 109 van het Reglement voor de procesvoering.
71 Nagegaan moet dus worden of de brief van 13 juli 2006 waarmee Syngenta verzoekster toegang tot haar dossier weigert, herziening van het oordeel van de kortgedingrechter in de beschikking van 4 april 2006 noodzakelijk maakt.
72 Verzoekster stelt ter zake dat Syngenta „heeft geweigerd onderhandelingen te beginnen over het ter beschikking stellen van informatie zolang verzoekster niet aantoont dat de in de bestreden maatregel bepaalde specificatie is gewijzigd”, zodat verzoekster „de arbitrageprocedure van [regulation] 16 van de Plant Protection [Products] Regulations 2005 [verordening van 2005 betreffende gewasbeschermingsmiddelen] niet kon inleiden of afsluiten”. Bovendien moet „volgens deze verordening aan een dergelijke arbitrage een bemiddelingsfase van 21 dagen voorafgaan, hetgeen tot een verschuiving tot ver na de fatale datum van 31 augustus leidt”.
73 Het volstaat evenwel erop te wijzen dat verzoekster geen nationale procedure voor de terbeschikkingstelling als geregeld in de wetsbepalingen van het Verenigd Koninkrijk heeft ingeleid, en enkel heeft gesteld deze procedures niet te kunnen aanwenden, zonder evenwel bewijs daarvan aan te voeren.
74 In casu luidt regulation 16, lid 4, van de Plant Protection Products Regulations 2005, die bij het verzoekschrift zijn gevoegd, als volgt:
„Wanneer degene die voornemens is een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel aan te vragen, en de houders van eerdere toelatingen voor hetzelfde middel geen overeenstemming bereiken over de terbeschikkingstelling van informatie, kan de Secretary of State hem en de houders van eerdere toelatingen, die in Engeland of Wales zijn gevestigd, gelasten de inlichtingen te verschaffen teneinde doublures in het onderzoek op gewervelde dieren te voorkomen, en de procedure voor het gebruik van deze inlichtingen vaststellen alsook de belangen van de betrokkenen passend afwegen.”
75 Deze bepaling sluit niet uit dat verzoekster Syngenta kon verzoeken om informatie ter beschikking te stellen en in geval van een weigering, zelfs om de reden die Syngenta in haar brief van 13 juli 2006 aanvoert, zich tot de Secretary of State kon wenden om tot overeenstemming te komen.
76 Verzoekster heeft dus duidelijk niet genoegzaam aangetoond dat haar de in het Verenigd Koninkrijk geregelde procedures voor het ter beschikking stellen van informatie niet ten dienste stonden.
77 De brief van Syngenta van 13 juli 2006 dateert dus weliswaar van na de beschikking van 4 april 2006 en is in casu relevant, maar laat het oordeel van de kortgedingrechter in de beschikking van 4 april 2006 onverlet.
78 Wat in de tweede plaats de brieven van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk betreft, die dateren van na de beschikking van 4 april 2006 en relevant zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak, daarin wordt gesteld (i) dat deze autoriteiten voornemens zijn haar nationale toelatingen in te trekken, omdat verzoekster niet heeft aangetoond toegang tot een volledig dossier te hebben dat voldoet aan de vereisten van bijlage II bij richtlijn 91/414, en (ii) dat de geadresseerde bij deze autoriteiten een klacht kan indienen tegen hun beoordeling.
79 Deze brieven kunnen dus niet leiden tot herziening van het oordeel over de spoedeisendheid in de beschikking van de kortgedingrechter van 4 april 2006, aangezien zij alleen maar bevestigen dat de gestelde schade, bestaande in de intrekking van de nationale toelatingen, niet voortvloeit uit de litigieuze richtlijn, maar uit een eventueel besluit van de nationale autoriteiten, die een bepaalde beoordelingsmarge hebben.
80 In de derde plaats stelt verzoekster thans voor het eerst dat zij haar fabriek in Italië door de vaststelling van de litigieuze richtlijn zou kunnen verliezen. Dit is evenwel geen onvoorzienbare gebeurtenis, althans niet een gebeurtenis die niet reeds in het eerste verzoek in kort geding had kunnen worden aangevoerd.
81 Dit kan dus niet gelden als een nieuw feit in de zin van artikel 109 van het Reglement voor de procesvoering.
82 Ten slotte heeft verzoekster ter ondersteuning van haar bewering dat haar voortbestaan wordt bedreigd, en ten bewijze van de economische situatie van de groep ondernemingen waartoe zij via haar aandeelhouders behoort, het kwartaalrapport voor het tweede kwartaal 2006 van een van haar aandeelhouders overgelegd.
83 Hoewel de gegevens in het kwartaalrapport althans ten dele betrekking hebben op de situatie na de beschikking van 4 april 2006 en in casu relevant zijn, gaat het in de eerste plaats evenwel niet om een gewaarmerkt stuk en biedt het in de tweede plaats niet de mogelijkheid de financiële situatie van verzoeksters andere aandeelhouder te beoordelen.
84 Op basis van dit rapport kan verzoeksters materiële situatie dus niet worden beoordeeld vanuit het oogpunt van de kenmerken van de groep waarmee zij via haar aandeelhouders verbonden is. Bijgevolg laat dit rapport het oordeel van de kortgedingrechter in de beschikking van 4 april 2006 onverlet.
85 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster er niet in is geslaagd genoegzaam aan te tonen dat er in casu sprake is van nieuwe feiten die tot herziening van het oordeel van de kortgedingrechter over de noodzaak van de gevraagde voorlopige maatregelen in de beschikking van 4 april 2006 moeten leiden.
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 13 oktober 2006.
De griffier
De president
E. Coulon
B. Vesterdorf
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy