8.3.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 64/6
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 januari 2008 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg — Duitsland) — Viamex Agrar Handels GmbH (C-37/06), Zuchtvieh-Kontor GmbH (ZVK) (C-58/06)/Hauptzollamt Hamburg-Jonas
(Gevoegde zaken C-37/06 en C-58/06) (1)
(Verordening (EG) nr. 615/98 - Richtlijn 91/628/EEG - Restituties bij uitvoer - Bescherming van runderen tijdens vervoer - Koppeling van betaling van restituties bij uitvoer van runderen aan naleving van Richtlijn 91/628/EEG - Evenredigheidsbeginsel - Verlies van recht op restitutie)
(2008/C 64/06)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Hamburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Viamex Agrar Handels GmbH (C-37/06), Zuchtvieh-Kontor GmbH (ZVK) (C-58/06)
Verwerende partij: Hauptzollamt Hamburg-Jonas
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Finanzgericht Hamburg — Geldigheid van de artikelen 1 en 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 615/98 van de Commissie van 18 maart 1998 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan (PB L 82, blz.19) — Koppeling van de betaling van restituties bij uitvoer van runderen aan de naleving van richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG (PB L 340, blz. 17) — Verlies van het recht op restitutie wegens niet-naleving van de voorgeschreven rusttijd tijdens het vervoer van runderen
Dictum
1)
Bij onderzoek van de eerste vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 1 van verordening (EG) nr. 615/98 van de Commissie van 18 maart 1998 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan.
2)
Bij onderzoek van de tweede vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 kunnen aantasten uit het oogpunt van het evenredigheidsbeginsel. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of de bevoegde autoriteiten de relevante bepalingen van verordening nr. 615/98 in overeenstemming met dit beginsel hebben toegepast.
(1) PB C 96 van 22.4.2006.
Full & Egal Universal Law Academy