23.2.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 51/16
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 december 2007 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — België) — United Pan-Europe Communications Belgium NV, Coditel Brabant BVBA, Intercommunale Vennootschap voor Kabeltelevisie Brutele, Wolu TV VZW/Belgische Staat
(Zaak C-250/06) (1)
(Artikel 49 EG - Vrij verrichten van diensten - Nationale wetgeving op basis waarvan kabeldistributeurs programma's van bepaalde particuliere omroeporganisaties moeten uitzenden („must carry’) - Beperking - Dwingende reden van algemeen belang - Behoud van pluralisme in tweetalig gebied)
(2008/C 51/26)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: United Pan-Europe Communications Belgium NV, Coditel Brabant BVBA, Intercommunale Vennootschap voor Kabeltelevisie Brutele, Wolu TV VZW
Verwerende partij: Belgische Staat
In tegenwoordigheid van: BeTV SA, Tvi SA, Télé Bruxelles ASBL, Belgian Business Television NV, Media ad Infinitum NV, TV5 Monde
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Raad van State (België) — Uitlegging van de artikelen 49 en 86 van het EG-Verdrag — Begrip „bijzonder recht” — Verplichting voor kabelmaatschappijen om de televisieprogramma's van bepaalde, voor het merendeel op het nationale grondgebied gevestigde omroeporganisaties uit te zenden
Dictum
Artikel 49 EG moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een regeling van een lidstaat, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de op het betrokken grondgebied van die staat actieve kabeldistributeurs uit hoofde van een „must-carry”-verplichting de televisieprogramma's van de particuliere omroeporganisaties die onder de autoriteiten van die staat ressorteren en door deze autoriteiten zijn aangewezen, moeten uitzenden, wanneer die regeling:
—
een doelstelling van algemeen belang nastreeft, zoals het behoud, uit hoofde van het cultuurbeleid van bedoelde lidstaat, van het pluralistische karakter van het televisieprogramma-aanbod in dat gebied, en
—
niet onevenredig is aan die doelstelling, waartoe de modaliteiten voor de toepassing ervan het voorwerp moeten zijn van een transparante procedure die is gebaseerd op objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria.
Het staat aan de verwijzende rechter om te bepalen of die voorwaarden zijn vervuld.
(1) PB C 212 van 2.9.2006.
Full & Egal Universal Law Academy