26.1.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 22/8
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 22 november 2007 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Duitsland) — Deutsche Telekom AG/Bundesrepublik Deutschland
(Zaak C-262/06) (1)
(Telecommunicatiesector - Universele dienst en gebruikersrechten - Begrip „verplichtingen’ die als overgangsmaatregel moeten worden gehandhaafd - Artikel 27, eerste alinea, van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) en artikel 16, lid 1, sub a), van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) - Prijsstelling voor levering van spraaktelefoniediensten - Verplichting tot administratieve goedkeuring)
(2008/C 22/15)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Deutsche Telekom AG
Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesverwaltungsgericht — Uitlegging van artikel 27, eerste alinea, van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33), en van artikel 16, lid 1, sub a, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 51) — Begrip „verplichtingen” die door lidstaten als overgangsmaatregel moeten worden gehandhaafd — Reeds bestaande goedkeuringsregeling voor tarieven voor levering van spraaktelefoniediensten aan eindgebruikers door onderneming met machtspositie
Dictum
Artikel 27, eerste alinea, van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn), en artikel 16, lid 1, sub a, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn), moeten aldus worden uitgelegd dat een wettelijke verplichting — zoals die bedoeld in § 25 van het Telekommunikationsgesetz (Duitse telecommunicatiewet) van 25 juli 1996 — die door het nationale recht werd ingevoerd vóór de totstandkoming van het uit de genoemde richtlijnen voortvloeiende regelgevingskader, tot goedkeuring van de tarieven voor de levering van spraaktelefoniediensten aan eindgebruikers door ondernemingen met een machtspositie op de desbetreffende markt alsook de bestuurlijke handelingen ter uitvoering daarvan, tijdelijk moeten worden gehandhaafd.
(1) PB C 212 van 2.9.2006.
Full & Egal Universal Law Academy