23.2.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 51/18
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 18 december 2007 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation — Frankrijk) — Société Pipeline Méditerranée et Rhône (SPMR)/Administration des douanes et droits indirects, Direction nationale du renseignement et des enquêtes douanières (DNRED)
(Zaak C-314/06) (1)
(Richtlijn 92/12/EEG - Accijns - Minerale oliën - Verliezen - Vrijstelling van rechten - Overmacht)
(2008/C 51/29)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour de cassation
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Société Pipeline Méditerranée et Rhône (SPMR)
Verwerende partij: Administration des douanes et droits indirects, Direction nationale du renseignement et des enquêtes douanières (DNRED)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Cour de cassation — Uitlegging van artikel 14, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB L 76, blz. 1) — Vrijstelling van voorgeschreven rechten, in kader van schorsingsregeling, voor aan toevallige omstandigheden of aan gevallen van overmacht te wijten verliezen, alsook voor verliezen die inherent zijn aan aard van de producten tijdens het productie- en verwerkingsproces, de opslag en het vervoer — Toepasselijkheid van deze vrijstelling op het verlies van olieproducten ten gevolge van het lekken, en vervolgens barsten, van een door de erkende entrepothouder beheerde oliepijpleiding
Dictum
1)
Het begrip „overmacht” in de zin van artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994, heeft betrekking op abnormale en onvoorziene omstandigheden die zich buiten toedoen van de erkende entrepothouder hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. De voorwaarde dat de omstandigheden zich buiten toedoen van de erkende entrepothouder hebben voorgedaan, heeft niet alleen betrekking op omstandigheden die zich buiten hem hebben voorgedaan in materiële of fysieke zin, maar ook op omstandigheden die objectief lijken te ontsnappen aan de controle van de erkende entrepothouder of buiten de verantwoordelijkheidssfeer van deze laatste zijn gesitueerd.
2)
Het verlies van een deel van de uit een oliepijpleiding gelopen olieproducten dat is te wijten aan de vloeibare toestand van deze producten en aan de eigenschappen van de bodem waarin zij terecht zijn gekomen, waardoor dit deel niet kon worden teruggewonnen, kan niet worden beschouwd als „verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten” in de zin van artikel 14, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 92/12, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74.
(1) PB C 224 van 16.9.2006.
Full & Egal Universal Law Academy