23.2.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 51/19
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 13 december 2007 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf — Duitsland) — Bayerischer Rundfunk, Deutschlandradio, Hessischer Rundfunk, Mitteldeutscher Rundfunk, Norddeutscher Rundfunk, Radio Bremen, Rundfunk Berlin-Brandenburg, Saarländischer Rundfunk, Südwestrundfunk, Westdeutscher Rundfunk, Zweites Deutsches Fernsehen/GEWA — Gesellschaft für Gebäudereinigung und Wartung mbH
(Zaak C-337/06) (1)
(Richtlijnen 92/50/EEG en 2004/18/EG - Overheidsopdrachten voor dienstverlening - Publiekrechtelijke omroeporganisaties - Aanbestedende diensten - Publiekrechtelijke instellingen - Vereiste dat activiteit van omroep „in hoofdzaak door staat wordt gefinancierd’)
(2008/C 51/30)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Bayerischer Rundfunk, Deutschlandradio, Hessischer Rundfunk, Mitteldeutscher Rundfunk, Norddeutscher Rundfunk, Radio Bremen, Rundfunk Berlin-Brandenburg, Saarländischer Rundfunk, Südwestrundfunk, Westdeutscher Rundfunk, Zweites Deutsches Fernsehen
Verwerende partij: GEWA — Gesellschaft für Gebäudereinigung und Wartung mbH
In tegenwoordigheid van: Heinz W. Warnecke
Voorwerp
Verzoek om prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Düsseldorf — Uitlegging van artikel 1, lid 9, tweede alinea, sub c, en artikel 16, sub b, van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134 van 30 april 2004, blz. 114) — Gunning van schoonmaakdiensten door vereniging van indirect door de staat gefinancierde omroepen zonder formele Europese procedure van plaatsing van de opdracht — Begrip „aanbestedende dienst”
Dictum
1)
Artikel 1, sub b, tweede alinea, derde streepje, eerste variant, van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, moet aldus worden uitgelegd, dat de activiteiten van publiekrechtelijke omroeporganisaties als die in het hoofdgeding hoofdzakelijk worden gefinancierd door de staat wanneer zij hoofdzakelijk worden gefinancierd door een bijdrage ten laste van bezitters van een ontvangtoestel, die wordt opgelegd, berekend en geïnd volgens regels als die aan de orde in het hoofdgeding.
2)
Artikel 1, sub b, tweede alinea, derde streepje, eerste variant, van richtlijn 92/50 moet aldus worden uitgelegd, dat in geval van financiering van activiteiten van publiekrechtelijke omroeporganisaties zoals die in het hoofdgeding, op de wijze als uiteengezet in het kader van het onderzoek van de eerste prejudiciële vraag, de voorwaarde „door de staat gefinancierd” geen rechtstreekse tussenkomst van de staat of van andere overheden vereist bij de plaatsing van een opdracht als die in het hoofdgeding door dergelijke instellingen.
3)
Artikel 1, sub a-iv, van richtlijn 92/50 moet aldus worden uitgelegd dat enkel overheidsopdrachten met betrekking tot de in die bepaling vermelde diensten buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.
(1) PB C 281 van 18.11.2006.
Full & Egal Universal Law Academy