21.3.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 69/4
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 25 november 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven — Nederland) — Heemskerk BV, Firma Schaap/Productschap Vee en Vlees
(Zaak C-455/06) (1)
(Verordeningen (EG) nrs. 615/98, 1254/1999 en 800/1999 - Richtlijn 91/628/EEG - Restituties bij uitvoer - Bescherming van runderen tijdens vervoer - Bevoegdheid van bestuursorgaan van lidstaat om in afwijking van verklaring van officiële dierenarts te besluiten dat vervoermiddel waarmee dieren worden getransporteerd niet in overeenstemming is met communautaire voorschriften - Bevoegdheid van rechters van lidstaten - Ambtshalve toetsing van gronden ontleend aan gemeenschapsrecht - Nationale regel die reformatio in peius verbiedt)
(2009/C 69/05)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Heemskerk BV, Firma Schaap
Verwerende partij: Productschap Vee en Vlees
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — College van Beroep voor het bedrijfsleven — Uitlegging van artikel 2, lid 2, van verordening (EG) nr. 615/98 van de Commissie van 18 maart 1998 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan (PB L 82, blz. 19), van artikel 33, lid 9, van verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 160, blz. 21), van richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG (PB L 340, blz. 17), en van verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11) — Bevoegdheid van bestuursorgaan van lidstaat om in afwijking van verklaring van officiële dierenarts te besluiten dat vervoermiddel niet in overeenstemming is met bepalingen van gemeenschapsrecht — Beoordeling op basis van criteria van betrokken lidstaat dan wel van vlagstaat van vaartuig waarmee de dieren worden vervoerd — Bevoegdheden van rechterlijke instanties van lidstaten
Dictum
1)
Verordening (EG) nr. 615/98 van de Commissie van 18 maart 1998 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan, en met name de artikelen 1 en 5, leden 3 en 7, ervan, moeten aldus worden uitgelegd, dat de op het gebied van uitvoerrestituties bevoegde nationale autoriteit mag vaststellen dat bij een dierentransport de voorschriften van richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29/EG van de Raad van 29 juni 1995, niet zijn nageleefd, terwijl door de officiële dierenarts overeenkomstig artikel 2, lid 3, van diezelfde verordening is verklaard dat het transport wel met de voorschriften van voornoemde richtlijn in overeenstemming was. Om tot deze conclusie te komen dient deze autoriteit zich te baseren op objectieve gegevens die verband houden met het welzijn van de dieren en waardoor de door de exporteur overgelegde documenten in twijfel worden getrokken, tenzij deze laatste in voorkomend geval aantoont dat de gegevens die de bevoegde autoriteit aandraagt voor de conclusie dat richtlijn 91/628, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29, niet is nageleefd, niet ter zake dienend zijn.
2)
Wanneer een schip door de bevoegde autoriteit van de vlaglidstaat voor een bepaalde oppervlakte is erkend voor het transport van dieren, dient de bevoegde autoriteit van de lidstaat van uitvoer zich bij de beoordeling of de communautaire voorschriften inzake het welzijn van de dieren tijdens hun transport, zijn nageleefd, op deze erkenning te baseren.
3)
De zinsnede „is voldaan aan de voorschriften van de Gemeenschap inzake het welzijn van dieren” in artikel 33, lid 9, van verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer is vastgesteld dat de in punt 47 B van hoofdstuk VI van de bijlage bij richtlijn 91/628, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29, voorziene communautaire vereisten inzake beladingsdichtheid tijdens het transport van de dieren niet zijn nageleefd, de slotsom in beginsel dient te luiden dat deze voorschriften niet zijn nageleefd voor alle getransporteerde levende dieren.
4)
Het gemeenschapsrecht verplicht de nationale rechter niet om een bepaling van het gemeenschapsrecht ambtshalve toe te passen, wanneer een dergelijke toepassing zou meebrengen dat hij het in het toepasselijke nationale recht verankerde beginsel van het verbod van reformatio in peius doorbreekt.
(1) PB C 20 van 27.1.2007.
Full & Egal Universal Law Academy