23.2.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 51/24
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 13 december 2007 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Hoge Raad der Nederlanden) — Staatssecretaris van Financiën/Road Air Logistics Customs BV
(Zaak C-526/06) (1)
(Communautair douanewetboek en uitvoeringsverordening - Communautair douanevervoer - Inbreuk - Bewijs van regelmatigheid van douanevervoer of van plaats van overtreding - Verzuim om termijn van drie maanden voor levering van dat bewijs toe te kennen - Terugbetaling van douanerechten - Begrip „wettelijk verschuldigd’)
(2008/C 51/39)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Staatssecretaris van Financiën
Verwerende partij: Road Air Logistics Customs BV
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van artikel 236 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), en van artikel 379 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (PB L 253, blz. 1) — Terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten — Niet wettelijk verschuldigd bedrag — Vaststelling van de plaats van het ontstaan van de douaneschuld
Dictum
Artikel 236, lid 1, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat de nationale douaneautoriteiten niet overeenkomstig artikel 379 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92, de plaats waar de douaneschuld is ontstaan hebben bepaald, niet tot gevolg heeft dat het bedrag van de douanerechten niet wettelijk verschuldigd is.
De lidstaat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert kan evenwel slechts tot inning van de invoerrechten overgaan wanneer hij overeenkomstig artikel 379, lid 2, van verordening nr. 2454/93 de aangever heeft gewezen op de mogelijkheid om binnen een termijn van drie maanden het bewijs te leveren van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, en mits dat bewijs niet binnen die termijn is geleverd.
(1) PB C 42 van 24.2.2007.
Full & Egal Universal Law Academy