CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 6 maart 2007 (1)
Zaak C‑1/06
Bonn Fleisch Ex- und Import GmbH
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
[Verzoek om een prejudiciële beslissing door Finanzgericht Hamburg (Duitsland)]
„Uitvoer – Stelsel voor uitvoerrestituties bij landbouwproducten – Artikel 47, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3665/87 – Overlegging van het bewijs van de uitvoer van producten – Overlegging van gelijkwaardige bewijsstukken – Ambtshalve erkenning van bewijsstukken als gelijkwaardig zonder uitdrukkelijk verzoek tot een dergelijke erkenning”
I – Inleiding
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft enerzijds betrekking op de vraag of de bevoegde nationale instantie in het kader van de procedure voor de toekenning van uitvoerrestituties conform artikel 47, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten(2) (hierna: „verordening nr. 3665/87”), ook ambtshalve verplicht is om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen, indien de exporteur als gevolg van omstandigheden die niet aan hem zijn toe te rekenen, het controle-exemplaar T 5 niet kan overleggen. Anderzijds betreft de prejudiciële verwijzing de vraag of een exporteur een verzoek tot erkenning van andere stukken als gelijkwaardig conform artikel 47, lid 3, van deze verordening ook impliciet uit voorzorg kan doen.
2. De vragen inzake de uitlegging van artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 zijn gerezen in een bij het Finanzgericht Hamburg aanhangig geding tussen Bonn Fleisch Ex- und Import GmbH (hierna: „Bonn Fleisch”) en Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: „Hauptzollamt”). Daarin gaat het om de rechtmatigheid van terugvorderingsbeschikkingen betreffende de voorfinanciering van uitvoerrestituties, gegrond op de bewering dat de producten niet binnen de termijn van 60 dagen zouden zijn uitgevoerd uit het douanegebied van de Gemeenschap naar Rusland.
II – Juridische context
A – Gemeenschapsrecht
3. Verordening nr. 3665/87, die onder meer is gewijzigd door verordening nr. 1829/94 van de Commissie en laatstelijk door verordening (EG) nr. 604/98 van de Commissie, omvatte de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de uitvoer van landbouwproducten waarvoor restituties worden toegekend. Deze verordening werd ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten(3), welke verordening in werking is getreden op 1 juli 1999.
4. Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3665/87 luidt:
„Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 16, mag de restitutie slechts worden uitbetaald als het bewijs is geleverd dat de producten waarvoor de uitvoeraangifte is aanvaard, uiterlijk zestig dagen na die aanvaarding in ongewijzigde staat het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.”
5. Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3665/87 luidt:
„Indien een product waarvoor de aangifte ten uitvoer is aanvaard, alvorens het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten, over een ander communautair grondgebied dan dat van de lidstaat op het grondgebied waarvan die aangifte is aanvaard wordt vervoerd, wordt het bewijs dat dit product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, geleverd door overlegging van het naar behoren ingevulde origineel van het controle-exemplaar T 5 bedoeld in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2823/87.”
6. Artikel 47 van verordening nr. 3665/87, dat onderdeel is van Titel 4 („Procedure voor de restitutiebetaling”), luidt:
„1. De restitutie wordt slechts op schriftelijk verzoek van de exporteur betaald door de lidstaat op het grondgebied waarvan de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld.
[...]
2. Het dossier voor de betaling van de restitutie of het vrijgeven van de zekerheid moet, behalve in geval van overmacht, worden ingediend binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard.
3. Wanneer het in artikel 6 bedoelde controle-exemplaar T 5 als gevolg van omstandigheden die niet aan de exporteur zijn toe te rekenen, niet binnen drie maanden na afgifte bij het kantoor van vertrek of bij de centraliserende instantie is terugontvangen, kan de exporteur bij de bevoegde instantie een met redenen omkleed en van bewijsstukken vergezeld verzoek indienen om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen.
De bij dit verzoek over te leggen bewijsstukken zijn:
a) wanneer als bewijs dat de producten het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, een controle-exemplaar is afgegeven:
– het vervoerdocument
en
– een document waaruit blijkt dat het product bij een douanekantoor van een derde land is aangeboden, of een of meer van de in artikel 18, leden 1, 2 en 4, bedoelde documenten;
[...]
De in lid 4 vastgestelde bepalingen zijn voor het leveren van een gelijkwaardig bewijs van toepassing.
4. Wanneer de op grond van artikel 18 vereiste documenten niet binnen de in lid 2 voorgeschreven termijn kunnen worden overgelegd, kunnen de exporteur, wanneer hij zich de nodige moeite heeft gegeven om de documenten binnen die termijn te verkrijgen en mede te delen, bijkomende termijnen worden toegestaan om deze documenten over te leggen.
5. Het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet vergezeld van bewijsstukken, en het in lid 4 bedoelde verzoek om bijkomende termijnen, moeten binnen de in lid 2 bedoelde termijn worden ingediend.”
7. Artikel 54, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 800/1999 bepaalt dat verordening nr. 3665/87 evenwel van toepassing blijft op de uitvoer waarvoor de aangifte ten uitvoer vóór het van toepassing worden van deze verordening is aanvaard.
B – Nationaal recht
8. De Duitse Ausfuhrerstattungsverordnung (restitutieverordening) van 24 mei 1996(4) (hierna: „AEVO”) omvat de volgende bepalingen inzake de uitvoerrestitutie.
9. § 1 AEVO bepaalt dat de AEVO geldt voor de toepassing van de rechtsinstrumenten die de Europese Gemeenschap in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen en handelsregelingen heeft vastgesteld met betrekking tot uitvoerrestituties.
10. Krachtens § 3, lid 1, AEVO in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 800/1999, moet als document in de zin van artikel 3, lid 5, van verordening nr. 3665/87, in de op het betrokken tijdstip geldende versie, het door het Bundesministerium der Finanzen voor dit doel in de Vorschriftensammlung Bundesfinanzverwaltung – Amtsblatt des Bundesministeriums der Finanzen – (VSF) als „aangifte ten uitvoer (toegevoegd blad) voor EG-restituties” gepubliceerde uniforme formulier (aangifte ten uitvoer voor restitutiedoeleinden) worden gebruikt.
11. § 4, leden 1 en 2, AEVO in de versie die gold vóór inwerkingtreding van verordening nr. 800/1999, luidt:
„1. De bevestiging dat de goederenzending het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten (uitgangsbevestiging) wordt door het overeenkomstig artikel 793, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93 aangewezen douanekantoor van uitgang binnen de werkingssfeer van deze verordening in de aangifte ten uitvoer voor restitutiedoeleinden gegeven.
2. Bij goederenzendingen waarvoor de aangifte ten uitvoer in een andere lidstaat van de Europese Unie is aanvaard, wordt de uitgangsbevestiging door het bevoegde douanekantoor van uitgang binnen de werkingssfeer van deze verordening op het controle-exemplaar T 5 gegeven.”
III – Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
A – Feiten
12. Bij het Finanzgericht Hamburg is een geding aanhangig tussen Bonn Fleisch en het Hauptzollamt met betrekking tot de rechtmatigheid van de aan Bonn Fleisch gerichte terugvorderingsbeschikkingen.
13. In december 1997 respectievelijk januari 1998 liet Bonn Fleisch, onder verwijzing naar de latere uitvoer van de goederen naar Rusland, rundvlees overbrengen naar douane-entrepots, en ontving zij overeenkomstig de aanvragen, bij vier restitutiebeschikkingen van 21 januari 1998 respectievelijk 23 januari 1998 bij wege van voorfinanciering restitutie ten bedrage van in totaal 47 597,81 EUR.
14. Op 8 april 1998 heeft Bonn Fleisch de aangifte ten uitvoer voor het rundvlees ingediend.
15. Op 9 april 1998 werd het vervoerdocument op het station van verzending te Mukran van een inklaringsbevestiging voorzien. Bonn Fleisch voerde ter terechtzitting voor het Hof aan, dat conform het schrijven van het douanekantoor Mukran van 13 oktober 2000 de uitvoerproducten op de juiste wijze bij dit douanekantoor zijn aangebracht.
16. Op een niet nader gespecificeerde datum stuurde het hoofddouanekantoor te Stralsund, waar het douanekantoor Mukran onder valt, de aangifte ten uitvoer per post aan het Hauptzollamt. Vaststaat echter dat deze voor de uitvoerrestitutie vereiste aangifte ten uitvoer in het dossier van het Hauptzollamt ontbreekt. Ter terechtzitting bij het Hof werd verklaard dat dit document vermoedelijk gedurende het ambtelijke proces verloren is geraakt.
17. Als datum van invoer tot verbruik van het door Bonn Fleisch uitgevoerde rundvlees werd op het Russische douanedocument van invoer 20 mei 1998 vermeld.
18. Op 13 juli 1998 diende Bonn Fleisch bij het Hauptzollamt het vervoerdocument, voorzien van de inklaringsbevestiging van 9 april 1998, en het Russische document van invoer, voorzien van de datum 20 mei 1998, in.
19. Op 21 juli 1998 en op 18 november 1999 stelde het Hauptzollamt Bonn Fleisch telefonisch ervan in kennis dat de aangifte ten uitvoer met de uitvoerbevestiging niet was binnengekomen.
20. Op 23 juni 2000 vorderde het Hauptzollamt bij vier beschikkingen de voorgefinancierde restitutie, vermeerderd met een toeslag van 20 % terug, op grond dat Bonn Fleisch de uitvoer van de goederen waarvoor restitutie kan worden verkregen, uit het douanegebied van de Gemeenschap binnen de voorgeschreven 60 dagen, niet aan de hand van de van de uitvoerbevestiging vergezelde aangifte ten uitvoer had aangetoond. In haar tegen deze beschikkingen gerichte bezwaar voert Bonn Fleisch aan, dat de aangifte ten uitvoer binnen de douane-administratie automatisch naar het betrokken Hauptzollamt wordt doorgestuurd. Bovendien bevat verordening nr. 3665/87 volgens Bonn Fleisch voor de exporteur geen verplichting tot overlegging van de aangifte ten uitvoer aan het betrokken Hauptzollamt.
21. Tijdens het verdere verloop van de bezwaarprocedure wees Bonn Fleisch er bij schrijven van 2 november 2000 op, dat zij het vervoerdocument en de douanedocumenten van invoer heeft ingediend bij schrijven van 13 juli 1998 en dus binnen de in artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 voorgeschreven termijn van twaalf maanden. De indiening van deze documenten impliceerde volgens haar tegelijkertijd het verzoek om deze documenten als bewijs van uitvoer van de goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap te erkennen, ingeval de aangifte ten uitvoer niet in het dossier zou zijn terechtgekomen. Uit voorzorg diende Bonn Fleisch opnieuw een verzoek in om het bij schrijven van 13 juli 1998 ingediende vervoerdocument en het douanedocument van invoer als gelijkwaardig te erkennen.
22. Het Hauptzollamt wees dit verzoek bij beschikking van 13 december 2001, onder verwijzing naar artikel 47, lid 5, van verordening nr. 3665/87, als te laat ingediend af. Ter motivering werd erop gewezen, dat een verzoek om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen, uitdrukkelijk gedaan moet worden, en dat het Hauptzollamt niet verplicht is ambtshalve bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen. Bonn Fleisch tekende tegen deze beschikking en tegen de beschikkingen van 23 juni 2000 bezwaar aan, dat bij beschikking op bezwaar van 20 februari 2003 werd afgewezen. Tegen deze afwijzende beschikking stelde Bonn Fleisch op 20 maart 2003 bij het Finanzgericht Hamburg beroep in.
B – Hoofdgeding en prejudiciële vragen
23. De verwijzende rechter gaat op grond van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3665/87 ervan uit dat de uitvoer van de producten binnen 60 dagen na de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer een materiële voorwaarde is en dat het aan de exporteur staat het bewijs van de uitvoer over te leggen en te leveren.
24. Ten aanzien van de bewijslast merkt de verwijzende rechter op dat voor het geval waarin goederen waarvoor restitutie kan worden verkregen, alvorens het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten, over een ander communautair grondgebied dan dat van de lidstaat van uitvoer worden vervoerd (transit of indirecte uitvoer), artikel 6 van verordening nr. 3665/87 bepaalt dat het bewijs van de uitvoer wordt geleverd door overlegging van het naar behoren ingevulde origineel van het controle-exemplaar T 5. Voor een rechtstreekse uitvoer – zoals in casu – heeft de gemeenschapswetgever evenwel niet geregeld hoe het bewijs van de uitvoer moet worden geleverd. De Duitse wetgever heeft deze lacune in de regeling opgevuld met § 4, lid 1, AEVO, volgens welke de bevestiging dat de goederenzending het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, wordt gegeven in de aangifte ten uitvoer voor restitutiedoeleinden.
25. De verwijzende rechter wijst er verder op dat het hoofdgeding wordt gekenmerkt door het feit dat Bonn Fleisch bij schrijven van 13 juli 1998, en dus binnen de in artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 voorgeschreven termijn van twaalf maanden, zowel het vervoerdocument als het Russische douanedocument van invoer heeft ingediend. Uit deze documenten blijkt overduidelijk dat de goederen waarvoor restitutie kan worden verkregen, binnen 60 dagen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten. Beide documenten zouden volgens de verwijzende rechter in beginsel kunnen worden aangemerkt als andere gelijkwaardige bewijsstukken als bedoeld in artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87. De verwijzende rechter neigt derhalve naar de opvatting dat de bevoegde autoriteit onder bepaalde voorwaarden ook ambtshalve andere bewijsstukken als gelijkwaardig kan erkennen.
26. Naar de opvatting van de verwijzende rechter bevat artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 als onderdeel van Titel 4 („Procedure voor de restitutiebetaling”) van deze verordening uitsluitend een procedurele norm en dus geen materiële voorwaarde voor aanspraken. Uit die bepaling kan niet worden afgeleid dat ambtshalve erkenning van andere bewijsstukken als gelijkwaardig a limine is uitgesloten.
27. Een verzoek om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen, kan volgens de verwijzende rechter alleen uitdrukkelijk worden gedaan. Dit sluit naar zijn opvatting echter niet uit, dat in een concreet geval sprake kan zijn van een impliciet verzoek uit voorzorg, voor zover de wil van de exporteur om door middel van andere gelijkwaardige documenten te bewijzen dat de goederen waarvoor restitutie kan worden verkregen, binnen de gestelde termijn het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, uit de omstandigheden van het specifieke geval duidelijk naar voren komt.
28. Gezien de twijfel omtrent de uitlegging van artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87, heeft het Finanzgericht Hamburg de procedure geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen verzocht:
„1) Kan en moet de bevoegde instantie op grond van artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 ook ambtshalve andere bewijsstukken als gelijkwaardig erkennen?
2) Kan een verzoek om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen overeenkomstig artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 ook impliciet uit voorzorg worden gedaan?”
IV – Beoordeling
A – Inzake de eerste prejudiciële vraag
1. Argumenten van partijen
29. Bonn Fleisch is van mening dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Dit bevestigende antwoord vloeit volgens haar voort uit de bewoordingen en de strekking en het doel van artikel 47, lid 3, van de verordening. Uit de bewoordingen van die bepaling kan niet worden afgeleid dat een verzoek van een exporteur de enige manier is om in een douaneprocedure te bewerkstelligen dat andere bewijsstukken als gelijkwaardig worden erkend. Op grond van de vijftigste overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 wordt met artikel 47, lid 3, beoogd de exporteur te beschermen tegen de risico’s van de administratieve verwerking van het controle-exemplaar, waar hij geen weet van heeft, die niet aan hem kunnen worden toegerekend en waar hij geen invloed op kan uitoefenen.
30. Het Hauptzollamt stelt voor om de eerste vraag ontkennend te beantwoorden. Het is van mening dat voor de bevoegde instantie geen algemene verplichting bestaat om te toetsen of de ingediende bewijsstukken gelijkwaardige documenten in de zin van artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 zijn. Voor een dergelijke toetsing is een uitdrukkelijk verzoek vereist.
31. De Helleense Republiek is van mening dat de voor de betaling bevoegde instantie ambtshalve bewijsstukken als gelijkwaardig kan erkennen, indien deze door de exporteur binnen de in artikel 47 van verordening nr. 3665/87 genoemde termijn van twaalf maanden zijn overgelegd en aan de materiële voorwaarden voor het recht op restitutie is voldaan. In een dergelijk geval komt uit de omstandigheden overduidelijk naar voren dat is verzocht om de overgelegde bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen.
32. De Commissie is van mening dat artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 niet per analogiam kan worden toegepast op het geval van een rechtstreekse uitvoer. Ter terechtzitting heeft de Commissie uiteengezet dat de exporteur bij een indirecte uitvoer wordt geconfronteerd met ten minste twee bestuursrechtelijke stelsels van verschillende lidstaten. Omdat bij een indirecte uitvoer de administraties van meerdere lidstaten en derhalve ook meerdere bestuursrechtelijke stelsels zijn betrokken, wordt met artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 beoogd eventuele belemmeringen in het kader van grensoverschrijdende administratieve procedures te voorkomen.
33. Volgens de Commissie leek het de gemeenschapswetgever daarentegen niet noodzakelijk om de procedurele bepalingen van de individuele lidstaten voor de rechtstreekse uitvoer te harmoniseren. In het geval van een rechtstreekse uitvoer ontbreekt naar de opvatting van de Commissie een grensoverschrijdend aanknopingspunt, waardoor de desbetreffende regeling tot de autonomie van de lidstaten behoort en om die reden in het Duitse recht § 4, lid 1, AEVO van toepassing is. Dit is ook niet anders onder de nieuwe verordening nr. 800/1999.
34. Indien het Hof desondanks tot de conclusie zou komen dat artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 per analogiam ook van toepassing is op een rechtstreekse uitvoer, stelt de Commissie zich subsidiair op het standpunt dat op grond van het algemene wettigheidsbeginsel, fouten van een overheidsorgaan geen nadelige gevolgen voor een marktdeelnemer mogen hebben, maar dat aan de exporteur juist de mogelijkheid moet worden geboden om op andere wijze het bewijs voor de uitvoer van de producten te leveren. Het bevoegde overheidsorgaan is derhalve verplicht om de documenten ambtshalve als gelijkwaardig te erkennen óf om de exporteur te wijzen op het ontbreken van het nationale document óf om de termijn voor het overleggen van de documenten te verlengen.
2. Standpunt van de advocaat-generaal
a) Toepassing van artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 ratione materiae op de rechtstreekse uitvoer
35. Hoewel in de nieuwere rechtspraak is vastgesteld dat het bij de bepalingen betreffende de betalingsprocedure slechts om administratieve formaliteiten gaat(5), moeten deze net zo serieus worden genomen als de materiële voorwaarden. Een niet-naleving van deze formaliteiten kan namelijk, net zoals een schending van de materiële voorwaarden, tot gevolg hebben dat de uitvoerrestitutie wordt verminderd of zelfs helemaal vervalt.(6)
36. Artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 verwijst met betrekking tot het controle-exemplaar T 5 naar artikel 6 van de verordening. Overeenkomstig artikel 6, lid 1, wordt het controle-exemplaar T 5 ratione materiae slechts toegepast in het geval van een indirecte uitvoer.
37. Een essentiële feitelijke voorwaarde voor een indirecte uitvoer is, dat een product waarvoor de aangifte ten uitvoer is aanvaard, alvorens het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten, over een ander communautair grondgebied wordt vervoerd dan dat van de lidstaat waar de aanvaarding van de uitvoeraangifte is geschied.
38. De rechtstreekse uitvoer(7) wordt in artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 niet genoemd. Uit de feitelijke omstandigheden van het onderhavige geval blijkt overduidelijk dat het rundvlees rechtstreeks uit Duitsland naar Rusland werd uitgevoerd. De producten zijn niet door andere gebieden van de Gemeenschap vervoerd dan dat van de lidstaat op wiens grondgebied de uitvoeraangifte is aanvaard.
39. Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of de toepassing van artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 in het geval van een rechtstreekse uitvoer dient te worden afgewezen of dat artikel 47, lid 3, van deze verordening van overeenkomstige toepassing is op het geval van een rechtstreekse uitvoer.
40. Uit het feit dat artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 de rechtstreekse uitvoer niet noemt, kan echter niet worden afgeleid dat hier sprake is van een lacune. Voor de administratieve verwerking van de rechtstreekse uitvoer enerzijds en van de indirecte uitvoer anderzijds, gelden verschillende procedures die niet op dezelfde feitelijke gang van zaken berusten. In het geval van een rechtstreekse uitvoer hebben de exporteurs te maken met de douaneautoriteiten van slechts één lidstaat; het douanekantoor van vertrek en het douanekantoor van uitgang liggen dus in dezelfde lidstaat.
41. In het geval van een indirecte uitvoer worden marktdeelnemers echter niet alleen geconfronteerd met het bestuursrechtelijk systeem van het land van herkomst, maar ook met nog ten minste één ander bestuursrechtelijk systeem van een andere lidstaat. Het uniforme controle-exemplaar T 5 wordt verwerkt door een buitenlands douanekantoor van uitgang, dus het douanekantoor van uitgang van een andere lidstaat, en door de bevoegde instantie van het land van herkomst. Dit douanekantoor van uitgang overhandigt het controle-exemplaar T 5 niet aan de exporteur, maar zorgt voor de toezending daarvan aan de centraliserende instantie van het land van herkomst.(8) Derhalve dient ervan te worden uitgegaan dat artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 beoogt de administratieve belemmeringen die marktdeelnemers in het kader van administratieve procedures van meer dan één lidstaat kunnen ondervinden, te voorkomen.
42. Om die reden moet de opvatting van de Commissie worden gevolgd, dat artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 niet per analogiam van toepassing is op het geval van een rechtstreekse uitvoer van producten.
b) Inzake de vraag of de bevoegde instantie ook ambtshalve andere bewijsstukken als gelijkwaardig kan en moet erkennen
43. Deze vraag heeft uitsluitend betrekking op het bewijs van de uitvoer en niet op de materiële voorwaarden van een uitvoer. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de exporteur voor de betaling van de uitvoerrestitutie volgens de rechtsleer niet alleen naar behoren moet voldoen aan de hiervoor vereiste materiële voorwaarden, maar zich bovendien ook aan de regels van de betalingsprocedure moet houden.(9)
44. De toekenning van uitvoerrestituties is conform de derde overweging van de considerans(10) nauw verbonden met het bewijs dat de producten de Gemeenschap hebben verlaten. De ratio legis is dienovereenkomstig de uitvoer van de producten uit het douanegebied van de Gemeenschap.
45. In het geval van een indirecte uitvoer wordt het bewijs geleverd door overlegging van het controle-exemplaar T 5. Daarbij gaat het om het originele bewijs van de uitvoer, dat wordt geleverd door de bevestiging door het douanekantoor van uitgang.(11) Maar omdat dit controle-exemplaar buiten de wil van de exporteur om, op enig moment gedurende het douaneproces in de verschillende lidstaten verloren kan raken, voorziet verordening nr. 3665/87 in de mogelijkheid om documenten als gelijkwaardig te erkennen, die conform de 49e (in de Duitse versie de vijftigste) overweging van de considerans(12) van de verordening aan de exporteur ter beschikking staat om hem te beschermen tegen nadelen die op grond van foutieve ambtelijke handelingen van een douanekantoor kunnen ontstaan. De exporteur kan daarom het bewijs van de uitvoer in het kader van een erkenningsprocedure leveren, dus door overlegging van het vervoerdocument en het douanedocument van invoer van het derde land(13) binnen de voorgeschreven termijn van twaalf maanden. Benadrukt dient te worden dat, zowel voor het verzoek als ook voor de erkenning van documenten als gelijkwaardig, is vereist dat aan de materiële voorwaarden van de uitvoer is voldaan.
46. Indien op grond van andere dan de geformaliseerde bewijzen vaststaat dat aan de materiële voorwaarden voor het recht op restitutie is voldaan, moet het beroep op het ontbreken van het geformaliseerde bewijs, zoals het controle-exemplaar T 5, worden beschouwd als puur formalisme en derhalve als onrechtmatig.(14)
47. De materiële voorwaarden voor een recht op restitutie zijn vastgelegd door de gemeenschapswetgever. Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bepaalt dat het bewijs moet worden geleverd dat aan twee voorwaarden voor het recht op restitutie is voldaan, namelijk enerzijds de aanvaarding van de uitvoeraangifte en anderzijds het feit dat de uit te voeren producten het douanegebied van de Gemeenschap uiterlijk 60 dagen na deze aanvaarding in ongewijzigde staat hebben verlaten.
48. Bij de rechtstreekse uitvoer eist Duitsland, dat het bewijs voor de materiële voorwaarden van het recht op restitutie wordt geleverd door een nationaal uitvoerdocument. In een dergelijk geval wordt dit nationale document door het nationale douanekantoor van uitgang rechtstreeks gezonden aan de nationale centraliserende instantie, in casu het Hauptzollamt. Derhalve kan de exporteur ook in het geval van een rechtstreekse uitvoer geen invloed uitoefenen op de documenten.
49. In de onderhavige zaak gaat het om het geval, dat de nationale wetgever in de Duitse AEVO voor een louter interne situatie, namelijk het geval van een rechtstreekse uitvoer, verwijst naar de inhoud van een gemeenschapsrechtelijke bepaling.(15) Ofschoon de vragen in de onderhavige zaak de rechtstreekse uitvoer betreffen en artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 niet relevant is, hebben de uitleggingsvragen waarvoor de verwijzende rechter het Hof om een antwoord heeft verzocht, derhalve in wezen betrekking op het bij verordening nr. 3665/87 geregelde stelsel van uitvoerrestituties.
50. Wanneer de door de nationale rechter gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht, is het Hof volgens vaste rechtspraak in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Noch uit de tekst van artikel 234 EG noch uit het doel van de bij dit artikel gecreëerde procedure blijkt namelijk dat volgens de bedoeling van de opstellers van het Verdrag het Hof niet bevoegd is ter zake van prejudiciële verwijzingen betreffende een bepaling van gemeenschapsrecht waarnaar het nationale recht van een lidstaat verwijst ter bepaling van de regels die op een louter interne situatie van die lidstaat van toepassing zijn.(16)
51. Wanneer een nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor zuiver interne situaties conformeert aan de in het gemeenschapsrecht gekozen oplossingen, teneinde inzonderheid discriminaties of eventuele distorsies van de mededinging te voorkomen, heeft de Gemeenschap er immers stellig belang bij dat, ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst, de overgenomen bepalingen of begrippen van het gemeenschapsrecht op eenvormige wijze worden uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden.(17)
52. De bevoegde centraliserende instantie, in casu het Hauptzollamt, is bevoegd voor het erkennen van bewijsstukken als gelijkwaardige documenten. Het gaat daarbij om een administratieve procedure.(18) In zoverre verschilt de onderhavige zaak van de gevoegde zaken C‑430/93 en C‑431/93, waarin het Hof vragen met betrekking tot de nationale gerechtelijke procedure heeft behandeld.(19)
53. In het arrest C‑430/93 en C‑431/93 werd de vraag opgeworpen of een rechter verplicht is de gemeenschapsrechtelijke bepalingen ambtshalve toe te passen, wanneer hij daarbij de hem passende lijdelijkheid zou moeten verzaken door buiten de rechtsstrijd van partijen te treden en zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de partij die bij de toepassing belang heeft, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.(20) Deze rechtspraak kan echter niet zonder meer worden toegepast op de onderhavige zaak, omdat het hier gaat om een administratieve douaneprocedure, die op andere wetmatigheden berust dan de gerechtelijke procedure.
54. Een administratieve procedure kan, voor zover niet uitdrukkelijk anders is bepaald, zowel ambtshalve als op verzoek aanhangig worden gemaakt.(21) In de rechtsleer wordt benadrukt dat het alleen dan uitgesloten is om een administratieve procedure ambtshalve aanhangig te maken, wanneer de administratieve procedure uitsluitend op verzoek van partijen kan worden ingeleid.(22) Om die reden moet de opvatting van de verwijzende rechter worden gevolgd, dat de ambtshalve erkenning van bewijsstukken als gelijkwaardige documenten niet a limine uitgesloten is.
55. Ook indien de administratieve procedure op verzoek van een partij aanhangig is gemaakt, moet de bevoegde instantie volgens het inquisitiebeginsel ambtshalve onderzoeken of daadwerkelijk sprake is van de voor de beslissing relevante feiten.(23) De voor de civiele procedure kenmerkende substantiëringsplicht (Beibringungsgrundsatz), die betekent dat de partijen de feiten van het geschil aanbrengen in de vorm en de omvang die zij wensen, waardoor zij het voorwerp ervan afbakenen en de rechter binden, die secundum allegata et probata partium (overeenkomstig de stellingen en de bewijzen van partijen) uitspraak moet doen(24), geldt in een administratieve douaneprocedure niet. Integendeel, het ligt op de weg van het overheidsorgaan om de voor de beslissing relevante feiten vast te stellen.(25) Het bepaalt de aard en de omvang van het onderzoek en in het bijzonder ook, of en welke bewijsmiddelen moeten worden gebruikt. De partijen kunnen een bewijsaanbod doen, waar het overheidsorgaan echter niet aan gebonden is. Het kan een dergelijk bewijsaanbod van de partijen afwijzen en ook andere bewijsmiddelen aanvoeren. Het overheidsorgaan mag evenwel niet eenzijdig optreden, maar is verplicht om alle voor het concrete geval relevante gegevens te verzamelen en daar rekening mee te houden.(26)
56. De vraag naar het aanhangig maken van de procedure voor de erkenning van bepaalde documenten als gelijkwaardig, moet onder dit gezichtspunt worden beoordeeld.
57. Het stelsel van de toekenning van uitvoerrestituties wordt met name gekenmerkt door het feit dat de communautaire steun enkel wordt toegekend op voorwaarde dat de exporteur hiervoor een aanvraag indient.(27) Aangezien het stelsel berust op facultatieve verklaringen, moet de exporteur, wanneer hij uit eigen beweging heeft besloten hierop een beroep te doen, de relevante gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op restitutie.(28) Op eenzelfde wijze bepaalt § 16, lid 1, tweede zin, AEVO dat de verzoeker moet stellen en bewijzen dat hij aan de voorwaarden voor het recht op restitutie heeft voldaan. Deze plicht tot het leveren van bewijs verandert evenwel niets aan de verplichting van het douanekantoor om de relevante feiten ambtshalve te onderzoeken.
58. Relevante gegevens in de zin van deze rechtspraak zijn het vervoerdocument en het douanedocument van invoer van het derde land, indien het controle-exemplaar T 5 of het nationale douanedocument als gevolg van omstandigheden die niet aan de exporteur zijn toe te rekenen, niet in het dossier is opgenomen. Door middel van deze documenten kan eenvoudig worden bewezen dat de producten het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten en dat zij bij een douanekantoor van een derde land zijn aangeboden. In een dergelijk geval is aan de materiële voorwaarden voor het recht op restitutie voldaan. Na toezending van deze documenten kan de bevoegde instantie dus ambtshalve de procedure tot erkenning van deze stukken als gelijkwaardige documenten inleiden. Indien de exporteur de vereiste documenten indient, kan daaruit, ook in een bulkprocedure, worden afgeleid dat hij in het kader van de normale gang van zaken probeert het bewijs van de uitvoer te leveren.
59. Dit betekent evenwel niet dat exporteurs onvolledige verzoeken mogen indienen.
60. Het begrip bewijs is voor het geval van een rechtstreekse uitvoer niet in het gemeenschapsrecht geregeld. Derhalve zijn alle bewijsmiddelen die het Duitse procesrecht in soortgelijke procedures kent, in beginsel ontvankelijk. Het staat dus aan de nationale instanties om in een geval zoals het onderhavige volgens de beginselen van hun nationale bewijsrecht te bepalen of in het concrete geval dat hun is voorgelegd, het bewijs van de rechtstreekse uitvoer is geleverd.(29) Het vervoerdocument voorzien van de inklaringsbevestiging van 9 april 1998 en het Russische douanedocument van invoer met de datum 20 mei 1998 zijn mijns inziens bewijsmiddelen waarmee kan worden aangetoond dat aan de materiële voorwaarden voor het recht op restitutie is voldaan.
61. De gelijkwaardige bewijsstukken moeten – en in zoverre ben ik het met de Griekse regering eens – binnen de voorgeschreven termijn van twaalf maanden na de dag van de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer van artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 worden ingediend.
62. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de eerste vraag van de verwijzende rechter aldus te beantwoorden dat artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3365/87 niet van toepassing is op het geval van een rechtstreekse uitvoer van producten. De bevoegde nationale instantie kan echter in het geval van een rechtstreekse uitvoer ambtshalve een procedure tot erkenning als gelijkwaardige bewijsstukken inleiden, voor zover is voldaan aan de volgende voorwaarden:
– het nationale uitvoerdocument kan als gevolg van omstandigheden die niet aan de betrokkene zijn toe te rekenen, niet worden overgelegd;
– de ter beschikking gestelde bewijzen moeten worden ingediend binnen de in artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 voorgeschreven termijn van twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard;
– met de overgelegde documenten wordt het eenduidige bewijs geleverd dat aan de materiële voorwaarden voor de betaling van de uitvoerrestitutie is voldaan. Een dergelijk eenduidig bewijs kan door middel van het vervoerdocument en het douanedocument van het derde land worden geleverd.
B – Inzake de vraag of een verzoek om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen, ook impliciet uit voorzorg kan worden gedaan
1. Argumenten van partijen
63. Bonn Fleisch voert aan dat een verzoek om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen, ook impliciet uit voorzorg kan worden gedaan, omdat artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 niet bepaalt in welke vorm een dergelijk verzoek moet worden ingediend. Volgens Bonn Fleisch is derhalve alleen vereist dat voldoende duidelijk is dat de exporteur een erkenning van bewijsstukken als gelijkwaardig wenst. Naar haar opvatting staat verordening nr. 3665/87 niet in de weg aan de mogelijkheid om een dergelijk verzoek impliciet uit voorzorg te doen.
64. Het Hauptzollamt voert aan dat de erkenning van bewijsstukken als gelijkwaardig in het algemeen alleen op verzoek mogelijk is. In een specifiek geval kan een in verband met de toezending van bewijsstukken afgegeven verklaring weliswaar impliciet als een dergelijk verzoek worden uitgelegd, maar daarbij moet de feitelijke wil van de verzoeker volgens het beginsel van de goede trouw met inachtneming van de wederzijds bindende gebruiken eenduidig kunnen worden vastgesteld. Dit is volgens het Hauptzollamt in het onderhavige geval evenwel niet mogelijk. Enerzijds kan uit de toezending van het vervoerdocument en het douanedocument van het derde land niet worden afgeleid of daarmee ook een verzoek om deze bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen wordt gedaan. Voorts dient rekening te worden gehouden met het feit dat het bij de procedure van de uitvoerrestituties om bulkprocedures gaat, waarbij de uitlegging van verklaringen alleen mogelijk is indien daarvoor gegronde redenen bestaan. Volgens het Hauptzollamt moet daarom het aanvaarden van een impliciet verzoek uit voorzorg door de eenvoudige toezending van de betreffende documenten worden afgewezen.
65. Griekenland is van mening dat, voor zover uit de overgelegde documenten eenduidig blijkt dat het door de verordening beoogde doel is bereikt, het feit dat de exporteur geen uitdrukkelijk of formeel verzoek heeft ingediend om de documenten als gelijkwaardig te erkennen, niet tot gevolg kan hebben dat de exporteur geen uitvoerrestitutie ontvangt, terwijl aan de materiële voorwaarden voor de toekenning hiervan is voldaan. Volgens de Griekse regering zou niet mogen worden vergeten dat de exporteur geen zekere kennis van het tijdstip van de terugzending van het controle-exemplaar T 5 aan het douanekantoor van uitgang of aan de betalingsinstantie kan hebben. Om die reden mag niet worden uitgesloten dat de exporteur, om zijn belangen te vrijwaren, het verzoek om de bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen, uit voorzorg kan doen, voor het geval dat het controle-exemplaar T 5 niet wordt teruggezonden.
66. De Commissie herinnert eraan dat artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 niet van toepassing is op de rechtstreekse uitvoer van producten.
2. Standpunt van de advocaat-generaal
67. Uit de argumenten van partijen blijkt, dat partijen niet betwisten dat het theoretisch mogelijk is om een impliciet verzoek in te dienen om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen. Partijen verschillen van mening over de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voordat de bevoegde instantie een handeling van de verzoeker als een impliciet verzoek uit voorzorg kan beschouwen.
68. Ook een impliciet verzoek om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen, is een wilsverklaring waarvan de inhoud echter nog moet worden uitgelegd. Binnen het gemeenschapsrecht moet voor de uitlegging van wilsverklaringen op de algemene rechtsbeginselen worden teruggegrepen. Bepalingen met betrekking tot de algemene rechtsbeginselen betreffende de uitlegging van wilsverklaringen zijn te vinden in hoofdstuk 5, „Uitlegging”, van het werk Principles of European Contract Law.(30) Dit werk behandelt de gemeenschappelijke kern van het contractenrecht van de lidstaten.
69. Indien een impliciet verzoek wordt gedaan, moet het mogelijk zijn de inhoud daarvan af te leiden uit de begeleidende omstandigheden.
70. In het recht van de lidstaten wordt bij de bepaling van de wil over het algemeen een combinatie van de subjectieve en de objectieve benadering toegepast.(31)
71. Volgens de subjectieve benadering is primair vereist dat het door de partij met de wilsverklaring beoogde doel kan worden vastgesteld. In deze zaak wordt het subjectieve element gevormd door het verzoek tot betaling van de uitvoerrestitutie. Wanneer een exporteur om betaling van de uitvoerrestitutie verzoekt, ligt het binnen de gewone gang van zaken dat hij a maiori ad minus met dit verzoek ook elk voor de toekenning daarvan nodig tussenverzoek heeft gedaan. De procedure tot erkenning van andere bewijsstukken als gelijkwaardig, is een tussenstap binnen de procedure van de betaling van de uitvoerrestitutie, waardoor de voorvraag wordt beantwoord of het voor de uitvoerrestitutie noodzakelijke bewijs is geleverd. Zonder de desbetreffende hoofdprocedure kan een dergelijke tussenprocedure noch uitdrukkelijk noch impliciet worden ingesteld. Daarom is in verband met het subjectieve element van het verzoek vereist dat een procedure voor de betaling van de uitvoerrestituties aanhangig is en dat de procedure tot erkenning van andere bewijsstukken als gelijkwaardige documenten in het kader van de aanhangige uitvoerrestitutieprocedure wordt ingesteld.
72. Het bijkomende objectieve element betrekt bij de uitlegging de wederzijds bindende gebruiken, dat wil zeggen hetgeen in de praktijk gebruikelijk is of hetgeen een objectieve derde op grond van deze gebruiken redelijk acht.(32)
73. Dat de tussenstap nodig is, blijkt uit het feit dat het nationale uitvoerdocument of het controle-exemplaar T 5 als gevolg van omstandigheden die niet aan de betrokkene zijn toe te rekenen, niet is opgenomen in het dossier van de bevoegde instantie. Het eerste objectieve element is dus het feit dat het nationale uitvoerdocument of het controle-exemplaar T 5 als gevolg van omstandigheden die niet aan de betrokkene zijn toe te rekenen, niet in het dossier van de bevoegde instantie te vinden is.
74. Een tweede objectief element is de inachtneming van de termijn van twaalf maanden waarbinnen het verzoek tot erkenning van de bewijsstukken als gelijkwaardig moet worden gedaan; dit criterium kan worden afgeleid uit artikel 47, lid 5, van verordening nr. 3665/87. Derhalve dient een impliciet verzoek binnen deze termijn te worden gedaan.
75. In dat verband moet ervan worden uitgegaan dat enerzijds het bewijs dat de producten het douanegebied van de Gemeenschap binnen 60 dagen na de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer in ongewijzigde staat hebben verlaten, en anderzijds het bewijs dat de producten aan een douanekantoor van een derde land zijn aangeboden, geschikte middelen zijn om aan te tonen dat aan de materiële voorwaarden voor het recht op restitutie is voldaan.
76. Wanneer ten minste is voldaan aan deze vier vereisten, zal een objectieve derde op grond van de wederzijds bindende gebruiken er redelijkerwijs van uitgaan dat een exporteur met betrekking tot de uitvoerrestitutie uit voorzorg impliciet een verzoek tot erkenning van andere bewijsstukken als gelijkwaardig heeft ingediend.
77. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de tweede vraag aldus te beantwoorden dat een verzoek om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen in het geval van een rechtstreekse uitvoer, waarop artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 niet van toepassing is, ook impliciet uit voorzorg kan worden gedaan, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
– conform artikel 47, lid 1, van verordening nr. 3665/87 werd een verzoek tot betaling van uitvoerrestituties gedaan;
– het nationale uitvoerdocument is als gevolg van omstandigheden die niet aan de betrokkene zijn toe te rekenen, niet opgenomen in het dossier van de bevoegde instantie;
– de overgelegde bewijsstukken werden ingediend binnen de in artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 voorgeschreven termijn van twaalf maanden na de dag van de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer;
– door middel van de overgelegde bewijsstukken kan worden aangetoond dat de producten binnen 60 dagen na de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer het douanegebied van de Gemeenschap in ongewijzigde staat hebben verlaten en dat de producten aan het douanekantoor van een derde land zijn aangeboden.
V – Conclusie
78. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de door het Finanzgericht Hamburg gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„1) De bevoegde nationale instantie kan in het geval van een rechtstreekse uitvoer, waarop artikel 47, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten niet van toepassing is, ambtshalve een procedure tot erkenning van stukken als gelijkwaardige documenten inleiden, wanneer ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:
– het nationale uitvoerdocument kan als gevolg van omstandigheden die niet aan de betrokkene zijn toe te rekenen, niet worden overgelegd;
– de overgelegde bewijsstukken moeten worden ingediend binnen de in artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 voorgeschreven termijn van twaalf maanden na de dag van de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer;
– door middel van de overgelegde bewijsstukken wordt eenduidig aangetoond dat aan de materiële voorwaarden voor de betaling van de uitvoerrestitutie is voldaan. Een dergelijk eenduidig bewijs kan door het vervoerdocument en het douanedocument van het derde land worden geleverd.
2) Een verzoek om andere documenten als gelijkwaardig te erkennen, kan in het geval van een rechtstreekse uitvoer, waarop artikel 47, lid 3, van verordening nr. 3665/87 niet van toepassing is, ook impliciet uit voorzorg worden gedaan, wanneer ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:
– conform artikel 47, lid 1, van verordening nr. 3665/87 werd een verzoek tot betaling van uitvoerrestituties gedaan;
– het nationale uitvoerdocument is als gevolg van omstandigheden die niet aan de betrokkene zijn toe te rekenen, niet opgenomen in het dossier van de bevoegde instantie;
– de overgelegde bewijsstukken werden ingediend binnen de in artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 voorgeschreven termijn van twaalf maanden na de dag van de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer;
– door middel van de overgelegde bewijsstukken kan worden aangetoond dat de producten binnen 60 dagen na de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer het douanegebied van de Gemeenschap in ongewijzigde staat hebben verlaten en dat de producten aan het douanekantoor van een derde land zijn aangeboden. Dit bewijs kan door het vervoerdocument en het douanedocument van het derde land worden geleverd.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 351, blz. 1.
3 – PB L 102, blz. 11.
4 – BGBl. I, blz. 766.
5 – Arrest van 14 april 2005, Käserei Champignon Hofmeister (C‑385/03, Jurispr. blz. I‑2297, punt 26).
6 – Zie Reiche, K., in: „Das Zahlungsverfahren der Ausfuhrerstattung”, ZfZ (2006), blz. 110, als commentaar bij het arrest Käserei Champignon Hofmeister (aangehaald in voetnoot 5). Vervolgens analyseert de auteur de onderlinge samenhang tussen de materiële en procedurele aspecten van de betalingsprocedure voor uitvoerrestituties.
7 – Van een rechtstreekse uitvoer is volgens Reiche, t.a.p., blz. 111, dan sprake, wanneer het product uit het gebied van de lidstaat van uitvoer rechtstreeks naar een derde land wordt uitgevoerd.
8 – Zie Reiche, t.a.p., blz. 111, onder verwijzing naar artikel 912 en 912 quater, lid 4, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1). Artikel 912 quater, lid 4, van deze verordening bepaalt: „Het kantoor van bestemming zendt het origineel van het controle-exemplaar T 5 terug naar het in vak B ‚Terugzenden aan’ van formulier T 5 vermelde adres, nadat het de vereiste formaliteiten heeft vervuld en dit exemplaar van de nodige aantekeningen heeft voorzien”.
9 – Reiche, t.a.p., blz. 110.
10 – De derde overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 luidt: „Overwegende dat krachtens de door de Raad vastgestelde algemene regels de restitutie wordt uitbetaald wanneer het bewijs is geleverd dat de producten uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd [...]”
11 – Reiche, t.a.p., blz. 111.
12 – De negenenveertigste (in de Duitse versie de vijftigste) overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 luidt: „Overwegende dat het kan voorkomen dat als gevolg van omstandigheden die niet aan de exporteur zijn toe te rekenen, het controle-exemplaar niet kan worden overgelegd, hoewel het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten of een bijzondere bestemming heeft bereikt; dat een dergelijke situatie een belemmering voor de handel kan vormen; dat in dergelijke gevallen andere documenten als gelijkwaardig dienen te worden erkend”.
13 – Reiche, t.a.p., blz. 111. De auteur wijst erop dat in het kader van de erkenningsprocedure de mogelijkheid bestaat om het bewijs van uitvoer normaliter door middel van het douanedocument van invoer van het derde land en het afschrift van het vervoerdocument te leveren.
14 – Zie ook Reiche, t.a.p., blz. 116, die op grond van zijn analyse van de onderlinge verhouding tussen de materiële en procedurele aspecten van de betalingsprocedure tot de conclusie komt dat het leveren van een formeel bewijs niet mag worden verward met een materiële restitutievoorwaarde.
15 – Zie ook arrest van 8 november 1990, Gmurzynska-Bscher (C‑231/89, Jurispr. blz. I‑4003, punt 25). In deze zaak heeft het Hof zijn bevoegdheid met betrekking tot uitlegging van het gemeenschapsrecht bevestigd in een geval waarin het gemeenschapsrecht op grond van het recht van een lidstaat buiten de door het gemeenschapsrecht vastgelegde werkingssfeer van toepassing was verklaard. Het Hof heeft in deze zaak verklaard dat noch uit de bewoordingen van artikel 177 EEG-Verdrag (thans artikel 234 EG) noch uit het doel van de bij dit artikel gecreëerde procedure blijkt dat volgens de bedoeling van de opstellers van het Verdrag het Hof van Justitie niet bevoegd is ter zake van prejudiciële verwijzingen betreffende een bepaling van gemeenschapsrecht waarnaar het nationale recht van een lidstaat verwijst ter bepaling van de regels die op een louter interne situatie van die lidstaat van toepassing zijn.
16 – Arrest van 16 maart 2006, Poseidon Chartering (C‑3/04, Jurispr. blz. I‑2505, punt 15). In deze oorspronkelijk Nederlandse zaak heeft het Hof richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382, blz. 17), uitgelegd. De Nederlandse wetgever heeft deze richtlijn in Nederlands recht omgezet bij de artikelen 428 tot en met 445 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 7:428, lid 1, BW luidt: „De agentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij, de handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een bepaalde of een onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn.” Het Hof heeft in deze zaak vastgesteld dat het begrip handelsagent in de zin van de richtlijn zich ook uitstrekt tot een overeenkomst met een tussenpersoon die belast is met het tot stand brengen van een dienstenovereenkomst en niet van een overeenkomst voor de aan‑ en verkoop van goederen. Het Hof zet uiteen dat de richtlijn de betrokken situatie weliswaar niet rechtstreeks kan regelen, maar dat dit niet wegneemt dat de nationale wetgever bij de omzetting van de bepalingen van de richtlijn in nationaal recht heeft besloten om deze twee soorten situaties op identieke wijze te behandelen.
17 – Arrest Poseidon Chartering (aangehaald in voetnoot 16, punt 16) en arrest van 17 juli 1997, Giloy (C‑130/95, Jurispr. blz. I‑4291, punt 21).
18 – Reiche, t.a.p., blz. 113. De auteur behandelt in het kader van zijn onderzoek § 25 van het Verwaltungsverfahrensgesetz van 25 mei 1976 (BGBl. I, 1976, blz. 1253).
19 – Arrest van 14 december 1995, Van Schijndel (C‑430/93 en C‑431/93, Jurispr. blz. I‑4705). Het Hof werd in deze zaak de vraag gesteld of nationale rechters bevoegd zijn om ambtshalve de verenigbaarheid van een bepaling van nationaal recht met het gemeenschapsrecht te beoordelen. In punt 22 van het arrest stelt het Hof vast dat het gemeenschapsrecht de nationale rechter er niet toe verplicht, ambtshalve een rechtsgrond in het geding te brengen ontleend aan schending van gemeenschapsbepalingen, wanneer hij voor het onderzoek van dat middel de hem passende lijdelijkheid zou moeten verzaken door buiten de rechtsstrijd van partijen te treden en zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de partij die bij de toepassing belang heeft, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.
20 – Arrest Van Schijndel (aangehaald in voetnoot 19, punt 16).
21 – Zie Thienel, R., Verwaltungsverfahrensrecht, Wenen, 2004, blz. 138; Wollf, Decker, A., Studienkommentar VwGO und VwVG, München, 2005, blz. 566 en 567; Maurer, H., Allgemeines Verwaltungsrecht, 15e druk, München, 2005, blz. 489.
22 – Zie Thienel, t.a.p., blz. 138.
23 – Zie Thienel, t.a.p., blz. 170.
24 – Advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer bevestigt in zijn conclusie van 15 juli 2004, Vedial/HABM (C‑106/03 P, Jurispr. blz. I‑3573, punten 29 en 31) in beginsel de toepassing van de substantiëringsplicht ook in een administratieve procedure bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen). Naar de opvatting van de advocaat-generaal hangt de toepassing van dit beginsel ervan af in hoeverre de partijen werkelijk heer en meester van het geschil zijn.
25 – Zie Thienel, t.a.p., blz. 171.
26 – Maurer, t.a.p., blz. 490. De auteur benadrukt dat het inquisitiebeginsel in de administratieve procedure van substantieel belang is, omdat in een dergelijke procedure een beslissing primair afhangt van de behoorlijke en juiste vaststelling van de relevante feiten.
27 – Conclusie van advocaat-generaal Léger van 1 juni 2006, Schulze (C‑120/05, Jurispr. blz. I‑00000, punt 37). De advocaat-generaal heeft deze uitspraak gedaan met betrekking tot de uitlegging van artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening (EG) nr. 1222/94 van de Commissie van 30 mei 1994 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen (PB L 136, blz. 5).
28 – Arrest van 1 december 2005, Fleisch-Winter (C‑309/04, Jurispr. blz. I‑10349, punt 31). Deze zaak betreft de uitlegging van de artikelen 13 en 11 van verordening nr. 3665/87, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2945/94 van de Commissie van 2 december 1994 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, wat de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en de toe te passen sancties betreft (PB L 310, blz. 57).
29 – In het arrest van 23 maart 2000, Met-Trans en Sagpol (C‑310/98 en C‑406/98, Jurispr. blz. I‑1797, punten 29 en 30), heeft het Hof met betrekking tot de vaststelling van een overtreding van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1), verklaard dat het aan de nationale autoriteiten staat om aan de hand van de geldende beginselen van hun nationale bewijsrecht te bepalen, of in het concrete geval dat hun is voorgelegd, en in het licht van alle omstandigheden, het bewijs van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid is begaan naar hun oordeel is geleverd, bijvoorbeeld of een getuigenverklaring al dan niet toelaatbaar is en of de bewijskracht daarvan moet worden erkend.
30 – Lando, O., Beale, H., Principles of European Contract Law, Parts I and II, Den Haag, 2000, blz. 287 e.v.; Ferreri, S., „Chapter 5, Interpretation”, in Antoniolli, L., Venezian, A., Principles of European Contract Law and Italian Law, Den Haag, 2005, blz. 251 e.v.
31 – Lando, Beale, t.a.p., Parts I and II, blz. 288, volgens welke „following the majority of laws of EU Member states, the general rules on interpretation combine the subjective method, according to which pre-eminence is given to the common intention of the parties, and the objective method which takes an external view by reference to objective criteria such as reasonableness, good faith etc.”
32 – Zie ook Lando, Beale, t.a.p., Parts I and II, blz. 289.
Full & Egal Universal Law Academy