CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 7 juni 2007 1(1)
Zaak C‑7/06 P
Beatriz Salvador García
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
Zaak C‑8/06 P
Anna Herrero Romeu
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
Zaak C‑9/06 P
Tomás Salazar Brier
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
Zaak C‑10/06 P
Rafael De Bustamante Tello
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorzieningen – Bezoldiging – Ontheemdingstoelage – Artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij Statuut – Begrip ‚diensten, verricht voor een andere staat of internationale organisatie’ – Diensten verricht voor territoriaal lichaam – Diensten verricht voor vennootschap belast met behartiging van belangen van territoriaal lichaam bij gemeenschapsorganen – Werkzaamheden als assistent van lid van Europees Parlement”
1. De onderhavige zaken betreffen hogere voorzieningen die Salvador García, Herrero Romeu en Salazar Brier, ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, alsmede De Bustamante Tello, ambtenaar van de Raad van de Europese Unie, hebben ingesteld tegen de arresten van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 2005(2), waarbij dat Gerecht heeft verworpen hun beroepen tot nietigverklaring van besluiten van de Commissie(3) en de Raad(4) houdende weigering om hun de ontheemdingstoelage toe te kennen alsmede de inrichtings‑ en de dagvergoeding die volgens rekwiranten daarmee verbonden zijn.
2. De ontheemdingstoelage wordt toegekend aan gemeenschapsambtenaren die gedwongen zijn geweest bij hun indiensttreding bij de Europese Gemeenschappen hun woonplaats te verleggen van hun woonstaat naar het land van hun standplaats. Volgens de bepalingen van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen(5) hangt de toekenning van die toelage af van de voorwaarde dat de ambtenaar vóór zijn indiensttreding niet reeds zijn woonplaats of zijn voornaamste beroepsbezigheid op het grondgebied van het land van zijn standplaats had.
3. Datzelfde artikel bepaalt evenwel dat voor de toepassing van die voorwaarde geen rekening wordt gehouden met „omstandigheden die voortvloeien uit diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie”.
4. Het is de draagwijdte van die uitzondering die het voorwerp van geschil in de onderhavige zaken vormt. Rekwiranten verwijten het Gerecht te hebben geoordeeld dat het begrip diensten, verricht voor een andere staat alleen geldt voor diensten verricht voor de centrale autoriteiten van een andere staat en derhalve geen betrekking heeft op diensten verricht voor rekening van een territoriaal lichaam zoals Spaanse autonome gemeenschappen noch, a fortiori, op diensten verricht voor rekening van een privaatrechtelijke vennootschap die belast is met de behartiging van de belangen van een autonome gemeenschap bij de gemeenschapsorganen, ook al is die vennootschap belast met een taak van openbaar belang. In één van die zaken komt eveneens de vraag aan de orde of de werkzaamheden van assistent van een lid van het Europees Parlement kunnen worden aangemerkt als diensten verricht voor een internationale organisatie in de zin van de betrokken bepaling.
5. Daar deze vier zaken in wezen hetzelfde juridische probleem betreffen, zal ik deze in mijn conclusie gezamenlijk onderzoeken.
6. Ik zal in deze conclusie uiteenzetten dat het begrip diensten, verricht voor een andere staat mijns inziens niet beperkt is tot werkzaamheden die voor de centrale autoriteiten van een staat zijn verricht, maar eveneens betrekking heeft op werkzaamheden verricht voor een territoriaal lichaam en voor een entiteit die, ongeacht haar rechtsvorm, op grond van een overheidshandeling is belast met de vervulling, onder toezicht van die overheid, van een taak van algemeen belang, zoals het beheer of de behartiging van de belangen van een territoriaal lichaam bij de gemeenschapsorganen.
7. Ik zal eveneens uiteenzetten dat de werkzaamheden van assistent van een lid van het Europees Parlement, wanneer de assistent rechtstreeks door het lid is aangesteld, dat wil zeggen dat hij een rechtstreekse juridische band met hem heeft gehad, moeten worden aangemerkt als diensten, verricht voor een internationale organisatie in de zin van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut.
8. Ik zal betogen dat het Gerecht in de bestreden arresten blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip diensten, verricht voor een andere staat en ik zal aangeven wat de gevolgen hiervan moeten zijn in elk van de onderzochte zaken.
I – Toepasselijke wetgeving
9. Volgens artikel 62 van het Statuut omvat de bezoldiging van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen een basissalaris, gezinstoelagen en toelagen van andere aard.
10. Tot die toelagen van andere aard behoort de ontheemdingstoelage, waarvan artikel 69 van het Statuut het bedrag vaststelt op 16 % van de som van het basissalaris, de kostwinnerstoelage en de kindertoelage waarop de ambtenaar recht heeft. De toelage wordt betaald gedurende de volledige tijd dat de ambtenaar werkzaam is.
11. Die toelage is ingevoerd bij verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA) van 18 december 1961 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, die op 1 januari 1962 in werking is getreden.(6)
12. De ontheemdingstoelage vervangt de separatievergoeding. Laatstgenoemde vergoeding, waarvan het bedrag gelijk was aan 20 % van het basissalaris, werd toegekend aan personeelsleden die vóór hun indiensttreding gedurende meer dan zes maanden permanent woonachtig waren in een plaats die voor ambtenaren van de Europese Gemeenschap voor kolen en staal meer dan 25 kilometer en voor ambtenaren van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie op meer dan 70 kilometer van de zetel van de instelling was gelegen.
13. De voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage zijn opgenomen in artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut. Die voorwaarden zijn sinds de invoering van de toelage in 1961 ongewijzigd gebleven. Deze bepaling luidt als volgt:
„Een ontheemdingstoelage [...] wordt toegekend aan:
a) de ambtenaar:
– die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, en die deze ook nooit heeft bezeten,
en,
– die gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór zijn indiensttreding, niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend op het grondgebied in Europa van bedoelde staat. Buiten beschouwing blijven hierbij omstandigheden die voortvloeien uit diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie;
b) de ambtenaar die de nationaliteit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, bezit of heeft bezeten, maar die gedurende een periode van tien jaar, eindigende op het ogenblik van zijn indiensttreding, regelmatig woonachtig is geweest buiten het grondgebied in Europa van die staat, en wel om een andere reden dan het uitoefenen van een functie in dienst van een staat of van een internationale organisatie.
[...]”
14. Volgens artikel 4, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut heeft de ambtenaar die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen en deze nationaliteit ook nooit bezeten heeft, doch niet voldoet aan de voorwaarden voor de ontheemdingstoelage, recht op een toelage voor verblijf in het buitenland, waarvan het bedrag gelijk is aan een vierde van de ontheemdingstoelage.
15. De inrichtingsvergoeding en de dagvergoeding zijn opgenomen in de artikelen 5 respectievelijk 10 van bijlage VII bij het Statuut.
16. Artikel 5 van deze bijlage bepaalt in de ten tijde van de feiten toepasselijke versie dat de ambtenaar in vaste dienst die voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage, recht heeft op een inrichtingsvergoeding ten bedrage van één maand basissalaris.
17. Volgens artikel 10 van de bijlage heeft de ambtenaar die aantoont dat hij genoodzaakt was van woonplaats te veranderen om te voldoen aan de verplichtingen van artikel 20 van het Statuut, recht op een dagvergoeding waarvan het bedrag overeenkomstig dat artikel 10 wordt bepaald.
II – Feiten van de gedingen
18. De feiten van de vier zaken kunnen worden samengevat als volgt.
A – Zaak C‑7/06 P
19. Salvador García, die de Spaanse nationaliteit heeft, is op 16 april 2001 als ambtenaar in dienst getreden van de Commissie te Brussel.
20. Voor die tijd had zij van september 1991 tot juli 1992 te Brussel gestudeerd en vervolgens van oktober 1992 tot februari 1993 stage gelopen bij de Commissie.
21. Van 1 oktober 1993 tot 31 december 1994 was zij in die stad werkzaam voor de regering van de autonome gemeenschap van Navarra en vervolgens van 21 februari 1995 tot 20 augustus 1995 voor Sociedad de Desarrollo de Navarra, Sodena, SA(7), een vennootschap belast met de economische ontwikkeling van die autonome gemeenschap.
22. Tussen 1 september 1995 en 30 juni 1996 was zij assistente van een lid van het Europees Parlement.
23. In juli en augustus 1996 werkte zij als vrijwilligster voor een niet-gouvernementele organisatie in Peru.
24. Van 2 september 1996 tot 28 februari 1997 werkte zij te Brussel voor de vennootschap ECO, waaraan de Commissie taken van technische bijstand had toevertrouwd.
25. Van 1 maart 1997 tot 31 maart 1999 was zij in die stad werkzaam voor de Sociedad de Desarrollo Exterior de Navarra, Sodexna, SA(8), een vennootschap belast met de buitenlandse economische ontwikkeling van de autonome gemeenschap van Navarra en vervolgens, van 1 april 1999 tot 15 april 2001, oefende zij de functie uit van afgevaardigde van de regering van die autonome gemeenschap.
26. Bij besluit van 28 juni 2001 besloot de Commissie dat rekwirante niet in aanmerking kwam voor de ontheemdingstoelage en de daarmee verbonden toelagen.
27. In haar besluit van 27 maart 2002 houdende afwijzing van rekwirantes klacht stelde de Commissie zich op het standpunt dat de werkzaamheden die zij te Brussel had verricht als assistente van een lid van het Europees Parlement, in dienst van de vennootschappen Sodena en Sodexna en voor de regering van de autonome gemeenschap van Navarra, niet konden worden aangemerkt als „diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie” in de zin van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut.
28. De Commissie was van mening dat die werkzaamheden dus in aanmerking moesten worden genomen en dat de periode van vijf jaar genoemd in artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut, ofwel de „referentieperiode”, zich uitstrekte van 16 oktober 1995 tot 16 oktober 2000. Zij leidde hieruit af dat rekwirante gedurende die periode in België had gewoond en aldaar haar voornaamste beroepsbezigheden had uitgeoefend.
B – Zaak C‑8/06 P
29. Herrero Romeu, die de Spaanse nationaliteit heeft, is op 16 november 2001 als ambtenaar in dienst getreden van de Commissie te Brussel.
30. Voordien was zij van januari 1993 tot november 2001 werkzaam geweest binnen de delegatie van het Patronat Català Pro Europa(9), een orgaan dat belast is met de behartiging van de belangen van de regering van de autonome gemeenschap van Catalonië bij de gemeenschapsinstellingen.
31. Bij besluit van 19 november 2001 besloot de Commissie dat rekwirante niet in aanmerking kwam voor de ontheemdingstoelage en de daarmee verbonden toelagen.
32. Bij besluit van 10 juni 2002 wees zij de door rekwirante daartegen ingediende klacht af op grond dat de beroepsactiviteit van de betrokkene in dienst van het Patronat niet kon worden gelijkgesteld met „diensten, verricht voor een andere staat”. Zij leidde hieruit af dat de referentieperiode het tijdvak van 15 mei 1996 tot 15 mei 2001 besloeg en dat rekwirante gedurende die periode in België had gewoond en aldaar haar voornaamste beroepsbezigheden had uitgeoefend.
C – Zaak C‑9/06 P
33. Salazar Brier, die de Spaanse nationaliteit heeft, is op 1 juni 2002 als ambtenaar in dienst getreden van de Commissie te Brussel.
34. Voordien was hij van 3 oktober 1994 tot 31 augustus 1998 werkzaam geweest voor de Sociedad Canaria de Fomento Económico, Sofesa, SA(10), een vennootschap belast met de behartiging van de belangen van de autonome gemeenschap van de Canarische eilanden en van die van het bureau van de vertegenwoordiging van de regering van die autonome gemeenschap te Brussel, en vervolgens, van 1 september 1998 tot en met 31 mei 2002, als tijdelijk functionaris voor de regering van die autonome gemeenschap.
35. Op het op 25 juli 2002 opgestelde formulier waarop rekwirants rechten werden bepaald stelde de Commissie dat hij niet in aanmerking kon komen voor de ontheemdingstoelage en de daarmee verbonden toelagen.
36. De door de betrokkene ingediende klacht werd op 24 februari 2003 stilzwijgend afgewezen en vervolgens uitdrukkelijk bij besluit van 24 maart 2003. De Commissie stelde zich op het standpunt dat rekwirants werkzaamheden voor Sofesa en voor de regering van de autonome gemeenschap van de Canarische eilanden geen „diensten, verricht voor een andere staat” vormden. Zij leidde hieruit dat de referentieperiode het tijdvak van 1 december 1996 tot 30 november 2001 besloeg en dat rekwirant gedurende die periode in België had gewoond en aldaar zijn voornaamste beroepsbezigheden had uitgeoefend.
D – Zaak C‑10/06 P
37. De Bustamante Tello, die de Spaanse nationaliteit heeft, is op 1 januari als ambtenaar in dienst getreden van de Raad te Brussel.
38. Voordien was hij tussen 2 december 1991 en 31 juli 1996 te Brussel werkzaam geweest in dienst van het Instituto de Fomento de la Región de Murcia(11), een publiekrechtelijke entiteit van de autonome gemeenschap van de Región Murcia, onder andere belast met het volgen van de wetgeving en de communautaire programma’s die voor die autonome gemeenschap van belang zijn.
39. Tussen augustus 1996 en december 2002 was hij eveneens te Brussel werkzaam geweest als directeur van de Oficina de la Comunidad Autónoma de la Región de Murcia ante las Comunidades europeas(12), een administratief orgaan van de autonome gemeenschap van de Región Murcia, belast met de behartiging van de belangen van die gemeenschap bij de gemeenschapsinstellingen.
40. Bij besluit van 24 januari 2003 besloot de Raad dat rekwirant niet in aanmerking kon komen voor de ontheemdingstoelage en de daarmee verbonden toelagen.
41. In zijn besluit van 28 juli 2003 houdende afwijzing van rekwirants klacht stelde de Raad zich op het standpunt dat zijn beroepsactiviteiten bij de INFO en het ORM niet konden worden aangemerkt als „diensten, verricht voor een andere staat”. Hij leidde hieruit af dat de referentieperiode het tijdvak van 1 juli 1997 tot 30 juni 2002 besloeg en dat rekwirant gedurende die periode regelmatig in België had gewoond en aldaar zijn voornaamste beroepsbezigheden had uitgeoefend.
III – Bestreden arresten
42. Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 4 juli en 1 oktober 2002 alsmede 3 maart en 4 november 2003, hebben Salvador García, Herrero Romeu, Salazar Brier en De Bustamante Tello bij dat Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie en de Raad houdende weigering om hun de ontheemdingstoelage toe te kennen alsmede de daarmee verbonden toelagen.
43. Rekwiranten hebben tevens verzocht, de verwerende instellingen te verwijzen in de kosten.
44. Tot staving van hun vordering betreffende de ontheemdingstoelage hebben rekwiranten drie middelen aangevoerd, waarvan het eerste was ontleend aan schending van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut, het tweede aan een onjuiste beoordeling van de feiten en het derde aan schending van het beginsel van gelijke behandeling.
45. Salvador García, Herrero Romeu en Salazar Brier hebben ook gesteld dat de Commissie de motiveringsplicht heeft geschonden.
46. Ter onderbouwing van hun vordering betreffende de dag‑ en de inrichtingsvergoeding hebben rekwiranten betoogd dat die vergoedingen hun overeenkomstig het arrest van 28 mei 1998, Commissie/Lozano Palacios(13), automatisch zouden zijn toegekend, indien zij recht op de ontheemdingstoelage hadden gehad.
47. Het Gerecht heeft rekwiranten in het ongelijk gesteld en beslist dat elke partij de eigen kosten zou dragen.
48. De middelen ter onderbouwing van de vorderingen betreffende de ontheemdingstoelage heeft het niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard.
49. Het eerste middel, ontleend aan schending van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut, heeft het Gerecht op de volgende gronden ongegrond verklaard.
50. Het heeft aangegeven dat volgens vaste rechtspraak de ontheemdingstoelage is bedoeld om de bijzondere lasten en nadelen te compenseren die voortvloeien uit de permanente uitoefening van een ambt in een land waarmee de ambtenaar vóór zijn indiensttreding geen duurzame band had gevestigd. Voor de vestiging van een dergelijke duurzame band, die tot gevolg heeft dat de ambtenaar de ontheemdingstoelage verliest, eist de wetgever dat de ambtenaar gedurende een periode van vijf jaar regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend in het land van zijn standplaats.
51. Vervolgens heeft het uiteengezet dat de uitzondering voorzien in artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut voor personen die gedurende de referentieperiode diensten hebben verricht voor een andere staat of een internationale organisatie als reden heeft dat die personen in die omstandigheden niet kunnen worden geacht een duurzame band met het land van de standplaats te hebben gevestigd wegens het tijdelijke karakter van hun detachering in dit land.
52. Het heeft geoordeeld dat, gelet op de datum waarop rekwiranten in dienst van de Commissie of de Raad waren getreden, de referentieperiode voor Salvador García de periode van 16 oktober 1995 tot 15 oktober 2000 besloeg, voor Herrero Romeu van 16 mei 1996 tot 15 mei 2001, voor Salazar Brier van 1 december 1996 tot 30 november 2001 en voor De Bustamante Tello van 1 juli 1997 tot 30 juni 2002.
53. Gedurende het grootste deel van die referentieperiodes hadden rekwiranten hun voornaamste beroepsbezigheid in Brussel uitgeoefend, en wel als volgt:
– Salvador García, enerzijds voor Sodexna en in dienst van de regering van de autonome gemeenschap van Navarra te Brussel en, anderzijds, als assistente van een lid van het Europees Parlement;
– Herrero Romeu, binnen de delegatie van het Patronat;
– Salazar Brier, bij Sofesa en vervolgens in dienst van de regering van de autonome gemeenschap van de Canarische eilanden;
– De Bustamante Tello, bij het ORM.
54. Het Gerecht heeft aangegeven dat in het kader van de door rekwiranten ingestelde beroepen moest worden uitgemaakt of het werk dat elk van hen gedurende de referentieperiode te Brussel had verricht, moest worden aangemerkt als „diensten, verricht voor een andere staat” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut en, voor wat betreft de functie van assistente van een lid van het Europees Parlement die Salvador García had uitgeoefend, of die functie moest worden aangemerkt als „diensten, verricht voor een internationale organisatie” in de zin van diezelfde bepaling.
55. Het heeft uiteengezet dat het gemeenschapsrecht en, met name, het Statuut voldoende aanwijzingen geven om de precieze draagwijdte van artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut te achterhalen, en, bijgevolg, om het begrip los van de verschillende nationale regelingen uit te leggen.
56. In de eerste plaats heeft het Hof geoordeeld dat uit het algemene stelsel van het EG-Verdrag duidelijk blijkt dat het begrip „lidstaat”, in de zin van de institutionele bepalingen, alleen slaat op de regeringsautoriteiten van de lidstaten, en niet kan worden uitgebreid tot de regeringen van gewesten of autonome gemeenschappen, ongeacht de omvang van de hun toegekende bevoegdheden. Anders zou het institutionele evenwicht worden verstoord dat is neergelegd in de Verdragen, die onder meer de voorwaarden bepalen, waaronder de lidstaten, dat wil zeggen de staten die partij waren bij de oprichtings‑ en toetredingsverdragen, aan de werking van de gemeenschapsinstellingen deelnemen.(14)
57. In de tweede plaats wordt volgens vaste rechtspraak in het Statuut, dat uitsluitend tot doel heeft de rechtsbetrekkingen tussen de instellingen en de ambtenaren te regelen door de vaststelling van hun wederzijdse rechten en plichten, een nauwkeurige terminologie gehanteerd, waaraan geen uitbreiding mag worden gegeven door overeenkomstige toepassing op niet uitdrukkelijk voorziene gevallen.(15)
58. De wetgever heeft in artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut gekozen voor het begrip „staat”, terwijl er op het tijdstip waarop het Statuut is vastgesteld, reeds lidstaten met een federale structuur bestonden, zoals de Bondsrepubliek Duitsland, en niet alleen staten met een gecentraliseerde interne structuur. Indien de gemeenschapswetgever derhalve de staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen in de betrokken bepaling had willen opnemen, zou hij dit uitdrukkelijk hebben gedaan.
59. Uit een en ander volgde, aldus het Gerecht, dat het in artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut gehanteerde begrip „staat” slechts doelt op de staat als rechtspersoon en enig volkenrechtelijk rechtssubject, alsook op de regeringsorganen ervan. Een uitlegging zoals die welke rekwiranten voorstelden, zou ertoe kunnen leiden dat alle publieke entiteiten met eigen rechtspersoonlijkheid waaraan de centrale regering interne bevoegdheden heeft overgedragen, als staten worden beschouwd, met inbegrip van de gemeenten en van elke andere entiteit waaraan het bestuur taken heeft overgedragen.
60. Het heeft hieruit afgeleid dat het begrip „diensten, verricht voor een andere staat”, bedoeld in artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut, aldus diende te worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op diensten die zijn verricht voor de regeringen van de staatkundige onderdelen van de staten.
61. In de reeds aangehaalde arresten Salvador García/Commissie en Salazar Brier/Commissie heeft het Gerecht hieraan toegevoegd dat de werkzaamheid van rekwiranten in dienst van een met overheidskapitaal gefinancierde vennootschap die onder één van de categorieën handelsvennootschappen valt a fortiori niet als voor een andere staat verrichte dienst kon worden aangemerkt. Dergelijke openbare handelsvennootschappen, of het nu naamloze vennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zijn, maken naar hun aard geen deel uit van de bestuursorganen van de staat, ook al zijn zij bevoegd om bepaalde openbare belangen te beheren of te vertegenwoordigen of zijn zij belast met taken van openbaar belang.
62. Het Gerecht heeft hieruit afgeleid dat de door rekwiranten gedurende de referentieperiodes verrichte diensten niet konden worden aangemerkt als diensten verricht voor een andere staat in de zin van artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut.
63. Het heeft gepreciseerd dat dit oordeel niet op losse schroeven werd gezet door het argument dat rekwiranten ontleenden aan het bestaan van een autonoom staatsbegrip in het gemeenschapsrecht, dat de decentrale entiteiten zou omvatten. Op het gebied van niet-nakoming dienen weliswaar alle autoriteiten van de staat, zowel de centrale als de territoriale of decentrale autoriteiten, in het kader van hun respectieve bevoegdheden te zorgen voor de naleving van de gemeenschapsrechtelijke regels, doch het beroep in het kader waarvan het Hof kan vaststellen dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen is alleen gericht tegen de regering van deze laatste lidstaat, zelfs al zou de niet-nakoming uit het optreden of stilzitten van de autoriteiten van een gewest of een autonome gemeenschap voortvloeien. Op de door rekwiranten aangevoerde rechtspraak kon dus niet geldig een beroep worden gedaan ter ondersteuning van hun stelling betreffende een ruime uitlegging van het begrip staat.
64. Het Gerecht heeft uiteengezet waarom de argumenten van rekwiranten ontleend aan de eigen bevoegdheden van de autonome gemeenschappen in de Spaanse rechtsorde moesten worden afgewezen.
65. Ook verwierp het hun argumenten ontleend aan de omstandigheid dat zij aan hetzelfde stelsel van ziektekostenverzekering en aan dezelfde belastingregeling waren onderworpen als het personeel van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk Spanje bij de Europese Unie te Brussel.
66. Ten slotte wees het erop dat, wat het argument van rekwiranten betreft inzake de deelneming van de vertegenwoordigers van de autonome gemeenschappen aan de raadgevende comités van de Commissie, de uitzondering van artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut vereist dat de betrokkene rechtstreekse juridische banden met de staat of de betrokken internationale organisatie heeft gehad. Het heeft vastgesteld dat rekwiranten ter terechtzitting uitdrukkelijk hadden erkend dat zij nooit zijn opgenomen in noch deel hebben uitgemaakt van de Spaanse delegatie die heeft deelgenomen aan de bijeenkomsten van de organen van de Raad en de Commissie die tijdens de referentieperiodes hebben plaatsgevonden. Rekwiranten hadden evenmin aangevoerd dat zij enige rechtstreekse juridische band met de centrale regering van de Spaanse staat hadden gehad, op basis waarvan zou kunnen worden aangenomen dat zij gedurende deze periode diensten voor de Spaanse staat hadden verricht.
67. In het reeds aangehaalde arrest Salvador García/Commissie heeft het Gerecht ook de vraag onderzocht of rekwirantes werkzaamheid als assistente van een lid van het Europees Parlement moest worden aangemerkt als diensten verricht voor een internationale organisatie in de zin van artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut.
68. Het heeft het om de volgende redenen niet nodig geacht die vraag te beantwoorden. Ook al moest die werkzaamheid worden aangemerkt als diensten verricht voor een internationale organisatie en moest de betrokken periode niet worden opgenomen in de referentieperiode, deze referentieperiode begon op 16 december 1994 en op dat moment was rekwirante sinds 17 december 1993 reeds ingeschreven in de gemeente Sint-Gillis en werkte zij sinds 1 oktober 1993 voor de regering van Navarra van de autonome gemeenschap van Navarra te Brussel. Op grond van die gegevens kon dus worden vastgesteld dat rekwirante ten minste sinds 16 december 1994 regelmatig in Brussel woonachtig was.
69. Ten slotte heeft het Gerecht in de bestreden arresten uit het feit dat rekwiranten geen recht op de ontheemdingstoelage hadden afgeleid dat hun vordering betreffende de inrichtings‑ en de dagvergoeding, die gebaseerd was op het automatische karakter van het recht op die vergoedingen in geval van toekenning van de ontheemdingstoelage, moest worden afgewezen.
IV – Hogere voorzieningen
70. Rekwiranten concluderen dat het het Hof behage, hun hogere voorziening ontvankelijk te verklaren en de bestreden arresten te vernietigen.
71. Salvador García en Salazar Brier vragen eveneens om hun zaak indien nodig naar het Gerecht te verwijzen.
72. Ten slotte concluderen de vier rekwiranten tot verwijzing van de verwerende instelling in alle kosten van de procedure voor het Hof en van die voor het Gerecht.
73. De Commissie concludeert tot afwijzing van die vorderingen in de zaken C‑7/06 P tot en met C‑9/06 P.
74. In zaak C‑10/06 P concludeert de Raad dat het het Hof behage, de hogere voorziening niet-ontvankelijk dan wel, subsidiair, ongegrond te verklaren alsmede rekwirant te verwijzen in de kosten.
A – Betoog van partijen
1. Rekwiranten
75. Rekwiranten baseren hun hogere voorziening op hetzelfde middel, namelijk dat het Gerecht de bepalingen van artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut heeft geschonden.
76. In het kader van dit middel voeren zij vier grieven aan.
77. In de vier onderhavige zaken verwijten rekwiranten het Gerecht in de eerste plaats dat het de litigieuze uitzondering eng heeft uitgelegd en, in de tweede plaats, dat het de ratio legis en de context van die uitzondering heeft miskend.
78. In de zaken C‑7/06 P en C‑9/06 P verwijten Salvador García en Salazar Brier het Gerecht eveneens dat het de diensten verricht als werknemers van een openbare handelsvennootschap, of het nu om een naamloze vennootschap of om een met beperkte aansprakelijkheid gaat, die is belast met een taak van openbaar belang, heeft uitgesloten van het begrip diensten, verricht voor een andere staat, zonder te hebben onderzocht of die vennootschap door de staat werd gecontroleerd.
79. Ten slotte verwijt Salvador García het Gerecht in zaak C‑7/06 P dat het geen uitlegging heeft gegeven aan het begrip diensten, verricht voor een internationale organisatie en dat het derhalve niet heeft geoordeeld dat de werkzaamheid van assistente van een lid van het Europees Parlement onder dat begrip viel.
a) Enge uitlegging van de litigieuze uitzondering
80. Rekwiranten verwijten het Gerecht dat het de betrokken bepaling eng heeft uitgelegd, terwijl deze, daar het een uitzondering op een uitzondering betreft, ruim had moeten worden uitgelegd.
81. Hiermee is het Gerecht in de bestreden arresten afgeweken van zijn vroegere rechtspraak, met name van het arrest van 30 maart 1993, Vardakas/Commissie.(16)
b) Miskenning van de ratio legis en van de context van artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut
82. Rekwiranten herinneren eraan dat de in artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut voorziene uitzondering voor personen die diensten hebben verricht voor een andere staat of internationale organisatie, haar bestaansreden vindt in het feit dat die personen niet kunnen worden geacht een duurzame band te hebben gevestigd met het land van de standplaats wegens het tijdelijke karakter van hun detachering in dat land.
83. Zij wijzen er voorts op dat in dit perspectief in het reeds aangehaalde arrest Vardakas/Commissie is geoordeeld dat de vraag of iemand al dan niet ontheemd is, losstaat van zijn bijzondere status krachtens het internationaal recht, als personeelslid van een openbare internationale organisatie.
84. Zij leiden hieruit af dat de bestreden arresten, die via autonome gemeenschappen voor de staat verrichte diensten uitsluiten van die uitzondering, geen rekening houden met de bestaansreden van deze bepaling en bovendien een discriminatie invoeren tussen ambtenaren die diensten voor de staat hebben verricht via de centrale overheid in het kader van een Permanente Vertegenwoordiging en zij die dergelijke diensten hebben verricht via autonome gemeenschappen. Huns inziens heeft de ambtenaar vóór zijn indiensttreding bij de Gemeenschap in beide situaties immers geen duurzame band met het land van zijn standplaats gevestigd wegens het tijdelijke karakter van zijn detachering in dat land. Wat uiteindelijk van belang is, is het al dan niet duurzame karakter van de band tussen de ambtenaar en het land van zijn standplaats.
85. Volgens hen bestaat er tussen de situaties van die twee categorieën personen geen verschil dat die discriminerende behandeling kan rechtvaardigen. Bovendien oefenen die categorieën personen soortgelijke werkzaamheden uit, namelijk het onderhouden van contacten met de Commissie, het verzenden van informatie enz., alles in dienst van de staat, in een context waarin de deelneming van de autonome gemeenschappen aan communautaire aangelegenheden steeds groter wordt.
86. De wetgever heeft deze uitzondering opgenomen om ervoor te zorgen dat het vermoeden van het ontbreken van een duurzame band met het land van de standplaats van toepassing is wanneer de werkzaamheden in dat land overeenkomen met taken van openbaar belang.
87. Anders dan de analyse van het Gerecht, heeft deze ruime uitlegging ten slotte niet tot gevolg dat alle overheidsinstanties met een eigen rechtspersoonlijkheid als staten worden aangemerkt. De draagwijdte van de uitzondering blijft beperkt tot instanties met bevoegdheden op communautair gebied, zoals dat bij de autonome gemeenschappen het geval is.
c) Uitsluiting van diensten verricht voor een vennootschap die belast is met een taak van openbaar belang
88. Salvador García en Salazar Brier stellen dat het Gerecht, door diensten die zij als werknemers hebben verricht voor een vennootschap die belast is met een taak van openbaar belang, uit te sluiten van het begrip diensten, verricht voor een andere staat, zonder te onderzoeken of deze vennootschap, gelet op haar samenstelling, haar in de wet voorziene werkzaamheden en haar afhankelijkheid van de overheid, onder de staat valt, geen rekening heeft gehouden met de rechtspraak, met name de arresten van het Hof van 20 september 1988, Beentjes(17), en 17 december 1998, Commissie/Ierland.(18)
d) Omstandigheid dat het Gerecht de werkzaamheid van assistent van een lid van het Europees Parlement niet heeft aangemerkt als diensten verricht voor een internationale organisatie
89. Ten slotte stelt Salvador García in zaak C‑7/06 P dat, indien het Hof van oordeel mocht zijn dat het Gerecht bij het onderzoek van haar werkzaamheden in dienst van de regering van de autonome gemeenschap van Navarra te Brussel en van Sodexna van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan, moet worden onderzocht hoe haar werkzaamheden als assistente van een lid van het Europees Parlement moeten worden gekwalificeerd.
2. Verweer van de Commissie in de zaken C‑7/06 P tot en met C‑9/06 P
90. De Commissie voert de volgende argumenten aan.
a) Grief betreffende de enge uitlegging van de litigieuze uitzondering
91. De Commissie stelt dat het Gerecht de litigieuze uitzondering niet beperkt heeft uitgelegd, maar terecht heeft geoordeeld dat het begrip diensten verricht voor een andere staat vereist dat er rechtstreekse juridische banden tussen de betrokkene en die staat hebben bestaan. Rekwiranten hebben echter geen rechtstreekse juridische banden met het Koninkrijk Spanje gehad.
b) Miskenning door het Gerecht van de ratio legis en van de context van artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut
92. De Commissie stelt in de eerste plaats dat het betoog van rekwiranten op een ongegronde veronderstelling berust.
93. Haars inziens verwarren rekwiranten twee verschillende begrippen, namelijk de ratio legis van de uitzondering voorzien in artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut en die van het gebruik van de term „staat” in die uitzondering. Voor het Gerecht ging het om de uitlegging van de term „staat” en het is ook die term waar het thans voor het Hof om gaat. De ratio legis van de uitzondering, die betrekking heeft op het ontbreken van een duurzame band met het land van de standplaats, is irrelevant voor de uitlegging van het begrip „staat” in die bepaling.
94. De Commissie leidt hieruit af dat het Gerecht niet van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan door zich te baseren op de omstandigheid dat de gemeenschapswetgever in artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut heeft gekozen voor de term „staat”, ofschoon er op het moment waarop het Statuut werd vastgesteld reeds lidstaten bestonden met een federale of regionale structuur, zoals de Bondsrepubliek Duitsland, zodat die wetgever staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen uitdrukkelijk in dat artikel zou hebben opgenomen, indien hij dat had gewild.
95. In de tweede plaats stelt de Commissie dat de stelling van rekwiranten dat het Gerecht onderscheid heeft gemaakt tussen ambtenaren die diensten voor de staat hebben verricht via de centrale overheid in het kader van een Permanente Vertegenwoordiging en zij die dergelijke diensten hebben verricht via autonome gemeenschappen, ongegrond is.
96. Beide situaties zijn met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheden immers niet vergelijkbaar, aangezien de delegaties van de Spaanse autonome gemeenschappen te Brussel, zoals het Gerecht heeft aangegeven, tot taak hebben, de belangen te behartigen van de besturen die zij vertegenwoordigen, welke belangen niet noodzakelijkerwijs samenvallen met de belangen van de andere autonome gemeenschappen en met die van het Koninkrijk Spanje als staat.
97. In de derde plaats is de stelling van rekwiranten dat de betrokken ambtenaar in het geval van diensten verricht voor een autonome gemeenschap, geen duurzame band heeft gevestigd met het land van zijn standplaats wegens het tijdelijke karakter van zijn aanstelling in dat land, irrelevant. Men dient zich te houden aan het besluit van de gemeenschapwetgever die de staatkundige onderdelen van een staat, zoals de regeringen van de regio’s, de autonome gemeenschappen of andere plaatselijke autoriteiten, niet heeft willen opnemen in de betrokken uitzondering.
98. In de vierde plaats is de Commissie het niet eens met het betoog van rekwiranten dat de uitzondering in artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut moet worden toegepast op alle werkzaamheden die in dienst van het openbaar belang worden verricht, in tegenstelling tot die welke in dienst van particuliere belangen worden verricht.
99. Deze uitlegging van de uitzondering druist niet alleen in tegen de wil van de wetgever, maar heeft eveneens tot gevolg dat alle overheidsinstanties met een eigen rechtspersoonlijkheid waaraan de centrale regering interne bevoegdheden heeft overgedragen, daaronder begrepen de gemeenten en elke instantie waaraan een administratie werkzaamheden heeft gedelegeerd, als staten worden beschouwd.
100. Met betrekking tot het betoog van rekwiranten gebaseerd op het idee dat „[w]at uiteindelijk van belang is, is het al dan niet duurzame karakter van de band tussen de ambtenaar en het land van zijn standplaats en [dat men kan stellen] dat er tussen de beroepsmatige en persoonlijke situatie van een persoon die diensten voor een staat heeft verricht via een autonome gemeenschap en van een ander die dat heeft gedaan via de centrale administratie (Permanente Vertegenwoordiging), geen enkel verschil bestaat dat die discriminerende behandeling kan rechtvaardigen”, stelt de Commissie bovendien dat het hier om een nieuwe vraag gaat of althans een die voor het Gerecht niet op die wijze is geformuleerd en waarvan de ontvankelijkheid dus onzeker is. De Commissie verlaat zich op dit punt op de wijsheid van het Hof.
c) Grief betreffende de onterechte uitsluiting van diensten verricht als werknemers van een openbare vennootschap in de zaken C‑7/06 P en C‑9/06 P
101. Volgens de Commissie is die grief ongegrond aangezien de reeds aangehaalde arresten Beentjes en Commissie/Ierland, waarnaar rekwiranten verwijzen, betrekking hebben op richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de coördinatie van de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken(19), waarvan de ratio legis verschilt van die van de betrokken uitzondering.
102. Een persoon die voor een openbare vennootschap heeft gewerkt heeft geen rechtstreekse juridische banden met de staat, terwijl het bestaan van dergelijke banden een in de rechtspraak ontwikkelde noodzakelijke voorwaarde voor de toepassing van de betrokken uitzondering is.
d) Omstandigheid dat het Gerecht de werkzaamheid van assistent van een lid van het Europees Parlement niet heeft aangemerkt als diensten verricht voor een internationale organisatie
103. De Commissie zet uiteen dat het Gerecht niet heeft nagelaten zich uit te spreken over de vraag of de door Salvador García uitgeoefende werkzaamheid van assistente van een lid van het Europees Parlement moet worden aangemerkt als diensten verricht voor een internationale organisatie, aangezien het heeft geoordeeld dat het antwoord op die vraag geen invloed heeft op de toekenning van de ontheemdingstoelage daar rekwirante vóór en na de uitoefening van die werkzaamheid regelmatig woonachtig was geweest in Brussel.
104. Bovendien valt een dergelijke werkzaamheid niet binnen de werkingssfeer van de litigieuze uitzondering, aangezien rekwirante in het kader van die werkzaamheid geen rechtstreekse juridische banden met het Parlement heeft gehad.
3. Verweer van de Raad in zaak C‑10/06 P
105. Primair stelt de Raad dat de hogere voorziening van De Bustamante Tello niet-ontvankelijk is, daar hij slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde argumenten herhaalt en het Hof alleen vraagt deze opnieuw te onderzoeken.
106. Subsidiair stelt hij dat de hogere voorziening moet worden afgewezen.
107. Met betrekking tot de eerste grief, ontleend aan de enge uitlegging van de litigieuze uitzondering en de omstandigheid dat geen rekening is gehouden met het standpunt van het Gerecht in het reeds aangehaalde arrest Vardakas/Commissie, zet de Raad uiteen dat rekwirant dat arrest uit zijn context haalt teneinde afbreuk te doen aan de vaste rechtspraak dat de gemeenschapsrechtelijke bepalingen die recht geven op geldelijke uitkeringen, eng moeten worden uitgelegd.(20)
108. Bovendien is de door rekwirant verdedigde uitlegging van het begrip diensten, verricht voor een andere staat in strijd met de vaste rechtspraak van het Hof dat het begrip „lidstaat”, in de zin van de institutionele bepalingen, alleen slaat op de regeringsautoriteiten van de lidstaten, en niet kan worden uitgebreid tot de regeringen van gewesten of autonome gemeenschappen, ongeacht de omvang van de hun toegekende bevoegdheden. De Raad leidt hieruit af dat anders het institutionele evenwicht zou worden verstoord dat is neergelegd in de Verdragen.
109. Met betrekking tot de vermeende miskenning van de ratio legis en de context van de betrokken bepaling stelt de Raad dat het standpunt van het Gerecht volledig in overeenstemming is met het institutionele evenwicht dat is neergelegd in de Verdragen en dat het volgen van rekwirants betoog ertoe zou leiden dat het begrip staat niet alleen zou worden uitgebreid tot autonome gemeenschappen of andere soortgelijke regionale autoriteiten, maar eveneens tot gemeentelijke of lokale autoriteiten en openbare ondernemingen, en wel tot aan moeilijk te voorspellen grenzen.
B – Beoordeling
1. Ontvankelijkheid van de hogere voorziening in zaak C‑10/06 P
110. De herhaling, in het kader van een hogere voorziening, van middelen en argumenten die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd vormt op zich geen reden voor de niet-ontvankelijkheid van die hogere voorziening. Aangezien dit rechtsmiddel niet een tweede beoordeling van het geschil ten gronde tot doel mag hebben, mag de rekwirant zich niet beperken tot een loutere herhaling van de middelen en argumenten die in eerste aanleg zijn aangevoerd en zodoende slechts een hernieuwd onderzoek van zijn verzoekschrift door het Hof vragen.
111. Wanneer de rekwirant echter de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw worden behandeld.(21) Het Hof heeft er immers herhaaldelijk op gewezen dat de procedure van hogere voorziening ten dele aan betekenis zou verliezen, indien de rekwirant zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht.(22)
112. In casu blijkt uit onderzoek van de door De Bustamante Tello ingestelde hogere voorziening dat hij geen heronderzoek van zijn verzoekschrift door het Hof verlangt. Hij betwist het oordeel van het Gerecht over twee grieven betreffende de enge uitlegging van de litigieuze uitzondering en de miskenning van de ratio legis en de context ervan. Hij geeft precies aan op welke rechtsoverwegingen van het Gerecht zijn grieven betrekking hebben.
113. Ik ben derhalve van mening dat de hogere voorziening van De Bustamante Tello ontvankelijk is. Voorts stel ik vast dat de door de andere drie rekwiranten ingestelde hogere voorzieningen op dezelfde wijze zijn geformuleerd als die van De Bustamante Tello en dat de Commissie de ontvankelijkheid van die hogere voorzieningen niet betwist.
2. Ontvankelijkheid van het betoog van rekwiranten gebaseerd op het idee dat „[w]at uiteindelijk van belang is, is het al dan niet duurzame karakter van de band tussen de ambtenaar en het land van zijn standplaats”
114. Ik ben van mening dat dit betoog ontvankelijk is. Zelfs al is dit betoog niet in die bewoordingen voor het Gerecht gevoerd, het betreft immers geen nieuw middel in de zin van artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat het voorwerp van het aan het Gerecht voorgelegde geding zou wijzigen en voor het onderzoek waarvan het Hof gedwongen zou zijn, de grenzen te overschrijden van de bevoegdheid waarover het beschikt in het kader van een hogere voorziening, die beperkt is tot een toetsing van de beslissing in eerste aanleg.
115. Het betreft immers slechts opmerkingen waarmee rekwiranten willen aantonen dat het Gerecht de ratio legis van artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut heeft miskend. Het zijn dus argumenten aangevoerd ter onderbouwing van het middel ontleend aan schending van deze bepaling door het Gerecht en er bestaat geen enkele verplichting op grond waarvan elk argument dat in het kader van de hogere voorziening wordt aangevoerd, eerst in eerste aanleg moet zijn besproken.(23)
3. Ten gronde
116. In het kader van de door rekwiranten ingestelde hogere voorzieningen moeten eerst twee rechtsvragen worden onderzocht. De eerste vraag, die alle vier zaken gemeen hebben, betreft het begrip „diensten, verricht voor een andere staat” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut.
117. Ik zal aangeven waarom dit begrip mijns inziens niet alleen betrekking heeft op diensten verricht voor de regeringen van de lidstaten, maar aldus moet worden uitgelegd dat het eveneens betrekking heeft op diensten verricht voor een territoriaal lichaam en voor een instantie die, ongeacht haar rechtsvorm, op grond van een overheidshandeling is belast met de vervulling, onder toezicht van die overheid, van een taak van algemeen belang, zoals het beheer of de behartiging van de belangen van een territoriaal lichaam bij de gemeenschapsorganen.
118. De tweede vraag heeft alleen betrekking op zaak C‑7/06 P. In het reeds aangehaalde arrest Salvador García/Commissie heeft het Gerecht geoordeeld dat het, gelet op zijn analyse van de werkzaamheden die rekwirante gedurende de referentieperiode in dienst van de vennootschap Sodexna en van de autonome gemeenschap van Navarra had verricht, zich niet behoefde uit te spreken over de vraag of haar werkzaamheden als assistente van een lid van het Europees Parlement moesten worden aangemerkt als diensten verricht voor een internationale organisatie in de zin van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut.
119. Indien het Hof het eens is met mijn standpunt over de uitlegging van het begrip diensten, verricht voor een andere staat, zou de kwalificatie van de werkzaamheden als assistente van een lid van het Europees Parlement met betrekking tot de betrokken statutaire bepaling relevant kunnen zijn voor de beslechting van het geding in zaak C‑7/06 P. Ik zal uiteenzetten in welke omstandigheden die werkzaamheden mijns inziens moeten worden aangemerkt als diensten verricht voor een internationale organisatie in de zin van die bepaling.
a) Begrip „diensten, verricht voor een andere staat”
120. Voor zover het Statuut voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte van het in artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij dat Statuut gebezigde begrip „diensten, verricht voor een andere staat” niet naar het recht van de lidstaten verwijst, moet dit begrip, zoals het Gerecht in de bestreden arresten heeft aangegeven, in de Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd.
121. In die arresten heeft het Gerecht zijn analyse dat het betrokken begrip aldus moest worden opgevat dat het uitsluitend betrekking heeft op diensten verricht voor de regerings‑ of de centrale autoriteiten van een staat, op twee gronden gebaseerd. In de eerste plaats slaat het begrip „lidstaat” in de zin van de institutionele bepalingen alleen op de regeringsautoriteiten van de lidstaten. In de tweede plaats wordt in de statutaire bepalingen, die de wederzijdse rechten en plichten tussen de communautaire instellingen en de ambtenaren regelen, een nauwkeurige terminologie gehanteerd, waaraan geen uitbreiding mag worden gegeven door overeenkomstige toepassing op niet uitdrukkelijk voorziene gevallen. Indien de wetgever de staatkundige onderdelen in de betrokken bepaling had willen opnemen, zou hij dit uitdrukkelijk hebben gedaan, aangezien op het tijdstip waarop die bepaling is vastgesteld, reeds lidstaten met een federale of regionale structuur, zoals de Bondsrepubliek Duitsland, lid waren van de Gemeenschappen.
122. Deze redenen lijken mij niet overtuigend en wel op grond van het volgende.
123. Wat de eerste reden betreft, wijs ik erop dat het Statuut geen definitie geeft van het begrip „diensten, verricht voor een andere staat” in artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut. Het begrip staat wordt overigens evenmin in het gemeenschapsrecht gedefinieerd. Het begrip is door het Hof in het kader van de uitlegging van de Verdragen gedefinieerd, doch die uitlegging is niet eenduidig. Het kan ruim of eng worden opgevat naargelang de context waarin het moet worden toegepast en hetgeen nodig is voor de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht.
124. Zo is het vaste rechtspraak dat het begrip „lidstaat” in de zin van artikel 230, tweede alinea, EG, dat aangeeft welke partijen het recht hebben om een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring in te stellen van gemeenschapshandelingen van afgeleid recht, alleen betrekking heeft op de regeringsautoriteiten van de lidstaten.(24) De autoriteiten van de territoriale lichamen van de lidstaten en de onder hun toezicht staande organen kunnen alleen beroep tot nietigverklaring instellen van een handeling die hen rechtstreeks en individueel raakt.
125. Ook de uitzondering op het verbod van beperkingen van het vrije verkeer van personen voorzien in de artikelen 39, lid 4, EG en 45 EG, volgens welke dat verbod niet geldt voor „betrekkingen in overheidsdienst” of voor werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag, wordt eng uitgelegd. Zo ziet deze uitzondering volgens de rechtspraak niet op alle betrekkingen in overheidsdienst, maar alleen op die welke bijdragen tot de meest regale werkzaamheden van de staat, dat wil zeggen taken die de uitoefening van openbaar gezag inhouden en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van de algemene belangen van de staat.(25)
126. Gaat het echter om de beoordeling van de draagwijdte van de aansprakelijkheid van de lidstaten bij de uitvoering van het gemeenschapsrecht, dan geeft het Hof een ruime uitlegging aan het begrip staat. Teneinde te vermijden dat de uitvoering van het gemeenschapsrecht afhangt van de politieke, institutionele en administratieve organisatie van de lidstaten en om niet in die organisatie in te grijpen, past het Hof het volkenrechtelijk beginsel toe dat de staat als zodanig, beschouwd in zijn organisch en functioneel geheel, het rechtssubject is dat verplichtingen aangaat en deze moet nakomen.(26)
127. In deze benadering beperkt het begrip lidstaat zich niet tot de regeringsautoriteiten van de lidstaten. Teneinde de doeltreffende en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren heeft het Hof dit begrip uitgebreid tot alle organen en publieke autoriteiten van de lidstaten, zoals territoriale lichamen. Het heeft eveneens geoordeeld dat dit begrip zich ook uitstrekt tot privaatrechtelijke organen die onder hun toezicht staan.
128. Zo heeft het Hof geoordeeld dat de procedure van artikel 226 EG kon worden ingeleid ongeacht de vraag welk orgaan van de lidstaat door zijn handelen of nalaten het verzuim veroorzaakte. Het heeft de lidstaten niet alleen de gedragingen van hun centrale organen aangerekend, daaronder begrepen die van constitutioneel onafhankelijke autoriteiten(27), maar ook die van hun territoriale lichamen, zoals een regio van een federale staat of een gemeente.(28) Het heeft hun eveneens gedragingen toegerekend van privaatrechtelijk organen met rechtspersoonlijkheid, waarvan de activiteiten rechtstreeks of indirect onder hun toezicht staan.(29)
129. Bovendien heeft het Hof erkend dat de duidelijke en nauwkeurige bepalingen van een richtlijn rechtstreeks kunnen worden toegepast in een geding tegen territoriale lichamen van de lidstaten.(30) Het heeft geoordeeld dat daarop ook een beroep kan worden gedaan tegenover organen of instanties die, ongeacht hun juridische vorm, onder gezag of toezicht staan van de staat of een publieke autoriteit zoals een territoriaal lichaam(31) of die krachtens een overheidsmaatregel zijn belast met de uitvoering van een dienst van openbaar belang, onder toezicht van de overheid.(32)
130. Evenzo beperkt het in artikel 87, lid 1, EG bedoelde begrip „steunmaatregel van de staat” zich volgens de uitlegging door de rechtspraak niet tot steun die rechtstreeks door de regeringsautoriteiten van de lidstaten wordt verleend. Het heeft eveneens betrekking op steun verleend door territoriale lichamen, op welk niveau dan ook(33), alsmede door privaatrechtelijke organen die onder hun toezicht staan.(34)
131. Ik verwijs eveneens naar de definitie van het begrip „aanbestedende dienst” in de richtlijnen die op het gebied van overheidsopdrachten zijn vastgesteld, waarnaar rekwiranten verwijzen, en die de gedraging van de staten bij de verlening van dit soort opdracht willen regelen teneinde de mededinging veilig te stellen.(35)
132. Hieruit volgt dat wanneer het erom gaat de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren, de handelingen verricht in dienst van territoriale lichamen of van particuliere vennootschappen die onder toezicht staan van de regeringsautoriteiten van een lidstaat of van die lichamen, toerekenbaar zijn aan die staat in de zin van de artikelen 226 EG, 249, derde alinea, EG of 87, lid 1, EG. Om die reden ben ik niet van mening dat, gelet op het ontbreken van een beperking in het Statuut ten aanzien van de draagwijdte van het begrip „diensten, verricht voor een andere staat”, dat begrip, gezien de bewoordingen ervan, noodzakelijkerwijs aldus moet worden opgevat dat het uitsluitend betrekking heeft op diensten verricht voor de centrale organen van de lidstaten.
133. De tweede reden, namelijk dat de gemeenschapswetgever territoriale lichamen uitdrukkelijk in de litigieuze uitzondering zou hebben opgenomen indien hij dat had gewild, lijkt mij evenmin doorslaggevend. Zoals gezegd heeft de rechtspraak een ruime uitlegging gegeven aan het begrip „staat” in artikel 226 EG in het kader van niet-nakomingszaken, in artikel 249, derde alinea, EG met betrekking tot de rechtstreekse werking van richtlijnen, en in artikel 87, lid 1, EG ten aanzien van het begrip staatssteun, terwijl die verdragsartikelen evenmin uitdrukkelijk betrekking hebben op die lichamen of andere organen die onder de staat kunnen vallen.
134. Uit de rechtspraak, volgens welke de statutaire bepalingen een nauwkeurige terminologie bevatten en niet kunnen worden toegepast op niet uitdrukkelijk voorziene gevallen, kan mijns inziens dus niet worden afgeleid dat de litigieuze uitzondering alleen geldt voor diensten verricht voor de regeringsautoriteiten van een andere staat.
135. De argumenten die rekwiranten ter onderbouwing van hun stelling aanvoeren lijken mij daarentegen overtuigender.
136. Zoals zij stellen, moet de draagwijdte van het begrip diensten, verricht voor een andere staat worden bepaald aan de hand van de ratio legis van deze bepaling. Anders dan het door de Commissie verdedigde standpunt, moet het in die uitdrukking gebruikte begrip „staat” mijns inziens daarvan niet worden losgemaakt en afzonderlijk worden uitgelegd. Het begrip diensten, verricht voor een andere staat moet in zijn geheel worden bezien en, overeenkomstig de in de rechtspraak neergelegde methode, worden uitgelegd in het licht van het systeem en de doelstellingen van de regeling waarvan het deel uitmaakt.(36)
137. Volgens vaste rechtspraak immers is de ontheemdingstoelage bedoeld „om de bijzondere lasten en nadelen te compenseren die aan de indiensttreding bij de Gemeenschappen zijn verbonden voor ambtenaren die uit dien hoofde genoodzaakt zijn hun woonplaats te verleggen van het land van hun domicilie naar het land waar hun standplaats is gelegen, en die zich in een nieuwe omgeving moeten integreren”.(37)
138. De voorwaarden voor toekenning van deze toelage hangen af van de mate van integratie van de ambtenaar in het land van zijn standplaats. De door de gemeenschapswetgever voor deze integratie gehanteerde criteria zijn de woonplaats of de beroepsbezigheid in het land van de standplaats gedurende een aanzienlijke periode vóór de indiensttreding bij de Gemeenschappen. De ambtenaar die reeds in het land van de standplaats woonde of werkte wordt geacht daar te zijn geïntegreerd en heeft, indien hij niet de nationaliteit van dat land bezit en deze ook nooit heeft bezeten, slechts recht op een toelage voor verblijf in het buitenland, waarvan het bedrag gelijk is aan een vierde van de ontheemdingstoelage.
139. De ontheemdingstoelage wordt volgens artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut dus toegekend aan de ambtenaar die niet de nationaliteit bezit van het land van de standplaats en deze ook nooit heeft bezeten en die gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden voor zijn indiensttreding, aldaar niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend.
140. Op grond van de litigieuze uitzondering worden, in afwijking van de eerder genoemde voorwaarden, de woonplaats of het werk op het grondgebied van het land van de standplaats niet in aanmerking genomen wanneer deze het gevolg zijn van diensten verricht voor een andere staat of internationale organisatie.
141. Uit toetsing van de inhoud van deze uitzondering aan de context ervan blijkt dat de gemeenschapswetgever alle „omstandigheden die voortvloeien uit diensten, verricht voor een andere staat of internationale organisatie” van de relevante periode heeft willen uitsluiten, zonder beperking ten aanzien van het soort verrichte dienst, de arbeidsverhouding met de staat of de internationale organisatie en de duur van die werkzaamheid.
142. De gemeenschapswetgever heeft de draagwijdte van die uitzondering dus niet willen beperken tot bepaalde werkzaamheden of tot personen die volgens een specifieke regeling of statuut voor een staat of internationale organisatie werkzaam zijn geweest. Deze analyse wordt bevestigd door de rechtspraak, volgens welke diensten als stagiaire(38) of zelfstandig adviseur van een gemeenschapsinstelling(39) binnen de werkingssfeer van de litigieuze uitzondering vallen.
143. Aangezien het begrip „diensten, verricht voor een andere staat” in artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut betrekking heeft op alle diensten die voor een staat of een internationale organisatie zijn verricht, lijkt het mij op grond van die overwegingen logisch om daaruit af te leiden dat het in diezelfde bepaling gebezigde begrip „staat” eveneens ruim moet worden uitgelegd en dus moet worden toegepast op diensten verricht voor de verschillende organen of instanties die met een staat verbonden kunnen zijn.(40)
144. Deze analyse wordt mijns inziens bevestigd door het doel dat de gemeenschapswetgever met deze bepaling nastreeft.
145. Volgens de rechtspraak heeft de in die bepaling voorziene uitzondering tot doel, personen die zich in het land van hun toekomstige standplaats hebben gevestigd teneinde aldaar dergelijke werkzaamheden te verrichten, niet de ontheemdingstoelage te ontnemen, aangezien die werkzaamheden niet van dien aard waren dat zij duurzame banden met dat land konden vestigen.(41) Ambtenaren die gedurende de relevante periode in het land van hun toekomstige standplaats hebben gewoond of gewerkt terwijl zij in dienst waren van een andere staat of internationale organisatie, worden dus niet geacht duurzame banden met dat land te hebben gevestigd.(42)
146. De aan deze uitzondering ten grondslag liggende idee is door advocaat-generaal Reischl uiteengezet in zijn conclusie in de reeds aangehaalde zaak Vutera/Commissie. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat „ambtenaren in dienst van een andere staat of van een internationale organisatie, ook bij een vrij lang verblijf in het land van hun latere indiensttreding, aldaar tevoren geen regelmatige woonplaats, in de zin van een enge, duurzaam bedoelde band met bedoeld land hadden. In de regel worden zij slechts voor een beperkte tijd naar een bepaald land uitgezonden, waarbij een enge band met het land dat hen uitzendt normaliter in stand blijft.”(43)
147. De gemeenschapswetgever heeft dus gewild dat de betrokkene door de diensten die hij in het land van de standplaats voor een andere staat of internationale organisatie heeft verricht niet de ontheemdingstoelage verliest, aangezien wordt aangenomen dat hij door de aard van die diensten niet in dat land heeft kunnen integreren. Deze analyse wordt bevestigd door artikel 4, lid 1, sub b, van bijlage VII bij het Statuut. Op grond van deze bepaling wordt de ontheemdingstoelage eveneens toegekend aan de ambtenaar die de nationaliteit van het land van de standplaats bezit of heeft bezeten, op voorwaarde dat hij gedurende een periode van tien jaar vóór zijn indiensttreding regelmatig woonachtig is geweest in een ander land „om een andere reden dan het uitoefenen van een functie in dienst van een staat of van een internationale organisatie”.(44)
148. Zoals rekwiranten stellen, wordt er dus van uitgegaan dat de dienst voor de staat of een internationale organisatie verhindert dat er duurzame banden ontstaan tussen de betrokkene en het land van de standplaats.
149. Ik zie dus niet in waarom dit vermoeden uitsluitend zou moeten gelden voor diensten verricht voor de centrale regering van de lidstaten. Noch in de overwegingen van het Gerecht noch in de argumenten van de verwerende instellingen vind ik aanwijzingen op grond waarvan algemeen kan worden vastgesteld dat wanneer voor een territoriaal lichaam werkzame personen in een ander land zijn tewerkgesteld, zij voor onbepaalde tijd zijn tewerkgesteld en met hun staat niet dezelfde banden houden als ambtenaren van de centrale regering. Zoals rekwiranten aangeven, heeft ook de detachering in een ander land namens een territoriaal lichaam in het algemeen een tijdelijk karakter. Het in de litigieuze uitzondering bedoelde begrip „staat” beperkt zich dus niet tot de centrale autoriteiten, maar heeft mijns inziens ook betrekking op alle territoriale lichamen van de staat alsmede op instanties die, vanuit organisch oogpunt, deel uitmaken van de centrale of territoriale administratie van de staten.
150. De voorgaande analyse kan mijns inziens ook worden toegepast op personen die werken voor organen die, ofschoon zij niet formeel of vanuit organisch standpunt tot de administratie van de centrale regering van de staat behoren, volgens de rechtspraak toch als met de staat verbonden kunnen worden aangemerkt, omdat zij krachtens een overheidsmaatregel zijn belast met een taak van openbaar belang, onder toezicht van de overheid.(45)
151. Aangezien het de dienst voor de staat is die het vermoeden rechtvaardigt dat er geen sprake is van integratie in het land van de standplaats en niet bijzondere werkzaamheden of een specifiek statuut, moet dit vermoeden gelden ongeacht de vorm van het orgaan waaraan de staat, in het kader van zijn soevereine institutionele, politieke en administratieve organisatie, de uitoefening van zijn bevoegdheden heeft toevertrouwd. Daar het begrip diensten, verricht voor een andere staat in de Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze moet worden uitgelegd, mag de in dat begrip gebezigde term „staat” niet worden beperkt tot een organiek criterium, dat afhankelijk is van de administratieve organisatie van elke staat, maar moet het eveneens een functioneel criterium inhouden.
152. Ik wijs er voorts op dat de vier rekwiranten in casu hebben betoogd dat zij gedurende de periode dat zij te Brussel in dienst van een Spaanse autonome gemeenschap werkzaam waren in een situatie verkeerden die vergelijkbaar was met die van het personeel dat bij de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk Spanje bij de Europese Unie werkte, aangezien zij onderworpen waren aan dezelfde regeling inzake ziektekostenverzekering en aan dezelfde belastingregeling.(46) Voorts hebben rekwiranten, evenals het personeel van deze Permanente Vertegenwoordiging, een taak van openbaar belang vervuld, aangezien zij bij de gemeenschapsorganen de belangen behartigden van hun autonome gemeenschappen die deel uitmaken van het Koninkrijk Spanje.
153. Ik ben daarom van mening dat er voor de litigieuze uitzondering geen relevant verschil bestaat tussen een persoon die diensten voor de staat heeft verricht via een territoriaal lichaam of een orgaan dat onder toezicht van dat lichaam staat en een persoon die dat heeft gedaan via de centrale administratie, zoals de Permanente Vertegenwoordiging van die staat. Rekwiranten kunnen eveneens terecht stellen dat het Gerecht, door de werkingssfeer van de litigieuze uitzondering te beperken tot diensten verricht voor de centrale regering van de staat, personen heeft gediscrimineerd die diensten verrichten voor territoriale lichamen van lidstaten of voor andere van de staat afhankelijke instanties.
154. De verwerende instellingen voeren verschillende argumenten tegen deze analyse aan.
155. Om te beginnen stellen zij dat de respectieve situaties van personen die diensten voor de centrale overheid verrichten en zij die rechtstreeks of indirect voor een territoriaal lichaam werken, verschillend zijn, aangezien die twee categorieën personen niet dezelfde functies uitoefenen en de belangen die zij behartigen niet altijd samenvallen.
156. Ik ben van mening dat dit argument niet afdoet aan de gegrondheid van het standpunt van rekwiranten, en wel om de volgende redenen. Waar het mijns inziens op aankomt is de vraag of de omstandigheden waaronder de betrokkenen in een ander land zijn tewerkgesteld, hun in het algemeen de mogelijkheid bood om aldaar duurzame banden te vestigen. Zoals wij hebben gezien, is de gemeenschapswetgever ervan uitgegaan dat de voor de staat verrichte diensten de vestiging van dergelijke banden niet mogelijk maakte. Voorts hangt de toepassing van de litigieuze uitzondering niet af van de aard van de verrichte werkzaamheden, aangezien zij geldt voor alle diensten verricht voor een staat of een internationale organisatie.
157. Vervolgens stellen de verwerende instellingen dat de betrokkenen in het kader van diensten verricht voor een territoriaal lichaam, geen rechtstreeks band met de staat hebben.
158. Ik ben het hiermee niet eens. De litigieuze uitzondering geldt inderdaad alleen indien de betrokkene rechtstreeks door de staat is tewerkgesteld. Deze voorwaarde volgt logischerwijs uit de reden voor de uitzondering, namelijk dat de aanstelling van door de staat tewerkgestelde personen in een ander land slechts voor beperkte duur is en deze personen nauwe banden houden met hun staat waardoor zij niet kunnen integreren in het land van hun standplaats. De voorwaarde inzake het bestaan van een rechtstreekse band beoogt mijns inziens dus de toepassing van de uitzondering te beperken tot personen die rechtstreeks door de staat waren tewerkgesteld en daarvan uit te sluiten, personen die als werknemers van een derde vennootschap voor rekening van laatstgenoemde diensten voor een staat hebben verricht.(47)
159. Gelet op de voorgaande overwegingen, hebben personen die rechtstreeks zijn tewerkgesteld door een territoriaal lichaam of een orgaan dat onder toezicht van dat lichaam belast is met de uitoefening van een taak van openbaar belang, wel degelijk een rechtstreekse band met dat lichaam of dat orgaan en, dientengevolge, met de staat.
160. Ten slotte zetten de verwerende instellingen uiteen dat de uitbreiding van het in de betrokken bepaling bedoelde begrip „staat” tot territoriale lichamen en, a fortiori, tot andere instanties, tot gevolg zou hebben dat de toekenning van de toelage in een moeilijk te voorziene mate zou worden uitgebreid, terwijl de gemeenschapsrechtelijke bepalingen die recht geven op financiële prestaties eng moeten worden uitgelegd.
161. Deze bezwaren lijken mij om de volgende redenen te moeten worden afgewezen. In de eerste plaats is het begrip „staat” zoals gedefinieerd in de rechtspraak niet onbegrensd. Zoals ik eerder heb aangegeven, heeft de rechtspraak, met name die betreffende de rechtstreekse werking van richtlijnen, de criteria gedefinieerd aan de hand waarvan een orgaan onder de staat kan worden ingedeeld.
162. Salvador García en Salazar Brier verwijzen in dit verband naar de rechtspraak van het Hof in het reeds aangehaalde arrest Beentjes en het reeds aangehaalde arrest van 17 december 1998, Commissie/Ierland. Het is juist dat deze arresten, zoals de Commissie aangeeft, zijn gewezen op het specifieke gebied van overheidsopdrachten. De criteria aan de hand waarvan een orgaan als „aanbestedende dienst” moet worden aangemerkt kunnen als zodanig dus niet worden gebruikt voor de toepassing van de betrokken statutaire bepaling.
163. Deze criteria hebben echter wel hetzelfde doel als die welke het Hof in het kader van de artikelen 226 EG, 249 EG en 87 EG heeft ontwikkeld, dat wil zeggen dat zij de doeltreffende en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht moeten verzekeren, ongeacht de administratieve organisatie van de lidstaten. Volgens mij kunnen zij dus als indicatie dienen bij de vraag of de overheid daadwerkelijk controle uitoefent over een vennootschap die is belast met de behartiging van de belangen van een territoriaal lichaam bij de gemeenschapsorganen.
164. In de tweede plaats hebben statutaire bepalingen zoals die betreffende de ontheemdingstoelage tot doel, de Gemeenschappen te voorzien van een onafhankelijk, hoogwaardig overheidsapparaat, samengesteld uit ambtenaren die qua competentie, prestatie en integriteit aan hoge eisen voldoen en op een zo breed mogelijke geografische basis uit de burgers van de lidstaten worden gerekruteerd.(48)
165. Zoals uiteengezet, heeft de litigieuze uitzondering tot doel, personen die in het land van hun toekomstige standplaats voor een andere staat of internationale organisatie hebben gewerkt, niet de ontheemdingstoelage te ontzeggen. Die toelage, die gelijk is aan 16 % van het basissalaris en de kostwinnerstoelage alsmede de toelage voor een kind ten laste en die wordt uitgekeerd gedurende de gehele periode van werkzaamheid in dienst van de Gemeenschappen, draagt in beduidende wijze bij tot de aantrekkingkracht van de door hen aangeboden ambten. Het is mijns inziens in het belang van de Gemeenschappen om de draagwijdte van dit voordeel niet te beperken tot personen die voor de centrale regering van de lidstaten hebben gewerkt teneinde, in voorkomend geval, ook te kunnen profiteren van de expertise verkregen door personen die in het land van de standplaats werkzaam zijn geweest voor territoriale lichamen en in verschillende van de staten afhankelijke instanties.
166. Gelet op de voorgaande overwegingen, ben ik van mening dat het begrip diensten, verricht voor een andere staat niet uitsluitend betrekking heeft op diensten verricht voor de regeringsautoriteiten van de lidstaten, maar aldus moet worden opgevat dat het ook betrekking heeft op diensten verricht voor een territoriaal lichaam en voor een instantie die, ongeacht haar rechtsvorm, op grond van een overheidshandeling is belast met de vervulling, onder toezicht van die overheid, van een taak van openbaar belang, zoals het beheer of de behartiging van de belangen van een territoriaal lichaam bij de gemeenschapsorganen.
b) Vormen de werkzaamheden van assistent van een lid van het Europees Parlement „diensten, verricht voor een internationale organisatie” in de zin van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut?
167. Het wordt niet betwist en het lijkt onbetwistbaar dat het Parlement moet worden aangemerkt als een internationale organisatie in de zin van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut. Er zij in dit opzicht aan herinnerd dat werkzaamheden voor de Commissie door het Hof en het Gerecht zijn aangemerkt als diensten verricht voor een internationale organisatie in de zin van deze bepaling.(49)
168. De Commissie stelt dat de werkzaamheid van assistent van een lid van het Europees Parlement niet binnen de werkingssfeer van de litigieuze uitzondering kan vallen, aangezien die assistent geen rechtstreekse juridische banden met die instelling heeft.(50)
169. Ik ben het hiermee niet eens. Zoals ik eerder heb aangegeven, impliceert de voorwaarde van een rechtstreekse band tussen de betrokkene en de staat of de internationale organisatie, die noodzakelijk is gelet op het met de litigieuze uitzondering beoogde doel, dat die persoon rechtstreeks door die staat of internationale organisatie is tewerkgesteld. Deze voorwaarde moet ertoe leiden dat personen die als werknemers van een derde vennootschap voor rekening van die vennootschap diensten voor een staat of internationale organisatie hebben verricht, van die uitzondering worden uitgesloten.(51)
170. Aan de voorwaarde inzake het bestaan van een rechtstreekse band tussen de betrokkene en een gemeenschapsinstelling wordt dus voldaan wanneer die persoon, bij overeenkomst of anderszins, rechtstreeks door die instelling is aangesteld overeenkomstig de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen of een andere communautaire regeling.(52)
171. De regeling betreffende de vergoeding van kosten en toelagen van leden van het Europees Parlement, die het Bureau van die instelling in 1984 heeft vastgesteld(53), voorziet in artikel 14 voor elk lid in de mogelijkheid, een toelage te genieten bestemd ter dekking van de kosten van de tewerkstelling of het gebruik van de diensten van één of meerdere assistenten. Volgens die bepaling kunnen meerdere leden ook gezamenlijk dezelfde assistent aanstellen.
172. Blijkens de bepalingen die het Parlement voor zijn functioneren heeft vastgesteld kunnen de Europese afgevaardigden dus rechtstreeks parlementaire assistenten aanwerven om hen gedurende hun mandaat te ondersteunen bij hun werkzaamheden. Bovendien zijn het juist de afgevaardigden die, als leden van het Europees Parlement, onder de regels die in het Verdrag en in de door die instelling vastgestelde regels zijn voorzien, de haar toebedeelde bevoegdheden uitoefenen.
173. Wanneer een assistent van een lid van het Europees Parlement rechtstreeks door dat lid is aangeworven en niet door een dienstverrichter ter beschikking van laatstgenoemde is gesteld, heeft hij mijns inziens dus wel degelijk een rechtstreekse band met het Parlement als internationale organisatie in de zin van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut. De omstandigheid dat de overeenkomst tussen die assistent en de parlementariër een privaatrechtelijke overeenkomst naar nationaal recht is, zoals die welke Salvador García en de afgevaardigde voor wie zij werkte hebben gesloten, doet mijns inziens geen afbreuk aan deze analyse. Waar het volgens mij op aankomt is dat die overeenkomst tussen de assistent en de afgevaardigde is gesloten en dat in een handeling van het Parlement de mogelijkheid is voorzien dat een lid van het Parlement aldus een medewerker kan aanstellen om hem bij de vervulling van zijn werkzaamheden binnen die instelling bij te staan.
174. De werkzaamheden van assistent van een lid van het Europees Parlement moeten mijns inziens dus worden aangemerkt als diensten verricht voor een internationale organisatie in de zin van de bepaling, indien de betrokken assistent rechtstreeks is aangesteld door de afgevaardigde en hem niet als werknemer van een dienstverrichtende vennootschap ter beschikking is gesteld.
175. Ik zal thans de gevolgen onderzoeken die mijns inziens uit deze analyses voor de vier onderzochte zaken moeten worden getrokken.
4. Gevolgen van deze analyses voor de vier onderzochte zaken
a) Zaak C‑7/06 P
176. Zoals gezegd, is Salvador García op 16 april 2001 in dienst getreden van de Commissie te Brussel. Het Gerecht heeft de referentieperiode vastgesteld op de periode tussen 16 oktober 1995 en 15 oktober 2000.
177. In het reeds aangehaalde arrest Salvador García/Commissie heeft het Gerecht vastgesteld dat rekwirante gedurende het grootste deel van die periode haar voornaamste beroepsbezigheid heeft uitgeoefend te Brussel, eerst in dienst van Sodexna, een vennootschap belast met de buitenlandse economische ontwikkeling van de autonome gemeenschap van Navarra, en vervolgens als afgevaardigde van de regering van die autonome gemeenschap.
178. Het Gerecht heeft geoordeeld dat die werkzaamheden niet konden worden aangemerkt als diensten verricht voor een andere staat in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut, omdat deze bepaling geen betrekking heeft op diensten verleend voor de staatkundige onderdelen van een staat noch, a fortiori, op diensten verricht voor een vennootschap als Sodexna, daar deze naar haar aard geen deel uitmaakt van de organen van de staat, zelfs al is zij belast met een taak van openbaar belang.
179. Indien het Hof mijn analyse volgt van het begrip „diensten, verricht voor een andere staat” in artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut is het Gerecht bij de toepassing van die bepaling van een verkeerde rechtsopvatting uitgegaan, door die werkzaamheden uit te sluiten van de werkingssfeer van dat begrip ofschoon de autonome gemeenschap van Navarra een overheidslichaam van het Koninkrijk Spanje is, en zonder te onderzoeken of Sodexna haar werkzaamheden onder toezicht van de autonome gemeenschap uitoefent.
180. Het middel ontleend aan schending van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut is dus gegrond.
181. Om de gevolgen van deze rechtsdwaling te beoordelen moet worden onderzocht of de werkzaamheden van Salvador García in België gedurende de vijf jaar vóór haar indiensttreding bij Sodexna op 1 maart 1997 volstonden om het beroep tot nietigverklaring te verwerpen dat zij had ingesteld tegen het besluit van de Commissie waarbij haar de ontheemdingstoelage werd geweigerd.
182. Wanneer een persoon gedurende de relevante periode, berekend vanaf zijn indiensttreding bij de Gemeenschappen, diensten voor een andere staat of een internationale organisatie heeft verricht, moet het tot aanstelling bevoegd gezag (TABG) volgens de rechtspraak immers een periode van vijf jaar opnieuw vastleggen en daarbij de aan die diensten bestede tijd aftrekken.(54) De betrokkene kan geen aanspraak maken op de ontheemdingstoelage indien hij gedurende de aldus opnieuw vastgestelde referentieperiode regelmatig op het Europese grondgebied van het land van de standplaats woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheid heeft uitgeoefend.(55)
183. Uit onderzoek van rekwirantes situatie in de jaren vóór haar indiensttreding bij Sodexna op 1 maart 1997 blijkt dat zij van september 1991 tot juli 1992 in België heeft gestudeerd en vervolgens van oktober 1992 tot februari 1993 stage heeft gelopen bij de Commissie te Brussel.
184. Van 1 oktober 1993 tot 31december 1994 heeft rekwirante in die stad gewerkt voor de regering van de autonome gemeenschap van Navarra en vervolgens, van 21 februari 1995 tot 20 augustus 1995 bij Sodena, een vennootschap belast met de economische ontwikkeling van die autonome gemeenschap.
185. Tussen 1 september 1995 en 30 juni 1996 was Salvador García assistente van een lid van het Europees Parlement.
186. In juli en augustus 1996 werkte zij als vrijwilligster bij een niet-gouvernementele organisatie in Peru, vervolgens was zij van 2 september 1996 tot 28 februari 1997 in het kader van een op 17 juli 1996 ondertekende arbeidsovereenkomst werkzaam bij de particuliere vennootschap ECO, waaraan de Commissie taken op het gebied van technische bijstand had toevertrouwd.
187. Wanneer ik die periode in haar geheel bezie, dan moet ik vaststellen dat het grootste deel ervan is gewijd aan werkzaamheden als werknemer van de regering van de autonome gemeenschap van Navarra (15 maanden), en van Sodena (6 maanden), als assistente van een lid van het Europees Parlement (10 maanden) en als stagiaire bij de Commissie (5 maanden). Volgens mijn analyse van het begrip „diensten, verricht voor een andere staat of internationale organisatie” vallen deze werkzaamheden binnen de werkingssfeer van dat begrip of kunnen zij daaronder vallen.
188. De periodes die rekwirante te Brussel heeft doorgebracht om daar te studeren, van september 1991 tot juli 1992, en als werknemer van de vennootschap ECO, gedurende zes maanden, volstaan als zodanig niet om aan te tonen dat de betrokkene gedurende vijf jaar regelmatig in België woonachtig is geweest of aldaar haar voornaamste beroepsbezigheid heeft uitgeoefend.
189. Gelet op een en ander, ben ik van mening dat de door rekwirante ingestelde hogere voorziening gegrond is en dat het reeds aangehaalde arrest Salvador García/Commissie moet worden vernietigd.
190. Overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht indien de hogere voorziening gegrond is. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Mijns inziens is dat in casu het geval.
191. Salvador García vordert nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 27 maart 2002 tot afwijzing van haar klacht tegen het besluit van 28 juni 2001 houdende weigering om haar de ontheemdingstoelage en de daarmee verbonden toelagen toe te kennen.
192. Volgens het besluit van 27 maart 2002 is die weigering hoofdzakelijk gebaseerd op dezelfde overwegingen als die waarop het Gerecht zich heeft gebaseerd en die mijns inziens op een onjuiste rechtsopvatting berusten.
193. Zo heeft de Commissie haar besluit op de volgende gronden gebaseerd:
– de werkzaamheid als assistente van een lid van het Europees Parlement kan niet worden aangemerkt als „diensten, verricht voor een internationale organisatie” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut, aangezien rekwirante geen rechtstreekse juridische banden met het Parlement heeft gehad en haar contractverhouding slechts op een met een lid van het Europees Parlement gesloten privaatrechtelijke overeenkomst berustte;
– de door rekwirante voor de vennootschappen Sodena en Sodexna uitgeoefende beroepsbezigheden vallen niet binnen de werkingssfeer van de bovenvermelde bepaling, aangezien de door haar bij die vennootschappen verrichte diensten, zelfs al zouden die vennootschappen een publiek karakter hebben gehad omdat zij belast waren met de vertegenwoordiging van de belangen van de autonome gemeenschap van Navarra te Brussel, beheerst werden door privaatrechtelijke overeenkomsten;
– de werkzaamheden die Salvador García rechtstreeks voor de regering van Navarra had uitgeoefend konden evenmin worden aangemerkt als „diensten, verricht voor een andere staat” in de zin van deze bepaling, aangezien de omstandigheid dat de Spaanse autonome gemeenschappen over eigen hun door de grondwet toebedeelde bevoegdheden beschikken, niet betekent dat zij staten zijn.
194. Om de hierboven door mij uiteengezette redenen zijn deze gronden onjuist, zodat het middel ontleend aan schending van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut gegrond is. De besluiten van de Commissie van 28 juni 2001 en 27 maart 2002 houdende weigering om rekwirante de in dat artikel voorziene ontheemdingstoelage en de daarmee verbonden toelagen toe te kennen, moeten derhalve nietig worden verklaard.
195. Mocht het Hof het met mijn standpunt eens zijn, dan dient de Commissie op grond van artikel 233 EG opnieuw met inachtneming van het door het Hof gewezen arrest en de rechtsoverwegingen ervan, een besluit te nemen over het verzoek van Salvador García om betaling van die toelagen.
196. Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het de zaak zelf afdoet. Volgens artikel 69, lid 2, van dit Reglement, dat ingevolge artikel 118 daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd.
197. Overeenkomstig die bepalingen en de vorderingen van Salvador García geef ik het Hof eveneens in overweging, de Commissie te verwijzen in de kosten van deze procedure en van die voor het Gerecht.
b) Zaken C‑8/06 P–C‑10/06 P
198. De gevolgen die ik voor zaak C‑7/06 voorstel, moeten mijns inziens op grond van dezelfde redenering ook worden getrokken in de drie andere onderzochte zaken.
199. Herrero Romeu (zaak C‑8/06 P) is op 16 november 2001 in dienst getreden van de Commissie te Brussel. Het Gerecht heeft haar referentieperiode vastgesteld op de periode tussen 16 mei 1996 en 15 mei 2001. Gedurende die volledige periode is rekwirante in Brussel werkzaam geweest bij het Patronat, een publiekrechtelijke instantie belast met de behartiging van de belangen van de regering van de autonome gemeenschap van Catalonië.
200. Salazar Brier (zaak C‑9/06 P) is op 1 juni 2002 in dienst getreden van de Commissie te Brussel. Het Gerecht heeft zijn referentieperiode vastgesteld op de periode tussen 1 december 1996 en 30 november 2001. Het heeft vastgesteld dat rekwirant gedurende die periode zijn voornaamste beroepsbezigheid in Brussel had uitgeoefend, eerst in dienst van Sofesa, een vennootschap belast met de behartiging van de belangen van de autonome gemeenschap van de Canarische eilanden en die van het bureau van de vertegenwoordiging van die autonome gemeenschap, en vervolgens rechtstreeks in dienst van de regering van die autonome gemeenschap.
201. De Bustamante Tello (zaak C‑10/06 P) is op 1 januari 2003 als ambtenaar in dienst getreden van de Raad te Brussel. Het Gerecht heeft zijn referentieperiode vastgesteld op de periode tussen 1 juli 1997 en 30 juni 2002. Het heeft vastgesteld dat rekwirant gedurende die periode zijn voornaamste beroepsbezigheid in Brussel heeft uitgeoefend in dienst van het ORM, een orgaan belast met de behartiging van de belangen van de autonome gemeenschap van de Región de Murcia bij de Gemeenschappen.
202. In de drie reeds aangehaalde arresten Herrero Romeu/Commissie, Salazar Brier/Commissie en De Bustamante Tello/Raad heeft het Gerecht geoordeeld dat de werkzaamheden die rekwiranten gedurende die referentieperiodes hadden verricht, niet konden worden aangemerkt als diensten verricht voor een andere staat in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut en wel op grond van dezelfde overwegingen als die in het reeds aangehaalde arrest Salvador García/Commissie. Zoals reeds eerder aangegeven, berusten die overwegingen mijns inziens op een onjuiste rechtsopvatting.
203. Onderzoek van de situatie van rekwiranten in de periode vóór de door het Gerecht vastgestelde referentieperiode toont aan dat hun werkzaamheden in België niet van dien aard zijn dat zij de weigering om de ontheemdingstoelage toe te kennen rechtvaardigen.
204. Wat Herrero Romeu betreft, zijn de enige werkzaamheden die zij in België heeft uitgeoefend die welke zij sinds januari 1993 in dienst van het Patronat heeft uitgeoefend.
205. Salazar Brier heeft van 3 oktober 1994 tot 31 augustus 1998 bij Sofesa te Brussel gewerkt, eerste als stagiaire en vervolgens op grond van een arbeidsovereenkomst. Niets wijst erop dat hij vóór zijn indiensttreding bij Sofesa op 3 oktober 1994 regelmatig, gedurende een periode van vijf jaar, in België woonachtig is geweest of aldaar zijn voornaamste beroepsbezigheid heeft uitgeoefend.
206. Wat De Bustamante Tello betreft, blijkt uit het dossier eveneens dat hij tussen 2 december 1991 en 31 juli 1996 zijn beroepsbezigheid in Brussel heeft uitgeoefend in dienst van de INFO, een publiekrechtelijke instantie van de autonome gemeenschap van de Región de Murcia, die onder andere is belast met het volgen van de wetgeving en de communautaire programma’s die een belang hebben voor die autonome gemeenschap, eerst als stagiaire en vervolgens op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbeperkte tijd. Vanaf augustus 1996 heeft hij in Brussel gewerkt als directeur van het ORM.
207. Al deze activiteiten kunnen worden aangemerkt als „diensten, verricht voor een andere staat” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut. Gelet op een en ander, ben ik van mening dat de hogere voorzieningen van rekwiranten in de drie onderzochte zaken gegrond zijn en dat de reeds aangehaalde arresten Herrero Romeu/Commissie, Salazar Brier/Commissie en De Bustamante Tello/Raad moeten worden vernietigd.
208. Daar de zaken mijns inziens in staat van wijzen zijn, geef ik het Hof in overweging om deze zelf af te doen.
209. Herrero Romeu, Salazar Brier en De Bustamante Tello vorderen nietigverklaring van de besluiten van de Commissie van 19 november 2001 respectievelijk 25 juli 2001 alsmede van de Raad van 24 januari 2003, waarbij die instellingen hebben vastgesteld dat zij geen recht hadden op de ontheemdingstoelage en de daarmee verbonden toelagen.
210. Ik stel vast dat de door de instellingen voor die weigering aangevoerde redenen, zoals deze blijken uit de besluiten van 10 juni 2002 respectievelijk 24 maart 2003 en 28 juli 2003 houdende afwijzing van de door rekwiranten ingediende klachten, in wezen gelijk zijn aan die van het Gerecht in de bestreden arresten, welke mijns inziens op een verkeerde rechtsopvatting berusten. Het middel ontleend aan schending van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Gerecht is dus gegrond.
211. Ik geef het Hof derhalve in overweging, die besluiten conform de vorderingen van rekwiranten nietig te verklaren en de verwerende instellingen te verwijzen in alle kosten van deze procedures en die voor het Gerecht.
V – Conclusie
212. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„1) In zaak C‑7/06 P:
– het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 2005, Salvador García/Commissie (T‑205/02), te vernietigen;
– de besluiten van de Commissie van 28 juni 2001 en 27 maart 2002 houdende weigering om Salvador García de in artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen voorziene ontheemdingstoelage alsmede de daarmee verbonden toelagen toe te kennen, nietig te verklaren, en
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten van de procedures voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen en voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
2) In zaak C‑8/06 P:
– het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 2005, Herrero Romeu/Commissie (T‑298/02), te vernietigen;
– de besluiten van de Commissie van 19 november 2001 en 10 juni 2002 houdende weigering om Herrero Romeu de in artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen voorziene ontheemdingstoelage alsmede de daarmee verbonden toelagen toe te kennen, nietig te verklaren, en
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten van de procedures voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen en voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
3) In zaak C‑9/06 P:
– het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 2005, Salazar Brier/Commissie (T‑83/03), te vernietigen;
– de besluiten van de Commissie van 25 juli 2002, 24 februari en 24 maart 2003 houdende weigering om Salazar Brier de in artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen voorziene ontheemdingstoelage alsmede de daarmee verbonden toelagen toe te kennen, nietig te verklaren, en
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten van de procedures voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
4) In zaak C‑10/06 P:
– het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 2005, De Bustamante Tello/Raad (T‑368/03), te vernietigen;
– de besluiten van de Raad van 24 januari 2003 en 28 juli 2003 houdende weigering om De Bustamante Tello de in artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen voorziene ontheemdingstoelage alsmede de daarmee verbonden toelagen toe te kennen, nietig te verklaren, en
– de Raad van de Europese Unie te verwijzen in de kosten van de procedures voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen en voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Voor zaak C-7/06 P, arrest Salvador García/Commissie (T-205/02, JurAmbt. blz. I‑A‑285 en II‑1311); voor zaak C-8/06 P, arrest Herrero Romeu/Commissie (T-298/02, Jurispr. blz. II‑4599; JurAmbt. blz. I‑A‑295 en II‑1349); voor zaak C-9/06 P, arrest Salazar Brier/Commissie (T‑83/03, JurAmbt. blz. I‑A‑311 en II‑1407), en, voor zaak C-10/06 P, arrest De Bustamante Tello/Raad (T‑368/03, JurAmbt. blz. I‑A‑321 en II‑1439) (hierna: „bestreden arresten”).
3 – Voor zaak C-7/06 P, besluit van 28 juni 2001; voor zaak C-8/06 P, besluit van 19 november 2001, en, voor zaak C-9/06 P, besluit van 25 juli 2002.
4 – Voor zaak C-10/06 P, besluit van 24 januari 2003.
5 – Hierna: „Statuut”.
6 – PB 1962, 45, blz. 1385.
7 – Vennootschap voor de ontwikkeling van Navarra (hierna: „Sodena”).
8 – Vennootschap voor de buitenlandse ontwikkeling van Navarra (hierna: „Sodexna”).
9 – Hierna: „Patronat”.
10 – Canarische vennootschap voor economische ontwikkeling (hierna: „Sofesa”).
11 – Instituut voor de ontwikkeling van de Región Murcia (hierna: „INFO”).
12 – Bureau van de autonome gemeenschap van de Región Murcia bij de Europese Gemeenschappen (hierna: „ORM”).
13 – C-62/97 P, Jurispr. blz. I-3273.
14 – Het Gerecht heeft verwezen naar de beschikkingen van het Hof van 21 maart 1997, Waals Gewest/Commissie (C-95/97, Jurispr. blz. I-1787, punt 6), en 1 oktober 1997, Regione Toscana/Commissie (C-180/97, Jurispr. blz. I‑5245, punt 6).
15 – Het Gerecht heeft aangehaald de arresten Hof van 16 maart 1971, Bernardi/Parlement (48/70, Jurispr. blz. 175, punten 11 en 12), en 20 juni 1985, Klein/Commissie (123/84, Jurispr. blz. 1907, punt 23), alsmede zijn arrest van 19 juli 1999, Mammarella/Commissie (T-74/98, JurAmbt. blz. I-A-151 en II-797, punt 38).
16 – T-4/92, Jurispr. blz. II-357.
17 – 31/87, Jurispr. blz. 4635 (punt 12).
18 – C-353/96, Jurispr. blz. I-8565 (punt 26).
19 – PB L 185, blz. 5.
20 – De Raad verwijst naar het arrest van het Gerecht van 30 november 1994, Dornonville de la Cour/Commissie (T‑498/93, JurAmbt. blz. I-A-257 en II-813, punt 38).
21 – Zie arrest van 13 juli 2000, Salzgitter/Commissie (C‑210/98 P, Jurispr. blz. I‑5843, punt 43).
22 – Arrest van 6 maart 2003, Interporc/Commissie (C‑41/00 P, Jurispr. blz. I‑2125, punt 17). Zie voor een recente toepassing eveneens arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, Jurispr. blz. I‑439, punt 32).
23 – Arrest PKK en KNK/Raad, reeds aangehaald (punt 66).
24 – Beschikking Waals Gewest/Commissie, reeds aangehaald (punt 6).
25 – Arrest van 30 september 2003, Colegio de Oficiales de la Marina Mercante Española (C-405/01, Jurispr. blz. I-10391, punt 39).
26 – Zie in die zin arrest van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame (C‑46/93 en C-48/93, Jurispr. blz. I-1029, punt 34).
27 – Zie, wat betreft een aan de wetgever toe te rekenen verzuim, arrest van 5 mei 1970, Commissie/België (77/69, Jurispr. blz. 237, punt 15), en, wat betreft een aan een rechterlijke instantie toe te rekenen verzuim, arrest van 9 december 2003, Commissie/Italië (C‑129/00, Jurispr. blz. I‑14637, punten 29 en 32).
28 – Zie, wat betreft de Duitse Länder, arrest van 14 mei 2002, Commissie/Duitsland (C-383/00, Jurispr. blz. I-4219, punt 18); wat betreft een Belgisch gewest, arrest van 17 januari 2002, Commissie/België (C‑423/00, Jurispr. blz. I-593, punt 16), en wat betreft een Franse gemeente, arrest van 18 juni 1985, Steinhauser (197/84, Jurispr. blz. 1819).
29 – In het arrest van 24 november 1982, Commissie/Ierland (249/81, Jurispr. blz. 4005), heeft het Hof een beroep wegens niet-nakoming gegrond geacht dat tegen Ierland was ingesteld als gevolg van de campagne „Buy Irish” die werd gevoerd door de Irish Goods Council, een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Iers recht. Het Hof heeft geoordeeld dat de Ierse regering zich niet kon beroepen op het privaatrechtelijke karakter van deze vennootschap om te ontkomen aan de aansprakelijkheid voor deze met het gemeenschapsrecht strijdige actie, aangezien die regering de leden van de raad van beheer van deze vennootschap benoemde, daaraan overheidssubsidies verleende die de kosten grotendeels dekten en ten slotte de inhoud van de door haar gevoerde publiciteitscampagne bepaalde (punt 15).
30 – Arrest van 22 juni 1989, Fratelli Costanzo (103/88, Jurispr. blz. 1839).
31 – Arrest van 12 juli 1990, Foster e.a. (C-188/89, Jurispr. blz. I-3313, punt 18), en beschikking van 26 mei 2005, Sozialhilfeverband Rohrbach (C-297/03, Jurispr. blz. I‑4305, punten 27 en 30).
32 – Arresten van 4 december 1997, Kampelmann e.a. (C-253/96–C-258/96, Jurispr. blz. I-6907, punt 46), en 5 februari 2004, Rieser Internationale Transporte (C‑157/02, Jurispr. blz. I-1477, punt 24).
33 – Arrest van 14 oktober 1987, Duitsland/Commissie (248/84, Jurispr. blz. 4013, punt 17), betreffende steun verleend door een Duits Land.
34 – Arrest van 22 maart 1977, Steinike & Weinlig (78/76, Jurispr. blz. 595, punt 21).
35 – Het begrip „aanbestedende dienst” wordt gedefinieerd als de staat, de territoriale lichamen, publiekrechtelijke instellingen en verenigingen gevormd door een of meer van deze publiekrechtelijke lichamen of instellingen. Onder „publiekrechtelijke instelling” wordt verstaan, iedere instelling die is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang andere dan die van industriële of commerciële aard en die rechtspersoonlijkheid bezit, en waarvan ofwel de activiteiten in hoofdzaak door de staat of de territoriale of andere publiekrechtelijke instellingen worden gefinancierd, of wel het beheer is onderworpen aan toezicht door deze laatste, of wel de leden van de directie, de raad van bestuur of de raad van toezicht voor meer dan de helft door de staat, de territoriale lichamen of andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen [zie artikel 1, sub b, van richtlijnen 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1), 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PB L 199, blz. 1) en 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 199, blz. 54)].
36 – Arresten van 16 mei 2002, Schilling en Nehring (C-63/00, Jurispr. blz. I‑4483, punt 24), en 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco (C-491/01, Jurispr. blz. I-11453, punten 203-206 en aangehaalde rechtspraak). Zie voor een recente toepassing arrest van 14 december 2006, ASML (C-283/05, Jurispr. blz. I‑12041, punten 16 en 22).
37 – Zie onder meer arrest van 15 september 1994, Magdalena Fernández/Commissie (C-452/93 P, Jurispr. blz. I-4295, punt 20 en aangehaalde rechtspraak).
38 – Arrest Hof van 10 oktober 1989, Atala-Palmerini/Commissie (201/88, Jurispr. blz. 3109, punt 6), en arrest Gerecht van 3 mei 2001, Liaskou/Raad (T-60/00, JurAmbt. blz. I-A-107 en II‑489, punten 49 en 50).
39 – Arrest Gerecht van 14 december 1995, Diamantaras/Commissie (T-72/94, JurAmbt. blz. I‑A‑285 en II-865, punt 52).
40 – Deze analyse komt overeen met die van het Gerecht in het reeds aangehaalde arrest Vardakas/Commissie. In dat arrest leidde het Gerecht uit de bewoordingen van de litigieuze uitzondering en de context ervan eveneens af dat de wetgever de bedoeling had gehad het recht op de ontheemdingstoelage ruim te formuleren (punt 37). Het heeft voorts geoordeeld dat het in de litigieuze uitzondering gebruikte begrip „internationale organisatie” niet beperkend kon worden uitgelegd (punt 41).
41 – Arrest van 31 mei 1988, Nuñez/Commissie (211/87, Jurispr. blz. 2791, punt 11).
42 – Zie eveneens arrest van 15 januari 1981, Vutera/Commissie (1322/79, blz. 127, punt 8).
43 – Zie blz. 143.
44 – Cursivering van mij.
45 – Zie arrest Foster e.a., reeds aangehaald (punt 20).
46 – Dezelfde vaststelling kan worden gemaakt in de zaak Adam/Commissie (C‑211/06 P), die thans voor het Hof aanhangig is. Adam, die de Duitse nationaliteit heeft, is op 1 juli 2003 in dienst van de Commissie getreden. De ontheemdingstoelage werd haar geweigerd, omdat zij sinds 1 oktober 1997 te Brussel bij het Verbindungsbüro Saarland had gewerkt en de Commissie van mening was dat die werkzaamheden geen diensten verricht voor een andere staat vormden. In het kader van haar beroep tegen het besluit van de Commissie heeft verzoekster uiteengezet dat zij in dezelfde situatie verkeerde als federale werknemers die hun werkzaamheden in het buitenland uitoefenen. Zo heeft zij net als die werknemers moeten beloven, de grondwet te eerbiedigen en is haar arbeidsovereenkomst onderworpen aan de collectieve arbeidsovereenkomst voor werknemers in dienst van de federale overheid.
47 – De draagwijdte van de voorwaarde inzake het bestaan van een rechtstreekse juridische band is ook aan de orde in de zaak Commissie/Hosman-Chevalier (C‑424/05), die thans bij het Hof aanhangig is en waarin advocaat-generaal Mengozzi op 15 maart 2007 zijn conclusie heeft genomen.
48 – Zie overweging 2 van verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA); overwegingen 2 en 3 van verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124, blz. 1), alsmede het antwoord van Kinnock, vice-voorzitter van de Commissie belast met de administratieve hervorming, op een parlementaire vraag van 22 maart 2001 (PB C 40 E, blz. 9).
49 – Reeds aangehaalde arresten Atala-Palmerini/Commissie (punt 6) en Liaskou/Raad (punten 49 en 50).
50 – Dit is eveneens het door de Commissie verdedigde standpunt in de zaak Asturias Cuerno/Commissie (T-473/04), die voor het Gerecht aanhangig is.
51 – Zie voor een persoon die door een uitzendbureau ter beschikking van de Commissie werd gesteld, arrest Gerecht van 11 september 2002, Nevin/Commissie (T‑127/00, JurAmbt. blz. I‑A‑149 en II-781, punten 53 en 58).
52 – Arrest Gerecht van 22 maart 1995, Lo Giudice/Parlement (T-43/93, JurAmbt. blz. I‑A-57 en II‑189, punt 34).
53 – Dit niet bekendgemaakte document heet „Rules governing the payment of expenses and allowances to Members” (PE 133.116).
54 – Zo werd het Hof in het reeds aangehaalde arrest Atala-Palmerini/Commissie geconfronteerd met de volgende situatie. Atala-Palmerini, Peruaanse sinds haar geboorte en Italiaanse door haar huwelijk, had van september 1970 tot juni 1973 een universitaire studie in België gevolgd. Na een kort verblijf in Peru liep zij van 1 september 1973 tot 31 januari 1974 stage bij de Commissie. Op 7 december 1974 trad zij in het huwelijk met een te Brussel tewerkgestelde Italiaanse ambtenaar van de Commissie. Gedurende de academische jaren 1974/1975 en 1975/1976 was zij ingeschreven bij de universiteit Paris X-Nanterre voor de voorbereiding van een doctoraat. Van 6 maart 1978 tot 30 maart 1987 was zij werkzaam bij de ambassade van Peru in België. Op 16 april 1987 trad zij in dienst van de Commissie, met standplaats te Brussel. Het Hof oordeelde dat de referentieperiode van vijf jaar de periode tussen 6 oktober 1972 en 31 augustus 1973 besloeg en die tussen 1 februari 1974 en 5 maart 1978, aangezien de periode van haar stage bij de Commissie en die in dienst van de ambassade van Peru niet in aanmerking mochten worden genomen.
55– Arrest Atala-Palmerini/Commissie, reeds aangehaald (punten 10 en 11). Zie in diezelfde zin arrest Nuñez/Commissie, reeds aangehaald (punt 12).
Full & Egal Universal Law Academy