CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 25 januari 2007 (1)
Zaak C‑56/06
Euro Tex Textilverwertung GmbH
tegen
Hauptzollamt Duisburg
„Associatie tussen Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en Republiek Polen anderzijds – Begrip ‚producten van oorsprong’ – In EU geassorteerde gedragen kleding”
1. De onderhavige prejudiciële verwijzing van het Finanzgericht Düsseldorf (Belastingrechtbank te Düsseldorf), Duitsland, betreft de juiste douanestatus van gebruikte kleding die Euro Tex Textilverwertung GmbH (hierna: „Euro Tex”) in Duitsland heeft verzameld, geassorteerd en verpakt en naar Polen heeft uitgevoerd voordat Polen lid was van de Europese Unie. De douanestatus van de kleding werd bepaald door de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en de Republiek Polen anderzijds, zoals gewijzigd (hierna: „Associatie-Overeenkomst”).(2) Het antwoord op de vraag of dergelijke kleding geclassificeerd moet worden als „producten van oorsprong uit de Gemeenschap”, zodat zij krachtens de Associatie-Overeenkomst tariefpreferenties genieten, hangt ervan af of de assortering die zij ondergaan „een be‑ of verwerking [vormt] [...] die toereikend is [...]” in de zin van artikel 2, lid 1, sub b, van Protocol nr. 4 bij die overeenkomst (hierna: „Protocol nr. 4”), dan wel of zij integendeel geacht moet worden te vallen onder het begrip „eenvoudige verrichtingen zoals [...] assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen)” in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van Protocol nr. 4.
Relevante regelgeving
Associatie-Overeenkomst
2. Artikel 10 van de Associatie-Overeenkomst voorziet in de afschaffing of geleidelijke verlaging van de in Polen van toepassing zijnde invoerrechten op producten van oorsprong uit de Gemeenschap.
3. Artikel 34 bepaalt dat in Protocol nr. 4 de regels van oorsprong voor de toepassing van die tariefpreferenties zijn neergelegd.
4. Artikel 1 van Protocol nr. 4 bepaalt:
„Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:
a) ‚vervaardiging’: elke soort be‑ of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale behandelingen;
b) ‚materiaal’: alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen enz., die bij de vervaardiging van het product worden gebruikt;
[...]”
5. Artikel 2, lid 1, bepaalt:
„Voor de toepassing van de overeenkomst worden de volgende producten beschouwd van oorsprong te zijn uit de Gemeenschap:
a) geheel en al in de Gemeenschap verkregen producten in de zin van artikel 5;
b) in de Gemeenschap verkregen producten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in de Gemeenschap een be‑ of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 6;
[...]”
6. Artikel 6 bepaalt:
„1. Voor de toepassing van artikel 2 worden producten die niet geheel en al verkregen zijn, geacht een toereikende bewerking of verwerking te hebben ondergaan indien aan de voorwaarden van de lijst in bijlage II is voldaan.
[...]
3. [Lid 1 is] van toepassing onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 7.”
7. Artikel 7 luidt:
„1. Behoudens het bepaalde in lid 2 worden de volgende be‑ of verwerkingen als ontoereikend beschouwd om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 6 is voldaan:
[...]
b) eenvoudige verrichtingen zoals stofvrij maken, zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen), wassen, verven en snijden;
[...]
f) eenvoudig samenvoegen van delen tot een volledig product;
g) twee of meer van de sub a tot en met f vermelde handelingen tezamen;
[...]
2. Om te bepalen of de be‑ of verwerkingen die een bepaald product heeft ondergaan ontoereikend zijn in de zin van lid 1, worden alle be‑ of verwerkingen die dit product in de Gemeenschap of in Polen heeft ondergaan, tezamen genomen.”
8. Bijlage II bij Protocol nr. 4 draagt het opschrift „Lijst van be‑ of verwerkingen van materialen die niet van oorsprong zijn waardoor het vervaardigde product het karakter van product van oorsprong verkrijgt.” Zij bevat een tabel met drie kolommen: „GS-post”(3), „Omschrijving” en „Be‑ of verwerking van niet van oorsprong zijnde materialen die het karakter van product van oorsprong verlenen”. Naast GS-post „ex hoofdstuk 63” en de productomschrijving „Andere[(4)] geconfectioneerde artikelen van textiel; stellen; oude kleren en dergelijke; lompen en vodden [...]” in die tabel, is vermeld „Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen onder een andere post dan die van het product worden ingedeeld”.
9. In de GS-nomenclatuur zelf omvat hoofdstuk 63 („Andere geconfectioneerde artikelen van textiel; stellen of assortimenten; oude kleren en dergelijke; lompen en vodden”) onder post 6309 „Oude kleren en dergelijke”. Aantekening(5) 3 bij hoofdstuk 63 preciseert: „Om te kunnen worden ingedeeld onder deze post moeten de hiervoor genoemde artikelen [...] duidelijke sporen van gebruik vertonen, en in bulk, dan wel verpakt in balen, in zakken of dergelijke verpakkingsmiddelen, worden aangeboden.”
De Overeenkomst van Kyoto
10. De Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures (hierna: „Overeenkomst van Kyoto” of „Overeenkomst”) is oorspronkelijk gesloten in 1973.(6)
11. De Europese Gemeenschap is partij bij de Overeenkomst van Kyoto.
12. Artikel 2 van de Overeenkomst bepaalt dat iedere overeenkomstsluitende partij zich ertoe verbindt „de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures te bevorderen en om zich, tot dat doel, te schikken naar de normen en aanbevelingen in de bijlagen van deze overeenkomst, in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst.”
13. Bijlage D.1 bij de Overeenkomst („Bijlage betreffende de regels inzake oorsprong”) is in naam van de Gemeenschap aanvaard bij besluit 77/415/EEG van de Raad.(7) Het Hof heeft naar bijlage D.1 verwezen bij de uitlegging van regels van oorsprong in de gemeenschapswetgeving.(8)
14. Norm(9) 3 van bijlage D.1 bepaalt dat wanneer twee of meer landen betrokken zijn bij de productie van goederen, hun oorsprong wordt bepaald volgens het criterium „ingrijpende verwerking”, op grond waarvan „de oorsprong van goederen wordt bepaald door als land van oorsprong het land te beschouwen waar de laatste ingrijpende verwerking of bewerking is verricht, welke toereikend wordt geacht om aan de goederen hun belangrijkste karakter te verlenen” (definitie c van bijlage D.1).
15. Noot(10) 1 bij norm 3 bepaalt dat in de praktijk het criterium ingrijpende verwerking tot uitdrukking kan worden gebracht door de regel van de verandering van tariefpost in een bepaalde nomenclatuur, met uitzonderingslijsten, en/of door een lijst van de verwerkingen of bewerkingen waardoor de goederen die deze hebben ondergaan al dan niet de oorsprong krijgen van het land waar zij zijn verricht, en/of door de percentageregel naar de waarde, wanneer het percentage van de waarde van de gebruikte producten of het percentage van de verkregen meerwaarde een bepaald niveau bereikt.
16. Noot 2 bij norm 3 bepaalt:
„De uitzonderingslijsten kunnen vermelden:
a) de verwerkingen of bewerkingen die wel een verandering van post van de tariefindeling met zich meebrengen, maar niet of slechts onder bepaalde voorwaarden als ingrijpend worden beschouwd;
b) de verwerkingen of bewerkingen die geen verandering van post van de tariefindeling met zich meebrengen, maar toch onder bepaalde voorwaarden als ingrijpend worden beschouwd.
De sub a en b bedoelde voorwaarden kunnen betrekking hebben op een bepaald soort behandeling van de goederen of op een percentageregel naar de waarde.”
17. Norm 6 van bijlage D.1 luidt:
„Niet als ingrijpende verwerking of bewerking mogen worden beschouwd de behandelingen die in het geheel niet of slechts in geringe mate bijdragen tot de essentiële kenmerken of eigenschappen van de goederen, en met name de behandelingen die uitsluitend bestaan uit één of meer van de volgende verrichtingen:
a) behandelingen om de bewaring van de goederen tijdens het vervoer en de opslag te verzekeren;
b) behandelingen om de aanbiedingsvorm of handelskwaliteit van de producten te verbeteren of om deze voor het vervoer gereed te maken, zoals het verdelen en samenvoegen van colli, het sorteren en rangschikken van goederen en het veranderen van verpakking;
c) eenvoudige assemblagehandelingen;
d) het mengen van goederen van verschillende oorsprong mits de kenmerken van het verkregen product niet essentieel afwijken van de kenmerken van de goederen die zijn vermengd.”
Hoofdgeding en verwijzing naar het Hof
18. Euro Tex exploiteerde in Duitsland een erkende gespecialiseerde onderneming voor de inzameling, het vervoer, de opslag en de bewerking van gebruikte kleding en textiel.
19. Deze zaak betreft de wijze waarop Euro Tex de goederen assorteerde. In de verwijzingsbeschikking is die beschreven als volgt.
20. In de eerste fase werden de ingezamelde goederen van eventueel afval ontdaan en van elkaar gescheiden naargelang zij bruikbaar of onbruikbaar waren. Onbruikbare kleding werd verder gescheiden naargelang zij op enigerlei wijze bruikbaar kon worden gemaakt (vezelproductie, productie van poetslappen, geluidwerend materiaal).
21. In de tweede fase werden de goederen verder gescheiden in kleding, schoenen, poetslappen en recyclagemateriaal, huishoudtextiel en dames‑, heren‑ en kinderkleding.
22. In de derde fase werd meer gedetailleerd geassorteerd(11): kleding en accessoires werden in meer dan 80 verschillende categorieën geassorteerd, naargelang de kwaliteit van de stof en andere overeenkomstig de wensen van de klant opgestelde criteria.(12)
23. Euro Tex had zes tot acht medewerkers in dienst om deze assorteringen uit te voeren, die alle met de hand werden verricht. Deze medewerkers moesten vooral bijzonder modieuze spullen uitzoeken, geassorteerd naar gelang van de verschillende klanten. Voor hen gold een inwerkperiode van één tot vier weken. Zij kregen alleen een vaste arbeidsplaats wanneer zij modetrends konden herkennen.
24. In 1998 en 1999 leverde Euro Tex in zakken verpakt geassorteerd textiel aan detailhandelaars in Polen. Er ontstond een verschil van mening met verweerder over de oorsprong van de goederen. Zoals te verwachten was, was Euro Tex niet in staat enig bewijs van die oorsprong te verschaffen. Zij stelde dat haar behandelingen volstonden om aan de goederen een communautaire oorsprong te verlenen. Deze kwestie werd aanhangig gemaakt bij het Finanzgericht Düsseldorf, dat het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld:
„Gaan de in deze beschikking nader omschreven activiteiten van assorteren verder dan eenvoudige verrichtingen zoals assorteren in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van Protocol nr. 4 (van de Associatie-Overeenkomst)?”
25. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Euro Tex en de Commissie. Er is niet verzocht om een terechtzitting, die dan ook niet is gehouden.
Beoordeling
26. De verwijzende rechter wenst te vernemen of de verwerking door Euro Tex van weggegooide kleding waarvan niet kan worden bewezen dat zij geheel en al van communautaire oorsprong is, volstaat om aan het afgewerkte product, gesorteerde en geassorteerde gedragen kleding, communautaire oorsprong te verlenen.
27. Artikel 2, lid 1, sub b, van Protocol nr. 4 bepaalt dat producten die niet geheel en al in de Gemeenschap zijn verkregen, als van oorsprong uit de Gemeenschap moeten worden beschouwd, mits zij een be‑ of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 6. Artikel 6, lid 1, eerste alinea, bepaalt dat de voorwaarden voor een „toereikende bewerking of verwerking” zijn vermeld in bijlage II.
28. Bijlage II bepaalt dat voor gebruikte goederen die onder hoofdstuk 63 van de GS-nomenclatuur vallen, zoals de goederen in kwestie, de be‑ of verwerking die het karakter van product van oorsprong verleent, elke vervaardiging is waarbij alle gebruikte materialen onder een andere post dan die van het product worden ingedeeld. Artikel 1, sub a, van Protocol nr. 4 definieert „vervaardiging” als „elke soort be‑ of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale behandelingen”.
29. Op het relevante tijdstip – te weten toen de gebruikte goederen waarom het in deze zaak gaat door verzoekster werden uitgevoerd en derhalve nadat zij door Euro Tex waren gesorteerd en geassorteerd – vielen zij onder post 6309 van de GS-nomenclatuur: oude kleren en dergelijke, die duidelijke sporen van gebruik vertonen en in balen, zakken of dergelijke verpakkingsmiddelen worden aangeboden. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub b, van Protocol nr. 4 zal de communautaire oorsprong daarom alleen worden verleend wanneer alle materialen die bij de behandelingen door verzoekster werden gebruikt, worden ingedeeld onder een andere post dan 6309.
30. Volgens de verwijzende rechter is dat het geval, en partijen zijn het daarmee kennelijk eens: ofschoon deze materialen zelf oude kleren zijn, zijn zij niet in balen, zakken of dergelijke verpakkingsmiddelen verpakt alvorens aan de behandelingen van Euro Tex te worden onderworpen, en zij vallen daarom niet onder post 6309.
31. De verwijzende rechter meent ook dat de behandelingen van Euro Tex binnen de ruime definitie van „vervaardiging” in artikel 1, sub a, van Protocol nr. 4 vallen, te weten elke soort be‑ of verwerking, met inbegrip van speciale behandelingen.
32. Ofschoon de uitgevoerde gebruikte goederen derhalve op het eerste gezicht voldoen aan de vereisten om krachtens artikel 6, lid 1, van Protocol nr. 4 oorsprong te verkrijgen, bepaalt artikel 7, lid 1, sub b, daarvan dat bepaalde behandelingen, waaronder de be‑ of verwerking door „eenvoudige verrichtingen zoals [...] sorteren [en/of(13)] assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen)” niet toereikend zijn om die status te verlenen. Uit artikel 6, lid 3, blijkt dat artikel 7, lid 1, sub b, voorrang heeft op artikel 6, lid 1. Indien de behandelingen van Euro Tex onder artikel 7, lid 1, sub b, vallen, kan de gesorteerde en geassorteerde gebruikte kleding dus niet worden geacht van communautaire oorsprong te zijn.
33. De verwijzende rechter gaat er kennelijk van uit dat de door Euro Tex verrichte sorteringshandelingen (vermoedelijk in de eerste twee fases die in de punten 20 en 21 van deze conclusie zijn omschreven) „eenvoudige” verrichtingen zijn in de zin van artikel 7, lid 1, sub b. Niets wijst erop dat partijen deze opvatting betwisten. De douanestatus van de uitgevoerde goederen hangt derhalve ervan af of de door Euro Tex in de derde fase uitgevoerde assortering eveneens binnen de werkingssfeer van die bepaling valt. In wezen is dit de kern van de prejudiciële vraag.
34. Euro Tex stelt dat haar assorteringshandelingen geen „eenvoudige verrichtingen zoals [...] assorteren” zijn in de zin van artikel 7, lid 1, sub b. De Commissie is de tegengestelde mening toegedaan.
35. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, volgt uit een letterlijke uitlegging van de Engelse versie van artikel 7, lid 1, sub b(14), dat alle in die bepaling genoemde handelingen noodzakelijkerwijs binnen haar werkingssfeer vallende „eenvoudige verrichtingen” zijn.(15) De andere taalversies(16) kunnen echter heel wel betekenen dat van de genoemde handelingen alleen die handelingen daarbinnen vallen die echt eenvoudig en niet ingewikkeld zijn.(17)
36. De Commissie pleit voor de eerste uitlegging. Zij stelt dat er geen verschil bestaat tussen de in artikel 7, lid 1, sub b, bedoelde „eenvoudige verrichtingen” van assorteren, en meer ingewikkelde assorteringshandelingen. Handelingen als „assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen)” worden genoemd naast andere verrichtingen, zoals het stofvrij maken, zeven, sorteren, classificeren, wassen, verven en snijden. De toevoeging van het bijvoeglijk naamwoord „eenvoudige” dient alleen ter verduidelijking. Aan de rechtszekerheid zou afbreuk worden gedaan wanneer de autoriteiten onderscheid moesten maken tussen eenvoudige en ingewikkelde handelingen als het stofvrij maken, zeven, sorteren, classificeren, assorteren enz. Al deze handelingen moeten integendeel als eenvoudig worden beschouwd en zij verlenen dan ook niet het karakter van product van oorsprong.
37. Ik ben het daarmee niet eens.
38. Wat de rechtszekerheid betreft, zijn er andere onderverdelingen van artikel 7, lid 1, van Protocol nr. 4 die beperkt zijn tot eenvoudige verrichtingen en derhalve kennelijk van de autoriteiten verlangen dat zij onderscheid maken tussen eenvoudige en ingewikkelde handelingen. In artikel 7, lid 1, sub c, ii, bijvoorbeeld, is sprake van „eenvoudig bottelen, verpakken in zakken, etuis, dozen of blikken, bevestigen op kaartjes of plankjes enz., en alle andere eenvoudige verpakkingshandelingen”. Artikel 7, lid 1, sub e, betreft het „eenvoudig mengen van producten” en artikel 7, lid 1, sub f, noemt het „eenvoudig samenvoegen van delen tot een volledig product”. Ik zie geen enkele reden om niet de mijns inziens meest voor de hand liggende lezing van die bepaling in de meerderheid van de relevante talen te volgen, te weten dat zij wat de aldaar genoemde handelingen betreft, alleen betrekking heeft op handelingen die inderdaad „eenvoudig” zijn.
39. Deze engere uitlegging van artikel 7, lid 1, sub b, strookt bovendien met het feit dat dit een uitzondering is op de algemene regel van artikel 6, lid 1, dat producten die niet geheel en al zijn verkregen in de Gemeenschap, geacht worden een toereikende bewerking of verwerking te hebben ondergaan indien aan de voorwaarden van bijlage II is voldaan.
40. In de onderhavige zaak bestaat die voorwaarde hierin dat alle gebruikte materialen worden ingedeeld onder een andere post dan die van het bewerkte of verwerkte product. Partijen zijn het erover eens dat aan die voorwaarde is voldaan. Daaruit volgt dat het antwoord op de vraag of de ter discussie staande assorteringshandelingen oorsprong verlenen, ervan afhangt of zij eenvoudig of ingewikkeld zijn. In het eerste geval vallen zij onder artikel 7, lid 1, sub b, en verlenen zij niet het karakter van product van oorsprong.
41. De Overeenkomst van Kyoto bevat enkele aanwijzingen betreffende de scheidslijn tussen eenvoudige en ingewikkelde assorteringshandelingen.
42. Uit norm 3 en definitie c in bijlage D.1 blijkt dat wanneer meer dan één land betrokken is bij de productie van goederen, de oorsprong van de goederen voor douaneaangelegenheden ervan afhangt waar „de laatste ingrijpende verwerking of bewerking is verricht, welke toereikend wordt geacht om aan de goederen hun belangrijkste karakter te verlenen”.(18)
43. Uit norm 6 in bijlage D.1 volgt dat niet als „ingrijpende verwerking of bewerking” mogen worden beschouwd behandelingen „die in het geheel niet of slechts in geringe mate bijdragen tot de essentiële kenmerken of eigenschappen van de goederen”.(19)
44. De in norm 6 genoemde voorbeelden van zulke behandelingen omvatten „b) behandelingen om de aanbiedingsvorm of handelskwaliteit van de producten te verbeteren of om deze voor het vervoer gereed te maken, zoals het verdelen en samenvoegen van colli, het sorteren en rangschikken van de goederen en het veranderen van verpakking” en „d) het mengen van goederen van verschillende oorsprong mits de kenmerken van het verkregen product niet essentieel afwijken van de kenmerken van de goederen die zijn vermengd”.
45. Geen enkele van deze voorbeelden specificeert dat de betrokken behandelingen eenvoudig moeten zijn en onder de definitie te vallen. Aangezien zij echter zijn gegeven als voorbeelden van een algemene regel, moeten zij in het kader van die regel worden uitgelegd. Hetgeen derhalve relevant is, is of de behandelingen meer dan in geringe mate bijdragen tot de essentiële kenmerken of eigenschappen van de goederen.
46. Het staat aan de nationale rechter om op grond van de feiten vast te stellen of dat in deze zaak het geval is. Indien de litigieuze assorteringshandelingen meer dan in geringe mate bijdragen tot de essentiële kenmerken of eigenschappen van de uiteindelijk verkregen goederen, te weten de gesorteerde en geassorteerde kleding, vallen zij niet onder voorbeeld d, of, meer in het algemeen, norm 6 in bijlage D.1, zodat zij geen eenvoudige verrichtingen in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, vormen.
47. Wanneer de assortering, zoals in de verwijzingsbeschikking wordt gesuggereerd, echter tot gevolg heeft dat bijvoorbeeld alle producten van dezelfde categorie (zoals rokken van zijde, bloezen van wol of jeans) tezamen worden verpakt, zie ik niet in waarom die behandeling geacht moet worden bij te dragen tot de essentiële kenmerken of eigenschappen van het verkregen product, aangezien dit dezelfde essentiële kenmerken of eigenschappen heeft als de oorspronkelijke afgedankte goederen.
48. De nationale rechter is ongetwijfeld het beste in staat om de stelling van Euro Tex(20) te onderzoeken, dat haar handelingen geen eenvoudige assorteringshandelingen in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, zijn aangezien de recycling het sorteren in een groot aantal categorieën omvat. Euro Tex meent dat een „eenvoudige verrichting zoals [...] assorteren” een geheel andere betekenis heeft, zoals blijkt uit de in die bepaling ingevoegde specificatie „(daaronder begrepen het samenstellen [Zusammenstellen] van sets van artikelen)”, waarvoor geen andere expertise is vereist dan het leggen van blauw bij blauw, enz. Euro Tex stelt dat haar sorteringshandelingen nu juist de bekwaamheid vereisen om onderscheid te maken op grond van materiaal, kwaliteit en samenstelling [Zusammensetzung], en kennis verlangen van modetrends, de speciale wensen van de verschillende landen en de kwaliteit van het materiaal, waarvoor een opleiding nodig is.
49. Als enige rechter die over de feiten oordeelt, moet de nationale rechter beslissen of Euro Tex erin geslaagd is aan te tonen dat de sorteringshandelingen van haar medewerkers eerder ingewikkeld dan eenvoudig zijn.
50. Ten slotte wil ik nog kort ingaan op de kwestie van de toegevoegde waarde.
51. De verwijzende rechter verklaart dat de door Euro Tex verzamelde goederen, die op dat moment geen waarde vertegenwoordigden, alleen op grond van haar behandeling nog enige waarde verkregen (tussen ongeveer 0,70 en 1,00 DEM of 0,36 en 0,51 EUR per kilogram). Hij is van oordeel dat de omstandigheid dat de door Euro Tex uitgevoerde assortering en sortering aan de gedragen kleding meerwaarde toevoegde, bevestigt dat die behandelingen de bepalende productiefase vormden.
52. Het criterium van de „bepalende productiefase” komt uit de rechtspraak van het Hof(21) inzake de algemene communautaire bepalingen over het begrip oorsprong.(22) Ik ben het met de Commissie eens dat deze rechtspraak niet rechtstreeks relevant is voor de onderhavige zaak. Norm 3 van bijlage D.1 bij de Overeenkomst van Kyoto heeft tot gevolg dat de overeenkomstsluitende partijen het voor de oorsprong van de goederen gehanteerde criterium van de ingrijpende verwerking tot uitdrukking mogen brengen door de regel van de verandering van tariefpost en/of door een lijst van de verwerkingen of bewerkingen die al dan niet oorsprong verlenen en/of door de percentageregel naar de waarde. Bij de in de lijst van uitzonderingen vermelde behandelingen kan het gaan om een bepaalde soort behandeling van de goederen of om een percentageregeling naar de waarde. Voor gedragen kleding heeft de Gemeenschap er in Protocol nr. 4 de voorkeur aan gegeven het criterium van de ingrijpende be‑ of verwerking tot uitdrukking te brengen door een algemene regel die een verandering van de tariefpost vereist (artikel 6, lid 1, en bijlage II), met een lijst van be‑ en verwerkingen die geen oorsprong verlenen (artikel 7, lid 1). De Gemeenschap heeft ervan afgezien dat criterium tot uitdrukking te brengen door de percentageregel naar de waarde. De situatie was anders in de genoemde rechtspraak, die betrekking had op de uitlegging van wetgeving(23) die geen van deze drie regels voorschreef. Ofschoon het criterium van de toegevoegde waarde ongetwijfeld eveneens een verstandige politieke keuze zou zijn, heeft de gemeenschapswetgever in casu niet daarvoor gekozen, zodat het niet nodig is dit criterium toe te passen.
53. Deze uitlegging wordt mijns inziens bevestigd door artikel 7, lid 1, van Protocol nr. 4, dat sub f eveneens „eenvoudig samenvoegen van delen tot een volledig product” omvat. Een dergelijk samenvoegen, zelfs wanneer het eenvoudig is, zal haast altijd waarde toevoegen, maar de gemeenschapswetgever heeft uitdrukkelijk uitgesloten dat een dergelijke behandeling de communautaire oorsprong verleent.
54. Ik meen derhalve dat de kwestie van de toegevoegde waarde op mijn analyse niet van invloed is.
Conclusie
55. Bijgevolg ben ik van mening dat het Hof de vraag van het Finanzgericht Düsseldorf dient te beantwoorden als volgt:
„– Verrichtingen in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van Protocol nr. 4 bij de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en de Republiek Polen anderzijds, zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/97 (97/539/EGKS, EG, Euratom) van 30 juni 1997 van de Associatieraad, associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en de Republiek Polen anderzijds, vallen alleen dan binnen de werkingssfeer van deze bepaling wanneer zij eenvoudig zijn.
– Een dergelijke verrichting is eenvoudig wanneer zij in het geheel niet of slechts in geringe mate bijdraagt tot de essentiële kenmerken of eigenschappen van de goederen.
– Het staat aan de bevoegde nationale rechter om vast te stellen of de in de verwijzingsbeschikking beschreven handelingen onder deze definitie vallen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Ondertekend te Brussel op 16 december 1991 (PB 1993, L 348, blz. 2); zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/97 (97/539/EGKS, EG, Euratom) van 30 juni 1997 van de Associatieraad, associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en de Republiek Polen anderzijds (PB L 221, blz. 1).
3 – De nomenclatuur van het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, de zogenoemde „GS-nomenclatuur”, is een veelzijdige internationale nomenclatuur, die wordt beheerd door de Werelddouaneorganisatie.
4 – Het betreft waarschijnlijk andere artikelen dan de onder de twee voorafgaande hoofdstukken van deze nomenclatuur vallende kleding.
5 – Het Hof heeft geoordeeld dat de toelichtingen van het Comité voor het geharmoniseerde systeem belangrijke hulpmiddelen kunnen zijn bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten, maar rechtens niet bindend zijn (arrest van 14 december 1995, Colin en Dupré, C‑106/94 en C‑139/94, Jurispr. blz. I‑4759, punt 21).
6 – De Overeenkomst van Kyoto is in juni 1999 herzien. De herziene Overeenkomst is in werking getreden in februari 2006. De in deze conclusie aangehaalde bepalingen van de Overeenkomst zijn die van de oorspronkelijke tekst, die van toepassing was ten tijde van de onderhavige feiten.
7 – Besluit van de Raad van 3 juni 1977 houdende aanvaarding in naam van de Gemeenschap van verscheidene bijlagen bij de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures (PB L 166, blz. 1). De aanvaarding strekte zich niet uit tot de normen 7 en 8 en aanbeveling 10, die in de onderhavige zaak echter geen rol spelen.
8 – Arrest van 13 december 1989, Brother International (C‑26/88, Jurispr. blz. 4253, punten 15‑21).
9 – Volgens artikel 4 van de Overeenkomst van Kyoto zijn normen „de bepalingen waarvan wordt erkend dat hun algemene toepassing noodzakelijk is om de harmonisatie en vereenvoudiging van douaneprocedures te bewerkstelligen”.
10 – Artikel 4 bepaalt dat noten „enkele mogelijkheden van toepassing van de betreffende norm […] aangeven”.
11 – Ik gebruik het Engelse werkwoord „to match” en verwante uitdrukkingen waar de verwijzingsbeschikking het Duitse woord „Sortieren” en verwante uitdrukkingen gebruikt. Deze terminologie sluit aan bij de term die in artikel 7, lid 1, sub b, van Protocol nr. 4 wordt gebruikt voor de vijfde verrichting („matching” of „Sortieren”) („sifting or screening” telt als één enkele behandeling). De derde verrichting, „sorting” in het Engels en „Aussondern” in het Duits, wordt door de verwijzende rechter slechts in het voorbijgaan genoemd en komt niet voor in de prejudiciële vraag.
12 – In de verwijzingsbeschikking wordt bij wijze van voorbeeld een lijst van 37 categorieën dameskleding vermeld. Deze categorieën omvatten artikelen van allerlei aard zoals jurken, rokken, broeken en bloezen, die in verschillende categorieën zijn onderverdeeld (hoofdzakelijk op grond van de stof), en bijkomende categorieën zoals broekrokken, heupgordels, zijden hoofddoeken, bikini’s en trenchcoats.
13 – Artikel 7, lid 1, sub g, bepaalt dat een combinatie van twee of meer van de sub b genoemde handelingen niet volstaat voor de toekenning van de status van producten van oorsprong.
14 – Ook uit de Zweedse („Enkel behandling bestående i [...] hoppassning [...]”) en de Nederlandse versie („eenvoudige verrichtingen zoals [...] assorteren [...]”).
15 – Artikel 7 is een van de bepalingen van Protocol nr. 4 die met ingang van 1 januari 2001 werden vervangen door besluit nr. 4/2000 van de Associatieraad EU-Polen van 29 december 2000 tot wijziging van Protocol nr. 4 van de Europa-Overeenkomst met Polen betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking (PB 2001, L 19, blz. 29). In artikel 7, lid 1, sub j, dat gedeeltelijk artikel 7, lid 1, sub b, vervangt, is niet langer sprake van „eenvoudige verrichtingen”, maar alleen van „het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen)”. Ofschoon er in de considerans van het wijzigingsbesluit op wordt gewezen dat „[e]nkele technische wijzigingen [...] ten doel [hebben] discrepanties tussen de verschillende taalversies van de tekst recht te trekken” (overweging 1), wordt er eveneens op gewezen dat de lijst van ontoereikende be‑ of verwerkingen „dient te worden aangepast om een correcte interpretatie te waarborgen en rekening te houden met de behoefte enkele operaties die voorheen niet in deze lijst waren opgenomen, daar nu wel in op te nemen” (overweging 2). Besluit nr. 4/2000 biedt dus geen ondubbelzinnige steun voor een van beide uitleggingen van artikel 7, lid 1, sub b.
16 – Ik heb alleen rekening gehouden met de talen die officiële talen waren toen besluit nr. 1/97 (aangehaald in voetnoot 2), waarbij Protocol nr. 4 van de Associatie-Overeenkomst is vervangen door de versie die in deze zaak ter discussie staat, werd ondertekend (op 30 juni 1997).
17 – Bijvoorbeeld in het Frans, „les opérations simples de dépoussiérage, de criblage, de triage, de classement, d’assortiment (y compris la composition de jeux de marchandises), de lavage, de peinture, de découpage”, of het Duits, „einfaches Entstauben, Sieben, Aussondern, Einordnen, Sortieren (einschließlich des Zusammenstellens von Sortimenten), Waschen, Anstreichen, Zerschneiden”.
18 – Cursivering van mij.
19 – Cursivering van mij.
20 – Ik ben voorbijgegaan aan de andere drie stellingen van Euro Tex, aangezien zij geen betrekking hebben op kwesties die relevant zijn voor de uitlegging van artikel 7, lid 1, sub b, van Protocol nr. 4, waartoe de voorgelegde vraag beperkt is. (Deze stellingen houden in wezen in dat de gebruikte kleren i) van communautaire oorsprong waren voordat zij werden behandeld, op grond van de verandering van de tariefpost van nieuwe naar gebruikte kleren; ii) „afval” vormen in de zin van het gemeenschapsrecht omdat hun oorsprong afhangt van de persoon die hen heeft afgedankt en van het land waar hij verbleef; en/of iii) „[in de Gemeenschap] verzamelde gebruikte artikelen zijn die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen [...] of slechts als afval kunnen worden gebruikt”, die krachtens artikel 5, lid 1, sub h, van Protocol nr. 4 geacht moeten worden geheel en al in de Gemeenschap te zijn verkregen.)
21 – Arrest van 26 januari 1977, Gesellschaft für Überseehandel (49/76, Jurispr. blz. 41), en arrest Brother International (aangehaald in voetnoot 8).
22 – Artikel 5 van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen” (PB L 148, blz. 1). Dit artikel luidt: „Goederen bij de vervaardiging waarvan twee of meer landen betrokken zijn geweest zijn van oorsprong uit het land waar de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden in een daartoe ingericht bedrijf en welke verwerking of bewerking hetzij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw product, hetzij een belangrijke fabricagefase uitmaakt.”
23 – Zie voetnoot 22.
Full & Egal Universal Law Academy