CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 27 februari 2007 1(1)
Zaak C‑64/06
Telefónica O2 Czech Republic as, voorheen Český Telecom as,
tegen
Czech On Line as
[verzoek van de Obvodní soud pro Prahu 3 (Tsjechische Republiek) om een prejudiciële beslissing]
„Elektronische communicatie – Netwerken en diensten – Gemeenschappelijk regelgevingskader – Onderneming met machtspositie – Verplichting tot interconnectie met andere exploitanten – Voorafgaande marktanalyse – Ontbreken van rechtstreekse werking van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2002/19 en van artikel 16, juncto artikelen 6 en 7, van richtlijn 2002/21”
I – Inleiding
1. De Obvodní soud pro Prahu 3 (rechtbank van eerste aanleg) stelt het Hof krachtens artikel 234 EG een reeks moeilijk geformuleerde vragen, waarachter eigenlijk een eenvoudiger juridisch probleem schuilgaat.
2. De verwijzende rechter wenst in feite te vernemen of een onderneming met een machtspositie in de telecommunicatiesector na de toetreding van de Tsjechische Republiek tot de Europese Gemeenschappen (1 mei 2004) en na afloop van een vóór die datum ingeleide administratieve procedure kan worden verplicht haar netwerk te interconnecteren met dat van een andere onderneming, en wel zonder de marktanalyse die is voorgeschreven bij richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (Kaderrichtlijn) en richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn).(2) Deze kwestie is aan de orde in de eerste drie prejudiciële vragen.
3. Daar de nationale regeling niet in een dergelijke marktanalyse voorziet, en de procespartij die tegen deze verplichting opkomt, zich op de genoemde richtlijnen beroept, wenst de verwijzende rechter met zijn vierde vraag te vernemen of deze richtlijnen eventueel rechtstreekse werking hebben.
II – Rechtskader
A – Telecommunicatie in het gemeenschapsrecht
1. Overzicht
4. In mijn conclusie van 27 oktober 2005 in de zaak Nuova società di telecomunicazioni (punten 3 e.v.)(3) vestig ik de aandacht op de bij het begin van het laatste decennium van de vorige eeuw ingezette inspanning van de Europese Gemeenschap om het aanbod van elektronische communicatie te liberaliseren, waarbij actie werd ondernomen op twee gebieden: flexibilisering van de markten en harmonisering van de nationale regelingen.
5. De aldus ingeluide liberalisering van de telecommunicatie nam vaste vorm aan op 1 januari 1998, waarbij voor een aantal lidstaten overgangsperiodes golden.(4) De beginnende communautaire dimensie van dit gebied impliceerde dat de voorwaarden voor de toegang tot en het gebruik van de infrastructuur moesten worden geharmoniseerd en dat interconnectie tussen de openbare netwerken en tussen de exploitanten moest worden gegarandeerd.
6. Met het oog daarop werd onder andere(5) richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP), vastgesteld.(6)
7. Nadat de voorwaarden voor een daadwerkelijke mededinging waren gecreëerd, diende een nieuw geheel van voorschriften te worden vastgesteld. Op 7 maart 2002 keurden het Europees Parlement en de Raad vier regelingen goed, te beginnen met de kaderrichtlijn en de toegangsrichtlijn.(7)
2. Verplichting tot interconnectie(8)
8. Richtlijn 97/33 verleende erkende aanbieders van openbare netwerken en van telecommunicatiediensten het recht en legde hun tegelijkertijd de verplichting op om onderling over interconnectie te onderhandelen om de genoemde diensten en netwerken overal in de Gemeenschap te kunnen verstrekken (artikel 4, lid 1). Exploitanten met een aanmerkelijke macht op de markt dienden te voldoen aan alle redelijke verzoeken om netwerktoegang (artikel 4, lid 2).
9. Soortgelijke bepalingen zijn in de toegangsrichtlijn van 2002 opgenomen (artikelen 4, lid 1, en 5, leden 1 en 4), die eveneens voorziet in concrete verplichtingen voor organisaties met een machtspositie (artikel 8 juncto artikel 12).
3. Begrip exploitant met een „aanmerkelijke macht” en de gevolgen daarvan
10. Volgens richtlijn 97/33 werd een exploitant met een aandeel van meer dan 25 % in de markt geacht een aanmerkelijke marktmacht te hebben, tenzij hij op grond van zijn vermogen om die markt te beïnvloeden, zijn omzet, zijn beheersing van de middelen van toegang tot eindgebruikers, zijn financiële middelen en zijn ervaring aldus moet worden aangemerkt zonder dat hij dat percentage bereikt, of niet aldus moet worden aangemerkt ofschoon hij dat percentage wél overschrijdt (artikel 4, lid 3).
11. In de kaderrichtlijn wordt een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht omschreven als een onderneming die, alleen of samen met andere, een aan machtspositie gelijkwaardige positie, dit wil zeggen een economische kracht bezit die haar in staat stelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van haar concurrenten, klanten en uiteindelijk consumenten te gedragen (artikel 14, lid 2, eerste alinea, van de kaderrichtlijn). In de toegangsrichtlijn wordt bij deze definitie aangeknoopt.
12. In het bijzonder dienen de nationale regelgevende instanties bij hun beoordeling of twee of meer ondernemingen gezamenlijk een machtspositie op de markt innemen, de communautaire wetgeving in acht te nemen en zich zeer zorgvuldig te houden aan de „Richtsnoeren voor de marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht”, die de Commissie uit hoofde van artikel 15 van de kaderrichtlijn bekend heeft gemaakt (artikel 14, lid 2, tweede alinea).
13. Dit artikel 15, getiteld „Procedure voor marktdefinitie”, voorziet in een procedure waarbij de Commissie na openbare raadpleging en overleg met de nationale regelgevende instanties een aanbeveling aanneemt, die op gezette tijden moet worden herzien, waarin de overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht afgebakende markten worden genoemd waarvan de kenmerken het opleggen van specifieke verplichtingen kunnen rechtvaardigen (lid 1), en waarbij zij de hogervermelde richtsnoeren publiceert (lid 2). Met inachtneming van de aanbeveling en de richtsnoeren bepalen de nationale instanties hun markten (lid 3), en de Commissie bepaalt na overleg met deze instanties de transnationale markten (lid 4).
14. Volgens artikel 16 van de kaderrichtlijn voeren de nationale regelgevende instanties vervolgens in samenwerking met de nationale mededingingsinstanties hun analyse uit (lid 1), waarbij zij bepalen welke markten daadwerkelijk concurrerend zijn (lid 2); met betrekking tot deze markten leggen zij geen specifieke wettelijke verplichtingen op c.q. trekken zij reeds bestaande verplichtingen in (lid 3). In het geval van niet daadwerkelijk concurrerende markten identificeren zij de relevante ondernemingen en treffen zij passende maatregelen (lid 4). In het geval van transnationale markten dragen de instanties van de betrokken lidstaten samen zorg voor de uitvoering van de analyse en beslissen zij op gecoördineerde wijze over deze verplichtingen (lid 5).
15. Zowel de marktdefinitie als de marktanalyse moeten worden verricht volgens de procedure en de beginselen van de artikelen 6 en 7 van de kaderrichtlijn (artikelen 15, lid 3, en 16, lid 6).
4. De overgang van richtlijn 97/33 naar de richtlijnen van 2002
16. De toegangsrichtlijn zorgt ervoor dat de binnen het vroegere regelgevingskader geldende verplichtingen in het nieuwe regelgevingskader worden overgenomen, zij het met de mogelijkheid deze onmiddellijk te herzien (punt 12 van de considerans en artikel 7, lid 1), met het oog waarop de Commissie in de eerste aanbeveling en in de beschikking tot vaststelling van de transnationale markten aangeeft welke markten voor die verplichtingen in aanmerking komen (artikel 7, lid 2). Met hetzelfde doel nemen de instanties van elke staat soortgelijke maatregelen (artikel 7, lid 3).
17. In dezelfde gedachtegang legt de kaderrichtlijn de lidstaten in artikel 27, lid 1, op, de in artikel 7 van de toegangsrichtlijn bedoelde verplichtingen inzake toegang en interconnectie die krachtens artikel 4 van richtlijn 97/33 voor de exploitanten gelden, te handhaven totdat een nationale regelgevende instantie met betrekking tot deze verplichtingen een besluit heeft genomen overeenkomstig artikel 16 van de kaderrichtlijn.
B – Telecommunicatie in de Tsjechische Republiek
18. Richtlijn 97/33 is uitgevoerd bij Zákon o telekomuníkacích (telecommunicatiewet) nr. 151/2000, die deze sector in de Tsjechische Republiek regelde tussen 1 juli 2000 en 30 april 2005, en in het bijzonder bij § 37, lid 1, daarvan; net als artikel 4, lid 2, van die richtlijn betrof deze bepaling de verplichting voor exploitanten met een aanmerkelijke marktmacht om te voldoen aan verzoeken om interconnectie. Kwamen de betrokkenen niet tot een overeenkomst, dan kon het Český telekomuikační uřad (Tsjechisch Bureau voor telecommunicatie), de bevoegde nationale instantie, op grond van § 40, lid 5, in het algemeen belang een dergelijke overeenkomst afdwingen.
19. Op 30 april 2005 is Zákon o elektronických komuníkacích (wet inzake elektronische communicatie) nr. 127/2005 in werking getreden waarbij volgens de verwijzende rechter de in 2002 vastgestelde richtlijnen naar behoren worden uitgevoerd.
III – Feiten van het hoofdgeding
20. Telefónica 02 Czech Republic as (voorheen Český Telecom as) en Czech On Line as verstrekken telecommunicatiediensten op de Tsjechische markt, waarop eerstgenoemde onderneming ten tijde van de feiten een belangrijke positie innam.(9)
21. Op 29 januari 2001 hebben de twee vennootschappen een overeenkomst voor de interconnectie van hun vaste telecommunicatienetwerken gesloten. Op 3 februari 2003 heeft Czech On Line voorgesteld om de samenwerking uit te breiden tot snelle breedbandinternetdiensten (Asymmetric Digital Subscriber Line –ADSL–), zodat zij haar klanten deze diensten via haar eigen infrastructuur zou kunnen aanbieden en niet, zoals voorheen, via de infrastructuur van Telefónica 02, maar haar voorstel werd afgewezen.
22. Czech On Line heeft het genoemde Tsjechisch Bureau voor telecommunicatie verzocht Telefónica 02 te gelasten volgens de voormelde voorwaarden interconnectie te verzekeren. Het Bureau heeft het verzoek op 30 april 2004 toegewezen(10); de president van het Bureau heeft het besluit op bezwaar evenwel nietig verklaard en heeft de zaak naar het Bureau teruggewezen, dat bij een nieuw besluit van 9 september 2004, dat op 20 januari 2005 is bevestigd, beide ondernemingen tot samenwerking op ADSL-gebied heeft verplicht.
23. Telefónica 02 heeft zich daarop tot de Obvodní soud 3 te Praag gewend met het verzoek om genoemd besluit nietig te verklaren op grond dat, nu de kaderrichtlijn en de toegangsrichtlijn niet naar behoren zijn uitgevoerd door wet nr. 151/2000 en deze richtlijnen rechtstreekse werking hebben, pas op het verzoek van Czech On Line kan worden ingegaan, nadat de relevante markt is geanalyseerd, zodat kan worden vastgesteld wat de mate van concurrentie daarop is.
IV – Prejudiciële vragen
24. De verwijzende rechter heeft de behandeling van de zaak geschorst en heeft het Hof bij beslissing van 24 november 2005 de volgende vragen gesteld:
„1) Was de nationale regelgevende instantie voor telecommunicatie [...] bevoegd om een telecommunicatieonderneming met een aanmerkelijke macht (machtspositie) op de telecommunicatiemarkt – bij administratief besluit vastgesteld na 1 mei 2004, dat wil zeggen na de toetreding van de Tsjechische Republiek tot de Europese Gemeenschappen – de verplichting op te leggen om met een andere exploitant een interconnectieovereenkomst te sluiten?
2) Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord:
Was de nationale regelgevende instantie bevoegd die verplichting op te leggen, uitsluitend onder de in artikel 8, lid 2, van [de toegangsrichtlijn] bepaalde voorwaarden, te weten op basis van een voorafgaande marktanalyse uitgevoerd in overeenstemming met artikel 16 van [de kaderrichtlijn] en de in de artikelen 6 en 7 van de kaderrichtlijn beschreven voorafgaande procedure, of kon zij (bijvoorbeeld op grond van punt 15 van de considerans, artikel 3, artikel 4, lid 1, artikel 5, leden 1, sub a, en 4, artikel 10, leden 1 en 2, van de toegangsrichtlijn) ook zonder een voorafgaande marktanalyse aldus handelen?
3) Luidt het antwoord op de tweede vraag anders, wanneer het verzoek van een exploitant om een besluit betreffende de verplichte interconnectie van zijn netwerk met dat van een exploitant met een aanmerkelijke macht (machtspositie) op de telecommunicatiemarkt bij de nationale regelgevende instantie werd ingediend vóór 1 mei 2004, en wanneer ook de behandeling door deze instantie van het verzoek hoofdzakelijk plaatsvond vóór deze datum, dat wil zeggen vóór de toetreding van de Tsjechische Republiek tot de Europese Gemeenschappen?
4) Kunnen de [kaderrichtlijn en de toegangsrichtlijn], voor zover de Tsjechische Republiek deze ten tijde van de feiten – van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2005 – niet naar behoren had uitgevoerd, rechtstreeks worden toegepast, en
4a) zijn deze richtlijnen (of is één daarvan) bijgevolg onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om door een rechterlijke instantie in de plaats van het nationale recht te worden toegepast?
4b) kan bijgevolg een exploitant met een aanmerkelijke macht (machtspositie) op de telecommunicatiemarkt zich op grond van de onjuiste uitvoering van de [kaderrichtlijn en de toegangsrichtlijn] beroepen op de rechtstreekse werking daarvan (is hij daartoe gelegitimeerd), en waarborgen deze richtlijnen (of waarborgt één daarvan) de bescherming van de belangen van de exploitant die weigert een interconnectieovereenkomst (op het gebied van ADSL-diensten) te sluiten met andere nationale telecommunicatie-exploitanten (en die naar de mening van de nationale regelgevende instantie [...], die door de rechter moet worden getoetst, dan ook in strijd met de doelstellingen van het nieuwe regelgevingskader handelt)?
4c) kan die exploitant zich bijgevolg beroepen op de rechtstreekse werking van richtlijnen die niet naar behoren zijn uitgevoerd (of van één daarvan), indien (ook wanneer aan de in de richtlijnen bepaalde voorwaarden is voldaan) de nationale regelgevende instantie [...] in haar besluiten altijd uitspraak doet over specifieke interconnectieomstandigheden van de netwerken van de exploitanten, dat wil zeggen dat zij particulieren concrete verplichtingen oplegt?”
V – Procesverloop voor het Hof van Justitie
25. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is bij de griffie van het Hof ingeschreven op 6 februari 2006. Partijen in het hoofdgeding, de Tsjechische en de Nederlandse regering alsmede de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend; met uitzondering van de Nederlandse regering hebben zij ter terechtzitting van 1 februari 2007 hun argumenten mondeling uiteengezet.
VI – Analyse van de prejudiciële vragen
A – Afbakening van de discussie
26. Het antwoord dat de Obvodní soud nodig heeft om het geschil tussen de twee Tsjechische telecommunicatieondernemingen te beslechten, is eenvoudiger dan de door hem gestelde reeks uiteenlopende vragen doet vermoeden. De enige échte reis veronderstelt immers niet dat men nieuwe landen gaat ontdekken, maar dat men met andere ogen kijkt, de wereld door de ogen van een ander ziet.(11)
27. Het probleem is niet gelegen in de vraag of het Bureau voor telecommunicatie na de toetreding van de Tsjechische Republiek tot de Europese Unie bevoegd was om Telefónica 02 te verplichten haar netwerk te interconnecteren met dat van Czech On Line (eerste vraag), daar, zoals ik hierna zal uiteenzetten, die instantie ontegenzeglijk over deze bevoegdheid beschikt.
28. De sleutel tot het probleem kan worden gevonden in het voor het opleggen van die verplichting bestaande procedurele kader (tweede vraag) en door na te gaan welk belang de omstandigheid heeft dat de administratieve procedures plaats hebben gevonden vóór die toetreding (derde vraag).
29. De verwijzende rechter wenst in het bijzonder te vernemen of de nationale instanties over een analyse van de relevante markt hadden moeten beschikken in de zin van de artikelen 8, lid 2, en 12 van de toegangsrichtlijn, juncto de artikelen 16, 6 en 7 van de kaderrichtlijn. Daar de toentertijd geldende wet nr. 151/2000 niet in overeenstemming was met het in 2002 vastgestelde gemeenschappelijk regelgevingskader, veronderstelt die hypothese dat de genoemde richtlijnen rechtstreekse werking hebben (vierde vraag).
30. Samenvattend wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de genoemde gemeenschapsregels van toepassing zijn op de feiten van het hoofdgeding.
B – Bevoegdheid van het Hof
31. Wanneer het probleem op deze wijze wordt benaderd, blijkt de ongegrondheid van de stelling van de Tsjechische regering dat de prejudiciële vragen van meet af aan moeten worden afgewezen op grond dat het Hof ratione temporis onbevoegd is.
32. Anders dan in de zaak Ynos(12) gaat het in het onderhavige geval niet om gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan en volledig hebben voltrokken in een staat toen die nog niet tot de Gemeenschap was toegetreden, in welke context het Hof onbevoegd zou zijn(13); het gaat integendeel erom te toetsen of een aantal richtlijnen ratione temporis van toepassing is op een gebeurtenis waarvan het begin vóór en het einde ná die toetreding is gelegen, dat wil zeggen op een situatie waarvoor het Hof als hoogste en laatste instantie voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht wel degelijk bevoegd is.
33. Hoewel het verzoek van Czech On Line aanvankelijk is behandeld en toegewezen in een periode waarin de Tsjechische Republiek nog geen lid was van de Gemeenschap(14), is het besluit daarna ingetrokken(15), toen deze Republiek wél reeds tot de Unie was toegetreden. Het Hof dient bijgevolg geen uitspraak te doen over de nietigverklaring noch over de gevolgen daarvan; ter rechtvaardiging van zijn optreden in het kader van een prejudiciële verwijzing volstaat het dat de nationale rechters bij deze samenloop van omstandigheden twijfels hebben over de toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht op het geval en hem een vraag stellen over de werking in de tijd van de gemeenschapsregels.
34. Bijgevolg houden de gestelde vragen verband met de communautaire rechtsorde, zodat het Hof de gevraagde uitlegging dient te geven.(16) Ik herinner eraan dat in de dialoog die op grond van artikel 234 EG tot stand komt, het een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om zowel de noodzaak van een uitlegging als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen(17); daarbij wordt de prejudiciële verwijzing geacht noodzakelijk te zijn, tenzij de twijfels over het gemeenschapsrecht geen verband houden met het voorwerp van het geschil, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.(18)
C – Eerste prejudiciële vraag: overbodige raadpleging
35. De Tsjechische regering heeft echter gedeeltelijk gelijk, omdat de Obvodní soud een vraag opwerpt die niet aan het Hof diende te worden voorgelegd, namelijk de vraag of het Bureau voor telecommunicatie Telefónica 02 na de toetreding van de Tsjechische Republiek tot de Unie kon verplichten haar netwerk met dat van Czech On Line te interconnecteren.
36. Het antwoord op deze vraag blijft hetzelfde, ongeacht de regeling die wordt getoetst: het Bureau voor telecommunicatie kon die verplichting wel degelijk opleggen, zowel met toepassing van richtlijn 97/33 als met die van de kaderrichtlijn en de toegangsrichtlijn dan wel – wanneer men zich op het standpunt stelt dat de zaak niet onder het gemeenschapsrecht valt – met een beroep op wet nr. 151/2000, daar deze regelingen op dit punt onderling niet afwijken.
37. Bijgevolg zou geen enkele instantie van deze lidstaat twijfelen aan het antwoord, daar deze mogelijkheid in wet nr. 151/2000 was vermeld (§ 40, lid 5, juncto § 37, lid 1), zonder dat voor dit antwoord het gemeenschapsrecht dient te worden uitgelegd, dat evenzeer in deze mogelijkheid voorziet, zowel in de richtlijn van 1997 (artikel 4, lid 2) als in die welke in 2002 zijn vastgesteld (artikel 8, juncto artikel 12, van de toegangsrichtlijn). Op dit punt verschilt het nationale stelsel niet van het Europese, zodat het onnodig lijkt op laatstgenoemde ordening een beroep te doen.
38. Daar de eerste vraag van de Tsjechische rechter dus geen betrekking heeft op het gemeenschapsrecht, kan het Hof hierover geen uitspraak doen en behoeft het onderzoek van de overgangssituatie dat de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen opneemt, niet te worden verricht, omdat daarvoor overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de kaderrichtlijn is vereist dat voorheen reeds verplichtingen bestonden; een dergelijke situatie is evenwel niet aan de orde in de zaak waarvan de Obvodní soud kennis neemt, waarbij de verplichting bij het bestreden administratief besluit ex novo is opgelegd.
D – Tweede en derde prejudiciële vraag
39. Het probleem ligt anders: zodra vaststond dat Telefónica 02 een aanmerkelijke marktmacht had, kon het Tsjechisch Bureau voor telecommunicatie haar gelasten haar netwerk met dat van Czech On Line te interconnecteren; gepreciseerd moet evenwel worden of dit Bureau zulks automatisch kon doen, zoals hem op grond van de nationale wet was toegestaan, dan wel of het een marktanalyse moest uitvoeren, zoals voorgeschreven door het gemeenschapsrecht (tweede en derde vraag).
40. Daar wet nr. 151/2000 niet voldeed aan de richtlijnen van 2002, verplaatst de toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht het zwaartepunt van de discussie naar de vierde vraag, waarmee de verwijzende rechter wenst te vernemen of deze richtlijnen, wegens hun voorrang(19), de voorwaarden vervullen om rechtstreekse werking te hebben, zodat de niet-geharmoniseerde nationale regeling buiten toepassing blijft.
41. Zou de vierde vraag ontkennend worden beantwoord, dan zou het antwoord op de tweede en de derde vraag van geen belang zijn, omdat het Tsjechisch Bureau dan in de beide mogelijke gevallen de verplichting kon opleggen zonder de genoemde marktanalyse te verrichten, daar de betrokken richtlijnen geen rechtstreekse werking zouden hebben.
42. Bijgevolg wordt dit schijnbaar ingewikkelde verzoek om een prejudiciële beslissing, nu het is ontrafeld, herleid tot de vraag of artikel 8, lid 2, van de toegangsrichtlijn en artikel 16, juncto de artikelen 6 en 7, van de kaderrichtlijn aan de door de rechtspraak gestelde voorwaarden voor rechtstreekse toepasselijkheid voldoen.
E – Vierde vraag : rechtstreekse werking
43. Dit kenmerk van de bepalingen van een richtlijn, dat tegelijk het uitvloeisel en het instrument van de voorrang van het gemeenschapsrecht op het nationale recht vormt(20), moet worden opgevat als een automatische „sanctie” ten aanzien van lidstaten die hun verplichtingen niet nakomen, daar zij zich niet op hun wettelijke regelingen kunnen beroepen tegenover de bepalingen van een richtlijn die inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn.(21)
44. Voldoen aan deze criteria, de bepalingen waarin in ondubbelzinnige bewoordingen een verplichting wordt geformuleerd(22) die aan geen enkele voorwaarde is gebonden en die voor haar uitvoering of werking niet afhangt van een handeling van de instellingen van de Gemeenschap of van de lidstaten.(23)
45. Dat de genoemde bepalingen van de kaderrichtlijn en de toegangsrichtlijn deze kenmerken niet vertonen, kan gemakkelijk worden vastgesteld, nu de marktanalyse waaraan in artikel 8, lid 2, van de toegangsrichtlijn wordt gerefereerd moet worden verricht volgens de procedure van artikel 16 en met inachtneming van de in de artikelen 6 en 7 van de kaderrichtlijn neergelegde beginselen. De marktanalyse dient met andere woorden te worden uitgevoerd overeenkomstig de richtsnoeren die de Commissie krachtens artikel 15, lid 2, van de kaderrichtlijn vaststelt in samenwerking met de nationale mededingingsautoriteiten (artikel 16, lid 1), en volgens de voorschriften die door de bevoegde nationale instantie moeten worden gepubliceerd, teneinde te waarborgen dat aan de criteria van transparantie en raadpleging wordt voldaan (artikel 6), met de medewerking van de Commissie en van de bevoegde instanties van de andere lidstaten (artikel 7, leden 3, 4 en 5).
46. Zelfs al zouden die bepalingen voldoen aan de voorwaarden voor rechtstreekse werking, dan nog zou deze in onderhavig geval zijn uitgesloten, daar de communautaire rechtspraak richtlijnen deze werking ontzegt in geschillen tussen particulieren. In mijn conclusie van 6 mei 2003 in de zaak Pfeiffer(24) heb ik eraan herinnerd dat het Hof stelselmatig weigert te erkennen dat een particulier zich jegens een andere particulier kan beroepen op een richtlijn die door de staat niet naar behoren en tijdig is uitgevoerd, op grond dat overeenkomstig artikel 249 EG het dwingende karakter van een richtlijn, waarop de mogelijkheid om deze voor een nationale rechterlijke instantie in te roepen is gebaseerd, uitsluitend bestaat ten aanzien van „elke lidstaat waarvoor zij bestemd is”, hetgeen tot gevolg heeft dat een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan een particulier kan opleggen en bijgevolg als zodanig niet tegenover hem kan worden ingeroepen (punt 56).(25)
47. Het geding dat tot dit verzoek om een prejudiciële beslissing heeft geleid, is een typisch voorbeeld van een geding tussen particulieren. Twee ondernemingen twisten over de verplichting die de toegangsrichtlijn oplegt aan de onderneming met een machtspositie om de door de andere gevraagde interconnectie toe te staan, waarbij het optreden van de administratieve instanties uitsluitend erop is gericht hun wil in de plaats te stellen van die van de concurrerende ondernemingen om zo tot de overeenkomst te komen die de betrokken partijen zelf niet kunnen sluiten. Deze situatie verschilt van die welke in de zaak Wells (26) aan de orde was, waarin ten voordele van een Britse burger rechtstreekse werking werd toegekend aan een richtlijn(27) tegenover de staat, hoewel daardoor de rechten van een andere particulier indirect werden geschaad.
48. Samenvattend kan worden gesteld dat de genoemde artikelen van de kaderrichtlijn en de toegangsrichtlijn geen rechtstreekse werking hebben, zodat Telefónica 02 zich er niet op kan beroepen om het besluit van het Tsjechisch Bureau voor telecommunicatie nietig te doen verklaren.(28)
F – Slotbemerkingen
49. De prejudiciële verwijzing is een procedureel instrument ten behoeve van de rechters van de lidstaten, waarmee het Hof hun passende aanwijzingen kan verstrekken voor de uitvoering van het gemeenschapsrecht. Het stelsel van artikel 234 EG berust op het onderscheid tussen uitlegging en toepassing van de rechtsregels, waarbij de wettelijke positie van de nationale rechter kan worden verzoend met de noodzakelijke uniformiteit van het gemeenschapsrecht, zoals Robert Lecourt reeds vele jaren geleden heeft opgemerkt.(29) De vervulling van deze taak vereist een nauwgezette bevoegdheidsverdeling.(30)
50. Op grond van deze benadering van de prejudiciële procedure is het wenselijk dat het Hof zijn optreden beperkt tot het strikt noodzakelijke en een nuttig antwoord verstrekt binnen het kader dat is afgebakend in de verwijzingsbeslissing(31), zodat uitspraken worden vermeden die niet dienend zijn voor het hoofdgeding – anders verwordt dat geding immers tot een abstracte procedure zonder enig verband met concrete omstandigheden, alsof het zou gaan om een beroep tot toetsing van wettelijke bepalingen.
51. Gelet op het voorgaande, zijn de in de verwijzingsbeslissing vermelde bepalingen van de kaderrichtlijn en de toegangsrichtlijn irrelevant voor de beslechting van het geding, zodat elke uitlegging door het Hof overbodig is. Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te verstrekken(32), moet het Hof hem duidelijk maken dat de betrokken bepalingen geen rechtstreekse werking hebben, zodat het Tsjechisch Bureau voor telecommunicatie Telefónica 02 kon verplichten haar ADSL-netwerk met dat van Czech On Line te interconnecteren zonder dat het eerst een marktanalyse diende uit te voeren.
VII – Conclusie
52. Gelet op een en ander, geeft ik het Hof in overweging de vragen van de Obvodní soud pro Prahu 3 te beantwoorden als volgt:
„Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn) en artikel 16, juncto de artikelen 6 en 7, van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (Kaderrichtlijn) voldoen niet aan de voorwaarden waaronder rechtstreekse werking kan worden verleend aan de bepalingen van een richtlijn die niet in nationaal recht is omgezet, zodat zij niet van toepassing zijn op de feiten van het hoofdgeding. Bijgevolg was het Český telekomuikační uřad (Tsjechisch Bureau voor telecommunicatie) bevoegd om Telefónica 02 Czech Republic te verplichten haar ADSL-lijnen te interconnecteren met die van Czech On Line zonder dat het daartoe een voorafgaande marktanalyse diende te verrichten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 (PB L 108, respectievelijk blz. 33 en 7).
3 – Zaak C-339/04 waarin het arrest van 18 juli 2006 is gewezen (Jurispr. blz. I-00000).
4 – Het uitgangspunt was richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten (PB L 192, blz. 10), die herhaaldelijk is gewijzigd, en uiteindelijk is vervangen bij richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 (PB L 249, blz. 21).
5 – Richtlijn 90/387/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision (ONP) (PB L 191, blz. 1), die aan een door concurrentie gekenmerkte context is aangepast bij richtlijn 97/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 (PB L 295, blz. 23). Tot deze groep behoren ook de richtlijnen 92/44/EEG van de Raad van 5 juni 1992 (PB L 165, blz. 27) en 98/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 1998 (PB L 101, blz. 24), waarbij ONP wordt uitgebreid tot huurlijnen respectievelijk spraaktelefonie.
6 – PB L 199, blz. 32.
7 – Het ging verder om richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn) en richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 21 en 51).
8 – Onder „interconnectie” moet worden verstaan: het fysiek en logisch verbinden van de openbare netwerken die door eenzelfde of meerdere ondernemingen worden gebruikt om het de gebruikers van een onderneming mogelijk te maken te communiceren of toegang te hebben tot hun respectieve diensten [artikelen 2, lid 1, sub a, van richtlijn 97/33 en 2, sub b, van de toegangsrichtlijn].
9 – In augustus 2002 privatiseerde de Tsjechische regering Český Telecom, de marktdominante exploitant waarin de Staat een meerderheidsparticipatie hield.
10 – Het administratief besluit berustte op § 40, leden 2 en 5, van wet nr. 151/2000.
11 – M. Proust, À la recherche du temps perdu III, La prisonnière, Ed. Gallimard, Bibliothèque de la Pléiade, 1988, blz. 762.
12 – Arrest van 10 januari 2006 (C-302/04, Jurispr. blz. I-371, punten 35 tot en met 37). Zie in dezelfde zin beschikking van 9 februari 2006, Lákep e.a. (C‑261/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 17 tot en met 21).
13 – Arrest van 15 juni 1999, Andersson en Wåkerås-Andersson (C-321/97, Jurispr. blz. I-3551).
14 – Het eerste besluit van het Tsjechisch Bureau voor telecommunicatie dateert van 30 april 2004, de dag vóór de toetreding.
15 – Op 9 september 2004.
16 – Arrest van 12 april 2005, Keller (C- 145/03, Jurispr. blz I-2529, punt 33).
17 – Arresten van 6 juli 1995, BP Soupergaz (C-62/93, Jurispr. blz. I-1883, punt 10), 15 december 1995, Bosman (C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 59), 13 maart 2001, PreusenElectra (C‑379/98, Jurispr. blz. I-2099, punt 38), en 25 februari 2003, IKA (C-326/00, Jurispr. blz. I‑1703, punt 27).
18 – Arrest van 7 september 1999, Beck en Bergdorf (C-355/97, Jurispr. blz. I‑4977, punt 22).
19 – Zie in het algemeen arrest van 15 juli 1964, Costa/ENEL (6/64, Jurispr. blz. 1203), en met betrekking tot richtlijnen arrest van 5 april 1979, Ratti (148/78, Jurispr. blz. 1629).
20 – Volgens het arrest Ratti mag een lidstaat zijn nationale niet-aangepaste wetgeving na de voor de inwerkingtreding van een richtlijn gestelde termijn niet toepassen op een persoon die overeenkomstig de communautaire voorschriften handelt, wat betekent dat de daarmee strijdige nationale bepalingen buiten toepassing blijven.
21 – Arrest van 19 januari 1982, Becker (8/81, Jurispr. blz. 53, punten 24 en 25).
22 – Dat volgt uit de redenering van het Hof in het arrest van 26 februari 1986, Marshall (152/84, Jurispr. blz. 723, punt 52), die is overgenomen in het arrest van 29 mei 1997, Klattner (C‑389/95, Jurispr. blz. I‑2719, punt 33).
23 – Punt 33 van het reeds aangehaalde arrest Klattner, waarin wordt verwezen naar het arrest van 3 april 1968, Molkerei-Zentrale Westfalen (28/67, Jurispr. blz. 203), alsmede naar punt 18 van het arrest van 17 september 1996, Cooperativa Agrícola Zootécnica S. Antonio e.a. (zaken C‑246/94–C‑249/94, Jurispr. blz. I-4373).
24 – Arrest van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a. (C-397/01–C-403/01, Jurispr. blz. I-8835).
25 – Reeds aangehaald arrest Marshall, punt 49; arresten van 8 oktober 1987, Kolpinghuis Nijmegen (80/86, Jurispr. blz. 3969, punt 9), 14 juli 1994, Faccini Dori (C-91/92, Jurispr. blz. I-3325, punt 24), 7 maart 1996, El Corte Inglés (C-192/94, Jurispr. blz. I-1281, punten 16 en 17), alsmede het in de vorige voetnoot aangehaalde arrest Pfeiffer, punten 108 en 109.
26 – Arrest van 7 januari 2004 (C‑201/02, Jurispr. blz. I-723).
27 – Het betrof richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40).
28 – Nu deze rechtstreekse werking in het onderhavige geval ontbreekt, lijkt het logisch dat de nationale rechter niet kan worden aangeraden om met een beroep op het „beginsel van richtlijnconforme uitlegging” [arrest van 13 november 1990, Marleasing (C-106/89, Jurispr. blz. I-4135)] de betekenis van wet nr. 151/2000 geweld aan te doen om via de rechtspraak een procedure in het leven te roepen (de marktanalyse) waarin deze wet niet voorziet; genoemd beginsel wordt immers begrensd door met name de regel dat een uitlegging praeter legem moet worden vermeden. In het arrest van 26 september 1996, Arcaro (C-168/95, Jurispr. blz. I-4705), heeft het Hof benadrukt dat het gemeenschapsrecht geen middel kent dat de nationale rechter in staat stelt om nationale bepalingen die in strijd zijn met een richtlijn, terzijde te stellen wanneer voor de nationale rechter geen beroep kan worden gedaan op deze richtlijn (punt 43). Voorts mag niet uit het oog worden verloren dat, zoals ik reeds heb opgemerkt, de Tsjechische en de gemeenschapsregeling (zowel de aanvankelijke als de thans geldende) in wezen overeenkomen, daar zij de bevoegde instanties machtigen ondernemingen met een machtspositie interconnectieverplichtingen op te leggen, zodat de verschillen tussen de beide regelingen louter van vormelijke aard zijn.
29 – R. Lecourt, Le juge devant le Marché commun, Ed. Institut Universitaire des Hautes Études Internationales. Genève, 1970, blz. 50.
30 – M. Lagrange, „L'action préjudicielle dans le droit interne des États membres et en droit communautaire”, Revue trimestrielle de droit européen, 1974, blz. 268.
31 – J. De Richemont, L'intégration du droit communautaire dans l'ordre juridique interne, Ed. Librairie du Journal des Notaires et des Avocats, Parijs, 1975, blz. 41 e.v.
32 – Er zij op gewezen dat het in het kader van de bij artikel 234 EG ingestelde gerechtelijke samenwerking aan het Hof staat om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten [arresten van 17 juli 1997, Krüger (C-334/95, Jurispr. blz. I-4517, punt 22), en 28 november 2000, Roquette Frères (C‑88/99, Jurispr. blz. I-10465, punt 18)], waarbij hij de gestelde vraag in voorkomend geval moet herformuleren [arresten van 11 juli 2002, Marks & Spencer (C-62/00, Jurispr. blz. I-6325, punt 22), en 23 maart 2006, FCE Bank (C‑210/04, Jurispr. blz. I-2803, punt 21)].
Full & Egal Universal Law Academy