CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 1 maart 2007 (1)
Zaak C‑76/06 P
Britannia Alloys & Chemicals Ltd.
„Hogere voorziening – Mededinging – Kartel – Zinkfosfaatmarkt – Artikel 81 EG – Geldboete – Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 – Richtsnoeren voor berekening van bedrag van geldboeten – Wettelijk plafond van geldboete – Relevante omzet – Voorafgaand boekjaar – Gelijke behandeling – Rechtszekerheidsbeginsel”
1. De onderhavige zaak heeft betrekking op de hogere voorziening ingesteld door de vennootschap Britannia Alloys & Chemicals Ltd (hierna: „Britannia” of „verzoekster”) tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 29 november 2005, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie (hierna: „bestreden arrest”).(2)
2. Met het bestreden arrest heeft het Gerecht het door verzoekster tegen beschikking 2003/437/EG van de Commissie(3) ingestelde beroep tot nietigverklaring verworpen. In deze beschikking is Britannia bestraft krachtens artikel 81, lid 1, EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3, hierna: „EER-Overeenkomst”) wegens deelneming aan een voortdurende overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector zinkfosfaat (hierna: litigieuze beschikking). Tot staving van dit beroep heeft verzoekster schending aangevoerd van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad(4), alsmede schending van het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het rechtszekerheidsbeginsel. Britannia heeft de Commissie verweten dat zij voor de bepaling van het maximum van de haar opgelegde geldboete rekening heeft gehouden met haar omzet in een ander boekjaar dan het aan de vaststelling van de litigieuze beschikking voorafgaande boekjaar.
3. In de onderhavige hogere voorziening verwijt verzoekster het Gerecht in wezen dat het blijk heeft gegeven van verscheidene onjuiste rechtsopvattingen door te oordelen dat de Commissie kon uitgaan van een dergelijke berekeningsmethode. Zij verzoekt het Hof zich uit te spreken over de vraag of het Gerecht in het bestreden arrest daardoor artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 heeft geschonden, alsook het beginsel van gelijke behandeling en het rechtszekerheidsbeginsel.
4. In deze conclusie zal ik betogen dat het Gerecht geenszins blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie voor de berekening van het maximumbedrag van de op verzoekster toepasselijke geldboete terecht is uitgegaan van een ander boekjaar dan het aan de vaststelling van de litigieuze beschikking voorafgaande boekjaar.
5. Ik zal daarentegen vaststellen dat het Gerecht de krachtens de artikelen 36 en 53 van het Statuut van het Hof van Justitie op hem rustende motiveringsplicht niet is nagekomen, door niet te antwoorden op een argument van verzoekster in het kader van het bij hem ingestelde beroep tot nietigverklaring. Derhalve zal ik het Hof in overweging geven het arrest op dat punt te vernietigen. Omdat de zaak in staat van wijzen is, zal ik het Hof verzoeken deze aan zich te trekken en definitief uitspraak te doen over het in eerste aanleg aangevoerde middel tot nietigverklaring. Ik zal aanvoeren dat dit middel ongegrond is en, gelet op de reeds door het Gerecht in het bestreden arrest vastgestelde elementen, zal ik het Hof in overweging geven het door Britannia ingestelde beroep tot nietigverklaring te verwerpen.
I – Rechtskader
6. Artikel 81 EG verbiedt „alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst”.
7. In geval van schending van deze bepaling kan de Commissie overeenkomstig artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 „aan deze ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten opleggen van ten minste [1 000 EUR] en ten hoogste [1 miljoen EUR], of tot een bedrag van ten hoogste tien procent van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar”.
8. Om de doorzichtigheid en objectiviteit van haar beslissingen tegenover zowel de ondernemingen als de gemeenschapsrechter te kunnen waarborgen, heeft de Commissie in 1998 richtsnoeren gepubliceerd, waarin zij de methode uiteenzet voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 worden opgelegd.(5)
9. De richtsnoeren schrijven in punt 1 voor, dat voor de berekening van het bedrag van de geldboeten het basisbedrag wordt bepaald aan de hand van de in deze bepaling neergelegde criteria, te weten de zwaarte en de duur van de inbreuk.
10. Bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk dient rekening te worden gehouden met de eigen aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt (punt 1 A, eerste alinea, van de richtsnoeren). In dat kader worden de inbreuken in drie grote categorieën ingedeeld, te weten „niet te ernstige inbreuken”, met mogelijke boetebedragen van 1 000 tot 1 miljoen EUR, „zware inbreuken”, met mogelijke boetebedragen van 1 miljoen tot 20 miljoen EUR, en „zeer zware inbreuken”, met mogelijke boetebedragen van meer dan 20 miljoen EUR (punt 1 A, tweede alinea, eerste tot en met derde gedachtestreepje). Binnen elk van deze categorieën, en in het bijzonder in die van de zware en zeer zware inbreuken, maakt de scala van sancties die aan de ondernemingen kunnen worden opgelegd, het mogelijk naar gelang van de aard van de gepleegde inbreuken te differentiëren (punt 1 A, derde alinea). Overigens zal ook rekening moeten worden gehouden met de daadwerkelijke economische macht van de inbreukmakers om andere marktdeelnemers, met name de consumenten, aanzienlijke schade te berokkenen, en zal het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau moeten worden gesteld dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat (punt 1 A, vierde alinea).
11. Voorts kan ermee rekening worden gehouden dat grootschalige ondernemingen meestal over de juridisch-economische kennis en middelen beschikken, waarmee het voor deze mogelijk is zich beter van het inbreukmakende karakter van hun gedragingen en van de gevolgen ervan uit het oogpunt van het mededingingsrecht rekenschap te geven (punt 1 A, vijfde alinea).
12. Op de bedragen die in elk van de drie bovengenoemde categorieën worden opgelegd kan de Commissie onder bepaalde omstandigheden een weging toepassen om rekening te houden met het specifieke gewicht, en derhalve met de daadwerkelijke invloed van het inbreukmakende gedrag van elke onderneming afzonderlijk op de mededinging, met name wanneer er een aanzienlijk verschil bestaat in de grootte van de ondernemingen die eenzelfde soort inbreuk hebben gepleegd, en om aldus het basisbedrag aan te passen naar gelang van de specifieke aard van elke onderneming (punt 1 A, zesde alinea).
13. Wat de factor duur van de inbreuk betreft, maken de richtsnoeren onderscheid tussen „inbreuken van korte duur” (over het algemeen korter dan 1 jaar), zonder verhoging van het bedrag dat op basis van de zwaarte wordt opgelegd, „inbreuken van middellange duur” (over het algemeen 1 tot 5 jaar), waarvoor dit bedrag met maximum 50 % kan worden verhoogd, en „inbreuken van lange duur” (over het algemeen meer dan 5 jaar), waarvoor het bedrag voor elk jaar met 10 % kan worden verhoogd (punt 1 B, eerste alinea, eerste tot en met derde gedachtestreepje).
14. Vervolgens noemen de richtsnoeren als voorbeeld een aantal verzwarende en verzachtende omstandigheden die in aanmerking kunnen worden genomen om het basisbedrag te verhogen of te verlagen, waarna zij verwijzen naar de mededeling van de Commissie van 18 juli 1996 betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen.(6)
15. Als algemene opmerking bepaalt punt 5, sub a, eerste alinea, van de richtsnoeren dat het eindresultaat van de berekening van de boete volgens deze methode (basisbedrag met verhogings- respectievelijk verlagingscoëfficiënt) krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 in geen geval 10 % van de mondiale omzet van de ondernemingen mag overschrijden. Volgens punt 5, sub a, tweede alinea van deze richtsnoeren moeten de boekhoudkundige cijfers waarop de berekening van de mondiale omzet is gebaseerd, zoveel mogelijk die zijn welke overeenkomen met die van het aan het jaar van de beschikking voorafgaande boekjaar, en, indien zij niet beschikbaar zijn, die van het daaraan onmiddellijk voorafgaande jaar.
16. Voorts bepaalt punt 5, sub b, van de richtsnoeren dat naar gelang van de omstandigheden, na uitvoering van de vorengenoemde berekeningen, rekening dient te worden gehouden met bepaalde objectieve gegevens, zoals een specifieke economische context, het economische of het financiële voordeel dat de inbreukmakers eventueel hebben behaald, de specifieke kenmerken van de betrokken ondernemingen en hun vermogen om in een bepaalde sociale context daadwerkelijk te kunnen betalen, om uiteindelijk de bedragen van de voorgenomen geldboeten bij te stellen.
17. Daaruit volgt dat het bedrag van de geldboeten volgens de methode van de richtsnoeren wordt berekend aan de hand van de twee criteria van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, namelijk de zwaarte en de duur van de inbreuk, waarbij de in dezelfde bepaling vastgestelde bovengrens ten opzichte van de omzet van elke onderneming in acht wordt genomen.
II – Feiten
18. De feiten zoals die voortvloeien uit het bestreden arrest, kunnen als volgt worden samengevat.
19. Britannia, een vennootschap naar Engels recht, is een dochtermaatschappij van M. I. M. Holdings Ltd (hierna: „MIM”), een vennootschap naar Australisch recht. Britannia produceerde en verkocht producten op basis van zink, waaronder zinkfosfaat. In maart 1997 heeft Trident Alloys Ltd (hierna: „Trident”), een door de directie van Britannia opgerichte zelfstandige vennootschap, de activiteiten van Britannia in de zinksector overgenomen voor 14 359 072 GBP. Laatstgenoemde vennootschap bestaat nog steeds als dochtermaatschappij van MIM, maar zij heeft elke economische activiteit gestaakt en heeft dus geen omzet meer.
20. In 2001 hadden de volgende vijf Europese producenten het grootste deel van de wereldmarkt van zinkfosfaat in handen: Dr Hans Heubach GmbH & Co. KG (hierna: „Heubach”), James M. Brown Ltd (hierna: „James Brown”), Société Nouvelle des Couleurs Zinciques SA (hierna: „SNCZ”), Trident (voorheen Britannia) en Union Pigments AS [voorheen Waardals AS (hierna: „Union Pigments”)].
21. Op 13 en 14 mei 1998 heeft de Commissie op grond van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 17 gelijktijdige en onaangekondigde verificaties verricht in de kantoren van Heubach, SNCZ en Trident.
22. Op 11 december 2001 heeft de Commissie de litigieuze beschikking vastgesteld, waarbij zij verzoekster een geldboete van 3,37 miljoen EUR heeft opgelegd wegens schending van artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst.
23. In die beschikking stelt de Commissie dat er tussen 24 maart 1994 en 13 mei 1998 een mededingingsregeling heeft bestaan tussen Britannia (Trident vanaf 15 maart 1997), Heubach, James Brown, SNCZ en Union Pigments. De mededingingsregeling was beperkt tot gangbaar zinkfosfaat. De kartelleden hadden in de eerste plaats een marktverdelingsovereenkomst met verkoopquota voor de producenten gesloten. In de tweede plaats hadden zij op iedere bijeenkomst „bodemprijzen” of „aanbevolen” prijzen vastgesteld en die algemeen gevolgd. In de derde plaats was sprake van een zekere toewijzing van klanten.
24. Het dispositief van de litigieuze beschikking luidt als volgt:
„Artikel 1
Britannia [...], Heubach [...], James [...] Brown, [SNCZ], Trident [...] en [Union Pigments] hebben inbreuk gemaakt op het bepaalde in artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag en artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst door deel te nemen aan een voortdurende overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector zinkfosfaat.
De duur van de inbreuk was als volgt:
[...]
b) in het geval van Britannia [...]: van 24 maart 1994 tot en met 15 maart 1997;
c) in het geval van Trident [...]: van 15 maart 1997 tot en met 13 mei 1998.
[...]
Artikel 3
Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk worden de volgende geldboeten opgelegd:
a) Britannia [...]: 3,37 miljoen EUR;
b) [...] Heubach [...]: 3,78 miljoen EUR;
c) James [...] Brown [...]: 940 000 EUR;
d) [SNCZ]: 1,53 miljoen EUR;
e) Trident [...]: 1,98 miljoen EUR;
f) [Union Pigments]: 350 000 EUR.
[...]”
25. Voor de berekening van het bedrag van de geldboeten heeft de Commissie, volgens de in de richtsnoeren neergelegde methode, rekening gehouden met alle relevante feitelijke elementen, met name met de zwaarte en de duur van de inbreuk.
26. In de litigieuze beschikking heeft de Commissie de inbreuk als „zeer zwaar” aangemerkt. Zij heeft gesteld dat de zinkfosfaatproducenten opzettelijk een mededingingsregeling met het oog op beperking van de concurrentie op de relevante markt ten nadele van hun klanten en het grote publiek hebben uitgedacht, gestuurd en aangemoedigd. Volgens deze beschikking heeft de inbreuk tevens het gehele grondgebied van de EER ongunstig beïnvloed. Concluderend, en gelet op het relatieve belang van verzoekster op de betrokken markt, heeft de Commissie overwogen dat een bedrag van 3 miljoen EUR een passende basis vormde voor de bepaling van het bedrag van de geldboete.
27. Wat de duur van de inbreuk betreft, die is door de Commissie op twee jaar en elf maanden gesteld (van 24 maart 1994 tot en met 15 maart 1997), hetgeen een inbreuk van middellange duur vormde. Zij heeft het daarom gerechtvaardigd geacht het vastgestelde uitgangsbedrag te verhogen met 25 %, wat het bedrag van de geldboete op 3,75 miljoen EUR heeft gebracht.(7)
28. Vervolgens heeft de Commissie in herinnering gebracht dat krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 de aan elk van de ondernemingen opgelegde geldboete niet meer mocht zijn dan 10 % van hun wereldwijde omzet. Voor het bepalen van de bovengrens van de geldboete van verzoekster heeft de Commissie „rekening gehouden met de volledige omzet van het boekjaar dat eindigt op 30 juni 1996. Dit is het laatst beschikbare cijfer dat betrekking heeft op een volledig jaar van normale economische activiteit”.(8) Omdat deze omzet 55 713 550 EUR(9) bedroeg, is de bovengrens van de boete vastgesteld op ongeveer 5,5 miljoen EUR. Aangezien het door de Commissie vóór de toepassing van de mededeling inzake medewerking vastgestelde bedrag van de geldboete lager was dan dat maximum, heeft de Commissie het niet uit dien hoofde verlaagd.
29. Ten slotte heeft de Commissie Britannia krachtens de mededeling inzake medewerking een verlaging van 10 % toegekend.(10)
30. Uiteindelijk is de aan verzoekster opgelegde geldboete dus vastgesteld op 3,37 miljoen EUR.(11)
III – Beroepsprocedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
31. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 februari 2002, heeft Britannia een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze beschikking ingesteld en, subsidiair, tot verlaging van het bedrag van de bij deze beschikking opgelegde geldboete.
32. Punt 16 van de bestreden arrest luidt als volgt:
„Verzoekster voert één middel aan. Dit middel bestaat uit drie onderdelen, waarin verzoekster betoogt dat de Commissie, door bij de berekening van de maximumgrens van 10 % van de omzet uit te gaan van haar omzet in het boekjaar dat op 30 juni 1996 eindigt, inbreuk heeft gemaakt op:
– artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en het evenredigheidsbeginsel;
– het beginsel van gelijke behandeling;
– het rechtszekerheidsbeginsel.”
33. Met het bestreden arrest heeft het Gerecht dit beroep verworpen.
IV – Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
34. Bij verzoekschrift, neergelegd op 7 februari 2006, concludeert Britannia tot:
– vernietiging van het arrest voor zover daarbij het door verzoekster tegen de litigieuze beschikking ingestelde beroep wordt verworpen;
– nietigverklaring van artikel 3 van de litigieuze beschikking voor zover dit Britannia betreft;
– subsidiair, wijziging van artikel 3 van de litigieuze beschikking voor zover dit verzoekster betreft, in die zin dat de aan haar opgelegde geldboete wordt ingetrokken dan wel aanzienlijk wordt verlaagd;
– subsidiair, terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht opdat dit uitspraak doet overeenkomstig de in het arrest van het Hof vastgestelde rechtspunten, en
– verwijzing van de Commissie in de kosten.
35. De Commissie concludeert tot:
– afwijzing van de in de memorie van antwoord niet-ontvankelijk verklaarde middelen en conclusies;
– subsidiair, ongegrondverklaring van het beroep, en
– verwijzing van verzoekster in de kosten.
V – Juridische analyse
36. Ik meen te begrijpen dat verzoekster vier middelen aanvoert: in de eerste plaats schending van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, in de tweede plaats schending van het beginsel van gelijke behandeling, in de derde plaats schending van het rechtszekerheidsbeginsel en in de vierde plaats gebrekkige motivering van het bestreden arrest.
37. Ik zal deze middelen achtereenvolgens onderzoeken.
A – Het eerste middel: schending van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17
38. Alvorens ik inga op de gegrondheid van dit middel, wil ik twee inleidende opmerkingen maken.
39. De eerste opmerking betreft de grenzen van het rechterlijk toezicht dat het Hof in het kader van een hogere voorziening uitoefent.
40. Volgens artikel 225, lid 1, EG en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie is hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen.
41. Volgens vaste rechtspraak is het Gerecht derhalve bij uitsluiting bevoegd enerzijds om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en anderzijds om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting van de hem overgelegde bewijselementen, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening.(12)
42. Het is evenwel vaste rechtspraak dat wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, het Hof bevoegd is om krachtens artikel 225 EG toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden.(13)
43. In het kader van met name de uitvoering van de artikelen 81 EG en 15 van verordening nr. 17, volgt uit vaste rechtspraak dat het Hof dient na te gaan of het Gerecht rechtens genoegzaam antwoord heeft gegeven op het geheel van de door de verzoeker aangevoerde argumenten die strekken tot intrekking of verlaging van de geldboete. Het staat daarentegen niet aan het Hof om uit billijkheidsoverwegingen zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van het Gerecht, dat zich in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht heeft uitgesproken over het bedrag van de geldboeten die ondernemingen wegens schending van het gemeenschapsrecht opgelegd hebben gekregen.(14)
44. De tweede opmerking betreft de omvang van de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie beschikt bij de oplegging van een geldboete uit hoofde van artikel 15 van verordening nr. 17.
45. Volgens vaste rechtspraak beschikt de Commissie ter zake van de berekeningsmethode voor geldboeten over een ruime beoordelingsvrijheid. In het kader daarvan kan zij rekening houden met een veelvoud aan factoren, binnen de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 gestelde grenzen.(15)
46. De uitoefening van deze beoordelingsvrijheid is evenwel aan banden gelegd door de gedragsregels die de Commissie zich heeft opgelegd bij de vaststelling van de richtsnoeren. Deze kunnen weliswaar niet worden aangemerkt als een rechtsregel die de administratie hoe dan ook dient na te leven, maar volgens het Hof kan de Commissie van die regels niet afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen als het gelijkheids‑ of het vertrouwensbeginsel.(16)
47. In het licht van deze overwegingen zal ik nagaan of het Gerecht de wijze waarop de Commissie van die beoordelingsvrijheid gebruik heeft gemaakt, op de juiste wijze heeft beoordeeld.
48. Met dit middel stelt verzoekster, zoals gezegd, dat het Gerecht artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie zich voor de berekening van het maximum van de geldboete terecht kon baseren op een omzet die voortvloeit uit een ander boekjaar dan het aan de vaststelling van de litigieuze beschikking voorafgaande boekjaar.
49. Als ik de hogere voorziening goed lees, voert Britannia een aantal argumenten aan tot staving van dit middel.
50. Alvorens de gegrondheid ervan te onderzoeken, breng ik in herinnering dat de Commissie volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 een onderneming wegens schending van artikel 81, lid 1, EG, een geldboete tussen 1 000 en 1 miljoen EUR kan opleggen; het bedrag van de geldboete kan ook ten hoogste 10 % van de omzet van de betrokken onderneming in het voorafgaande boekjaar bedragen.
51. In de eerste plaats verwijt verzoekster het Gerecht dat het is afgeweken van de tekst van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en van de rechtspraak van de gemeenschapsrechter door te oordelen dat de Commissie in uitzonderlijke omstandigheden kon uitgaan van een ander boekjaar dan het aan de litigieuze beschikking voorafgaande boekjaar. Het begrip „voorafgaand boekjaar” in die bepaling ziet volgens vaste rechtspraak op het laatste volledige boekjaar op de datum van de vaststelling van de beschikking van de Commissie.(17) Volgens Britannia heeft het Gerecht dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet uit te gaan van haar omzet van het boekjaar dat eindigt op 30 juni 2001.
52. Met de Commissie ben ik van mening dat dit argument ongegrond is.
53. Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling namelijk niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft.(18)
54. Mijns inziens heeft het Gerecht zich in het bestreden arrest terecht gebaseerd op de door de gemeenschapswetgever nagestreefde doelstellingen in het kader van de bestraffing van inbreuken op de mededingingsregels, en op de rechtspraak van de communautaire rechter voor de uitlegging van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.
55. Om te beginnen merk ik op dat het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest heeft verwezen naar het reeds aangehaalde arrest Cimenteries CBR e.a./Commissie en naar het arrest van het Hof van 16 november 2000, Sarrió/Commissie(19), voor de precisering dat het begrip „boekjaar” in de zin van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 in beginsel betrekking heeft op het laatste volledige boekjaar van elk van de betrokken ondernemingen op de datum waarop de bestreden beschikking wordt vastgesteld.
56. Vervolgens heeft het Gerecht zijn analyse in de punten 35 en 36 van het bestreden arrest gebaseerd op het doel van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17. Het wijst erop dat deze bepaling beoogt „de Commissie de bevoegdheid [te verlenen] geldboeten op te leggen om haar in staat te stellen, de haar door het gemeenschapsrecht toevertrouwde toezichthoudende taak uit te oefenen”.(20) De in deze bepaling opgenomen sancties vormen, zoals gezegd, een sleutelinstrument waarover de Commissie beschikt om overeenkomstig artikel 3, lid 1, sub g, EG toe te zien op de invoering in de Europese Gemeenschap van een „regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst”. Deze geldboeten, die worden toegepast op praktijken die uit alle macht dienen te worden bestreden, hebben een tweeledig doel. Ten eerste moeten zij de ondernemingen wegens de begane inbreuk kunnen bestraffen, en ten tweede moeten zij ondernemingen die in de verleiding zouden komen een dergelijke inbreuk te plegen, kunnen afschrikken, zodat toekomstig gedrag wordt gereguleerd in de zin van een grotere economische efficiency.(21)
57. Bij de bepaling van het bedrag van de geldboete moet de Commissie, die aldus belast is met de verdediging van de economische openbare orde, ervoor zorgen dat haar optreden een preventieve werking heeft. Daartoe kan zij besluiten het bedrag van de aan de ondernemingen opgelegde geldboeten in het algemeen te verhogen. Ook kan de Commissie in elk concreet geval het bedrag van de geldboete aanpassen om rekening te houden met het beoogde effect op de onderneming waaraan de boete wordt opgelegd.
58. Om een voldoende afschrikkend effect te waarborgen mag dit bedrag niet verwaarloosbaar zijn, maar evenmin onevenredig aan met name het economische vermogen van de betrokken onderneming. Mijns inziens is het dus essentieel dat de Commissie in het kader van haar berekening kan verwijzen naar een omzet die de werkelijke financiële situatie van de onderneming weergeeft.
59. Gelet op deze doelstellingen heeft het Gerecht mijns inziens in punt 38 van het bestreden arrest terecht overwogen dat de berekening van het wettelijk maximum van de geldboete niet alleen veronderstelt dat de Commissie beschikt over het omzetcijfer voor het laatste boekjaar dat voorafgaat aan de datum waarop de beschikking wordt vastgesteld, maar ook dat deze gegevens betrekking hebben op een volledig boekjaar van normale economische activiteit gedurende een periode van twaalf maanden.
60. Naar mijn mening is deze lezing van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 niet onjuist. Zij voorkomt een al te strakke regeling, die nadelig is voor de doeltreffendheid van de sanctie en voor de nuttige werking van artikel 81 EG. Zoals we zullen zien, kan de financiële situatie van elke onderneming namelijk uiteenlopende kenmerken vertonen en in bepaalde gevallen om verhoogde waakzaamheid van de Commissie vragen. Mijns inziens moet de methode voor de berekening van het wettelijk plafond van de sanctie rekening houden met deze kenmerken om met name de preventieve werking van de geldboete te handhaven.
61. In het bestreden arrest noemt het Gerecht naar mijn mening drie soorten situaties.
62. De eerste is de situatie van een onderneming die tijdens het boekjaar dat voorafgaat aan de vaststelling van een beschikking van de Commissie een omzet heeft behaald die betrekking heeft op een volledig jaar van normale economische activiteit. In dat geval is de Commissie verplicht, zoals het Gerecht verklaart in punt 49 van het bestreden arrest, om de maximumgrens van de geldboete vast te stellen op basis van dat omzetcijfer, ondanks een aanzienlijke daling van de totale middelen van de onderneming in vergelijking met vroegere jaren, als gevolg van moeilijke economische omstandigheden, een ongeval of een staking.
63. De tweede situatie is die waarin de Commissie de middelen van de onderneming niet correct kan beoordelen op basis van uitsluitend het boekjaar dat voorafgaat aan de vaststelling van een beschikking van de Commissie. Zoals het Gerecht in punt 39 van het bestreden arrest verklaart, kan dit het geval zijn wanneer een onderneming haar jaarverslag niet vóór de vaststelling van de beschikking heeft opgesteld of meegedeeld. Dit kan ook het geval zijn wanneer een onderneming wegens een wijziging van de boekhouding een rekening overlegt die een periode van minder dan twaalf maanden bestrijkt. In deze gevallen en volgens punt 5, sub a, tweede alinea, van de richtsnoeren, heeft de Commissie het recht uit te gaan van het onmiddellijk voorafgaande boekjaar dat een periode van twaalf maanden bestrijkt.
64. De derde situatie ten slotte is die van een onderneming die geen omzet heeft behaald in het boekjaar dat voorafgaat aan de vaststelling van een beschikking van de Commissie. Een dergelijke situatie kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een herstructurering van een onderneming die weliswaar juridisch is blijven bestaan, maar al haar handelsactiviteiten heeft overgedragen. Indien een onderneming geen economische activiteit heeft uitgeoefend tijdens het boekjaar dat voorafgaat aan de vaststelling van de beschikking, is er voor die periode geen sprake van een omzet op basis waarvan de Commissie de omvang van die onderneming kan bepalen, anders dan de rechtspraak vereist.(22) Deze situatie kan ook voortvloeien uit frauduleus gedrag van een onderneming die besluit haar omzet verborgen te houden om te voorkomen dat haar een geldboete wordt opgelegd vanwege haar onwettige gedrag.
65. In een dergelijke situatie kan de Commissie de middelen van de onderneming dus niet correct beoordelen op basis van uitsluitend het boekjaar dat voorafgaat aan de vaststelling van de beschikking, en niet voor een voldoende preventieve werking van de geldboete zorgen.
66. Ik ben het derhalve volledig eens met de analyse van het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest, dat de Commissie ter bepaling van het in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 gestelde maximum moet „beschikken over een omzetcijfer dat betrekking heeft op een volledig boekjaar van normale economische activiteit gedurende een periode van twaalf maanden”. Deze analyse strookt volledig met de rechtspraak van het Hof (23) en draagt bij aan de verwezenlijking van de doelstellingen van bestraffing en afschrikking van inbreuken op de mededingingsregels.
67. Ik ben dan ook van mening dat het Gerecht geenszins blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 uit kon gaan van het laatste volledige boekjaar dat voorafgaat aan de vaststelling van de litigieuze beschikking, te weten het boekjaar dat eindigt op 30 juni 1996.
68. In de tweede plaats verwijt Britannia het Gerecht in wezen dat het niet de „alternatieve monetaire drempel” heeft toegepast die is vastgesteld in het eerste deel van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.
69. Enerzijds stelt verzoekster dat de Commissie haar bij het ontbreken van een omzet enkel een geldboete tussen 1 000 en 1 miljoen EUR mocht opleggen, als alternatieve maatregel. Deze uitlegging is volgens verzoekster in overeenstemming met het doel van ditzelfde artikel 15, lid 2, dat beoogt te vermijden dat geldboeten onevenredig zijn aan de omvang van de onderneming.(24) Terwijl voorts het maximum van 10 % wordt vastgesteld aan de hand van een omzet, bevat het eerste deel van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 geen uitdrukkelijke bepaling over een omzet, en gaat het ook niet uit van het bestaan daarvan.
70. Anderzijds verwijt Britannia het Gerecht dat het de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 bedoelde doelstelling van afschrikking in aanmerking heeft genomen in het kader van de beoordeling van het door de Commissie vastgestelde maximumbedrag van de geldboete. Volgens verzoekster beogen de berekening van het basisbedrag van de geldboete (opgesteld aan de hand van de criteria zwaarte en duur van de inbreuk) en de vaststelling van de bovengrens ervan namelijk twee verschillende doelstellingen. Volgens het eerdergenoemde arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie beoogt de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 vastgestelde bovengrens namelijk „buitensporige en onevenredige geldboeten te vermijden” en heeft deze dus „een ander doel dan de criteria van de zwaarte en de duur van de inbreuk, en staat daar los van”.(25) Het Gerecht heeft volgens Britannia dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 44 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie terecht heeft geoordeeld dat een geldboete van 1 miljoen EUR in casu onvoldoende was.
71. Enerzijds is het argument van Britannia inzake de beoordeling van het Gerecht aangaande de preventieve werking van een geldboete van 1 miljoen EUR mijns inziens niet-ontvankelijk.
72. Met de Commissie ben ik namelijk van mening dat het onderzoek van dit argument afhangt van een feitelijke beoordeling, waartoe het Hof, volgens hetgeen ik in de punten 40 en 41 van deze conclusie heb uiteengezet, in hogere voorziening niet bevoegd is.
73. Anderzijds ben ik van mening dat de argumenten inzake de toepassing van een alternatieve monetaire drempel ongegrond zijn.
74. Bij de bepaling van de bovengrens van de sanctie gaat het mijns inziens namelijk niet alleen maar om een keuze tussen een maximale geldboete van 1 miljoen EUR en een maximum gerelateerd aan de omzet van de onderneming. Volgens vaste rechtspraak moet de Commissie in het kader van de berekeningsmethode voor geldboeten het maximum eerbiedigen dat met betrekking tot de omzet is gesteld in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17. Binnen de door deze bepaling vastgestelde grenzen beschikt de Commissie evenwel over een ruime beoordelingsvrijheid en kan zij rekening kan houden met, zoals het Hof het heeft opgemerkt, „een veelvoud aan factoren”.(26) Anders dan verzoekster stelt, wordt het doel van afschrikking mijns inziens zowel bij de berekening van het basisbedrag van de geldboete als bij de bepaling van de hierop toepasselijke bovengrens nagestreefd. Dit doel is namelijk alleen al inherent aan de vaststelling van verordening nr. 17(27) en gaat boven de tekst van artikel 15, lid 2, ervan. In deze omstandigheden, en voor zover de hoogte van de geldboete beneden de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 gestelde bovengrens blijft, kan de Commissie in de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid mijns inziens bij de betrokken berekening het doel van afschrikking in aanmerking nemen.
75. Het Gerecht heeft mijns inziens dus terecht geoordeeld dat de Commissie rekening kon houden met het doel van afschrikking bedoeld in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, in het kader van de beoordeling van het maximum van de op verzoekster toepasselijke geldboete.
76. Gelet op het bovenstaande, dient het tweede argument van verzoekster naar mijn mening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond te worden verklaard.
77. Derhalve geef ik het Hof in overweging het eerste middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond te verklaren.
B – Het tweede middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
78. Uit lezing van de hogere voorziening blijkt dat verzoekster drie argumenten aanvoert tot staving van dit middel.
79. Alvorens de gegrondheid ervan te onderzoeken, breng ik in herinnering dat het beginsel van gelijke behandeling een algemeen rechtsbeginsel is dat de Commissie dient te eerbiedigen in het kader van een procedure krachtens artikel 81 EG.
80. Volgens vaste rechtspraak, waarnaar het Gerecht correct heeft verwezen in punt 60 van het bestreden arrest, verzet dit beginsel zich ertegen dat vergelijkbare situaties verschillend of verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.(28)
81. In de eerste plaats stelt verzoekster dat het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door te overwegen dat de Commissie haar anders kon behandelen dan de ondernemingen SNCZ en Union Pigments, die eveneens aan het kartel hebben deelgenomen.
82. Mijns inziens is dit argument ongegrond.
83. Uit het bestreden arrest blijkt namelijk duidelijk dat deze ondernemingen, toen de Commissie de litigieuze beschikking vaststelde, anders dan verzoekster nog een commerciële activiteit uitoefenden op de zinkfosfaatmarkt. Op basis van hun omzet in het boekjaar dat voorafging aan die beschikking kon de Commissie dus de financiële middelen van die ondernemingen beoordelen en hun economische omvang bepalen, hetgeen niet het geval was bij Britannia.
84. Dit is voldoende voor de vaststelling dat verzoekster zich daadwerkelijk in een andere situatie bevond dan SNCZ en Union Pigments.
85. In deze omstandigheden heeft het Gerecht mijns inziens terecht geoordeeld dat de Commissie verzoekster anders kon behandelen dan die ondernemingen.
86. Voorts heeft de gemeenschapsrechter erkend dat in het kader van de berekening van de krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 opgelegde geldboeten een zekere gedifferentieerde behandeling van de in een beschikking van de Commissie bedoelde ondernemingen inherent is aan de toepassing van de in de richtsnoeren gekozen methode.(29) Op basis van de richtsnoeren kan de sanctie namelijk door de Commissie worden geïndividualiseerd naar gelang van de gedragingen en de specifieke kenmerken van de ondernemingen, ter waarborging van de doeltreffendheid van de communautaire mededingingsregels.
87. Mijns inziens kan dit argument dus ongegrond worden verklaard.
88. In de tweede plaats stelt verzoekster dat het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie haar anders kon behandelen dan ondernemingen als Anic SpA, DSM en UCAR International Inc., waarop eerdere beschikkingen van de Commissie betrekking hebben.(30) Volgens verzoekster heeft het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest namelijk ten onrechte geoordeeld dat haar situatie niet vergelijkbaar was met die van deze ondernemingen.
89. Verzoekster voegt hieraan toe dat de Commissie voor de berekening van de bovengrens van de geldboete steeds is uitgegaan van het voorafgaande boekjaar, los van de vraag of de tot het kartel behorende activiteiten waren overgedragen en of de tijdens dat boekjaar behaalde omzet was gedaald ten opzichte van de vóór de overdracht van haar activiteiten behaalde omzet. Zo heeft de Commissie in haar beschikking „grafietelektroden” het maximumbedrag van de toepasselijke geldboete vastgesteld op basis van de door UCAR International Inc. tijdens haar voorafgaande boekjaar behaalde omzet, te weten 841 miljoen EUR, hoewel deze omzet veel lager was dan die welke zij in het laatste jaar van de inbreuk had behaald, te weten 1 022 miljoen EUR.
90. Volgens de Commissie is dit argument niet-ontvankelijk omdat het afhangt van een louter feitelijke beoordeling, die door het Hof in hogere voorziening niet opnieuw kan worden onderzocht.(31)
91. Ik ben het niet eens met die analyse. Ook al is het Gerecht inderdaad bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen en te beoordelen, volgens vaste rechtspraak is het Hof bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden.(32)
92. Met dit argument verzoekt Britannia het Hof, toezicht uit te oefenen op de rechtsgevolgen die het Gerecht heeft kunnen verbinden aan de feiten die zijn vastgesteld in de door haar genoemde beschikkingen, op het punt van de vergelijkbaarheid van de situaties tussen de ondernemingen en de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling.
93. Voor zover verzoekster geen onjuiste opvatting van door het Gerecht vastgestelde feiten aanvoert, staat het derhalve aan het Hof te beoordelen of het Gerecht correct heeft kunnen oordelen dat de situatie van Britannia niet vergelijkbaar was met die van de ondernemingen Anic SpA en DSM, en dat zij dus niet kon eisen dat zij uit hoofde van het beginsel van gelijke behandeling op dezelfde manier zou worden behandeld.
94. Anders dan de Commissie geef ik het Hof dus in overweging dit argument ontvankelijk te verklaren.
95. Zoals gezegd, heeft het Gerecht volgens verzoekster blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 61 van het bestreden arrest te oordelen dat haar situatie niet vergelijkbaar was met die van de genoemde ondernemingen.
96. Lezing van dit punt 61 volstaat alleen al om te zien dat dit argument ongegrond is. Punt 61 luidt als volgt:
„Het eerste argument van verzoekster, volgens hetwelk de Commissie van haar vroegere praktijk is afgeweken, is ongegrond. Zij bevindt zich immers niet in een situatie die vergelijkbaar is met die van de [in de beschikkingen „polypropyleen” en „PVC” bedoelde] ondernemingen, aangezien zij geen omzet had behaald in het aan de bestreden beschikking voorafgaande boekjaar. Bijgevolg kan zij niet eisen dat zij op dezelfde manier wordt behandeld als de ondernemingen in vroegere zaken.”
97. De motivering van het Gerecht maakt de redenen voor de afwijzing van verzoeksters argument begrijpelijk.(33) Zoals het Gerecht heeft verklaard, beschikte verzoekster niet over een omzet in het laatste jaar dat voorafging aan de vaststelling van de litigieuze beschikking. Dit is een beslissende factor die mijns inziens het Gerecht kon doen overwegen dat verzoekster zich wel degelijk in een andere situatie bevond dan de ondernemingen Anic SpA en DSM. In deze omstandigheden heeft het Gerecht naar mijn mening terecht geoordeeld dat de Commissie Britannia anders kon behandelen dan die ondernemingen.
98. Op de eventuele inzichten die de beschikkingen „polypropyleen”, „PVC” en „grafietelektroden” kunnen opleveren, kan mijns inziens hoe dan ook om twee redenen geen beroep worden gedaan in het kader van het onderhavige geding.
99. Enerzijds volgt uit vaste rechtspraak, waaraan het Hof in zijn arrest JCB Service/Commissie, reeds aangehaald, heeft herinnerd dat „de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie niet als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken fungeert, en dat beschikkingen in andere zaken een indicatieve waarde hebben wat het al dan niet bestaan van discriminaties betreft”.(34) Zoals het Hof preciseert, kunnen de elementen die aan deze praktijk zijn ontleend namelijk „slechts indicatief [...] zijn, aangezien de omstandigheden in de verschillende zaken, zoals de betrokken markten, producten, landen, ondernemingen en periodes, niet dezelfde zijn”.(35) Bovendien zijn de beschikkingen „polypropyleen” en „PVC”, waarnaar verzoekster verwijst, vastgesteld toen de richtsnoeren nog niet waren gepubliceerd.
100. Anderzijds heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet hoeft te verhinderen dit niveau binnen de in verordening nr. 17 getrokken grenzen te verhogen, indien dat noodzakelijk is om de doeltreffendheid van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren.(36) In deze omstandigheden kan een onderneming die betrokken is bij een administratieve procedure uit hoofde van artikel 81 EG, mijns inziens niet het gewettigd vertrouwen koesteren dat de Commissie haar op dezelfde manier zal behandelen als een onderneming die zich in een vergelijkbare situatie bevindt.
101. In deze omstandigheden geef ik het Hof in overweging dit argument ongegrond te verklaren.
102. In de derde plaats verwijt verzoekster het Gerecht dat het in punt 63 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat indien de Commissie niet was uitgegaan van de in een vroeger boekjaar behaalde omzet, er sprake zou zijn geweest van ongerechtvaardigde discriminatie in het voordeel van verzoekster in vergelijking met Trident.
103. Dit argument treft kennelijk geen doel.
104. Voor de afwijzing van het tweede onderdeel, te weten schending van het beginsel van gelijke behandeling, baseert het bestreden arrest zich uitsluitend op het feit dat verzoekster zich in een andere situatie bevond dan de ondernemingen die lid waren van het kartel, namelijk Union Pigments en SNCZ, en de ondernemingen die aanleiding hebben gegeven tot een eerdere procedure van de Commissie, namelijk Anic SpA en DSM.
105. De constatering van het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest is mijns inziens op dit punt niet van belang.
106. Omdat het hier naar mijn mening om een overweging ten overvloede gaat, kan de kritiek van verzoekster op deze constatering niet tot vernietiging van het bestreden arrest leiden en is zij derhalve niet ter zake dienend.(37)
107. In deze omstandigheden geef ik het Hof in overweging dit tweede middel in zijn geheel ongegrond te verklaren.
C – Het derde middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel
108. Verzoekster stelt dat het Gerecht het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uit te gaan van een ander boekjaar dan het aan de vaststelling van de litigieuze beschikking voorafgaande boekjaar voor de vaststelling van de bovengrens van 10 % van de omzet.
109. Britannia wijst erop dat dit beginsel is neergelegd in artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”). Verzoekster stelt dat dit beginsel eveneens is erkend in de artikelen 11 van de Universele verklaring van de rechten van de mens en 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, afgekondigd te Nice op 7 december 2000.(38)
110. Britannia beklemtoont dat het bij verordening nr. 17 ingevoerde stelsel van geldboeten een „strafrechtelijk karakter”(39) heeft, waarop artikel 7, lid 1, van het EVRM van toepassing is, en dat er in dit verband een algemeen rechtsbeginsel bestaat volgens hetwelk de bepalingen inzake strafbare feiten en straffen niet aldus mogen worden uitgelegd dat zij ten nadele van de verdachte worden uitgebreid.(40)
111. Voorts heeft het Gerecht geoordeeld dat „de sancties die wegens inbreuk op de mededingingsregels aan een onderneming worden opgelegd, overeenstemmen met die welke ten tijde van de inbreuk waren bepaald”.(41) Ook heeft het Gerecht overwogen dat „[d]e Commissie [...] niet bevoegd [is] verordening nr. 17 te wijzigen of hiervan af te wijken, al was het maar door middel van algemene regels die zij zichzelf oplegt”.(42)
112. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel in het bijzonder een dwingend vereiste is in het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben.(43)
113. Dientengevolge stelt verzoekster dat de Commissie de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 vastgestelde grenzen niet mocht overschrijden. Gelet op de duidelijke tekst van deze bepaling, was volgens haar niet te voorzien dat de Commissie zou uitgaan van een ander boekjaar dan het voorafgaande boekjaar. Op grond van het rechtszekerheidsbeginsel moest de Commissie juist een geldboete tussen 1 000 EUR en 1 miljoen EUR opleggen, overeenkomstig het eerste deel van die bepaling.
114. Volgens Britannia heeft het Gerecht een situatie in het leven geroepen waarin de ondernemingen onmogelijk het relevante referentiejaar voor de berekening van de toepasselijke maximumgrens kunnen bepalen, en dus een duidelijk en nauwkeurig maximumbedrag van de geldboete die hun kan worden opgelegd.(44)
115. Verzoekster wijst er namelijk op dat de beoordeling van het bestaan van een „normale economische activiteit” van de onderneming subjectief is en dat het zeer onduidelijk is wanneer sprake is van „uitzonderlijke omstandigheden”. Zij stelt dat de Commissie niet bevoegd is aan de hand van dergelijke criteria willekeurig het referentiejaar te kiezen.
116. Volgens de Commissie moet dit middel worden afgewezen omdat het slechts de door Britannia in het eerste middel aangevoerde argumenten herformuleert.
117. De Commissie stelt dat hoe dan ook de uitlegging van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 volkomen voorzienbaar was, want het in deze bepaling vastgestelde maximum is van toepassing op de omzet van het voorafgaande boekjaar en verzoekster beschikte niet over een dergelijke omzet. De Commissie beklemtoont dat het beginsel van voorzienbaarheid van geldboeten betekent dat de ondernemingen de consequenties van hun handelingen moeten kunnen beoordelen alvorens ze te plegen. In casu was er geen groot verschil tussen de omzet van Britannia op de datum waarop zij besloot de inbreuk te plegen en die welke is gehanteerd voor de berekening van het maximumbedrag van de geldboete (55,7 miljoen EUR voor het boekjaar dat op 30 juni 1996 is geëindigd). Volgens de Commissie kon verzoekster dus op het moment van de inbreuk het bedrag beoordelen van de geldboete die zij zou moeten betalen bij ontdekking en bestraffing van de inbreuk. Voorts merkt de Commissie op dat de specifieke situatie van Britannia, te weten een voortgezet juridisch bestaan zonder omzet, een bijzonder probleem oplevert waarvan verzoekster niet onkundig kon zijn. In haar antwoord op de aan haar gezonden mededeling van punten van bezwaar is verzoekster daarop evenwel niet ingegaan.
118. Mijns inziens is dit middel ongegrond.
119. De argumenten van Britannia zijn naar mijn mening namelijk een herformulering van die welke zij reeds tot staving van het eerste middel heeft aangevoerd, te weten schending van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17. Daar ik die ongegrond acht, zijn de door verzoekster voor dit derde middel aangevoerde argumenten mijns inziens eveneens ongegrond.
120. Voor het geval het Hof anders zou oordelen, onderzoek ik deze argumenten evenwel volledigheidshalve.
121. Britannia stelt in wezen dat de door de Commissie in het kader van de toepassing van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 gehanteerde berekeningsmethode niet voorzienbaar was toen de inbreuk werd gepleegd.
122. Alvorens de gegrondheid van dit argument te onderzoeken, breng ik de uit het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiende eisen in herinnering.
123. Dit beginsel is een uitvloeisel van het legaliteitsbeginsel en vormt een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht. Zoals het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest heeft verklaard, vereist dit beginsel „dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en strekt [het] ertoe te waarborgen dat door het gemeenschapsrecht beheerste rechtssituaties en ‑betrekkingen voorzienbaar zijn”.(45) Volgens vaste rechtspraak is „[d]ie rechtszekerheid [...] in het bijzonder een dwingend vereiste in het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben”.(46)
124. Zoals verzoekster heeft verklaard, is dit beginsel neergelegd in artikel 7, lid 1, EVRM en artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat, zoals gezegd, geen bindende rechtskracht heeft.(47)
125. Artikel 7, lid 1, EVRM, dat de tekst van artikel 11, lid 2, van de Universele verklaring van de rechten van de mens heeft overgenomen, luidt als volgt:
„Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.”
126. Ik wijs erop dat de gemeenschapsrechter niet bevoegd is om de regelmatigheid van de door de Commissie gebruikte berekeningsmethode te toetsen aan artikel 7, lid 1, EVRM, nu de bepalingen ervan niet als zodanig deel uitmaken van het gemeenschapsrecht.(48)
127. Het Hof heeft evenwel herhaaldelijk geoordeeld dat de grondrechten integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof moet verzekeren.(49) In het kader van deze taak laat het Hof zich niet alleen leiden door de constitutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn, maar ook door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten.(50) Aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe.(51)
128. Gelet op de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens en van de gemeenschapsrechter moet een norm die een sanctie oplegt – een strafrechtelijke norm of een administratief instrument dat een administratieve sanctie oplegt – een aantal kenmerken bezitten.
129. In de eerste plaats moet elke rechtsregel, in het bijzonder wanneer hij sancties oplegt of kan opleggen, berusten op een duidelijke en eenduidige rechtsgrondslag.(52)
130. Vervolgens moet deze norm duidelijk en nauwkeurig zijn.(53)
131. De gemeenschapsrechter is namelijk van mening dat de door de betrokken regeling geraakte personen ondubbelzinnig de rechten en verplichtingen moeten kunnen kennen die daaruit voortvloeien opdat zij dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen.(54) Volgens het Hof is dit vereiste niet enkel van toepassing op de regels waarbij de bestanddelen van een inbreuk worden vastgesteld, maar ook op de regels waarbij de gevolgen van een inbreuk op de rechtsregels worden vastgesteld.(55) De wet moet een duidelijke omschrijving geven van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen.
132. Voor het Europese Hof voor de rechten van de mens wordt de duidelijkheid van de wet niet alleen aan de hand van de tekst van de desbetreffende bepaling beoordeeld, maar ook aan de hand van de door een bestaande en gepubliceerde rechtspraak aangebrachte preciseringen.(56)
133. Ten slotte moet deze regeling toegankelijk en voorzienbaar zijn.(57)
134. Het Europese Hof voor de rechten van de mens is van mening dat de betrokken persoon in staat moet zijn in een mate die in de gegeven omstandigheden redelijk is de gevolgen van een bepaalde handeling te voorzien.(58)
135. De voorzienbaarheid van de wet belet niet dat deze persoon deskundig advies moet inwinnen om dergelijke gevolgen te kunnen beoordelen.(59) Evenmin belet zij dat de wet de administratieve autoriteit een beoordelingsbevoegdheid toekent. In dat geval impliceert de voorzienbaarheid dat de strekking en de wijze van uitoefening van deze bevoegdheid, gelet op het betrokken rechtmatige doel, voldoende duidelijk zijn omschreven om het individu naar behoren tegen willekeur te beschermen.(60)
136. Voorts vereist artikel 7, lid 1, EVRM niet dat de betrokken bepaling zo nauwkeurig is geformuleerd, dat de mogelijke gevolgen van een inbreuk daarop met absolute zekerheid voorzienbaar zijn.(61) Volgens het Europese Hof voor de rechten van de mens moet een al te strakke regeling worden voorkomen om de administratie in staat te stellen zich aan de wijzigende situaties aan te passen. Daardoor is individualisering van de toepasselijke sanctie mogelijk. Hoewel het legaliteitsbeginsel een strikte en objectieve kwalificatie van de handeling vereist, verlangt het beginsel van het persoonlijke karakter van sancties namelijk dat de keuze van de sanctie wordt aangepast aan de specifieke omstandigheden van elke persoon.
137. Deze kenmerken, te weten duidelijke rechtsregels, voorzienbaarheid van de sancties en individualisering daarvan, zijn allemaal noodzakelijke waarborgen voor de doeltreffendheid van het door de communautaire wetgever gevoerde beleid.
138. Na op deze aspecten te hebben gewezen, zal ik nagaan of de door de Commissie gehanteerde berekeningsmethode in het onderhavige geding in redelijkheid voorzienbaar was.
139. Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 73 van het bestreden arrest overwogen dat verzoekster volkomen kon voorzien dat haar een geldboete zou worden opgelegd, aangezien de door haar gepleegde inbreuk op de mededingingsregels evident was. Het Gerecht heeft ook geoordeeld dat het voorzienbaar was dat het bedrag van die geldboete niet alleen zou afhangen van de zwaarte en de duur van de inbreuk, maar ook van de specifieke omstandigheden van de onderneming.
140. Ik ben het volkomen eens met deze analyse, om de volgende redenen.
141. Ten eerste geeft artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 de Commissie weliswaar een ruime beoordelingsmarge, maar beperkt het mijns inziens de uitoefening daarvan door de invoering van objectieve criteria waaraan de Commissie zich moet houden. Door uit te gaan van de tekst van deze bepaling geldt dus een absolute en becijferbare bovengrens voor de mogelijke geldboete, die voor iedere inbreuk wordt afgestemd op de betrokken onderneming, zodat de maximumboete die aan een gegeven onderneming kan worden opgelegd, mijns inziens vooraf kan worden bepaald.
142. Ten tweede wordt de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie beperkt door de gedragsregels die zij zichzelf heeft opgelegd in de richtsnoeren. Deze vormen weliswaar geen rechtsregel die de administratie hoe dan ook dient na te leven, maar de gemeenschapsrechter is ervan uitgegaan dat zij wel een gedragsregel voor de te volgen praktijk vormen, waarvan de Commissie niet mag afwijken zonder dat hieraan een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen als het gelijkheids‑, het vertrouwens‑ of het rechtszekerheidsbeginsel.(62)
143. Zoals het Hof in het eerdergenoemde arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie heeft geoordeeld, waarborgen de richtsnoeren de rechtszekerheid van de betrokken ondernemingen en stellen zij hen in staat de berekeningsmethoden te kennen die de Commissie gebruikt bij de uitvoering van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.(63) Terwijl de Commissie jarenlang bekritiseerd werd vanwege de ondoorzichtigheid waarvan zij blijk gaf bij de berekening van de geldboeten, heeft de publicatie van de richtsnoeren tot verhoging van de transparantie van haar besluiten geleid.(64)
144. Ten derde wijs ik erop dat het Hof en het Gerecht krachtens artikel 229 EG en artikel 17 van verordening nr. 17 volledige rechtsmacht hebben ter zake van beroepen tegen beschikkingen van de Commissie tot vaststelling van een geldboete. Niet alleen kunnen zij deze beschikkingen dus nietig verklaren, maar zij kunnen ook de opgelegde geldboete intrekken, verlagen of verhogen. De administratieve praktijk van de Commissie is aldus onderworpen aan volledige toetsing door de gemeenschapsrechter. De toetsing door de gemeenschapsrechter heeft het op dit punt mogelijk gemaakt, door middel van een vaste en gepubliceerde rechtspraak, de criteria en de berekeningsmethode die de Commissie moet toepassen bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten te verduidelijken. Zo heeft de gemeenschapsrechter gepreciseerd, in een vaste rechtspraak waarnaar verzoekster overigens verwijst, dat het begrip „voorafgaand boekjaar” in beginsel ziet op het laatste volledige boekjaar van elk van de betrokken ondernemingen op de datum van vaststelling van de bestreden beschikking.
145. Anders dan Britannia stelt, beschikt de Commissie mijns inziens niet over een onbeperkte beoordelingsmarge waardoor zij „naar willekeur” het boekjaar kan kiezen waarop zij de berekening van de bovengrens van de geldboete baseert.(65)
146. Gelet op het bovenstaande, kon verzoekster naar mijn mening in redelijkheid, zo nodig met de bijstand van een juridisch adviseur, de door de Commissie gehanteerde berekeningsmethode voorzien.
147. Ik wil daar in elk geval aan toevoegen dat de door de gemeenschapswetgever nagestreefde doelstellingen van bestraffing en afschrikking mijns inziens rechtvaardigen dat de ondernemingen niet van meet af aan het precieze bedrag van de geldboete die hun kan worden opgelegd, kunnen kennen, en wel om twee redenen.
148. Enerzijds lijkt het me belangrijk dat de ondernemingen niet de mogelijkheid moet worden geboden het voordeel in te schatten dat hun deelneming aan de inbreuk zou opleveren door het bedrag van een dergelijke geldboete in te calculeren.
149. Anderzijds moeten mijns inziens situaties worden voorkomen waarin de ondernemingen zouden trachten hun kapitaal verborgen te houden door ervan uit te gaan dat hun, bij gebreke van omzet, een lagere of zelfs geen geldboete zou worden opgelegd.
150. In het onderhavige geding kon het rechtszekerheidsbeginsel, zoals het Gerecht in het bestreden arrest correct heeft gesteld, verzoekster echter niet de waarborg verschaffen dat zij door het staken van haar commerciële activiteiten aan een geldboete zou ontsnappen.
151. Gelet op het voorgaande, vormt het feit dat Britannia niet van meet af aan en met „absolute zekerheid” op de hoogte kon zijn van het relevante referentiejaar voor de berekening van het toepasselijke maximum en dus van de maximumboete die haar kon worden opgelegd, mijns inziens dus geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
152. Ik geef het Hof derhalve in overweging het derde middel ongegrond te verklaren.
D – Het vierde middel: motiveringsgebrek van het bestreden arrest
153. Verzoekster stelt dat het bestreden arrest niet heeft geantwoord op haar argument inzake een ongelijke behandeling ten opzichte van Karageorgis, een van de in beschikking 1999/271/EG van de Commissie bedoelde ondernemingen.(66) Zij heeft dit argument uitdrukkelijk aangevoerd voor het Gerecht, dat het overigens in punt 55 van het bestreden arrest heeft omschreven.
154. Britannia merkt op dat Karageorgis in de beschikking „Griekse veerdienstmaatschappen” zich vóór de vaststelling van de betrokken beschikking door de Commissie uit de markt heeft teruggetrokken. Omdat de omzet van deze onderneming inzake het voorafgaande boekjaar niet beschikbaar was, heeft de Commissie zich op het eerste deel van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 beroepen om haar een geldboete van 1 miljoen EUR op te leggen. Volgens verzoekster lijkt haar situatie in de onderhavige zaak zeer veel op die van de genoemde onderneming. Ze is derhalve van mening dat zij zich niet in een minder gunstige situatie dan Karageorgis mag bevinden en dat zij hoe dan ook dezelfde behandeling moet krijgen.
155. Het door Britannia aangevoerde middel heeft betrekking op het formele motiveringsvereiste. Het beoogt een sanctie te verbinden aan een motiveringsgebrek van het bestreden arrest. Dit middel is ontvankelijk voor zover, volgens vaste rechtspraak, de vraag of het Gerecht heeft geantwoord op de middelen van partijen en zijn arrest regelmatig heeft gemotiveerd, een rechtsvraag is die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden aangevoerd.(67)
156. Ik breng om te beginnen in herinnering dat krachtens artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie, dat ingevolge artikel 53 van dit Statuut van toepassing is op het Gerecht „[d]e arresten [...] met redenen [zijn] omkleed”.
157. Volgens het Hof moet de motivering van een arrest de redenering van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de gegeven beslissing kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen.(68) Wanneer het een beroep gebaseerd op artikel 230 EG betreft, impliceert het motiveringsvereiste uiteraard dat het Gerecht de door de verzoeker aangevoerde middelen tot nietigverklaring onderzoekt en de redenen uiteenzet die leiden tot afwijzing van het middel of tot nietigverklaring van de bestreden handeling. In het kader van met name de uitvoering van artikel 81 EG en artikel 15 van verordening nr. 17, is het Hof van oordeel dat het aan hem staat na te gaan of het Gerecht rechtens genoegzaam antwoord heeft gegeven op alle argumenten die de verzoeker heeft aangevoerd met het oog op opheffing of verlaging van de geldboete.(69)
158. Aan deze verplichting tot het geven van antwoord op de aangevoerde middelen heeft het Hof evenwel grenzen gesteld in het arrest van 6 maart 2001, Connolly/Commissie.(70) Het Hof heeft overwogen dat de motivering van een arrest moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval(71) en niet kan inhouden dat het Gerecht „op elk argument van rekwirant in detail moet antwoorden, met name wanneer het argument niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is en niet wordt gestaafd door een omstandig bewijs”.(72)
159. Na op deze aspecten te hebben gewezen, zal ik onderzoeken of het Gerecht niet heeft geantwoord op het betrokken argument van verzoekster en, zo ja, of het gehouden was op dit argument te antwoorden.
160. In eerste aanleg heeft verzoekster aangevoerd dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling had geschonden door haar anders te behandelen dan enerzijds de in de beschikkingen „polypropyleen” en „PVC” bedoelde ondernemingen en anderzijds de in de beschikking „Griekse veerdienstmaatschappijen” bedoelde onderneming Karageorgis. Britannia heeft de Commissie eveneens verweten dat zij haar anders heeft behandeld dan de ondernemingen SNCZ en Union Pigments, die ook aan het kartel hadden deelgenomen.
161. Het Gerecht heeft de door verzoekster aangevoerde argumenten omschreven in de punten 54 tot en met 56 van het bestreden arrest. Terwijl punt 54 van dit arrest een samenvatting geeft van de argumenten op basis van de beschikkingen „polypropyleen” en „PVC”, wordt in punt 55 de redenering van verzoekster op basis van een analyse van de beschikking „Griekse veerdienstmaatschappijen” uiteengezet. Punt 56 geeft een samenvatting van de argumenten van Britannia inzake de wijze waarop de Commissie de ondernemingen SNCZ en Union Pigments heeft behandeld.
162. Het Gerecht heeft deze argumenten om de volgende redenen afgewezen:
„61 Het eerste argument van verzoekster, volgens hetwelk de Commissie van haar vroegere praktijk is afgeweken, is ongegrond. Zij bevindt zich immers niet in een situatie die vergelijkbaar is met die van de ondernemingen in de in punt 54 [van het bestreden arrest] vermelde zaken, aangezien zij geen omzet had behaald in het aan de bestreden beschikking voorafgaande boekjaar. Bijgevolg kan zij niet eisen dat zij op dezelfde manier wordt behandeld als de ondernemingen in vroegere zaken.
62 Het tweede argument van verzoekster, inzake een vermeende discriminatie tussen haarzelf enerzijds en SNCZ en Union Pigments anderzijds, moet eveneens worden afgewezen. [...] Daar een gebrek aan omzet een vertekend beeld geeft van de omvang van verzoekster, mocht de Commissie zich op een vroeger boekjaar baseren en verzoekster dus anders behandelen dan SNCZ en Union Pigments.
[...]
64 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het enige middel worden afgewezen.”
163. Bij lezing van het arrest van het Gerecht blijkt duidelijk dat geen antwoord is gegeven op het argument van verzoekster inzake een gestelde schending van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van de situatie van de onderneming Karageorgis. Dit argument is door Britannia echter uitdrukkelijk aangevoerd in de punten 3.3.3 tot en met 3.3.6 van haar in eerste aanleg ingestelde beroep en als zodanig door het Gerecht in punt 55 van het bestreden arrest omschreven.
164. Het is juist dat het Hof heeft overwogen dat het Gerecht niet verplicht is te antwoorden op argumenten die niet „voldoende duidelijk en nauwkeurig” zijn.(73)
165. In casu was het betrokken argument mijns inziens echter wel voldoende duidelijk en nauwkeurig, en had het Gerecht dus ter zake een standpunt moeten innemen.
166. In haar in eerste aanleg ingediende verzoekschrift heeft Britannia immers duidelijk uiteengezet waarom zij haar situatie vergelijkbaar achtte met die van de in de beschikking „Griekse veerdienstmaatschappijen” bedoelde onderneming Karageorgis.(74) Tot staving van haar argumentatie heeft zij voorts nauwkeurig de punten van die beschikking aangegeven waarin de Commissie haar methode voor de berekening van de bovengrens van de op de onderneming Karageorgis toepasselijke geldboete heeft uiteengezet.(75)
167. Derhalve ben ik van mening dat het Gerecht de krachtens de artikelen 36 en 53 van het Statuut voor het Hof van Justitie op haar rustende motiveringsplicht niet is nagekomen door geen antwoord te geven op het argument van verzoekster.
168. Ik geef het Hof daarom in overweging dit middel gegrond te verklaren en het bestreden arrest te vernietigen.
VI – Uitspraak ten gronde
169. Artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie bepaalt dat in geval van gegrondheid van de hogere voorziening, het Hof de beslissing van het Gerecht vernietigt. In dat geval kan het Hof de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.
170. In casu is het geding naar mijn mening in staat van wijzen op het punt waarvoor ik de vernietiging in overweging heb gegeven.(76) Ik geef het Hof derhalve in overweging de zaak aan zich te trekken en definitief uitspraak te doen over het door Britannia in eerste aanleg aangevoerde middel.
VII – Het beroep in eerste aanleg
171. Britannia verzoekt om nietigverklaring van de litigieuze beschikking en voert hiervoor een aantal middelen aan, waarvan een is gebaseerd op schending van het beginsel van gelijke behandeling.
172. In het kader van dit middel stelt verzoekster dat de Commissie dit beginsel niet heeft geëerbiedigd door haar anders te behandelen dan de in de beschikking „Griekse veerdienstmaatschappijen” bedoelde onderneming Karageorgis.
173. Britannia voert aan dat haar situatie namelijk vergelijkbaar was met die van die onderneming, voor zover zij zich allebei enkele jaren vóór de vaststelling van de bestreden beschikking door de Commissie uit de markt hebben teruggetrokken. In de beschikking „Griekse veerdienstmaatschappijen” heeft de Commissie echter, na de constatering dat zij geen informatie had over de omzet van de onderneming Karageorgis over het aan de vaststelling van de beschikking voorafgaande boekjaar, deze onderneming overeenkomstig artikel 19, lid 2, van verordening (EEG) nr. 4056/86(77) een geldboete van 1 miljoen ECU(78) opgelegd.
174. Door de bovengrens van de op verzoekster toepasselijke geldboete te berekenen op basis van een ander boekjaar dan het aan de vaststelling van de litigieuze beschikking voorafgaande boekjaar, is de Commissie dus afgeweken van haar vroegere praktijk en heeft zij in het onderhavige geding het beginsel van gelijke behandeling geschonden.
175. Mijns inziens is dit middel ongegrond.
176. Ik ben namelijk van mening dat de elementen die aan de beschikking „Griekse veerdienstmaatschappijen” kunnen worden ontleend, in casu niet kunnen worden ingeroepen, om de redenen die ik reeds in de punten 99 en 100 van deze conclusie heb uiteengezet.
177. Hoewel de situatie van de onderneming Karageorgis zeer veel lijkt op die van Britannia(79), kan volgens vaste rechtspraak de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie niet als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken fungeren. Het Hof heeft namelijk herhaaldelijk geoordeeld dat beschikkingen in andere zaken slechts een indicatieve waarde hebben wat het al dan niet bestaan van discriminaties betreft, aangezien de omstandigheden in de verschillende zaken, zoals de betrokken markten, producten, landen, ondernemingen en periodes, niet dezelfde zijn. Dat nu is het geval bij de door verzoekster genoemde zaak.
178. Voorts heeft het Hof ook geoordeeld dat de Commissie niet gebonden is aan het niveau van de in het verleden voor verschillende soorten inbreuken opgelegde geldboeten en dit niveau kan verhogen binnen de in verordening nr. 17 getrokken grenzen, indien dat noodzakelijk is om de doeltreffendheid van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren.(80) Op dit punt heeft het Hof verklaard dat ondernemingen die betrokken zijn bij een administratieve procedure waarin geldboeten kunnen worden opgelegd, geen gewettigd vertrouwen kunnen hebben in het feit dat de Commissie het vroeger gehanteerde niveau van de geldboeten niet zal overschrijden, noch in een methode van berekening van de geldboeten.(81) Volgens het Hof moeten die ondernemingen „rekening houden met de mogelijkheid dat de Commissie steeds kan beslissen om het niveau van de geldboeten te verhogen in vergelijking met dat hetwelk in het verleden werd gehanteerd”.(82)
179. In die omstandigheden kon een onderneming als Britannia, die betrokken was bij een administratieve procedure uit hoofde van artikel 81 EG, mijns inziens geen gewettigd vertrouwen hebben in het feit dat de Commissie haar op dezelfde wijze zou behandelen als de in een vroegere beschikking bedoelde onderneming Karageorgis.
180. Gelet op het voorgaande, heeft de Commissie het beginsel van gelijke behandeling naar mijn mening niet geschonden.
181. Derhalve geef ik het Hof in overweging dit middel tot nietigverklaring af te wijzen.
VIII – Kosten
182. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in casu op de wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld, dient zij mijns inziens overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten van de procedure in hogere voorziening.
183. Volgens artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof voorts ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet. In casu is bij onderzoek van het door verzoekster in eerste aanleg aangevoerde middel inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van de behandeling van de onderneming Karageorgis (bedoeld in de beschikking „Griekse veerdienstmaatschappijen”) niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking kunnen leiden. Ik zie derhalve geen redenen om het dictum van het bestreden arrest te wijzigen.
184. In deze omstandigheden dient verzoekster te worden verwezen in de kosten, zowel die van de onderhavige procedure als die van de procedure voor het Gerecht.
IX – Conclusie
185. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof dus in overweging vast te stellen:
„1) Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 29 november 2005, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie (T‑33/02), wordt vernietigd voor zover het het argument inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling van de vennootschap Britannia Alloys & Chemicals Ltd en de onderneming Karageorgis, bedoeld in beschikking 1999/271/EG van de Commissie van 9 december 1998 inzake een procedure op grond van artikel [81] van het EG-Verdrag (IV/34.466 – Griekse veerdienstmaatschappijen), niet heeft onderzocht.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) Het beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, strekkend tot nietigverklaring van beschikking 2003/437/EG van de Commissie van 11 december 2001 betreffende een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en van artikel 53 van de EER-Overeenkomst – Zaak COMP/E‑1/37.027 – Zinkfosfaat, wordt verworpen.
4) Britannia Alloys & Chemicals Ltd wordt verwezen in de kosten, zowel die van de onderhavige procedure als die van de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – T‑33/02, Jurispr. blz. II‑4973.
3 – Beschikking van 11 december 2001 betreffende een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst – Zaak COMP/E‑1/37.027 – Zinkfosfaat (PB 2003, L 153, blz. 1; hierna: „litigieuze beschikking”).
4 – Verordening van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1216/1999 van de Raad van 10 juni 1999 (PB L 148, blz. 5; hierna: „verordening nr. 17”). Ik wijs erop dat deze verordening is vervangen door verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
5 – Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”).
6 – PB C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking”.
7 – Punten 311 en 313 van de litigieuze beschikking.
8 – Punt 345 en voetnoot 196 van de litigieuze beschikking.
9 – Punt 50 van deze beschikking.
10 – Punt 366 van de litigieuze beschikking.
11 – Punt 370 van deze beschikking.
12 – Zie met name arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punten 47‑49).
13 – Zie met name arresten van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 23); 29 april 2004, Parlement/Ripa di Meana e.a. (C‑470/00 P, Jurispr. blz. I‑4167, punt 41), en 6 april 2006, General Motors/Commissie (C‑551/03 P, Jurispr. blz. I‑3173, punt 51).
14 – Zie met name arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punten 244 en 245 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
15 – Arrest van 29 juni 2006, SGL Carbon/Commissie (C‑308/04 P, Jurispr. blz. I‑5977, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
16 – Arrest van 21 september 2006, JCB Service/Commissie (C‑167/04 P, Jurispr. blz. I‑00000, punten 207 en 208 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
17 – Verzoekster verwijst naar het arrest van het Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie (T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punt 5009).
18 – Zie dienaangaande arrest van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco (C‑491/01, Jurispr. blz. I‑11453, punt 203 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 – C‑291/98 P, Jurispr. blz. I‑9991, punt 85.
20 – Het Gerecht verwijst naar het arrest Hof van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie (100/80–103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 105), en het arrest Gerecht van 9 juli 2003, Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie (T‑224/00, Jurispr. blz. II‑2597, punt 105).
21 – Het Hof heeft al vroeg in een arrest van 15 juli 1970, ACF Chemiefarma/Commissie (41/69, Jurispr. blz. 661), erkend dat de in artikel 15 van verordening nr. 17 voorziene sancties „ten doel hebben zowel ongeoorloofde gedragingen tegen te gaan als herhaling daarvan te voorkomen” (punt 173).
22 – Punt 42 van het bestreden arrest.
23 – Ik verwijs naar de in voetnoot 17 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak.
24 – Britannia verwijst met name naar het arrest van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie (T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, Jurispr. blz. II‑10), waarin het Hof heeft verklaard dat „de bovengrens met name de ondernemingen beoogt te beschermen tegen een buitensporige geldboete die hen economisch zou kunnen ruïneren. Logischerwijs is de bovengrens niet gerelateerd aan de periode van de gesanctioneerde inbreuken, die een aantal jaren vóór de datum van oplegging van de geldboete kan liggen, maar aan een periode die dichter aansluit bij deze datum” (punt 389).
25 – Punten 281 en 282.
26 – Arrest SGL Carbon/Commissie, reeds aangehaald (punten 46 en 47).
27 – Zie met name de tiende overweging van de considerans van verordening nr. 17, waarin wordt verklaard dat „de nakoming van de artikelen [81 EG] en [82 EG] en van de bij deze verordening aan ondernemingen en ondernemersverenigingen opgelegde verplichtingen door middel van geldboeten en dwangsommen verzekerd moet kunnen worden”.
28 – Zie met name arrest Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, reeds aangehaald (punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 – Zie dienaangaande arrest van 20 maart 2002, LR af 1998/Commissie (T‑23/99, Jurispr. blz. II‑1705, punt 285).
30 – Zie respectievelijk beschikkingen 86/398/EEG van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel [81 van het EG-Verdrag] (IV/31.149 – Polypropyleen) (PB L 230, blz. 1; hierna „beschikking ‚polypropyleen’”); 94/599/EG van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel [81] van het EG-Verdrag (IV/31 865 – PVC) (PB L 239, blz. 14; hierna: „beschikking ‚PVC’”), en 2002/271/EG van de Commissie van 18 juli 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst – Zaak COMP/E‑1/36.490 – Grafietelektroden (PB 2002, L 100, blz. 1; hierna: „beschikking ‚grafietelektroden’”).
31 – Punt 48 van de memorie van antwoord.
32 – Zie de in voetnoot 13 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak.
33 – Volgens vaste rechtspraak „[verplicht] [d]e motiveringsplicht het Gerecht [...] niet om een uiteenzetting te geven die getrouw en één voor één alle argumenten van de partijen volgt. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom de betrokken maatregelen zijn getroffen en de bevoegde rechter over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen” (arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 372 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 – Punt 205. Zie ook arrest Gerecht van 18 juli 2005, Scandinavian Airlines System/Commissie (T‑241/01, Jurispr. blz. II‑2917, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 – Zie punt 201 van arrest JCB Service/Commissie, reeds aangehaald.
36 – Arrest van 2 oktober 2003, Aristrain/Commissie (C‑196/99 P, Jurispr. blz. I‑11005, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 – Zie met name arresten van 7 november 2002, Hirschfeldt/AEE (C‑184/01 P, Jurispr. blz. I‑10173, punt 48), en 8 mei 2003, T. Port/Commissie (C‑122/01 P, Jurispr. blz. I‑4261, punt 17), en, wat de recente rechtspraak betreft, beschikking van 12 december 2006, Autosalone Ispra/Commissie (C‑129/06 P, Jurispr. blz. I‑00000, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 – PB C 364, blz. 1. Dit Handvest is opgenomen in deel II van het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa, dat nog niet in werking is getreden (PB 2004, C 310, blz. 41).
39 – Verzoekster verwijst naar bladzijde 885 van de conclusie van rechter Vesterdorf, aangewezen als advocaat-generaal in de zaak Rhône‑Poulenc/Commissie (arrest Gerecht van 24 oktober 1991, T‑1/89, Jurispr. blz. II‑867).
40 – Verzoekster verwijst naar het arrest van 12 december 1996, X (C‑74/95 en C‑129/95, Jurispr. blz. I‑6609, punt 25), en naar een arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM, arrest EK v. Turkije van 7 februari 2002, §§ 51 en 55).
41 – Arrest LR af 1998/Commissie, reed aangehaald (punt 221).
42 – Ibidem (punt 222).
43 – Verzoekster verwijst naar het arrest van 15 december 1987, Nederland/Commissie (326/85, Jurispr. blz. 5091, punt 24).
44 – Verzoekster verwijst naar het arrest van het Hof van 12 februari 2004, Slob (C‑236/02, Jurispr. blz. I‑1861), waarin wordt verklaard dat „[de rechtszekerheid] meer in het bijzonder [verlangt] dat een regeling als die welke thans aan de orde is, en op basis waarvan aan de betrokken marktdeelnemers lasten kunnen worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig is, opdat zij ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen”(punt 37).
45 – Het Gerecht verwijst naar arrest Hof van 15 februari 1996, Duff e.a. (C‑63/93, Jurispr. blz. I‑569, punt 20), en arrest Gerecht van 21 oktober 1997, Deutsche Bahn/Commissie (T‑229/94, Jurispr. blz. II‑1689, punt 113).
46 – Zie met name arrest van 26 oktober 2006, Koninklijke Coöperatie Cosun (C‑248/04, Jurispr. blz. I‑00000, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 – In een arrest van 15 januari 2003, Philip Morris International e.a./Commissie (T‑377/00, T‑379/00, T‑380/00, T‑260/01 en T‑272/01, Jurispr. blz. II‑1), heeft het Gerecht evenwel opgemerkt dat dit handvest „het belang in de communautaire rechtsorde bewijst van de rechten die het bevat” (punt 122).
48 – Zie met name arrest Gerecht van 20 februari 2001, Mannesmannröhren-Werke/Commissie (T‑112/98, Jurispr. blz. II‑729, punt 59).
49 – Zie dienaangaande arrest van 22 oktober 2002, Roquette Frères (C‑94/00, Jurispr. blz. I‑9011, punten 23 en 24). Ik wijs erop dat volgens artikel 6, lid 2, EU „[d]e Unie [...] de grondrechten [eerbiedigt], zoals die worden gewaarborgd door het [EVRM] en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht”.
50 – Advies 2/94 van 28 maart 1996 (Jurispr. blz. I‑1759, punt 33), en arrest van 29 mei 1997, Kremzow (C‑299/95, Jurispr. blz. 2629, punt 14).
51 – Arrest Kremzow, reeds aangehaald (punt 14).
52 – Zie met name arrest Koninklijke Coöperatie Cosun, reeds aangehaald (punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 – Zie EHRM., arrest Coëme en anderen v. België van 22 juni 2000, Recueil des arrêts et décisions 2000‑VII, § 145.
54 – Zie in die zin arresten van 9 juli 1981, Gondrand Frères en Garancini (169/80, Jurispr. blz. 1931, punt 17); 18 november 1987, Maizena e.a. (137/85, Jurispr. blz. 4587, punt 15); 13 februari 1996, Van Es Douane Agenten (C‑143/93, Jurispr. blz. I‑431, punt 27), en X, reeds aangehaald (punt 25).
55 – Zie in die zin arrest X, reeds aangehaald (punten 22 en 25).
56 – Zie met name EHRM, arrest G v. Frankrijk van 27 september 1995, serie A nr. 325‑B, § 25.
57 – Zie EHRM., arrest Baskaya en Okçuoglu v. Turkije van 8 juli 1999, Recueil des arrêts et décisions 1999‑IV, blz. 308, § 36.
58 – Zie EHRM, arresten Margareta en Roger Andersson v. Zweden van 25 februari 1992, serie A nr. 226‑A, § 75, en Cantoni v. Frankrijk van 15 november 1996, Recueil des arrêts et décisions 1996‑V, § 35. Het Hof heeft naar de laatstgenoemde rechtspraak verwezen in het arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, reeds aangehaald (punt 219).
59 – Arrest Cantoni v. Frankrijk, reeds aangehaald (§ 35).
60 – Zie met name EHRM., arresten Kruslin v. Frankrijk van 24 april 1990, serie A nr. 176‑A, §§ 27, 29 en 30, en Margareta en Roger Andersson v. Zweden, reeds aangehaald, § 75.
61 – Zie arrest Gerecht van 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie (T‑43/02, Jurispr. blz. I‑00000, punt 79).
62 – Zie reeds aangehaalde arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie (punten 209‑212), en JCB Service/Commissie (punten 207 en 208).
63 – Punt 213.
64 – Vermeldenswaardig is dat in de eerste dertig jaar waarin de Commissie verordening nr. 17 heeft uitgevoerd, haar optreden door geen duidelijke richtsnoeren werd geleid. Daardoor waren de door de Commissie gebruikte methoden tijdens de administratieve procedure ondoorzichtig, met als gevolg een groot aantal beroepen tot nietigverklaring, ingesteld door de ondernemingen waartegen de door haar vastgestelde beschikkingen waren gericht. In een arrest van 6 april 1995, Tréfilunion/Commissie (T‑148/89, Jurispr. blz. II‑1063), heeft het Gerecht verklaard dat „het wenselijk [was] dat de ondernemingen – teneinde met volledige kennis van zaken hun standpunt te kunnen bepalen – op een door de Commissie opportuun geachte wijze gedetailleerd kennis kunnen nemen van de wijze van berekening van de hun [door een beschikking wegens inbreuk op de mededingingsregels] opgelegde geldboete, zonder daarvoor [die beschikking] in rechte te moeten aanvechten” (punt 142).
65 – Ik verwijs naar de door verzoekster in punt 6.5 van de hogere voorziening gebruikte term.
66 – Beschikking van 9 december 1998 inzake een procedure op grond van artikel [81] van het EG-Verdrag (IV/34.466 – Griekse veerdienstmaatschappijen) (PB 1999, L 109, blz. 24; hierna: „beschikking Griekse veerdienstmaatschappijen”).
67 – Zie met name arrest van 7 mei 1998, Somaco/Commissie (C‑401/96 P, Jurispr. blz. I‑2587, punt 53 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 – Zie in die zin arresten van 14 mei 1998, Raad/De Nil en Impens (C‑259/96 P, Jurispr. blz. I‑2915, punten 32‑34), en 17 mei 2001, IECC/Commissie (C‑449/98 P, Jurispr. blz. I‑3875, punt 70), alsmede beschikkingen van 19 juli 1995, Commissie/Atlantic Container Line e.a. [C‑149/95 P(R), Jurispr. blz. I‑2165, punt 58]; 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie [C‑268/96 P(R), Jurispr. blz. I‑4971, punt 52], en 25 juni 1998, Nederlandse Antillen/Raad [C‑159/98 P(R), Jurispr. blz. I‑4147, punt 70].
69 – Zie de in voetnoot 14 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak.
70 – C‑274/99 P, Jurispr. blz. I‑1611.
71 – Ibidem (punt 120).
72 – Ibidem (punt 121). Zie ook arrest van 11 september 2003, België/Commissie (C‑197/99 P, Jurispr. blz. I‑8461, punt 81).
73 – Zie punt 158 van deze conclusie.
74 – Punt 3.3.6 van het beroep.
75 – Punt 3.3.4 van het beroep.
76 – Zie punten 153‑168 van deze conclusie.
77 – Verordening (EEG) van de Raad van 22 december 1986 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag op het zeevervoer (PB L 378, blz. 4), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1/2003. De tekst van artikel 19, lid 2, van deze verordening is identiek aan die van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.
78 – Punt 167 van de beschikking „Griekse veerdienstmaatschappijen”, waarnaar de verzoekende partij in punt 3.3.4 van haar beroep verwijst.
79 – Uit de beschikking „Griekse veerdienstmaatschappijen” van 9 december 1998 blijkt dat Karageorgis haar activiteiten had beëindigd in januari 1993, dus bijna zes jaar voor de vaststelling van de bestreden beschikking, en al haar Griekse filialen had gesloten. De Commissie had geen informatie over de omzet van deze onderneming over 1997 (punt 167 van de beschikking).
80 – Arrest Aristrain/Commissie, reeds aangehaald (punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81 – Arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, reeds aangehaald (punt 228).
82 – Ibidem (punt 229).
Full & Egal Universal Law Academy