CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 18 oktober 2007 (1)
Zaak C‑125/06 P
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Infront WM AG, voorheen KirchMedia WM AG
„Hogere voorziening – Televisie-uitzendingen – Britse regeling houdende beperkingen inzake televisie-uitzendingen van sport‑ en andere evenementen die van belang zijn op nationaal niveau”
1. Het rechtskader van de onderhavige hogere voorziening is richtlijn 89/552/EEG van de Raad(2), die betrekking heeft op de televisie-omroepactiviteit binnen de gemeenschappelijke markt en beoogt het vrije verkeer van televisiediensten tussen de lidstaten te waarborgen.
2. Op grond van artikel 3 bis van de richtlijn kan een lidstaat besluiten dat evenementen die hij van bijzonder belang voor de samenleving acht, zoals de Olympische Spelen of het Wereldkampioenschap voetbal, op zijn grondgebied moeten worden uitgezonden op een kosteloze televisiezender die voor een groot deel van het publiek toegankelijk is. Volgens dit artikel moeten de hiertoe door een lidstaat genomen maatregelen worden aangemeld bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen, die zich ervan vergewist of zij in overeenstemming met het gemeenschapsrecht zijn.
3. Wanneer de Commissie van oordeel is dat deze maatregelen in overeenstemming met het gemeenschapsrecht zijn, maakt zij deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze bekendmaking heeft tot gevolg dat de overige lidstaten ervoor moeten zorgen dat die maatregelen worden geëerbiedigd door de op hun grondgebied gevestigde omroeporganisaties die uitzenden naar de lidstaat die de maatregelen heeft vastgesteld.
4. In het arrest van 15 december 2005, Infront WM/Commissie(3), heeft het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen het beroep ontvankelijk en gegrond verklaard, dat Infront WM AG, voorheen KirchMedia WM AG(4), had ingesteld tegen het door de Commissie krachtens artikel 3 bis van de richtlijn genomen besluit van 28 juli 2000 houdende vaststelling dat de door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland aangemelde maatregelen in overeenstemming met het gemeenschaprecht zijn.
5. Het Gerecht heeft geoordeeld dat het besluit waarbij de Commissie de overeenstemming heeft vastgesteld, een voor beroep vatbare handeling vormde. Het heeft tevens geoordeeld dat Infront, actief in de aankoop en wederverkoop van uitzendrechten voor sportevenementen, door dit besluit rechtstreeks en individueel werd geraakt, aangezien zij de exclusieve uitzendrechten voor de eindronden van het door de Fédération Internationale de Football Association (FIFA) georganiseerde Wereldkampioenschap voetbal 2002 en 2006 voor de staten van het Europese vasteland bezat, en deze evenementen deel uitmaken van de evenementen van aanzienlijk belang die waren genoemd in de door het Verenigd Koninkrijk bij de Commissie aangemelde maatregelen.
6. De Commissie bestrijdt in de onderhavige hogere voorziening niet de beslissing van het Gerecht, dat het door de Commissie in het kader van de procedure van artikel 3 bis van de richtlijn te nemen besluit een voor beroep vatbare handeling vormt. Zij bestrijdt wél de beslissing dat Infront rechtstreeks en individueel wordt geraakt door het besluit houdende vaststelling dat de door het Verenigd Koninkrijk aangemelde maatregelen in overeenstemming met het gemeenschapsrecht zijn.
7. In de onderhavige conclusie zal ik uiteenzetten dat het Gerecht naar mijn mening niet het recht heeft geschonden bij zijn beoordeling van de procesbevoegdheid van Infront.
I – Rechtskader
8. Artikel 3 bis van de richtlijn is ingevoegd bij richtlijn 97/36. Het luidt als volgt:
„1. Iedere lidstaat kan in overeenstemming met het gemeenschapsrecht maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat onder zijn bevoegdheid vallende omroeporganisaties evenementen die door die lidstaat van aanzienlijk belang voor de samenleving worden geacht, niet op een exclusieve basis zodanig uitzenden dat een belangrijk deel van het publiek in die lidstaat dergelijke evenementen niet via rechtstreekse of uitgestelde verslaggeving op de kosteloze televisie kan volgen. In dat geval stelt de betrokken lidstaat een lijst van aangewezen nationale of niet-nationale evenementen op die hij van aanzienlijk belang voor de samenleving acht. De lidstaat doet dit te gepasten tijde op duidelijke en transparante wijze. Daarbij bepaalt de betrokken lidstaat tevens of deze evenementen via volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel, waar nodig of passend om objectieve redenen van openbaar belang, via volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving beschikbaar moeten zijn.
2. De lidstaten stellen de Commissie terstond in kennis van alle maatregelen die zij krachtens lid 1 nemen of hebben genomen. Binnen een periode van drie maanden na de kennisgeving vergewist de Commissie zich ervan dat dergelijke maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en stelt zij de andere lidstaten ervan in kennis. Zij wint advies in bij het krachtens artikel 23 bis ingestelde [contact]comité[, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten]. Zij maakt de genomen maatregelen onverwijld bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en publiceert ten minste eenmaal per jaar de geconsolideerde lijst van door de lidstaten getroffen maatregelen.
3. De lidstaten dragen er met passende middelen in het kader van hun wetgeving zorg voor dat onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties de door deze organisaties na de datum van bekendmaking van deze richtlijn verworven exclusieve rechten niet zodanig uitoefenen dat een belangrijk deel van het publiek in een andere lidstaat evenementen die door die andere lidstaat overeenkomstig de voorgaande leden zijn aangewezen, niet op de kosteloze televisie kan volgen via volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel, waar nodig of passend om objectieve redenen van openbaar belang, via volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving, zoals door die andere lidstaat overeenkomstig lid 1 is bepaald.”
9. Het begrip „omroeporganisatie” is in artikel 1, sub b, van de richtlijn omschreven als de „natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de samenstelling van schema’s van televisieprogramma’s in de zin van letter a en die deze programma’s uitzendt of laat uitzenden door derden”.
II – Aan het geding ten grondslag liggende feiten
10. De in het bestreden arrest weergegeven feiten die mij relevant lijken voor het begrip van de rechtsvragen die de hogere voorziening van de Commissie aan de orde stelt, zijn de volgende.
11. Infront houdt zich bezig met de verwerving en het beheer van alsmede de handel in televisie-uitzendrechten voor sportevenementen en koopt deze rechten gewoonlijk van de organisatoren van deze evenementen. Vervolgens verkoopt zij de aldus verworven rechten aan omroeporganisaties.
12. Infront heeft van haar moedervennootschap de exclusieve uitzendrechten voor de wedstrijden van de eindronden van het FIFA-Wereldkampioenschap voor de staten van het Europese continent – met uitzondering van de Bondsrepubliek Duitsland – alsmede voor de Russische Republiek, voor de andere voormalige republieken van de voormalige Sovjet-Unie en voor Turkije gekocht voor een prijs van ten minste 1,4 miljard Zwitserse franken.
13. Op 25 september 1998 en vervolgens bij brief van 5 mei 2000 heeft het Verenigd Koninkrijk de Commissie in kennis gesteld van de krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn genomen maatregelen, die tevens een lijst omvatten van de evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving van deze lidstaat.
14. Bij brief van 14 juli 2000 aan de Commissie heeft Infront betoogd dat de door het Verenigd Koninkrijk opgestelde lijst niet kon worden goedgekeurd wegens onverenigbaarheid ervan met zowel artikel 3 bis van de richtlijn als met andere bepalingen van gemeenschapsrecht. Infront stelde met name dat de betrokken lijst niet op duidelijke en transparante wijze was opgesteld, dat deze evenementen bevatte die niet van aanzienlijk belang voor de samenleving van het Verenigd Koninkrijk waren en dat de nationale en communautaire raadplegingsprocedures ernstige tekortkomingen vertoonden. Verder hekelde zij het terugwerkende karakter van de betrokken regeling.
15. Op 28 juli 2000 heeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal „Onderwijs en cultuur” van de Commissie het Verenigd Koninkrijk een brief gezonden waarin hij verklaarde dat de Commissie geen aanleiding zag tot bezwaar tegen de door deze lidstaat bij haar aangemelde maatregelen inzake het uitzenden op televisie van evenementen van nationaal belang in het Verenigd Koninkrijk.
16. Bij brief van 7 november 2000 heeft Infront de Commissie erop gewezen dat zij kennis had gekregen van deze goedkeuring en dat sprake was van inbreuk op haar eigendomsrecht.
17. Op 18 november 2000 heeft de Commissie de betrokken maatregelen bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3 bis, lid 2, van de richtlijn. Deze maatregelen omvatten uittreksels uit wettelijke voorschriften van het Verenigd Koninkrijk en de lijst van evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving van deze lidstaat, waaronder de eindronde van het FIFA-Wereldkampioenschap.
18. Bij brief van 22 januari 2001 heeft deze instelling Infront in antwoord op haar verzoeken bij brieven van 7 en 22 december 2000 meegedeeld dat het onderzoek van de door het Verenigd Koninkrijk aangemelde maatregelen was voltooid en dat de lijst van evenementen in overeenstemming met het gemeenschapsrecht werd geacht.
III – Procesverloop
19. Op 12 februari 2001 heeft Infront bij het Gerecht beroep ingesteld, strekkende tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van het door de Commissie krachtens artikel 3 bis van de richtlijn genomen besluit waarbij de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht werd vastgesteld van de door het Verenigd Koninkrijk aangemelde maatregelen.
20. Bij akte van 11 juni 2001 heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid van dit beroep opgeworpen krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
21. Het Gerecht heeft deze exceptie met de zaak ten gronde gevoegd. Het heeft tevens het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk, alsmede het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
22. Het Koninkrijk Denemarken heeft zijn interventie teruggetrokken. De Raad heeft geen memorie ingediend.
IV – Het bestreden arrest
23. Het Gerecht heeft overwogen dat de litigieuze handeling de brief van 28 juli 2000 was, waarin de Commissie het Verenigd Koninkrijk in kennis heeft gesteld van de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de door deze lidstaat krachtens artikel 3 bis van de richtlijn getroffen maatregelen.
24. Volgens vaste rechtspraak, aldus het Gerecht, zijn handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG, maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen. De vorm waarin deze handelingen of besluiten zijn gegoten, staat hier los van.(5)
25. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de bestreden brief rechtsgevolgen voor de lidstaten sorteert voor zover daarin wordt verklaard dat de bij de Commissie aangemelde nationale maatregelen in het Publicatieblad zullen worden bekendgemaakt en dat deze bekendmaking tot gevolg heeft dat het in artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn bepaalde mechanisme van wederzijdse erkenning in werking treedt. Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat de lidstaten door die bekendmaking kennis kunnen nemen van de betrokken maatregelen en in staat zijn hun verplichtingen uit deze bepaling na te komen.(6)
26. Volgens het Gerecht verleent artikel 3 bis, lid 2, van de richtlijn de Commissie beslissingsbevoegdheid, ofschoon deze bepaling niet expliciet rept van het nemen van een „besluit” door deze instelling.(7)
27. Vervolgens heeft het Gerecht de procesbevoegdheid van Infront onderzocht en geoordeeld dat Infront door de bestreden brief om de volgende redenen rechtstreeks en individueel wordt geraakt.
A – De rechtstreekse geraaktheid van Infront
28. Het Gerecht heeft er in de eerste plaats aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een particulier slechts rechtstreeks wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG wanneer de betrokken communautaire handeling rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en de uitvoering ervan zuiver automatisch is en uit de communautaire regeling alleen voortvloeit, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden toegepast.(8)
29. Vervolgens heeft het onderzocht of Infront volgens deze rechtspraak rechtstreeks werd geraakt in de twee door Infront genoemde hypothesen, te weten ten eerste de hypothese dat zij de televisie-uitzendrechten voor de wedstrijden van de eindronden van het FIFA-Wereldkampioenschap die zij voor 2002 en 2006 bezat, voor uitzending van die wedstrijden in het Verenigd Koninkrijk aan een onder de bevoegdheid van deze lidstaat vallende omroeporganisatie zou verkopen, en ten tweede de hypothese dat zij deze rechten aan een in een andere lidstaat gevestigde organisatie zou willen verkopen.
30. Met betrekking tot de eerste hypothese heeft het Gerecht Infront niet rechtstreeks geraakt geacht door de litigieuze handeling, omdat de goedkeuring van de door het Verenigd Koninkrijk aangemelde maatregelen door de Commissie geen invloed heeft op de toepasbaarheid van die maatregelen in deze lidstaat(9).
31. Het Gerecht heeft daarbij in aanmerking opgenomen dat deze maatregelen in werking zijn getreden in die lidstaat voordat zij bij de Commissie waren aangemeld en dat zij dus in deze lidstaat reeds gevolgen konden hebben gesorteerd voordat die aanmelding plaatsvond. Het leidde hieruit af dat de Commissie het Verenigd Koninkrijk bij de litigieuze brief geen voorafgaande machtiging voor het vaststellen van deze maatregelen en evenmin voor het met terugwerkende kracht handhaven ervan heeft kunnen verlenen, maar dat zij het enkel mogelijk heeft gemaakt voor deze staat dat die maatregelen door de andere lidstaten worden erkend.(10)
32. Met betrekking tot de tweede hypothese heeft het Gerecht overwogen dat de andere lidstaat, niet zijnde het Verenigd Koninkrijk, op wiens grondgebied de omroeporganisatie is gevestigd die de uitzendrechten van Infront koopt, ervoor moet zorgen dat deze organisatie zich niet aan de door de Commissie goedgekeurde maatregelen onttrekt, en dat deze verplichting volgt uit de litigieuze brief die deze maatregelen ex nunc valideert met het oog op de wederzijdse erkenning ervan door de andere lidstaten.(11)
33. Het Gerecht heeft hieruit afgeleid dat deze zaak verschilt van die welke heeft geleid tot het arrest van het Gerecht van 13 december 2000, DSTV/Commissie(12), waarop de Commissie zich heeft beroepen, en dat betrekking had op artikel 2 bis, tweede alinea, van de richtlijn, dat voorziet in een controle a posteriori van de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de door een lidstaat genomen maatregelen om de doorgifte van uitzendingen vanuit andere lidstaten op zijn grondgebied te verbieden.
34. Het heeft bovendien verklaard dat de litigieuze brief, vanaf het moment van de bekendmaking van de maatregelen, de nationale autoriteiten geen beoordelingsvrijheid laat bij de nakoming van hun verplichtingen. Het Gerecht overweegt namelijk: „Hoewel de nadere regels voor de controle die de nationale autoriteiten in het kader van het mechanisme van de wederzijdse erkenning moeten verrichten, door elke lidstaat worden vastgesteld in het kader van zijn wetgeving waarbij artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn wordt geïmplementeerd, moeten deze autoriteiten zich in elk geval ervan vergewissen dat de onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties de voorwaarden voor uitzending van de betrokken evenementen zoals die door de lidstaat in zijn door de Commissie goedgekeurde en in het Publicatieblad bekendgemaakte maatregelen zijn vastgelegd, naleven”.(13)
35. Vervolgens heeft het Gerecht het argument van de Commissie onderzocht, dat alleen in het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroeporganisaties er belang bij hebben om bij Infront uitzendrechten voor de eindronde van het FIFA-Wereldkampioenschap te kopen.
36. De Commissie had namelijk betoogd dat, zelfs al zou haar voorlopig onderzoek van de meegedeelde maatregelen ertoe leiden dat de andere lidstaten ervoor moeten zorgen dat de onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties de lijst van evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving eerbiedigen, dit in casu geen gevolgen heeft. Volgens deze instelling is het namelijk ondenkbaar dat Infront sublicenties voor haar televisierechten voor het Verenigd Koninkrijk verleent aan een niet in het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroeporganisatie, aangezien deze rechten op nationale basis worden verleend. Op nationaal niveau komen de inkomsten van de omroeporganisaties uit de op het nationale publiek gerichte reclame, de vergoedingen voor nationale licenties of de nationale abonnementen op betaaltelevisie. Aangezien het belang van deze organisaties dus is gelegen in het verzorgen van uitzendingen voor een nationaal publiek, zullen alleen degenen die een groot deel van de nationale bevolking bereiken, bereid zijn een zeer hoge prijs te betalen voor de televisie-uitzendrechten waarover Infront beschikt. Aangezien de potentiële sublicentiehouders van dergelijke rechten voor het Verenigd Koninkrijk organisaties zijn die onder de bevoegdheid van de Britse autoriteiten vallen, wordt Infront derhalve alleen door de nationale maatregelen rechtstreeks geraakt.(14)
37. De Commissie wees er in deze context tevens op dat de televisiemarkt in het Verenigd Koninkrijk een van de meest concurrerende van Europa is en dat 25 % van de in de sector werkzame omroeporganisaties een licentie hebben voor het Verenigd Koninkrijk.(15)
38. Het Gerecht heeft het volgende overwogen:
„147 Met betrekking tot het argument van de Commissie dat alleen in het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroeporganisaties er belang bij hebben, bij verzoekster uitzendrechten voor het FIFA-Wereldkampioenschap voor uitzending in het Verenigd Koninkrijk te kopen, zij opgemerkt dat die veronderstelling artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn elk nuttig effect ontneemt. Volgens de punten 18 en 19 van de considerans van richtlijn 97/36 is het doel van dit artikel namelijk, de vrije toegang van het publiek te garanderen tot uitzendingen van evenementen die door de lidstaten van aanzienlijk belang voor de samenleving worden geacht, en op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning van de lidstaten te eisen dat zij ervoor zorgen dat de onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties de door een andere lidstaat opgestelde lijst van evenementen eerbiedigen teneinde te voorkomen dat een belangrijk deel van het publiek van die staat de door deze laatste aangewezen evenementen niet kan volgen.
148 De feiten van de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van het House of Lords, R v. ITC, ex parte TV Danmark 1 Ltd [2001] UKHL 42 [...], hoewel het daar ging om door het Koninkrijk Denemarken aangewezen evenementen, bevestigen overigens dat er situaties bestaan waarin het door artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn ingevoerde mechanisme van wederzijdse erkenning in werking treedt. Bovendien verklaart de Commissie in haar Derde verslag – van 2001 – aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van richtlijn [COM/2001/009 def.], dat onder de bevoegdheid van het Verenigd Koninkrijk vallende omroeporganisaties tot driemaal toe evenementen die op de lijst van het Koninkrijk Denemarken voorkwamen, op zodanige wijze hebben uitgezonden dat een belangrijk deel van de Deense bevolking deze evenementen niet heeft kunnen volgen.
149 Onder deze omstandigheden kan, niettegenstaande de niet-onderbouwde stellingen van de Commissie betreffende het specifieke karakter van de televisiemarkt in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (zie punt 121 hierboven), niet worden aangenomen dat de uitzendrechten voor de eindronde van het FIFA-Wereldkampioenschap in deze lidstaat per se zullen worden verworven door in deze zelfde lidstaat gevestigde omroeporganisaties.”
39. Het Gerecht heeft uit het voorgaande afgeleid dat Infront rechtstreeks wordt geraakt door de litigieuze brief, omdat deze het mechanisme van wederzijdse erkenning door de andere lidstaten van de door het Verenigd Koninkrijk aangemelde maatregelen in werking heeft doen treden.
B – Individuele geraaktheid van Infront
40. Het Gerecht heeft er om te beginnen aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak degenen die niet de geadresseerde van een beschikking zijn, slechts kunnen stellen individueel te worden geraakt indien deze beschikking hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de geadresseerde van die beschikking.
41. Vervolgens heeft het uiteengezet dat Infront de exclusieve televisie-uitzendrechten bezit voor de eindronde van het FIFA-Wereldkampioenschap voor 2002 en 2006, één van de door het Verenigd Koninkrijk gekozen en door de Commissie goedgekeurde evenementen van aanzienlijk belang, en dat de omroeporganisaties die onder de bevoegdheid van andere lidstaten vallen, noodzakelijkerwijs overeenkomsten moeten sluiten met Infront in haar hoedanigheid van makelaar in uitzendrechten voor dit evenement, teneinde licenties voor het uitzenden van dit evenement op televisie te verkrijgen.(16)
42. Het Gerecht heeft verklaard dat de door het Verenigd Koninkrijk vastgestelde maatregelen voor deze organisaties grenzen stellen ter zake van de voorwaarden waaronder zij de exclusieve uitzendrechten kunnen verwerven, zodat deze maatregelen, al hebben zij niet uitdrukkelijk betrekking op Infront, voor haar een belemmering van de vrije beschikking over haar rechten vormen.(17)
43. Het heeft eraan herinnerd dat Infront het alleenrecht op de betrokken rechten heeft verworven voordat artikel 3 bis van de richtlijn in werking was getreden, en a fortiori voordat de bestreden brief was uitgegaan, zodat deze haar raakt uit hoofde van een bijzondere hoedanigheid.(18)
C – Ten gronde
44. Het Gerecht heeft beslist dat de litigieuze handeling wezenlijke vormvoorschriften schond op grond dat deze was opgesteld zonder dat het college van leden van de Commissie was geraadpleegd en zonder dat de directeur-generaal die de betrokken brief had ondertekend, daartoe door dit college specifiek was gemachtigd.(19)
45. In het dictum van het bestreden arrest wordt de beschikking van de Commissie vervat in haar brief aan het Verenigd Koninkrijk nietig verklaard en het beroep voor het overige verworpen. Voorts worden de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk en het Parlement verwezen in de kosten die Infront door hun interventie zijn opgekomen, en wordt de Commissie in haar eigen kosten verwezen alsmede in die van Infront met uitzondering van de eerder bedoelde kosten; de interveniënten dragen hun eigen kosten.
V – De hogere voorziening
46. De Commissie verzoekt het Hof het bestreden arrest te vernietigen, de zaak af te doen door het beroep van Infront in de zaak die aanleiding is geweest voor dat arrest, niet-ontvankelijk te verklaren, alsmede Infront te verwijzen in de kosten van de Commissie in die zaak en in de onderhavige hogere voorziening.
47. Infront concludeert in wezen tot afwijzing van de hogere voorziening en tot veroordeling van de Commissie in de kosten; dit laatste vordert zij overeenkomstig artikel 69, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering tevens indien de hogere voorziening gegrond wordt verklaard gelet op het feit dat de Commissie het bestreden arrest slechts gedeeltelijk bestrijdt.
48. De Commissie betwist de beslissingen van het Gerecht, dat Infront door de litigieuze handeling rechtstreeks en individueel wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, dat bepaalt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep kan instellen tegen de beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken. Deze twee grieven zal ik achtereenvolgens behandelen.
A – De beslissing dat Infront door de litigieuze handeling rechtstreeks wordt geraakt
1. Middelen en argumenten van partijen
49. De Commissie betoogt dat het Gerecht niet afdoende heeft gemotiveerd dat was voldaan aan de twee in de rechtspraak gestelde voorwaarden dat de litigieuze handeling de rechtspositie van de verzoeker moet aantasten en dat de uitvoering van die handeling zuiver automatisch moet zijn.
50. Met betrekking tot de eerste voorwaarde betoogt de Commissie primair dat het Gerecht niet uitlegt waarom de litigieuze handeling voor Infront’s commerciële situatie een ander dan indirect gevolg heeft.
51. De Commissie betoogt dat deze handeling tot gevolg heeft dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat aan de omroeporganisaties verplichtingen worden opgelegd die deze laatsten ervan kunnen weerhouden om de uitzendrechten voor de in de aangemelde maatregelen bedoelde evenementen te kopen, of hen ertoe kunnen brengen deze rechten te kopen tegen een lagere prijs dan zij zonder die maatregelen bereid zouden zijn geweest te betalen. Een op het gebied van betaaltelevisie actieve onderneming zou ervan kunnen afzien om uitzendrechten voor dergelijke evenementen te kopen, omdat deze tevens moeten worden uitgezonden door een omroeporganisatie die kosteloze televisie verzorgt en 95 % van het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk bestrijkt. Infront zou dus minder potentiële kopers hebben en zich bijgevolg in een minder gunstige commerciële positie bevinden. Dit zijn echter enkel indirecte economische gevolgen. Haar rechtspositie blijft ongewijzigd.
52. Subsidiair klaagt de Commissie, ingeval voor de rechtstreekse geraaktheid van een verzoeker voldoende zou zijn dat een handeling diens economische situatie aantast, dat het Gerecht niet heeft verklaard wat voor een makelaar als Infront de werkelijke commerciële gevolgen van de litigieuze handeling zijn. Deze gevolgen zijn in werkelijkheid totaal onzeker omdat, voor zover de Commissie bekend, er nooit in enige andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk een omroeporganisatie heeft bestaan die bereid zou zijn geweest, voor het recht om de eindronde van het FIFA-Wereldkampioenschap uit te zenden in deze lidstaat, de prijs te betalen waarop Infront rekende. Om een dergelijke investering te doen zou de potentiële verkrijger immers een voldoende zendbereik moeten hebben op het Britse grondgebied of zijn activiteiten in voldoende mate in deze richting moeten willen heroriënteren, aangezien de inkomsten van een omroeporganisatie komen uit de op het nationale publiek gerichte reclame, de vergoedingen voor nationale licenties of de nationale abonnementen.
53. Het Gerecht heeft aldus het recht geschonden door Infront niet de bewijslast van deze economische gevolgen op te leggen en door aan te geven dat de Commissie haar stellingen met betrekking tot het specifieke karakter van de televisie-omroepmarkt in het Verenigd Koninkrijk niet of niet voldoende had onderbouwd. Ook heeft het, door te verklaren dat dit Commissiestandpunt aan artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn het nuttig effect ontneemt, deze bepaling onjuist uitgelegd, omdat dit zou inhouden dat er voor elk door een lidstaat aangewezen evenement in andere lidstaten per se omroeporganisaties zouden moeten bestaan die de exclusieve rechten voor uitzending van dit evenement in deze eerste lidstaat zouden kunnen kopen.
54. Met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat de uitvoering van de litigieuze handeling zuiver automatisch is en uit de gemeenschapsregeling alleen voortvloeit zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden toegepast, heeft het Gerecht volgens de Commissie de werking van artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn miskend.
55. Het is volgens de Commissie juist dat de evenementen en de wijze van uitzending ervan, rechtstreeks of uitgesteld, volledig of gedeeltelijk, worden bepaald door de aanmeldende lidstaat en derhalve door het besluit waarbij wordt vastgesteld dat deze maatregelen in overeenstemming met het gemeenschapsrecht zijn. Anders echter dan het Gerecht in punt 146 van het bestreden arrest heeft overwogen, laat dit besluit aan de nationale autoriteiten een beoordelingsvrijheid bij de nakoming van hun verplichtingen. De naleving van de door de aanmeldende staat bepaalde verplichtingen hangt in sterke mate af van de wetgeving en de opvatting van de bevoegde nationale autoriteiten.
56. Dat dergelijke verschillen reëel zijn, wordt geïllustreerd door de zaak TV Danmark 1, die heeft geleid tot een arrest van de Court of Appeal en tot een arrest van het House of Lords, waarin het ging om de uitvoering in het Verenigd Koninkrijk van door het Koninkrijk Denemarken bepaalde verplichtingen inzake evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving van deze lidstaat.
57. Volgens het Britse systeem volstaat dat een omroeporganisatie voor kosteloze televisie, waarvan de uitzendingen het merendeel van de bevolking van de aanmeldende staat bereiken, een billijke mogelijkheid heeft gehad om de betrokken exclusieve rechten te kopen. In het Deense systeem daarentegen kan een omroeporganisatie die de exclusieve uitzendrechten heeft gekocht, deze slechts uitoefenen indien zij maatregelen kan treffen die waarborgen dat de programma’s eenieder voldoende bereiken via andere omroeporganisaties, tenzij zij kan bewijzen dat dit redelijkerwijs niet mogelijk is.
58. Het is dus onjuist te stellen dat de toepassing van het door de Commissie krachtens artikel 3 bis, lid 2, van de richtlijn genomen besluit zuiver automatisch is en uit de gemeenschapsregeling alleen voortvloeit.
59. Infront betwist deze redenering en betoogt dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de litigieuze handeling haar rechtstreeks raakt.
2. Beoordeling
60. Zoals het Gerecht in herinnering heeft gebracht, moet een particulier worden geacht rechtstreeks te worden geraakt door een communautaire handeling, wanneer deze rechtstreeks gevolgen heeft voor diens rechtspositie en de uitvoering ervan zuiver automatisch is en uit de communautaire regeling alleen voortvloeit, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden toegepast.(20)
61. De Commissie verwijt het Gerecht, niet afdoende te hebben gemotiveerd dat aan elk van deze twee voorwaarden is voldaan.
62. Wat in de eerste plaats de gevolgen van de litigieuze handeling voor Infronts positie betreft, betoogt de Commissie primair dat deze handeling voor deze vennootschap slechts indirecte economische gevolgen heeft en dat haar rechtspositie niet wordt gewijzigd. Deze redenering deel ik niet, om de volgende redenen.
63. Zoals het Gerecht in punt 165 van het bestreden arrest heeft uiteengezet, hebben de door het Verenigd Koninkrijk aangemelde maatregelen en bijgevolg de litigieuze handeling tot gevolg dat Infront niet langer vrijelijk kan beschikken over haar televisie-uitzendrechten voor de eindronden van het FIFA-Wereldkampioenschap voor 2002 en 2006. Door deze handeling wordt Infront belet om voor deze uitzendrechten exclusiviteit te verlenen aan een in een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroeporganisatie voor betaaltelevisie die dit evenement in die staat wil uitzenden. Haar wordt de verplichting opgelegd te waarborgen dat die rechten tevens beschikbaar zijn voor een omroep die kosteloos en voor een groot deel van de Britse bevolking toegankelijk is.
64. Het gevolg van de litigieuze handeling voor Infronts positie vertaalt zich dus niet alleen in zuiver economische schade in de vorm van vermindering van de waarde van haar uitzendrechten voor de eindronden van het FIFA-Wereldkampioenschap 2002 en 2006 op de markt, maar bestaat tevens in een inbreuk op haar eigendomsrecht, te weten in een belemmering van haar recht om exclusieve licenties te verlenen. Het Gerecht heeft naar mijn mening derhalve terecht overeenkomstig de rechtspraak geoordeeld dat de litigieuze handeling gevolgen had voor de rechtspositie van Infront.
65. Subsidiair betoogt de Commissie tevens dat de litigieuze handeling in werkelijkheid geen gevolgen heeft voor Infront, omdat er geen omroeporganisatie in een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk is die de uitzendrechten voor de eindronde van het FIFA-Wereldkampioenschap zou kunnen verwerven ten behoeve van uitzending in het Verenigd Koninkrijk. Het Gerecht heeft bovendien de bewijslast omgekeerd door aan te geven dat de Commissie deze feiten diende te bewijzen, en het heeft het recht geschonden bij de beoordeling van de draagwijdte van artikel 3 bis van de richtlijn.
66. Ik ben van mening dat deze redenering van de Commissie zich eerder richt tegen Infront’s procesbelang dan tegen de voorwaarde van haar rechtstreekse geraaktheid. Met de betrokken redenering wordt in feite betoogd dat de nietigverklaring van deze handeling Infront geen voordeel brengt, omdat er buiten het Verenigd Koninkrijk hoe dan ook geen potentiële koper is voor de uitzendrechten van Infront.
67. Het is vaste rechtspraak dat een particulier die opkomt tegen een communautaire handeling, los van de voorwaarden van artikel 230 EG, een procesbelang moet hebben, dat wil zeggen een belang bij de nietigverklaring van de betrokken handeling. Een dergelijk belang veronderstelt dat toewijzing van de vordering de partij die haar heeft ingesteld, tot voordeel moet kunnen strekken.(21)
68. Het staat inderdaad aan de verzoeker, zoals de Commissie opmerkt, te bewijzen dat hij ook aan deze voorwaarde voor ontvankelijkheid van zijn beroep voldoet.(22) Het gebrek aan procesbelang is tevens een niet-ontvankelijkheidsgrond van openbare orde.(23) Bovendien betoogt de Commissie terecht dat uit artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn niet kan worden afgeleid dat er voor elk door een lidstaat aangewezen evenement, in andere lidstaten noodzakelijkerwijs omroeporganisaties moeten bestaan die de exclusieve rechten voor uitzending van dit evenement in de eerste lidstaat kunnen kopen.
69. Uit het door artikel 3 bis van de richtlijn ingevoerde stelsel blijkt dat een lidstaat die besluit om gebruik te maken van de mogelijkheid die deze bepaling hem biedt, en dus een lijst opstelt van evenementen die op zijn grondgebied via voor het grootst mogelijke publiek toegankelijke kosteloze televisie moeten worden uitgezonden, verplicht is om deze lijst bij de Commissie aan te melden, ongeacht of de exclusieve uitzendrechten voor deze evenementen wel of niet door op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde omroeporganisaties kunnen worden gekocht.
70. Toch geloof ik niet dat het Gerecht de bewijslast heeft omgekeerd of artikel 3 bis van de richtlijn onjuist heeft uitgelegd.
71. Met betrekking tot de bewijslast het volgende. Ofschoon, zoals wij hebben gezien, de bewijslast van het procesbelang rust op degene die nietigverklaring van een gemeenschapshandeling vordert, neemt dit niet weg dat het aan de Commissie is om bewijs te leveren van de door haar gestelde feiten, zoals iedere andere partij in een gerechtelijke procedure dat moet doen.
72. In casu heeft de Commissie in het kader van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep van Infront betoogd dat de televisiemarkt in het Verenigd Koninkrijk een van de meest concurrerende van Europa is en dat 25 % van de omroeporganisaties in deze lidstaat een licentie bezitten. Op grond van deze stellingen heeft zij betoogd dat het niet waarschijnlijk was dat Infront haar uitzendrechten voor de eindronden van het FIFA-Wereldkampioenschap aan een buiten het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroeporganisatie zou verkopen.
73. Het Gerecht heeft de bewijslast van het procesbelang volgens mij niet omgekeerd door vast te stellen dat die stellingen over het specifieke karakter van de televisiemarkt in het Verenigd Koninkrijk niet in aanmerking konden worden genomen omdat zij niet waren onderbouwd.
74. Het stond temeer aan de Commissie om de gegrondheid van deze stellingen aan te tonen, omdat Infront deze stellingen betwistte en voor het Gerecht meerdere, in andere lidstaten dan het Verenigd Koninkrijk gevestigde potentiële kopers voor haar uitzendrechten had genoemd.
75. Wat vervolgens de overweging van het bestreden arrest betreft, volgens welke de redenering van de Commissie aan artikel 3 bis van de richtlijn elk nuttig effect ontneemt, geloof ik niet dat deze overweging een onjuiste uitlegging van deze bepaling vormt.
76. Deze overweging antwoordt namelijk op de redenering van de Commissie, samengevat in punt 120 van het bestreden arrest, dat, gelet op het feit dat de inkomsten van de televisie-omroeporganisaties afkomstig zijn van de op het nationale publiek gerichte reclame, de vergoedingen voor nationale licenties of de nationale abonnementen op betaaltelevisie, alleen de organisaties die een groot deel van het nationale publiek bereiken en die bijgevolg in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd, bereid zijn de exclusieve uitzendrechten waarover Infront beschikt, te kopen.
77. Door aldus te betogen dat wegens de zeer hoge prijs voor de exclusieve uitzendrechten voor sportevenementen als de eindronde van het FIFA-Wereldkampioenschap en gegeven de herkomst van de middelen van de omroeporganisaties, alleen de omroeporganisaties die zijn gevestigd op het grondgebied van de lidstaat die gebruik heeft gemaakt van de door artikel 3 bis van de richtlijn geboden mogelijkheid, daadwerkelijk in staat zijn deze rechten te kopen, trekt de Commissie het werkelijke nut van de door deze bepaling ingevoerde procedure van wederzijdse erkenning in twijfel.
78. Als immers de exclusieve uitzendrechten voor dergelijke evenementen alleen zouden kunnen worden gekocht door de omroeporganisaties die zijn gevestigd op het grondgebied van de lidstaat die heeft besloten dat bepaalde sportevenementen voor het gehele publiek moeten worden uitgezonden, zou de procedure van artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn, die is bedoeld ervoor te zorgen dat de door deze lidstaat genomen maatregelen worden nageleefd door de op het grondgebied van andere lidstaten gevestigde omroeporganisaties, zinloos zijn.
79. Het Gerecht heeft dus niet, zoals de Commissie in haar hogere voorziening stelt, gezegd dat artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn inhoudt dat er voor om het even welk door een lidstaat aangewezen evenement, noodzakelijkerwijs in andere lidstaten gevestigde omroeporganisaties bestaan die de exclusieve uitzendrechten voor dit evenement kunnen kopen. Het heeft geantwoord op het betoog van de Commissie, dat met betrekking tot sportevenementen als die waarvoor Infront de televisie-uitzendrechten bezit, geen andere potentiële kopers voor de betrokken uitzendrechten zijn dan de nationale omroeporganisaties.
80. Hieruit volgt dat het Gerecht niet heeft nagelaten afdoende te motiveren, dat is voldaan aan de voorwaarde dat de litigieuze handeling de rechtspositie van Infront aantast.
81. Met betrekking tot in de tweede plaats de tweede in de rechtspraak geformuleerde voorwaarde dat de uitvoering van de litigieuze handeling zuiver automatisch moet zijn en uit de gemeenschapsregeling alleen moet voortvloeien, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden toegepast, ben ik van mening dat het Gerecht bij zijn beoordeling dat tevens aan deze voorwaarde is voldaan, evenmin het recht heeft geschonden.
82. Het is juist dat, zoals de Commissie opmerkt, artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn de andere lidstaten een beoordelingsmarge overlaat bij de uitvoering van maatregelen van een lidstaat die door de Commissie zijn bekendgemaakt. Deze beoordelingsmarge doet echter niet af aan Infronts procesbevoegdheid.
83. Waar het bij het onderzoek van deze voorwaarde namelijk om gaat, is het causale verband tussen de gevolgen voor de rechtspositie van de verzoeker en de gemeenschapshandeling waarvan hij nietigverklaring vordert. Aan de in de rechtspraak geformuleerde voorwaarde is voldaan wanneer deze gevolgen rechtstreeks voortvloeien uit de handeling zelf. Dit is volgens de rechtspraak het geval wanneer de betrokken handeling degenen tot wie zij is gericht, verplicht om deze gevolgen te verwezenlijken(24), of wanneer de mogelijkheid voor degenen tot wie de handeling is gericht, haar niet na te komen en dergelijke gevolgen niet te verwezenlijken, zuiver theoretisch is, omdat het geen twijfel lijdt dat zij aan de handeling de bedoelde gevolgen willen geven.(25)
84. Het Gerecht heeft in casu terecht geoordeeld, in punt 146 van het bestreden arrest, dat de litigieuze handeling geen beoordelingsmarge overlaat aan degenen tot wie zij is gericht, omdat zij hen verplicht de gevolgen voor de rechtspositie van Infront, tegen welke gevolgen Infront opkomt, te verwezenlijken.
85. Zoals wij eerder hebben gezien, bestaan deze gevolgen namelijk in een belemmering van haar mogelijkheid om de exclusieve uitzendrechten voor de eindronde van het FIFA-Wereldkampioenschap te verkopen aan een in een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroeporganisatie. Deze gevolgen verschijnen duidelijk als rechtstreeks gevolg van de litigieuze handeling, aangezien zij rechtstreeks voortvloeien uit de maatregelen die het Verenigd Koninkrijk heeft genomen om ervoor te zorgen dat dit evenement op zijn grondgebied wordt uitgezonden op de kosteloze televisie die voor een groot deel van de bevolking toegankelijk is.
86. Gelet op deze elementen ben ik van mening dat de beslissing van het Gerecht, dat Infront rechtstreeks is geraakt door de litigieuze handeling, in overeenstemming is met het recht en dat de hogere voorziening van de Commissie op dit punt als ongegrond moet worden afgewezen.
B – De beslissing dat Infront individueel wordt geraakt
1. Middelen en argumenten van partijen
87. De Commissie betoogt dat de motivering van het Gerecht moeilijk valt te begrijpen.
88. Volgens haar wordt Infront slechts geraakt door de litigieuze handeling in haar objectieve hoedanigheid van houdster van exclusieve rechten, namelijk de uitzendrechten voor een van de in de Britse maatregelen bedoelde evenementen. De Commissie merkt op dat het Gerecht niet heeft aangegeven dat de litigieuze handeling jegens de houders een bundel individuele beschikkingen vormt. Zij benadrukt dat deze handeling enkel de omroeporganisaties betreft en enkel aan hen verplichtingen oplegt. De houders van rechten ondervinden slechts economische gevolgen, en het Gerecht heeft in eerdere zaken geoordeeld dat dit onvoldoende is om een particulier te individualiseren.(26) De Commissie meent in dit verband dat de onderhavige zaak verschilt van de zaken die hebben geleid tot de arresten Piraiki‑Patraiki e.a./Commissie(27), Extramet Industrie/Raad(28) en Codorníu/Raad(29), die betrekking hadden op specifieke situaties.
89. Haars inziens bevindt Infront zich niet in een andere situatie dan de andere houders van exclusieve uitzendrechten voor de verschillende door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland aangewezen evenementen. Zij is geconfronteerd met een normaal commercieel risico, wat niet volstaat voor het kunnen instellen van beroep.
90. Ten slotte betoogt de Commissie dat Infront de Britse maatregelen voor een rechterlijke instantie van het Verenigd Koninkrijk had kunnen betwisten, zodat de niet-ontvankelijkheid van haar beroep bij de gemeenschapsrechter haar niet het recht om een beroep in rechte in te stellen, ontneemt.
91. Infront betwist de argumenten van de Commissie en betoogt dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat zij door de bestreden beschikking individueel wordt geraakt.
2. Beoordeling
92. De kritiek van de Commissie op de helderheid van de redenering van het Gerecht en de inhoud van die redenering deel ik niet.
93. Het Gerecht heeft er om te beginnen terecht aan herinnerd, dat particulieren die niet de adressaten van een beschikking zijn, slechts kunnen stellen individueel te worden geraakt, indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen daardoor op overeenkomstige wijze individualiseert als de adressaat van die beschikking.(30)
94. Vervolgens heeft het Gerecht uiteengezet dat Infront aan deze voorwaarde voldeed, op grond van een beoordeling die in wezen berust op de drie volgende punten. Ten eerste bezit Infront de exclusieve televisie-uitzendrechten voor de eindronde van het FIFA-Wereldkampioenschap voor 2002 en 2006, een van de evenementen op de door het Verenigd Koninkrijk opgestelde lijst van evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving, die de Commissie bij de litigieuze handeling heeft goedgekeurd. Ten tweede heeft zij die rechten verworven vóór de vaststelling van deze handeling en zelfs vóór de inwerkingtreding van artikel 3 bis van de richtlijn. Ten derde belemmert deze handeling, al is zij niet tot Infront gericht, haar mogelijkheid om vrij over deze rechten te beschikken met een in een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk gevestigde televisie-omroeporganisatie.
95. Deze beoordeling door het Gerecht schendt naar mijn mening niet het recht.
96. Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat een particulier, om te kunnen worden aangemerkt als individueel geraakt door een niet tot hem gerichte gemeenschapshandeling, op het moment van de vaststelling van deze handeling geïndividualiseerd moet zijn of kunnen worden.(31) Uit de beoordeling van het Gerecht volgt dat Infront op het moment van de vaststelling van de litigieuze handeling zeker kon worden geïndividualiseerd, aangezien zij houdster was van de uitzendrechten voor de eindronden van het FIFA-Wereldkampioenschap voor 2002 en 2006, een van de evenementen voorkomend op de lijst van de door het Verenigd Koninkrijk aangemelde maatregelen.
97. Verder, indien, zoals de Commissie betoogt, op grond van zuiver economische schade voor een particulier in beginsel geen beroep tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling openstaat, moet ik erop wijzen dat het Gerecht Infront niet als door de litigieuze handeling individueel geraakt heeft beschouwd op de enkele grond dat deze voor haar negatieve economische gevolgen had. Het heeft in punt 165 van het bestreden arrest uiteengezet, dat de betrokken handeling Infront belemmerde om de exclusieve uitzendrechten voor het betrokken evenement vrijelijk te verkopen aan een buiten het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroep voor betaaltelevisie die dit evenement in die lidstaat wenste uit te zenden.
98. Het Gerecht heeft, met andere woorden, vastgesteld dat de litigieuze handeling inbreuk op het eigendomsrecht van Infront maakte.
99. De ontvankelijkverklaring van het beroep van Infront lijkt mij te passen in de lijn van de vaste rechtspraak volgens welke een particulier de wettigheid van een gemeenschapshandeling kan betwisten wanneer deze de rechten die hij vóór de vaststelling ervan heeft verworven, aantast.
100. Het Hof heeft dit uitgemaakt in het reeds aangehaalde arrest Toepfer en Getreide‑Import Gesellschaft/Commissie, waarin het voor het eerst erkende dat een particulier individueel kon worden geraakt door een tot een lidstaat gerichte beschikking.(32) Tot dezelfde slotsom kwam het Hof in het arrest Bock/Commissie(33), alsmede in de arresten Agricola commerciale olio/Commissie en Savma/Commissie.(34)
101. In het arrest CAM/EEG(35) heeft het Hof eveneens de procesbevoegdheid van een particulier aanvaard, wanneer de bestreden maatregel betrekking heeft op een situatie die reeds in gang is op het moment van de vaststelling van de handeling en raakt aan voor toekomstige activiteiten verworven rechten.(36)
102. Deze rechtspraak vindt tevens zijn weerslag in het arrest Codorníu/Raad, reeds aangehaald, waarnaar de Commissie verwijst en waarin een vennootschap naar Spaans recht, sinds 1924 houdster van het merk „Gran Cremant de Codorníu”, verzocht om nietigverklaring van een verordening van de Raad die haar op termijn verbood om de term „crémant” te gebruiken.(37)
103. Deze rechtspraak lijkt mij bruikbaar voor het onderhavige geval, omdat Infront het bezit van de exclusieve uitzendrechten voor het FIFA-Wereldkampioenschap voetbal had verkregen voordat de litigieuze handeling werd vastgesteld en zelfs, zoals het Gerecht heeft benadrukt, voordat artikel 3 bis van de richtlijn, op de grondslag waarvan deze handeling was vastgesteld, van kracht was geworden.
104. Derhalve ben ik van mening dat, gelet op de betrokken rechtspraak, het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat Infront door de litigieuze brief individueel werd geraakt. De hogere voorziening moet tevens als ongegrond worden afgewezen voor zover zij betrekking heeft op deze beslissing.
C – Kosten
105. Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat op de procedure in hogere voorziening van toepassing is krachtens artikel 118 van dit reglement, en gelet op de conclusies van Infront, zal de Commissie, indien het Hof mijn betoog volgt, in de kosten moeten worden verwezen.
VI – Conclusie
106. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te verklaren:
„1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt in de kosten verwezen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Richtlijn van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB L 298, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 (PB L 202, blz. 60; hierna: „richtlijn”).
3 – T-33/01, Jurispr. blz. II-5897; hierna: „bestreden arrest”.
4 – Hierna: „Infront”.
5 – Punt 89.
6 – Punten 94 en 95.
7 – Punt 107.
8 – Punt 130.
9 – Punt 133.
10 – Punten 134 en 135.
11 – Punten 138‑143.
12 – T-69/99, Jurispr. blz. II‑4039.
13 – Punt 146.
14 – Punt 120.
15 – Punt 121.
16 – Punten 160 en 161.
17 – Punten 162‑165.
18 – Punten 166 en 167.
19 – Punt 177.
20 – Arrest van 4 mei 1998, Dreyfus/Commissie (C-338/96 P, Jurispr. blz. I‑2309, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 – Zie, met name, arrest Gerecht van 28 september 2004, MCI/Commissie (T‑310/00, Jurispr. blz. II‑3253, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 – Beschikking van 31 juli 1989, S./Commissie (206/89 R, Jurispr. blz. 2841, punt 8).
23 – Arrest MCI/Commissie, reeds aangehaald (punt 45).
24 – Arrest Dreyfus/Commissie, reeds aangehaald (punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 – Ibidem (punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 – De Commissie verwijst naar de beschikking van het Gerecht van 15 december 2000, Galileo en Galileo International/Raad (T‑113/99, Jurispr. blz. II‑4141), alsmede naar het arrest van het Gerecht van 6 december 2001, Emesa Sugar/Raad (T‑43/98, Jurispr. blz. II‑3519).
27 – Arrest van 18 januari 1985 (11/82, Jurispr. blz. 207).
28 – Arrest van 16 mei 1991 (C-358/89, Jurispr. blz. I‑2501).
29 – Arrest van 18 mei 1994 (C-309/89, Jurispr. blz. I‑1853).
30 – Arrest Piraiki‑Patraiki e.a./Commissie, reeds aangehaald (punt 11).
31 – Arrest Hof van 1 juli 1965, Toepfer en Getreide‑Import Gesellschaft/Commissie (106/63 en 107/63, Jurispr. blz. 525, 533); arrest Piraiki‑Patraiki e.a./Commissie, reeds aangehaald (punten 21, 28 en 31); arresten Hof van 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie (C-152/88, Jurispr. blz. I‑2477, punt 11), en 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie (C-390/95 P, Jurispr. blz. I‑769, punten 25-30); arresten Gerecht van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie (T-480/93 en T-483/93, Jurispr. blz. II‑2305, punt 67), en 17 januari 2002, Rica Foods/Commissie (T-47/00, Jurispr. blz. II‑113, punt 41).
32 – Het Hof heeft het beroep van twee ondernemingen die granen invoerden in Duitsland, tegen de beschikking van de Commissie die deze lidstaat met terugwerkende kracht machtigde om vrijwaringsmaatregelen te treffen op grond waarvan hun aanvragen voor invoervergunningen waren afgewezen, ontvankelijk verklaard.
33 – Arrest van 23 november 1971 (62/70, Jurispr. blz. 897). In dit arrest heeft het Hof het beroep van een vennootschap die voedingsmiddelen invoerde, tegen een beschikking van de Commissie waarbij de Bondsrepubliek Duitsland was gemachtigd bepaalde uit China afkomstige, in de Beneluxstaten in het vrije verkeer gebrachte producten uit te sluiten van de communautaire behandeling, ontvankelijk verklaard, daar de beschikking tevens betrekking had op de invoer van producten waarvoor de vergunningaanvragen bij de Duitse administratie in behandeling waren op het tijdstip dat die beschikking van kracht werd. Zo had verzoekster op 4 september 1970 aan de bevoegde Duitse autoriteit een invoervergunning voor een partij Chinese, in Nederland in het vrije verkeer gebrachte champignons in blik aangevraagd. Op 11 september daaraanvolgend had deze autoriteit haar gewaarschuwd dat zij deze aanvraag zou afwijzen zodra de Commissie hiertoe een machtiging zou hebben verleend. Bij beschikking van 15 september 1970 machtigde de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland om niet alleen de toekomstige vergunningaanvragen voor zwarte champignons uit China, maar ook de lopende vergunningaanvragen uit te sluiten van de communautaire behandeling.
34 – Arresten van 27 november 1984 (232/81, Jurispr. blz. 3881, en 264/81, Jurispr. blz. 3915). Het betrof beroepen ingesteld door [op een openbare aanbesteding] inschrijvende ondernemingen tegen een verordening van de Commissie tot intrekking van een eerdere verordening op grond waarvan het Italiaanse interventie-orgaan een bepaalde hoeveelheid olijfolie ten verkoop had aangeboden. Het Hof heeft opgemerkt dat, aangezien de situatie tussen de partijen bij de verkoop vast lag, „een ingrijpen van de instellingen van de gemeenschap waardoor [het Italiaanse interventie-orgaan] werd verhinderd zijn verplichtingen jegens de door loting aangewezen inschrijvers na te komen, noodzakelijkerwijs was te beschouwen als een handeling die hen rechtstreeks en individueel raakt” [reeds aangehaalde arresten Agricola commerciale olio e.a./Commissie (punt 11) en Savma/Commissie (punt 11)].
35 – Arrest van 18 november 1975 (100/74, Jurispr. blz. 1393).
36 – Het betrof een vennootschap die op 19 juli 1974 een uitvoervergunning had verkregen voor 10 000 ton gerst en die geldig was tot en met 16 oktober 1974. Krachtens een verordening van de Raad zouden de richt‑ en interventieprijzen voor onder meer granen per 7 oktober 1974 met 5 % worden verhoogd. De Commissie bepaalde echter bij verordening van 4 oktober 1974 dat deze maatregel niet van toepassing was op de vóór 7 oktober verleende uitvoervergunningen, zodat verzoekster aldus voor de 3 978 ton die zij nog tussen 7 en 16 oktober moest uitvoeren, het voordeel van de door de Raad voorziene verhoging miste. Het Hof heeft het beroep van de verzoekster tegen de verordening van de Commissie ontvankelijk verklaard. Het heeft geoordeeld dat deze verordening, door aan een groep van handelaren voor bepaalde exporten een verhoging van het restitutiebedrag te ontzeggen, een bepaald en bekend aantal graanexporteurs betrof en dat deze maatregel, ofschoon deel uitmakend van een normatieve handeling, de rechtspositie van deze exporteurs beïnvloedde uit hoofde van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseerde.
37 – Zie, ter ondersteuning van deze redenering, het proefschrift van Cassia, P., L’accès des personnes physiques ou morales au juge de la légalité des actes communautaires, Dalloz, Paris, 2002, blz. 752, punten 964 e.v.
Full & Egal Universal Law Academy