CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 20 september 2007 1(1)
Zaak C‑135/06 P
Roderich Weißenfels
tegen
Europees Parlement
„Hogere voorziening – Gemeenschapsambtenaren – Bezoldiging – Toelage voor kind ten laste – Artikel 67, lid 2, van Statuut – Aftrek van soortgelijke toelagen uit andere bron”
I – Inleiding
1. In deze hogere voorziening gaat het met name om de vraag wanneer er sprake is van „soortgelijke toelagen uit andere bron” in de zin van artikel 67, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”).
2. Aan de procedure ligt een statutair geschil ten grondslag tussen een gemeenschapsambtenaar, R. Weißenfels (hierna: „rekwirant”), en het Europees Parlement. Rekwirants beroep in eerste aanleg was gericht tegen besluiten van het Parlement waarbij het op de hem krachtens het Statuut betaalde dubbele toelage voor een kind ten laste een bedrag in mindering heeft gebracht van een uitkering krachtens Luxemburgs recht.
3. Rekwirant heeft hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 25 januari 2006 (hierna: „bestreden arrest”)(2), waarbij zijn beroep werd verworpen.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Gemeenschapsrecht
4. Volgens artikel 62, derde alinea, van het Statuut in de voor deze zaak geldende versie omvat de bezoldiging van de ambtenaren de gezinstoelagen.
5. Ingevolge artikel 67, lid 1, sub b, van het Statuut omvat de gezinstoelage onder meer de toelage voor een kind ten laste.
6. Artikel 67, leden 2 en 3, van het Statuut luidt:
„2) De ambtenaar die de in dit artikel bedoelde gezinstoelagen geniet, is verplicht opgave te doen van soortgelijke toelagen uit andere bron; deze komen in mindering op die welke uit hoofde van de artikelen 1, 2 en 3 van bijlage VII worden uitbetaald.
3) De kindertoelage kan bij een bijzonder met redenen omkleed besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag worden verdubbeld op grond van medische bewijsstukken waaruit blijkt dat het desbetreffende kind voor de ambtenaar zware lasten met zich brengt, omdat het geestelijk of lichamelijk is gehandicapt.”
B – Nationaal recht
7. De Luxemburgse wet van 16 april 1979 betreffende de invoering van een bijzondere steun voor gehandicapten, die bij wet van 19 juni 1998 betreffende de invoering van een zorgverzekering werd ingetrokken, maar krachtens de overgangsbepalingen van laatstgenoemde wet in casu nog steeds van toepassing is (hierna: „Luxemburgse wet van 16 april 1979”), bepaalt:
„Art. 1. Elke zwaar gehandicapte persoon die in het Groothertogdom Luxemburg woont en aldaar sinds ten minste tien jaar woonachtig is, heeft recht op de voordelen die deze wet biedt.
Dit recht geldt eveneens voor gehandicapte kinderen vanaf 3 jaar [...].
[...]
Art. 3. Elke zwaar gehandicapte persoon (..) heeft [...] recht op een bijzondere steun [...].
Art. 4. De [...] steun wordt [...] opgeschort tot het bedrag [...] van een soortgelijke buitenlandse toelage.
Art. 5. De steun [...] is vrijgesteld van belastingen en bijdragen voor de sociale verzekeringen [...].”
III – Feiten van het geding en arrest van het Gerecht
8. De feiten van het geding worden door het Gerecht in de punten 5 tot en met 16 als volgt vastgesteld:
„5 Verzoeker, ambtenaar van de bezoldigingsgroep A*12 (voorheen bezoldigingsgroep A 4) is op 1 april 1982 in dienst getreden van het Parlement in Luxemburg.
6 Zijn oudste zoon is op 31 januari 1982 geboren. Hij is sinds zijn vroege jeugd zwaar gehandicapt.
7 Bij zijn indiensttreding werd verzoeker de in artikel 67, lid 1, sub b, van het Statuut bedoelde toelage voor een kind ten laste (hierna: „kindertoelage”) toegekend. Op 31 juli 1987 besloot het Parlement op grond van artikel 67, lid 3, van het Statuut de kindertoelage voor verzoekers zoon met ingang van 1 mei 1987 te verdubbelen. Bij besluit van 8 juli 1997 werd de dubbele kindertoelage voor een volgende periode van 1 juli 1997 tot en met 30 juni 2000 toegekend.
8 Bij besluit van 26 april 1999 besloot het Luxemburgse Fonds National de Solidarité overeenkomstig de Luxemburgse wet van 16 april 1979 om verzoeker als wettelijk vertegenwoordiger van zijn zoon vanaf 1 december 1998 een bijzondere steun voor zwaar gehandicapten te betalen.
9 Medio oktober 1999 stelde verzoeker het Parlement op de hoogte van de betaling van de Luxemburgse steun.
10 Bij besluit van 22 oktober 1999 bracht het Parlement overeenkomstig artikel 67, lid 2, van het Statuut met ingang van 1 december 1998 het bedrag van de Luxemburgse steun in mindering op de dubbele kindertoelage.
11 Bij besluit van 20 september 2000 werd de dubbele kindertoelage voor een nieuwe periode van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2003 toegekend. Het met de dubbele kindertoelage van het Statuut overeenkomende bedrag werd bij besluit van 18 september 2000 gekort met het bedrag van de Luxemburgse steun.
12 Bij besluit van 1 juli 2003 werd de dubbele kindertoelage voor een nieuwe periode van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2006 toegekend.
13 Inmiddels had verzoeker bij brief van 4 juni 2003 in de volgende bewoordingen in beginsel zijn twijfel uitgesproken over de aftrek van de Luxemburgse steun door het Parlement:
‚Zoals ik reeds [op] 28.05.2003 heb meegedeeld, wordt de uitkering niet aan mij, maar aan mijn zoon [...] betaald, zij het dat ik deze als zijn wettelijk vertegenwoordiger ontvang. Er kan op grond van artikel 67, lid 2, van het Statuut geen aftrek plaatsvinden van de dubbele kindertoelage die mij overeenkomstig artikel 67, lid 3, van het Statuut als deel van mijn bezoldiging wordt betaald.
Dit volgt in de eerste plaats uit het feit dat het om twee verschillende rechthebbenden (rechtssubjecten) gaat, en in de tweede plaats uit het feit dat de uitkering een zelfstandige uitkering is en geen „toelage”.
Ten slotte gaat het evenmin om een „soortgelijke” uitkering: de toelage krachtens lid 3 dient ter verlichting van de zware lasten van de ambtenaar, de uitkering dient ter verzorging van de gehandicapte.’
14 Bij besluit van 26 juni 2003 paste het Parlement de aftrek toch toe.
15 Bij brief van 13 augustus 2003 diende verzoeker overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut bezwaar in tegen het besluit van 26 juni 2003. Dit bezwaar werd bij brief van het Parlement van 10 november 2003 afgewezen.
16 Op 28 april 2004 – na de indiening van het verzoekschrift in deze zaak – nam het Parlement met inachtneming van het geactualiseerde bedrag van de Luxemburgse steun een besluit over de aftrek ingevolge artikel 67, lid 2, van het Statuut. Op 8 juni 2004 diende verzoeker bezwaar in tegen het besluit van 28 april 2004, doch dit bezwaar werd bij besluit van het Parlement van 15 september 2004 afgewezen.”
9. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 februari 2004, heeft rekwirant zijn beroep in eerste aanleg ingesteld. In dat beroep heeft hij geconcludeerd tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 26 juni 2003 alsmede van het besluit van 10 november 2003 houdende afwijzing van zijn bezwaar tegen eerstgenoemd besluit. Voorts heeft hij gevorderd het Parlement ertoe te verplichten, hem alle zonder rechtsgrondslag op zijn bezoldiging ingehouden bedragen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.
10. In repliek heeft rekwirant een tweede vordering ingesteld en geconcludeerd dat het het Gerecht behage:
„Nietig te verklaren het stilzwijgend besluit van verweerder houdende afwijzing van zijn verzoek van 4 juni 2003 om hem de in het verleden ten onrechte ingehouden dubbele kindertoelage te betalen, alsmede het daarop betrekking hebbende besluit op bezwaar van verweerder van 10 november 2003;
nietig te verklaren het besluit van verweerder van 28 april 2004 waarbij de bijzondere steun voor zwaar gehandicapten die verzoekers zoon uit andere bron wordt betaald, in de zin van artikel 67, lid 2, van het Statuut wordt aangemerkt als ‚soortgelijke toelage’ [...] als de dubbele kindertoelage, alsmede het daarop betrekking hebbende besluit op bezwaar van verweerder van 15 september 2004;
verweerder ertoe te veroordelen, verzoeker de schade te vergoeden, ter hoogte van de wettelijke rentevoet, die is ontstaan als gevolg van de bedragen die sinds 1 december 1998 in de vorm van de dubbele kindertoelage ten onrechte op zijn bezoldiging zijn ingehouden.”
11. Het Gerecht heeft het beroep verworpen. Wat de vordering betreft om het Parlement tot nabetaling van bepaalde bedragen te veroordelen heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Die vordering is niet-ontvankelijk, aangezien het Gerecht in het kader van een beroep krachtens artikel 91 van het Statuut niet bevoegd is, de gemeenschapsinstellingen bevelen te geven. Krachtens artikel 233 EG moet de instelling wier handeling nietig is verklaard immers de maatregelen nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest.
12. Met betrekking tot de in repliek hergeformuleerde vordering om het Parlement tot schadevergoeding te veroordelen heeft het Gerecht vastgesteld dat het hier een schadevordering betreft in de zin van artikel 235 EG. Aangezien het voorwerp van geschil echter in het verzoekschrift wordt vastgelegd, kan het in het stadium van repliek niet meer worden gewijzigd.
13. Het beroep tot nietigverklaring was volgens het Gerecht dus alleen tegen het besluit van 26 juni 2003 gericht. Deze vordering heeft het Gerecht afgewezen, aangezien het Parlement zich terecht op het standpunt had gesteld dat de Luxemburgse steun een soortgelijke toelage uit andere bron vormde in de zin van artikel 67, lid 2, van het Statuut, die krachtens het Statuut in aftrek moest worden gebracht op de dubbele kindertoelage.
IV – Hogere voorziening
14. Rekwirant voert drie middelen aan. In het kader van het eerste en het tweede middel klaagt hij over de niet-inaanmerkingneming respectievelijk afwijzing van een aantal vorderingen, met het derde middel stelt hij dat er sprake is van schending van artikel 67, lid 2, van het Statuut.
15. Rekwirant concludeert dat het het Hof behage:
„1) Te vernietigen het op 31 januari 2006 betekende arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 25 januari 2006 in zaak T‑33/04 (Weißenfels/Europees Parlement);
2) nietig te verklaren het besluit van verweerder van 26 juni 2003 om een bijzondere steun voor zwaar gehandicapten die rekwirants zoon Frederik uit andere bron wordt betaald, in aftrek te brengen op zijn dubbele kindertoelage krachtens artikel 67, lid 3, van het Statuut;
3) nietig te verklaren het stilzwijgende besluit van verweerder houdende afwijzing van rekwirants verzoek van 4 juni 2003 tot terugbetaling van de in het verleden ten onrechte ingehouden dubbele kindertoelage;
4) nietig te verklaren het besluit van verweerder van 28 april 2004 houdende vaststelling dat de bijzondere toelage voor zwaar gehandicapten die rekwirants zoon Frederik uit andere bron ontvangt, een ‚soortgelijke toelage’ in de zin van artikel 67, lid 2, van het Statuut is als de aan rekwirant toegekende dubbele kindertoelage;
5) verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade (subsidiair: ter hoogte van de wettelijke rentevoet) die is ontstaan door de bedragen die sinds 1 december 1998 in de vorm van de dubbele kindertoelage ten onrechte op zijn bezoldiging worden ingehouden;
6) verweerder te verwijzen in de kosten van de beide instanties alsmede in de door rekwirant gemaakte noodzakelijke kosten.”
16. Het Europees Parlement concludeert dat het het Hof behage:
1) de hogere voorziening af te wijzen, aangezien de middelen ten dele irrelevant, niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond zijn,
2) rekwirant te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening.
V – Beoordeling
17. Het ligt voor de hand om met het onderzoek van het derde middel te beginnen. Volgens de rechtspraak van het Hof moet een hogere voorziening immers worden afgewezen zelfs wanneer blijkt dat door de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest het gemeenschapsrecht is geschonden, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt.(3) Mocht dus blijken dat rekwirant geen recht heeft op betaling van de niet-gekorte gezinstoeslag, dan zijn het eerste en het tweede middel niet meer van belang, aangezien het dictum dan in elk geval juist is.
A – Uitlegging van artikel 67, lid 2, van het Statuut
18. In het kader van het derde middel stelt rekwirant dat het Gerecht er bij de uitlegging van het begrip „soortgelijke toelagen uit andere bron” geen rekening mee heeft gehouden dat artikel 67, lid 2, van het Statuut een dubbele soortgelijkheid verlangt, namelijk zowel in formeel als in materieel opzicht. Wil er sprake zijn van een „soortgelijke toelage” dan moet de toelage uit andere bron een uitkering zijn die naast het loon wordt betaald, zoals de gezinstoelage van de ambtenaar. Dit volgt reeds uit de bewoordingen van artikel 67, lid 2, van het Statuut, dat het begrip „toelage” gebruikt; de Luxemburgse uitkering is geen bij het loon komende uitkering, waarvoor overigens ook niet het begrip „toelage” wordt gebruikt; deze wordt veeleer bijzondere steun genoemd. Bovendien beroept rekwirant zich op de arresten van het Hof Commissie/België(4) en Commissie/Duitsland.(5) Het bestreden arrest gaat er ten onrechte van uit dat het voor de toepassing van artikel 67, lid 2, van het Statuut irrelevant is dat de nationale steun onafhankelijk van een dienstverhouding aan diegene wordt betaald die in de lidstaat woonachtig is.
19. In materieel opzicht is er volgens rekwirant evenmin sprake van een soortgelijkheid, aangezien de rechthebbenden van de beide uitkeringen niet identiek zijn. Niet de ambtenaar, maar het kind zelf is de rechthebbende van de nationale uitkering. Doorslaggevend is niet de feitelijke ontvanger van de uitkering, maar alleen de rechthebbende ervan.
20. Derhalve moet worden onderzocht of het Gerecht artikel 67, lid 2, van het Statuut daardoor verkeerd heeft uitgelegd dat het als soortgelijke toelage in de zin van die bepaling ook een uitkering heeft aangemerkt die niet in verband met een beroep wordt betaald, door bij het onderzoek van de soortgelijkheid van uitkeringen alleen te kijken naar het doel en de zin ervan.
1. De inkomensgebondenheid van de uitkering
21. Het Gerecht stelt in punt 52 van het bestreden arrest vast dat rekwirants argument dat de beide betrokken uitkeringen niet soortgelijk zijn, omdat de toelage volgens het Statuut bij het salaris van de ambtenaar komt, terwijl de nationale steun aan het gehandicapte kind wordt betaald ongeacht de vraag of de ouders een beroep uitoefenen, niet overtuigend is. Doorslaggevend voor de vraag of de in deze zaak aan de orde zijnde uitkeringen soortgelijk zijn, zijn veeleer het doel en de zin van de betaling. Waar het hier op aankomt zijn dus de uitgaven als gevolg van de behoefte aan steun en verzorging van een zwaar gehandicapt persoon.
22. Volgens het bestreden arrest is het voor de toepassing van artikel 67, lid 2, van het Statuut dus irrelevant of de nationale toelage al dan niet in verband met een inkomen wordt betaald. Rekwirant stelt terecht dat dit niet noodzakelijkerwijs volgt uit de bewoordingen van de Duitse versie. Daar wordt immers van „Zulage” gesproken.(6) Dit begrip kan aldus worden uitgelegd dat het om een uitkering gaat die bij een andere uitkering komt, namelijk in dit geval het salaris, zoals ook de uitkering waarop de uitkering uit andere bron in mindering wordt gebracht een toelage vormt op het salaris van de ambtenaar. De bewoordingen, althans van de Duitse versie van het Statuut, kunnen op het eerste gezicht dus absoluut zo worden opgevat dat een uitkering alleen dan soortgelijk is, wanneer deze een „toelage” op het salaris vormt.
23. Deze grammaticale uitlegging is evenwel niet de enige mogelijkheid. Het is ook mogelijk dat het gebruik van het begrip „toelage” algemeen en ruimer moet worden opgevat, in die zin dat het ook uitkeringen omvat die niet in verband met een salaris worden betaald.
24. De teleologische uitlegging is dus van doorslaggevend belang. Het Parlement stelt terecht dat indien men het begrip toelage in artikel 67, lid 2, van het Statuut als een aanvulling op het salaris opvat, die bepaling in vele gevallen zinloos zou worden. In de regel is er immers geen sprake van aanvullingen op het salaris van de ambtenaar uit andere bron, hoogstens wanneer hij een nevenactiviteit uitoefent. Bij deze uitlegging zou dan alleen een aanvulling op het salaris van de echtgenoot van de ambtenaar onder artikel 67, lid 2, van het Statuut vallen.
25. Een doorslaggevend argument dat zich ertegen verzet om de uitkering alleen als aanvulling op het salaris uit te leggen is echter dat die uitlegging tot een verschil in behandeling van ambtenaren zou leiden, afhankelijk van de toevallige organisatie van de stelsels van gezinsbijslagen in de lidstaten. Bij een ambtenaar wiens of wier echtgenoot werkzaam is in een lidstaat waarin de betaling van een aanvullende uitkering voor gehandicapte kinderen een aanvulling op het salaris vormt, zou die betaling in mindering worden gebracht op de uitkering van de Gemeenschap. Bij een andere ambtenaar, die voor zijn gehandicapte kind een nationale toelage ontvangt uit een lidstaat waarin die toelage geen aanvulling op het salaris vormt, maar afhankelijk is van de vervulling van een woonplaatscriterium, zou die toelage niet in mindering worden gebracht op de uitkering van de Gemeenschap zodat hij een dubbele uitkering zou ontvangen. Een dergelijk verschil in behandeling van ambtenaren, afhankelijk van de wijze waarop het nationale recht is georganiseerd, is niet gerechtvaardigd.
26. Overtuigender is dus de uitlegging van artikel 67, lid 2, van het Statuut – waarvan ook het Gerecht in zijn arrest is uitgegaan – die een dergelijk verschil in behandeling van ambtenaren vermijdt, door zich niet op de formele soortgelijkheid van de aanvulling op het salaris te richten, maar op de materiële soortgelijkheid, dat wil zeggen het doel en de zin van de uitkering.
27. Anders dan rekwirant stelt, verzetten de arresten van het Hof in de zaken Commissie/België(7) en Commissie/Duitsland(8) zich niet tegen een dergelijke uitlegging. Het Hof heeft in die arresten weliswaar vastgesteld dat „artikel 67, lid 2, van het Statuut alleen toepassing vindt wanneer in de lidstaat volgens wiens wetgeving in beginsel recht bestaat op nationale toelagen voor een kind waarvoor toelagen volgens het Statuut kunnen worden toegekend, de toekenningvoorwaarden vergelijkbaar zijn met die voor de statutaire toelagen”.(9)
28. Voorts zette het Hof uiteen dat „de toelagen van dezelfde aard die volgens [artikel 67, lid 2, van het Statuut] in mindering moeten worden gebracht op de statutaire gezinstoelagen [...] immers enkel die zijn welke worden toegekend in verband met het verrichten van arbeid in loondienst”.(10)
29. Daar het bestreden arrest zowel de omstandigheid dat de nationale toelage niet in verband met een beroepsactiviteit, maar alleen op grond van de woonplaats wordt toegekend, alsook de omstandigheid dat de echtgenote van de ambtenaar geen arbeid in loondienst uitoefent, irrelevant acht, lijkt het op het eerste gezicht dus strijdig met voormelde arresten.
30. Beziet men echter de context waarin de arresten Commissie/Duitsland en Commissie/België zijn gewezen, dan is er, anders dan de eerste indruk doet vermoeden, geen tegenstrijdigheid. Deze arresten werden gewezen in niet-nakomingsprocedures waarin de Commissie bezwaar maakte tegen nationale wetten die bepaalden dat geen kinderbijslag werd betaald voor een kind waarvoor een van de ouders van de Europese Gemeenschap een uitkering ontving die vergelijkbaar was met de kinderbijslag. Het nationale recht bevatte dus een met artikel 67, lid 2, van het Statuut vergelijkbare anticumulatieregel. Volgens die regel werd de betalingsverplichting in beginsel op de Gemeenschap afgewenteld. In het samenspel tussen de nationale en de gemeenschapsrechtelijke regels ontbrak dus een voorrangsbepaling, dat wil zeggen een bepaling die regelde welk stelsel eerst diende te betalen. Het Hof diende dus te beslissen in hoeverre artikel 67, lid 2, van het Statuut zich verzet tegen een anticumulatieregel, dat wil zeggen in hoeverre artikel 67, lid 2, van het Statuut voor de lidstaten verplichtingen meebrengt.
31. In die zaken ging het dus niet om de uitlegging van artikel 67, lid 2, van het Statuut vanuit het perspectief van de Europese ambtenaar wiens recht onder verwijzing naar de in die bepaling neergelegde anticumulatieregel wordt gekort, maar om de vraag of het nationale of het gemeenschapsstelsel als eerste diende te betalen. De Commissie leidde in die zaken uit artikel 67, lid 2, van het Statuut af dat de lidstaten eerst verplicht waren te betalen, met als gevolg dat de Gemeenschap zich vervolgens op de anticumulatieregel kon beroepen en niet meer hoefde te betalen.
32. Advocaat-generaal Micho had in zijn conclusies in de beide zaken voorgesteld, de voorrangsregel niet af te leiden uit artikel 67, lid 2, van het Statuut. Laatstgenoemde bepaling is naar zijn mening slechts een anticumulatieregel die alleen dan van toepassing is, wanneer op grond van een nationale regeling daadwerkelijk gezinsbijslagen worden betaald. Uit dat artikel volgt echter geen beperking van de bevoegdheid van de lidstaten om zelfstandig te beslissen over de toekenning van sociale uitkeringen.(11)
33. Het Hof heeft de conclusies van de advocaat-generaal echter niet gevolgd, doch heeft in zijn arresten veeleer vastgesteld dat artikel 67, lid 2, van het Statuut ook een voorrangsregel bevat. Volgens het Hof houdt die regel in dat een lidstaat in strijd met artikel 67, lid 2, van het Statuut handelt, wanneer hij in het geval dat de echtgenoot van een Europees ambtenaar een arbeid in loondienst uitoefent, met een beroep op een betaling krachtens het Statuut de betaling van gezinsbijslagen krachtens het nationale recht uitsluit.(12) De in dit verband door het Hof gedane vaststellingen over de definitie „soortgelijkheid van de toelage” betroffen dus artikel 67, lid 2, van het Statuut in zijn functie van voorrangsregel.
34. De definitie van „soortgelijkheid van de toelage” binnen de werkingssfeer van artikel 67, lid 2, van het Statuut als voorrangsregel kan niet zonder meer worden toegepast op de definitie van dit begrip in het kader van dat artikel in zijn functie van anticumulatieregel. In het kader van artikel 67, lid 2, van het Statuut als anticumulatieregel moet veeleer worden uitgegaan van een materiële uitlegging van de norm. Alleen op die manier kan – zoals hierboven uiteengezet – een verschil in behandeling van ambtenaren worden vermeden. De door advocaat-generaal Micho voorgestelde uitlegging van artikel 67, lid 2, van het Statuut, namelijk dat deze bepaling alleen een anticumulatieregel bevat en niet daarnaast ook een voorrangsregel, zou tot gevolg hebben gehad dat het begrip niet anders behoefde te worden opgevat naargelang de functie van artikel 67, lid 2, van het Statuut als voorrangsregel dan wel als anticumulatieregel.
35. Binnen de werkingssfeer van artikel 67, lid 2, van het Statuut als anticumulatieregel komt het bij het onderzoek van de soortgelijkheid van de uitkering dus alleen aan op het materiële criterium of zin en doel identiek zijn.
2. Materiële soortgelijkheid van de uitkering
36. In verband met het onderzoek van de materiële soortgelijkheid van de uitkeringen stelt rekwirant dat het bestreden arrest er geen rekening mee houdt dat de rechthebbende van de nationale uitkering niet de ambtenaar is, maar juist het kind zelf en dat de uitkering de ambtenaar alleen in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige kind wordt betaald.
37. Het Gerecht heeft echter terecht vastgesteld dat de formele indeling van de uitkering niet doorslaggevend mag zijn. Veel belangrijker is aan wie de uitkering uiteindelijk ten goede komt. In dit geval is dit ondanks de formele hoedanigheid van rechthebbende niet alleen de zoon, maar ook de vader. De uitkeringen komen immers uiteindelijk ten goede aan de ambtenaar, aangezien zij de kosten voor het onderhoud van het kind verminderen en de vader dus in gelijke mate ontlasten van onderhoudskosten. Ook in dat opzicht is het tweede middel dus ongegrond.(13)
3. Voorlopig resultaat
38. Samenvattend kan worden vastgesteld dat het Gerecht in het bestreden arrest een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 67, lid 2, van het Statuut door te oordelen dat het Parlement de betalingen krachtens het Luxemburgse recht mocht aftrekken van de krachtens het Statuut betaalde kindertoelage.
39. Aangezien dus het dictum van het bestreden arrest, ook al zouden rekwirants andere middelen slagen, in elk geval juist is, zijn die andere middelen niet meer van belang. Toch zal ik die middelen hieronder onderzoeken voor het geval het Hof met betrekking tot het zojuist besproken derde middel tot een andere conclusie mocht komen.
B – Afwijzing van verschillende vorderingen
40. Met zijn eerste middel stelt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet in te zien dat in totaal drie afzonderlijke besluiten werden betwist. In het kader van het tweede middel verwijt hij het Gerecht dat het in het bestreden arrest zijn vordering tot vergoeding van de schade als gevolg van het verlies van rente niet-ontvankelijk heeft verklaard.
41. Anders dan het Parlement stelt zijn deze middelen niet niet-ontvankelijk omdat zij rekwirants belangen niet zouden raken. Zowel door de afwijzing van zijn vordering tot rentebetaling als door de verkeerde beoordeling van de vorderingen die tot nietigverklaring van andere besluiten van het Parlement strekken, kunnen rekwirants belangen zijn geraakt.
1. Middel ontleend aan miskenning van bepaalde vorderingen
42. Met het eerste middel stelt rekwirant dat het bestreden arrest heeft miskend dat in totaal drie zelfstandige besluiten werden betwist, namelijk dat van 26 juni 2003, de stilzwijgende afwijzing van het verzoek van 4 juni 2003 en het besluit van 28 april 2004. Het bestreden arrest geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting door ervan uit te gaan dat rekwirants beroep alleen tegen het besluit van 26 juni 2003 was gericht.
43. Allereerst moet worden onderzocht of dit middel reeds daarom moet worden afgewezen, omdat rekwirant de genoemde vorderingen ter terechtzitting voor het Hof heeft ingetrokken. In punt 31 van het bestreden arrest wordt erop gewezen dat „verzoeker ter terechtzitting heeft toegegeven dat de verschillende in zijn verzoekschrift en in repliek genoemde vorderingen hetzelfde voorwerp hebben, namelijk de nietigverklaring van het besluit van 26 juni 2003”. Uit deze formulering van het Gerecht kan echter niet worden afgeleid dat verzoeker wat deze vorderingen betreft zijn beroep ten dele formeel heeft ingetrokken. Evenmin kan dit uit het proces-verbaal van de terechtzitting worden afgeleid. Dit betekent dat het eerste middel hieronder moet worden onderzocht.
44. Bij het besluit van 28 april 2004 nam het Parlement na indiening van het verzoekschrift op 2 februari 2004 met inachtneming van het geactualiseerde bedrag van de Luxemburgse steun een nieuwe beslissing over de aftrek krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut.
45. Met betrekking tot dit besluit wordt in punt 31 van het bestreden arrest vastgesteld dat het in wezen identiek is aan het besluit van 26 juni 2003. Het bevestigt slechts het besluit van 26 juni 2003 en er moet worden aangenomen dat het beroep tot nietigverklaring niet tegen dat besluit is gericht.
46. Deze vaststelling van het Gerecht lijkt mij niet juist. Met het besluit van 28 april 2004 werd, met inachtneming van het geactualiseerde bedrag van de Luxemburgse steun, voor de toekomst opnieuw beslist over de aftrek krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut. Dit besluit bezwaart rekwirant dus op autonome wijze: zelfs bij de nietigverklaring van het besluit van 26 juni 2003 blijft dit besluit voor de periode vanaf 28 april 2004 verder bestaan. Rekwirant heeft derhalve ook behoefte aan rechtsbescherming voor wat betreft de nietigverklaring van het besluit van 28 april 2004.
47. Deze vordering was overigens ook bij wijze van uitzondering ontvankelijk, ook al was deze voor het eerst in repliek geformuleerd.
48. Volgens de rechtspraak van het Hof is de vordering tot nietigverklaring van een na de instelling van het beroep genomen besluit ontvankelijk, wanneer dat besluit het oude besluit slechts verlengt; het zou in strijd zijn met een behoorlijke rechtsbedeling en met de eisen van de proceseconomie om een verzoeker te verplichten, tegen het nieuwe besluit een nieuw beroep in te stellen.(14)
49. Het is de vraag of deze rechtspraak ook kan worden toegepast in ambtenarenzaken, aangezien in dergelijke zaken de indiening van een klacht een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep is. Maar ook in een dergelijk geval gebiedt het beginsel van proceseconomie, de verzoeker niet naar een andere procedure te verwijzen, voor zover de indiening van een klacht niet nodig is. Dit is het geval wanneer het administratieve besluit waarmee het beroep wordt uitgebreid, het besluit waartegen reeds een klacht was ingediend slechts wijzigt of vervangt. Voorts moet uit het standpunt van de administratie in de procedure voor de rechter blijken dat een klacht geen kans van slagen zou hebben.
50. Rekwirant stelt bovendien dat het bestreden arrest er ten onrechte geen rekening mee houdt dat de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek van 4 juni 2003 een zelfstandig besluit vormt, dat voorwerp van het beroep tot nietigverklaring was.
51. In punt 30 van het bestreden arrest wordt dienaangaande vastgesteld dat het voorwerp van de stilzwijgende afwijzing van het verzoek van 4 juni 2003 identiek is aan dat van het besluit van 26 juni 2003, zodat de vordering tot nietigverklaring ervan samenvalt met de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 26 juni 2003.
52. Ook deze kwalificatie door het bestreden arrest vind ik uiteindelijk niet overtuigend. Het voorwerp van de beide vorderingen is niet identiek. Rekwirants vordering van 4 juni 2003 strekte immers tot betaling van de in het verleden ten onrechte ingehouden dubbele kindertoelage. Deze vordering is dus ruimer dan de betwisting van het besluit van 26 juni 2003, waarmee was besloten de Luxemburgse steun in aftrek te brengen. Tot de aftrek van de Luxemburgse steun was namelijk eerder reeds besloten bij besluiten van 22 oktober 1999 en 18 september 2000. De vordering van 4 juni 2003 strekkende tot terugbetaling van in het verleden ingehouden kindertoelagen kan dus ook betrekking hebben op periodes vóór 2003 en heeft dus een zelfstandig voorwerp.
53. Het eerste middel kan echter geen vernietiging van het bestreden arrest rechtvaardigen, daar de vordering betreffende de stilzwijgende afwijzing van het verzoek van 4 juni 2003 om een andere reden niet-ontvankelijk was. Deze werd namelijk pas in repliek en daarmee te laat ingediend.
2. Vordering tot schadevergoeding
54. Met het tweede middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het in het bestreden arrest zijn vordering tot vergoeding van schade als gevolg van renteverlies heeft afgewezen omdat deze te laat was ingediend.
55. In punt 26 van het bestreden arrest wordt vastgesteld dat rekwirants vordering tot vergoeding van de schade als het gevolg van het verlies van rente ter hoogte van de wettelijke rentevoet zoals opgenomen in de repliek, een vordering tot schadevergoeding vormt die in het verzoekschrift had moeten worden ingediend en, aangezien deze eerst in repliek is geformuleerd, als laattijdig moet worden afgewezen.
56. Deze vaststelling kan bij een rechterlijke toetsing uiteindelijk niet standhouden. Het is juist dat volgens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie het verzoekschrift de vorderingen moet bevatten en dat later in beginsel geen nieuwe vorderingen kunnen worden geformuleerd. De vordering tot rentebetaling over de terug te betalen dubbele kindertoelage kan echter via uitlegging reeds uit het verzoekschrift worden afgeleid en zou dus tijdig zijn geformuleerd. In het verzoekschrift had rekwirant immers reeds gevorderd, verweerder ertoe te verplichten rekwirant alle zonder rechtsgrondslag op zijn bezoldiging ingehouden bedragen te vergoeden mét de wettelijke rente. Het is juist dat rekwirant hier niet uitdrukkelijk de betaling van rente als schadevergoeding heeft gevorderd, doch dit kan niet doorslaggevend zijn. De in repliek geformuleerde vordering moet dus niet als een nieuwe vordering worden aangemerkt, maar slechts als precisering van de oorspronkelijke vordering die in het verzoekschrift reeds voldoende duidelijk was geformuleerd, doch niet uitdrukkelijk als schadevordering was gekwalificeerd. Dit betekent dat de in repliek geformuleerde vordering niet verder gaat dan de oorspronkelijk vordering, maar veeleer daarbij achterblijft, aangezien de veroordeling van het Parlement tot nabetaling van de niet-betaalde kindertoelage niet wordt gehandhaafd.
57. Deze vordering is overigens ook ontvankelijk. Het Gerecht van eerste aanleg is er terecht van uitgegaan dat de gemeenschapsrechter in beginsel niet bevoegd is, de gemeenschapsinstellingen bevelen te geven; volgens artikel 233 EG moet de betrokken instelling bij nietigverklaring van een handeling de maatregelen treffen die voor de uitvoering van het arrest nodig zijn.
58. Artikel 91 van het Statuut bepaalt echter dat het Hof in ambtenarenzaken bij geschillen van geldelijke aard volledige rechtsmacht heeft, waaronder de bevoegdheid om de getroffen maatregelen op te heffen of te wijzigen.
59. De vraag in hoeverre in ambtenarenzaken vorderingen tot veroordeling van instellingen tot betaling van ingehouden uitkeringen als gezinstoelagen of dagvergoedingen ontvankelijk zijn, wordt door het Gerecht van eerste aanleg verschillend beantwoord.(15)
60. Het Parlement is van mening dat het begrip geschillen van geldelijke aard eng moet worden uitgelegd en alleen betrekking heeft op vorderingen tot schadevergoeding. De onderhavige zaak betreffende de dubbele kindertoelage zou niet daaronder vallen, aangezien het Hof in geval van toewijzing – anders dan bij vorderingen tot schadevergoeding – over geen speelruimte beschikt met betrekking tot de hoogte van de door het Parlement te verrichten nabetalingen, maar deze rechtstreeks uit de wet volgt.
61. Voor zover het de rente betreft over de achterstallige kindertoelage gaat het in casu in elk geval om een vordering tot schadevergoeding en daarmee – ook volgens de enge uitlegging van het Parlement – om een geschil van geldelijke aard. Om over deze vordering te beslissen moet het Gerecht echter ook bevoegd zijn om althans impliciet de daaraan voorafgaande vraag te beantwoorden, of er überhaupt een terugbetalingsverplichting van het Parlement bestaat en met name ook voor welke periode de dubbele kindertoelage met terugwerkende kracht moet worden toegekend.
62. De in repliek geformuleerde vordering tot veroordeling van het Parlement tot betaling van schadevergoeding als gevolg van het verlies van rente was dus ontvankelijk.
C – Voorlopig resultaat
63. Zoals uiteengezet, zou rekwirant met het eerste en het tweede middel ten minste ten dele succes hebben gehad. Gelet op mijn standpunt over het derde middel, heeft het Parlement echter terecht de betalingen krachtens Luxemburgs recht in aftrek gebracht op de dubbele kindertoelage. Dit betekent dat het dictum van het arrest juist is en dat de hogere voorziening volledig moet worden afgewezen.
VI – Kosten
64. Volgens artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 daarvan ook van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Overeenkomstig artikel 70 van dit Reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, evenwel te hunnen laste. Uit artikel 122, tweede alinea, van dit Reglement volgt echter dat artikel 70 niet geldt voor de hogere voorziening die – zoals in casu – door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling is ingesteld.
65. Overeenkomstig artikel 122, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof – in afwijking van artikel 69, lid 2, van dat Reglement – in geval van hogere voorziening ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling, de kosten over de partijen verdelen, indien de billijkheid dit vergt. In casu zijn echter geen elementen aanwezig die voor een dergelijke beslissing pleiten.
66. In casu blijft de regel van artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dus gelden. Aangezien het Parlement heeft geconcludeerd tot verwijzing van rekwirant in de kosten en laatstgenoemde in het ongelijk is gesteld, moet hij worden verwezen in de kosten van de hogere voorziening.
VII – Conclusie
67. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, te beslissen als volgt:
„1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Rekwirant wordt verwezen in de kosten van de hogere voorziening.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Arrest Weißenfels/Parlement (T‑33/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
3 – Zie arrest Hof van 9 juni 1992, Lestelle/Commissie (C‑30/91 P, Jurispr. blz. I‑3755, punt 28), en beschikking van 3 juni 2005, Killinger/Duitsland e.a. (C‑396/03 P, Jurispr. blz. I‑4967, punt 12).
4 – Arrest van 7 mei 1987, Commissie/België (186/85, Jurispr. blz. 2029).
5 – Arrest van 7 mei 1987, Commissie/Duitsland (189/85, Jurispr. blz. 2061, punt 12).
6 – In de Engelse versie wordt het begrip „allowance” gebruikt. De Franse versie gebruikt het begrip „allocation”; dit begrip wordt ook voor de Luxemburgse uitkering gebruikt.
7 – Arrest Commissie/België (aangehaald in voetnoot 4).
8 – Arrest Commissie/Duitsland (aangehaald in voetnoot 5).
9 – Arrest Commissie/België (aangehaald in voetnoot 4, punt 30).
10 – Arrest Commissie/België (aangehaald in voetnoot 4, punt 33).
11 – Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 29 januari 1987 in de zaak Commissie/Duitsland (aangehaald in voetnoot 5, onder I).
12 – Arrest Commissie/Duitsland (aangehaald in voetnoot 5, punt 30) en arrest Commissie/België (aangehaald in voetnoot 4, punt 35).
13 – Zie hiervoor ook, zij het in een ander verband, mijn conclusie van 20 oktober 2005 in de zaak Hosse (arrest van 21 februari 2006, C‑286/03, Jurispr. blz. I-1771, punt 97).
14 – Arrest van 29 september 1987, Fabrique de fer de Charleroi en Dillinger Hüttenwerke/Commissie (351/85 en 360/85, Jurispr. blz. 3639, punt 11).
15 – Zie voor de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering onder meer arresten Gerecht van 3 december 1991, Boessen/ESC (T‑10/90 en T‑31/90, Jurispr. blz. II‑1365, veroordeling tot betaling van schooltoelagen); 30 november 1993, Vienne/Parlement (T‑15/93, Jurispr. blz. II‑1327, veroordeling tot betaling van dagvergoeding), en 11 juli 2000, Skrzypek/Commissie (T‑134/99, JurAmbt. blz. I‑A‑139 en II‑633, veroordeling tot betaling van gezinstoelagen en wezenpensioen). Voor de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering pleit ook het arrest van het Hof van 2 oktober 2001, EIB/Hautem (C‑449/99 P, Jurispr. blz. I‑6733, punten 26 en 90 e.v.).
Full & Egal Universal Law Academy