CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 29 maart 2007 (1)
Gevoegde zaken C‑231/06, C‑232/06 en C‑233/06
Émilienne Jonkman e.a.
[verzoek van het Arbeidshof te Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]
„Sociaal beleid – Sociale zekerheid van werknemers – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Wettelijk pensioenverzekeringsstelsel – Bijzondere regeling voor vliegend personeel – Regularisatieprocedure – Modaliteiten van inkoop voor oorspronkelijk uitgesloten groep personen – Discriminatie op grond van geslacht – Effectiviteitsbeginsel”
I – Inleiding
1. Deze prejudiciële procedure heeft wederom tot voorwerp de rechtspositie van Belgische stewardessen ten opzichte van hun mannelijke collega’s, een onderwerp dat het Hof al in de jaren ’70 heeft beziggehouden en dat ten grondslag heeft gelegen aan zijn drie „Defrenne-arresten”.(2) Nadat de rechtspraak zich sedertdien in een groot aantal zaken met name heeft beziggehouden met het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen en met hun gelijke behandeling op het gebied van de arbeidsvoorwaarden, komt het Hof in deze zaak qua onderwerp terug op het uitgangspunt van de Defrenne-rechtspraak, te weten de kwestie van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij het wettelijke ouderdomspensioen.
2. Van 1964 tot en met 1980 gold in België voor mannelijk vliegend personeel een bijzondere regeling voor de wettelijke pensioenverzekering, op grond waarvan zij een hoger ouderdomspensioen konden ontvangen dan anders mogelijk zou zijn geweest krachtens het voor bedienden algemeen geldende stelsel. Daarvoor moesten zij evenwel ook hogere pensioenverzekeringsbijdragen betalen.
3. Vrouwelijk vliegend personeel kan pas sinds 1981 van deze bijzondere regeling gebruikmaken.(3) Voor hun vóór 1981 liggende verzekeringsperiodes kunnen stewardessen alleen dan met terugwerkende kracht van de bijzondere regeling profiteren wanneer zij zich inkopen. Daartoe werd in 1997 een „regularisatieprocedure” in het leven geroepen waarin van de betrokkenen wordt verlangd dat zij regularisatiebijdragen betalen in de vorm van een globale eenmalige storting vermeerderd met 10 % rente per jaar vanaf het einde van elk verzekeringsjaar.
4. Deze regularisatieprocedure, op grond waarvan een gelijke behandeling voor de betrokkenen slechts mogelijk is wanneer zij aanzienlijke financiële lasten voor hun rekening nemen, wordt in de onderhavige procedure voor het eerst vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht onderzocht. Vastgesteld moet worden of de modaliteiten van de inkoop, zoals deze in het Belgische recht voor voormalige stewardessen thans is voorzien, aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen niet zijn nuttig effect ontnemen.
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
5. Richtlijn 79/7/EEG(4) beoogt de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid. Volgens artikel 3, lid 1, sub a, ervan is deze richtlijn onder meer van toepassing op wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen het ouderdomsrisico.
6. Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 luidt als volgt:
„Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:
– de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,
– de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,
– de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties.”
7. De termijn waarbinnen richtlijn 79/7 moest worden uitgevoerd verstreek op 23 december 1984.(5)
B – Nationaal recht
8. Met ingang van 1 januari 1964 werd in België in de wettelijke pensioenverzekering voor het zogenoemde „vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart” een bijzondere regeling ingevoerd, die afweek van het algemene systeem van de regeling voor de rust‑ en overlevingspensioenen van bedienden. Na herziening van de relevante bepalingen in 1969 gold voortaan het koninklijk besluit van 3 november 1969(6) als relevante rechtsgrondslag voor deze bijzondere regeling.
9. De bijzondere regeling wordt met name gekenmerkt door het feit dat zowel voor de inning van de bijdragen als voor de berekening van het pensioen van het vliegend personeel een groter deel van de bezoldiging in aanmerking wordt genomen dan het deel dat wordt gebruikt als grondslag voor de berekening in de algemene regeling die op bedienden van toepassing is. Daardoor konden degenen die van de bijzondere regeling profiteerden een hoger pensioen ontvangen dan de verzekerden krachtens de algemene regeling voor bedienden, maar zij moesten daarvoor eveneens hogere pensioenverzekeringsbijdragen betalen dan in de algemene regeling voorzien.
10. Stewardessen waren oorspronkelijk uitdrukkelijk van de werkingssfeer van deze bijzondere regeling uitgesloten(7), hetgeen voor hen tot gevolg had dat zij dienovereenkomstig lagere pensioenrechten verkregen.(8) Pas bij koninklijk besluit van 27 juni 1980(9) werden de voordelen van de bijzondere regeling per 1 januari 1981 tot stewardessen uitgebreid, maar niet met terugwerkende kracht. Voor de verzekeringsperiodes gelegen tussen 1 januari 1964 en 31 december 1980 bleven de stewardessen, wat betreft het bedrag van de bijdragen en van het pensioen, onderworpen aan de algemene regeling voor bedienden.
11. Bij koninklijk besluit van 25 juni 1997(10) zou ten slotte de gelijke behandeling van mannelijk en vrouwelijk vliegend personeel ook voor het genoemde tijdvak van 1 januari 1964 tot en met 31 december 1980 worden gegarandeerd. Daartoe werd het koninklijk besluit van 3 november 1969 gecompleteerd met een „regularisatieprocedure”, op grond waarvan de betrokken stewardessen door middel van inkoop in het genot van een pensioen konden komen dat op dezelfde grondslag werd berekend als dat van mannelijk vliegend personeel. Deze inkoop vindt plaats door een globale eenmalige storting door de betrokkenen van het totaalbedrag aan regularisatiebijdragen met betrekking tot de tussen 1 januari 1964 en 31 december 1980 liggende tijdvakken van beroepsactiviteit, vermeerderd met 10 % rente per jaar vanaf het einde van elk verzekeringsjaar.
12. Deze regularisatieprocedure is gedetailleerd geregeld in het nieuwe artikel 16ter, § 2 en § 4, derde alinea, van het koninklijk besluit van 3 november 1969(11), luidende als volgt:
„[...]
§ 2. Het voordeel van de bepaling van § 1 [regularisatie] is afhankelijk van de globale storting van de werkgevers‑ en de werknemersbijdragen die inzake pensioen verschuldigd zijn krachtens de bijzondere regelen met betrekking tot het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart, na aftrek van het bedrag van de werkgevers‑ en werknemersbijdragen die gestort werden voor de pensioenen in de hoedanigheid van bediende.
[...]
§ 4. [...] Een enkelvoudige intrest van 10 % per jaar is verschuldigd voor de periode die aanvangt op het einde van elk kalenderjaar van de te regulariseren periode en eindigt op de datum van de aanvraag tot regularisatie.
[...]”
13. Uit artikel 16ter, § 9, tweede alinea, sub b, van het koninklijk besluit van 3 november 1969 volgt bovendien dat een herziening van de pensioenrechten met toepassing van de regularisatieprocedure pas uitwerking heeft nadat de aanvraag tot inkoop is ingediend en dan nog alleen voor de toekomst.
III – Feiten en hoofdgedingen
14. In de hoofdgedingen gaat het om rechtsgeschillen tussen drie voormalige stewardessen, die destijds bij de Belgische luchtvaartmaatschappij Sabena(12) hebben gewerkt, en de Belgische Rijksdienst voor pensioenen (hierna: „RVP”)(13) inzake de berekening van hun ouderdomspensioenen. In wezen willen de drie verzoeksters in de hoofdgedingen bereiken dat hun pensioenen worden berekend volgens de voor hen gunstigere bijzondere regeling voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart, zonder evenwel verplicht te zijn een zeer kostbare inkoop voor het tijdvak vóór 1 januari 1981 af te sluiten. De RVP wijst dit evenwel af.
15. In zaak C‑231/06 heeft de RVP Émilienne Jonkman, geboren op 24 februari 1938, bij beslissing van 24 maart 1997 een rustpensioen voor alleenstaande toegekend ten belope van een jaarlijks bedrag van 536 960 BEF (13 311 EUR) met ingang van 1 februari 1997. Het pensioen werd berekend over een 27/34ste loopbaan, dat wil zeggen voor de jaren 1966 tot en met 1992, gedurende welke Jonkman als stewardess heeft gewerkt.
16. In zaak C‑232/06 heeft de RVP bij beslissing van 6 mei 1996 Hélène Vercheval, geboren op 25 juni 1941, een rustpensioen voor alleenstaande toegekend ten belope van een jaarlijks bedrag van 682 915 BEF (16 929 EUR) met ingang van 1 juli 1996. Het pensioen werd op grondslag van een 33/34ste loopbaan berekend, waarbij is uitgegaan van een beroepsloopbaan als stewardess van 1963 tot en met 1995.
17. In zaak C‑233/06 heeft de RVP ten slotte bij beslissing van 16 december 1996 – die op 22 september 1997 werd bevestigd – Noëlle Permesaen, geboren op 3 januari 1942, een rustpensioen voor alleenstaande toegekend ten belope van een jaarlijks bedrag van 676 734 BEF (16 776 EUR) met ingang van 1 februari 1997. Dit pensioen werd berekend over een 31/34ste loopbaan als stewardess van 1966 tot en met 1994.
18. Tegen deze beslissingen hebben Jonkman, Vercheval en Permesaen elk bij de Arbeidsrechtbank(14) te Nijvel beroep ingesteld op grond van voortdurende discriminatie van stewardessen ten opzichte van mannelijk cabinepersoneel bij de berekening van de pensioenen voor de jaren vóór 1981.
19. Nadat twee verzoeksters, Jonkman en Vercheval, in eerste instantie in het gelijk waren gesteld, ging de RVP tegen de desbetreffende vonnissen van de Arbeidsrechtbank te Nijvel in hoger beroep.(15) In het derde hoofdgeding werd de desbetreffende verzoekster, Permesaen, slechts gedeeltelijk in het gelijk gesteld; tegen het op haar betrekking hebbende vonnis van de Arbeidsrechtbank te Nijvel(16) stelde zij hoger beroep in. Dit betekent derhalve dat thans alle drie de hoofdgedingen in tweede instantie bij het Arbeidshof(17) te Brussel (hierna ook: „verwijzende rechter”) aanhangig zijn.
IV – Verzoeken om een prejudiciële beslissing en procesverloop voor het Hof
20. Bij arresten van 10 mei 2006 heeft het Arbeidshof te Brussel aan het Hof in elk van de drie zaken C‑231/06, C‑232/06 en C‑233/06 de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Aangaande de regularisatiebijdragen(18)
Dient richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat een regeling mag vaststellen die ertoe strekt om een groep personen van een bepaald geslacht, die aanvankelijk werd gediscrimineerd, in staat te stellen gebruik te maken van de pensioenregeling die geldt voor de groep personen van het andere geslacht, wanneer zij met terugwerkende kracht bijdragen betalen (eenmalige betaling van een zeer groot bedrag) waarvan de vordering tot betaling op grond van de in deze staat geldende wettelijke regeling is verjaard voor de laatstgenoemde categorie personen?
Zo ja, dient richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 niet aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat de hiermee strijdige wettelijke regeling moet aanpassen zodra bij een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dit normenconflict wordt vastgesteld, en uiterlijk binnen de verjaringstermijn die geldt voor de vordering tot betaling van bijdragen die voortvloeit uit de vaststelling van deze regeling?
2) Aangaande de vertragingsrente(19)
Dient richtlijn 79/7/EEG van 19 november 1978 aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat een regeling mag vaststellen die ertoe strekt om een groep personen van een bepaald geslacht, die aanvankelijk werd gediscrimineerd, in staat te stellen gebruik te maken van de pensioenregeling die geldt voor de groep personen van het andere geslacht, wanneer zij hoge vertragingsrente betalen die op grond van de in deze staat geldende wettelijke regeling is verjaard voor de laatstgenoemde categorie personen?
Zo ja, dient richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 niet aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat de hiermee strijdige wettelijke regeling moet aanpassen zodra bij een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dit normenconflict wordt vastgesteld, en uiterlijk binnen de verjaringstermijn die geldt voor de vertragingsrente die voortvloeit uit de vaststelling van deze regeling?”
21. Bij beschikking van 21 juni 2006 heeft de president van het Hof de zaken C‑231/06, C‑232/06 en C‑233/06 zowel voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling als ter gelijktijdige berechting bij het arrest gevoegd.
22. In de procedure voor het Hof hebben de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de partijen in de drie hoofdgedingen schriftelijke en mondelinge opmerkingen gemaakt; voorts heeft de Italiaanse regering aan de schriftelijke procedure deelgenomen.
V – Beoordeling
A – Inleidende opmerking
23. In casu staat vast dat stewardessen in België tussen 1964 en 1980 rechtstreeks op grond van geslacht werden gediscrimineerd, omdat hun in het kader van de wettelijke pensioenverzekering de voordelen van de bijzondere regeling voor vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart werden onthouden.
24. In geschil is alleen of de in 1997 ingevoerde regularisatieprocedure, die aan elke discriminatie een einde moest maken, harerzijds verenigbaar is met het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, zoals dit in richtlijn 79/7 is verankerd.
25. Aan de genoemde regularisatieprocedure ligt het beginsel van de inkoop ten grondslag. Vrouwen die willen profiteren van de voordelen van de bijzondere regeling moeten enerzijds regularisatiebijdragen betalen in de vorm van een globale eenmalige betaling, en anderzijds een rente van 10 % over deze regularisatiebijdragen vanaf het einde van het desbetreffende kalenderjaar van de te regulariseren periode. Deze twee betalingen kunnen voor de betrokkenen leiden tot aanzienlijke financiële lasten.
26. De verwijzende rechter maakt deze bijzonderheden van de regularisatieprocedure tot voorwerp van zijn twee prejudiciële vragen. In wezen wenst hij te vernemen of het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen zich verzet tegen een inkoopregeling, die voor de betrokkenen aanzienlijke financiële lasten met zich brengt.
27. Terecht verwijst de verwijzende rechter in dit verband naar richtlijn 79/7. Het is juist dat de termijn voor uitvoering van deze richtlijn pas veel later verstreek dan de hier aan de orde zijnde bijdrageperiode van de jaren 1964 tot en met 1980.(20) Aangezien de richtlijn echter niets anders bepaalt, is zij op de toekomstige (zoals uiteraard ook op de huidige) gevolgen van onder het oude recht ontstane situaties van toepassing.(21) Bijgevolg moet bij de toekenning van pensioenen, zoals die door verzoeksters in de drie hoofdgedingen thans met een beroep op de bijzondere regeling voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart worden gevorderd, het beginsel van gelijke behandeling in de zin van richtlijn 79/7 worden toegepast.
B – De twee prejudiciële vragen
28. Aangezien het antwoord op het verzoek om een prejudiciële beslissing met het oog op zowel de regularisatiebijdragen als de daarover te vergoeden rente van dezelfde beschouwingen afhangt, stel ik voor beide prejudiciële vragen gezamenlijk te behandelen.
1. De regularisatiebijdragen en de daarover te vergoeden rente in het licht van het beginsel van gelijke behandeling
29. Volgens artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, waarop particulieren zich rechtstreeks kunnen beroepen(22), houdt het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid onder meer de afschaffing in van iedere directe of indirecte vorm van discriminatie op grond van geslacht, met betrekking tot de voorwaarden inzake toelating tot de wettelijke pensioenregelingen alsmede de berekening van de prestaties.
30. Deze bepaling concretiseert het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie, dat tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht behoort en volgens vaste rechtspraak vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, voor zover een dergelijke behandeling niet objectief gerechtvaardigd is.(23)
31. Was een pensioenverzekeringsstelsel oorspronkelijk aldus georganiseerd dat het alleen ten goede kwam aan de leden van het ene geslacht, dan vereist het beginsel van gelijke behandeling dat de benadeelde werknemers in dezelfde situatie worden geplaatst als de werknemers van het andere geslacht.(24) In concreto heeft dit tweeërlei betekenis.
32. In de eerste plaats moet een dergelijk stelsel – tot het eventueel is afgeschaft of gewijzigd – ook tot de leden van het andere geslacht worden uitgebreid, teneinde hun discriminatie uit de weg te ruimen.(25)
33. In de tweede plaats kunnen echter de leden van de tot dusverre gediscrimineerde groep personen niet verlangen in financieel opzicht beter behandeld te worden dan wanneer de genoemde regeling vanaf het begin voor hen had opengestaan; zij kunnen zich derhalve met name niet onttrekken aan betaling achteraf van de pensioenverzekeringsbijdragen voor de betrokken periode, wanneer zij aanspraak wensen te maken op de voordelen van de bijzondere regeling.(26)
34. Gelet op deze achtergrond kan principieel geen bezwaar worden gemaakt tegen een regularisatieprocedure als de Belgische, die aan de oorspronkelijk uitgesloten stewardessen de voordelen van de pensioenregeling voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart alleen toekent wanneer zij zich inkopen door alsnog bijdragen te betalen.
35. Zou men namelijk aan de voormalige stewardessen thans de voordelen van de genoemde bijzondere regeling willen toekennen, zonder hun tegelijkertijd bijdragen in rekening te brengen die overeenkomen met die van hun mannelijke collega’s, dan zou dit uiteindelijk tot een ongerechtvaardigde gelijke behandeling van zeer verschillende feitelijke situaties leiden: beide groepen personen zouden de op grond van de gunstige bijzondere regeling berekende pensioenen ontvangen, waarbij echter alleen het mannelijk vliegend personeel vooraf voor dit voordeel ook de dienovereenkomstig hogere pensioenpremies had betaald. Hun vrouwelijke collega’s betaalden in dat tijdvak alleen de lagere premies van het algemene pensioenverzekeringsstelsel en beschikten derhalve over een hoger netto-inkomen.
36. Het zou derhalve een ongerechtvaardigd voordeel voor de voormalige stewardessen betekenen wanneer men hun thans het volgens de bijzondere regeling berekende hogere ouderdomspensioen zou toekennen, zonder van hen regularisatiebijdragen in het kader van een inkoopregeling te verlangen.(27)
37. Of evenwel gelet op het beginsel van gelijke behandeling ook de rente over dergelijke regularisatiebijdragen rechtmatig is, hangt af van de concrete organisatie en doelstelling van de desbetreffende renteregeling.
38. Er zou niets tegen in te brengen zijn wanneer in het kader van de inkoop rente werd geheven over de regularisatiebijdragen teneinde het verlies aan koopkracht te compenseren, om aldus rekening te houden met de tussentijdse inflatie. Veeleer zou het zelfs een uitdrukking vormen van de gelijke behandeling van alle verzekerden in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, wanneer de regularisatiebijdragen van de stewardessen niet alleen nominaal, maar eveneens reëel overeen zouden komen met de bijdragen die hun mannelijke collega’s gedurende een vergelijkbare verzekeringsloopbaan voor de pensioenverzekering hebben betaald.
39. Het in rekening brengen van rente teneinde het verlies aan koopkracht te compenseren is evenwel alleen geoorloofd voor zover met de inflatie niet al bij de berekening van de regularisatiebijdragen zelf rekening is gehouden. Wanneer de regularisatiebijdragen al met inachtneming van de inflatie zijn berekend, mag hiermee niet nog eens in het kader van de rente rekening worden gehouden. Ter terechtzitting voor het Hof was de vertegenwoordigster van de RVP niet in staat volledige inlichtingen te verschaffen over de vraag of de regularisatiebijdragen die in het kader van de toepassing van de regularisatieregeling van 1997 van de voormalige stewardessen werden verlangd, al een compensatie-element voor het verlies aan koopkracht bevatten.
40. Bij de vaststelling van de voor de compensatie van het verlies aan koopkracht eventueel nog noodzakelijke rente moeten de lidstaten over een beoordelingsbevoegdheid kunnen beschikken. Ook een forfaitair rentepercentage, dat gemiddeld een passende compensatie verzekert voor de tussentijdse inflatie, zou ter zake als geoorloofd moeten worden beschouwd. Alleen een rentepercentage dat hoger ligt dan wat voor de compensatie van het verlies aan koopkracht noodzakelijk is, zou niet verenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling, omdat daardoor van de oorspronkelijk gediscrimineerde groep personen niet alleen nominaal, maar ook reëel hogere pensioenpremies zouden worden verlangd dan de premies die destijds door de andere verzekerden moesten worden betaald.
41. Van geen belang is daarentegen welke rente de voormalige stewardessen hadden kunnen verkrijgen wanneer zij in de jaren 1964 tot en met 1980 maandelijks het bedrag waarmee hun nettoloon dat van hun mannelijke collega’s overtrof, op de kapitaalmarkt zouden hebben belegd, derhalve het bedrag waarmee de bijdragen van hun mannelijke collega’s aan de bijzondere regeling de destijds in België geldende algemene pensioenverzekeringsbijdragen te boven gingen. De stewardessen waren destijds immers niet verplicht een aanvullende particuliere ouderdomsvoorziening op te bouwen of bedragen te reserveren voor het geval dat een eventuele latere inkoop nodig mocht zijn. Heden ten dage kan hun daarom ook niet worden verweten dat zij daartoe niet over particulier spaargeld beschikken.
42. Het zou evenzeer misplaatst zijn van de voormalige stewardessen vertragingsrente te verlangen. Zoals namelijk verzoeksters in de hoofdgedingen terecht hebben gesteld, was het hun in de relevante periode van de jaren 1964 tot en met 1980 op grond van de toenmalige stand van het recht in België in het geheel niet mogelijk pensioenverzekeringsbijdragen volgens de bijzondere regeling voor vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart te betalen. Dat zij deze premies pas heden kunnen nabetalen, is niet te wijten aan een nalatigheid van de stewardessen, maar is het rechtstreekse gevolg van de toenmalige stand van het nationale recht waardoor zij werden gediscrimineerd.
43. Het verzoek om een prejudiciële beslissing gaat er zonder meer van uit dat in casu van de betrokkenen de betaling van vertragingsrente wordt verlangd.(28) Het staat aan de verwijzende rechter nogmaals zorgvuldig te onderzoeken of de rente van 10 % per jaar, zoals voorzien in de regularisatieregeling van 1997, niet althans voor een deel dient ter compensatie van het verlies aan koopkracht wegens de sedert de verzekerde jaren 1964 tot en met 1980 ingetreden inflatie. In dit laatste geval zou de rente namelijk rechtmatig zijn, althans alleen voor zover zij niet hoger is dan wat voor een passende koopkrachtcompensatie nodig is.
44. Als voorlopig resultaat moet derhalve worden vastgesteld:
Een nationale regeling die ertoe strekt een oorspronkelijk gediscrimineerde groep personen van het ene geslacht de mogelijkheid te bieden om in het genot te komen van de voor de referentiegroep van het andere geslacht geldende gunstigere pensioenregeling, is niet met richtlijn 79/7 onverenigbaar op de enkele grond dat zij van de betrokkenen verlangt dat zij bij wijze van inkoop
– regularisatiebijdragen betalen
en
– rente betalen over deze regularisatiebijdragen, voor zover het daarbij niet gaat om vertragingsrente en de rente ook niet meer bedraagt dan nodig is voor een passende compensatie van het verlies aan koopkracht.
2. Het vereiste van effectieve uitoefening van het recht op gelijke behandeling
45. Hoewel dus in beginsel op het vereiste van inkoop vanuit het oogpunt van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen niets valt aan te merken, moet nog worden nagegaan of ook een regeling als de Belgische, die gepaard gaat met aanzienlijke financiële lasten voor de betrokkenen, de toets van het beginsel van gelijke behandeling in de zin van richtlijn 79/7 kan doorstaan.
46. Volgens het effectiviteitsbeginsel(29) mogen de relevante voorschriften van het nationale recht de uitoefening van het recht van de betrokkenen op gelijke behandeling in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Ook de beoordelingsbevoegdheid waarover de lidstaten op het gebied van het sociale beleid beschikken, mag niet tot gevolg hebben dat een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht, zoals dat van de gelijke behandeling, van zijn inhoud wordt beroofd.(30)
47. De drie verzoeksters in de hoofdgedingen hebben onweersproken uiteengezet dat de regularisatiebijdragen die zij in de vorm van een eenmalige globale betaling alsnog moesten voldoen, vermeerderd met rente, meer dan 60 000 EUR zouden bedragen(31), waarbij alleen al de rente van meer dan 40 000 EUR het leeuwendeel van dit bedrag vormt.
48. Het is evident dat het vereiste van een globale eenmalige betaling in deze orde van grootte het de betrokkenen in de praktijk onmogelijk of in ieder geval uiterst moeilijk maakt zich in te kopen en aldus aanspraak te maken op de voordelen van de bijzondere regeling voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart.
49. In dit verband moet er inzonderheid rekening mee worden gehouden dat de betrokkenen al met pensioen zijn en hun ouderdomspensioenen blijkens de beslissingen van de RVP tussen 13 311 EUR en 16 929 EUR per jaar liggen, hetgeen overeenkomt met een maandelijks pensioen van minder dan 1 500 EUR. De vooruit te verrichten globale eenmalige betaling zou derhalve een veelvoud van het jaarlijks pensioen van de betrokkenen uitmaken, en zelfs de betaling achteraf van regularisatiebijdragen zonder rente zou als eenmalige betaling van circa 20 000 EUR nog duidelijk neerkomen op meer dan een jaarlijks pensioen.
50. Voor de inkoop zouden de betrokkenen bijgevolg in aanzienlijke mate op hun spaargeld moeten terugvallen en wellicht zelfs leningen moeten sluiten. Het spreekt vanzelf dat dit vanuit het gezichtspunt van verzoeksters, die niet langer een beroepsactiviteit uitoefenen, economisch onverstandig zou zijn. De betrokkenen zullen in geval van twijfel geneigd zijn af te zien van een inkoop, omdat de daaraan verbonden financiële lasten voor hen niet in verhouding staan tot de bereikbare pensioenverhoging van circa 2 500 EUR per jaar (208 EUR per maand).(32)
51. Terecht stellen verzoeksters in de hoofdgedingen derhalve dat een regularisatieregeling als de Belgische onverenigbaar is met het effectiviteitsbeginsel en in feite leidt tot een bestendiging van de door hen ondergane discriminatie.
52. Om de effectieve uitoefening van het recht op gelijke behandeling niet te doen mislukken, zou het de betrokkenen moeten worden toegestaan om hun regularisatiebijdragen en de eventuele rente daarover niet in de vorm van een globale eenmalige betaling te voldoen, maar in maandelijkse termijnen.(33) Het daardoor verleende uitstel voor het alsdan bestaande restant zou er in beslissende mate toe bijdragen dat de economische last voor de betrokkenen acceptabel wordt.
53. Een dergelijk systeem van gespreide betaling zou geenszins leiden tot een ongeoorloofde gunstigere behandeling van de voormalige stewardessen ten opzichte van hun mannelijke collega’s(34), maar integendeel bijdragen tot de vergelijkbaarheid van hun respectieve premieverplichtingen, zoals strookt met het beginsel van gelijke behandeling.(35) Tenslotte werd van het mannelijk vliegend personeel toentertijd ook niet verlangd dat het zijn pensioenverzekeringsbijdragen in één keer betaalde, maar moesten deze in de vorm van maandelijkse betalingen over een tijdvak van meerdere jaren, zelfs decennia, worden voldaan, die bovendien fiscaal aftrekbaar waren.(36)
54. Het bedrag van de maandelijkse termijnen moet steeds worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het individuele geval. Daarbij kan ervan worden uitgegaan dat de regularisatiebijdragen alsmede de eventuele rente daarover gedurende de vermoedelijke duur van de aanspraak op het ouderdomspensioen volledig moeten worden afbetaald.
55. Om evenwel te voldoen aan het effectiviteitsbeginsel, zou voorts het bedrag van de maandelijkse totale lasten van de betrokkenen zodanig moeten worden beperkt dat hun inkoop hun nog een duidelijk voordeel kan opleveren ondanks de te betalen regularisatiebijdragen en eventuele rente. De gespreide betalingen voor de regularisatiebijdragen inclusief rente mogen derhalve niet volledig de maandelijkse verhoging van het pensioen opslokken die een voormalige stewardess bij gebruikmaking van de bijzondere regeling mag verwachten. Zo zou het bijvoorbeeld redelijk zijn circa de helft van de ontstane pensioenverhoging als gespreide betaling in te houden en de andere helft daadwerkelijk aan de gepensioneerden uit te betalen.(37)
56. Het is juist dat de betrokkenen bij de toepassing van een dergelijk stelsel van qua bedrag beperkte gespreide betalingen al voortijdig in het genot van een pensioenverhoging zouden komen waarvoor zij nog niet alle verzekeringswiskundig noodzakelijke bijdragen zouden hebben betaald. Evenmin kan worden uitgesloten dat de betrokkenen de noodzakelijke regularisatiebijdragen gedurende de periode van aanspraak op hun pensioen niet volledig zouden kunnen opbrengen.(38) Dit kan ongetwijfeld leiden tot een zekere extra financiële belasting van het nationale pensioensysteem.
57. Evenwel moeten de lidstaat in de wetgeving waarvan de eigenlijke oorzaak van een discriminatie op grond van geslacht ligt, en de met hem gelieerde instanties van de wettelijke pensioenverzekering ook eventuele financiële lasten dragen die door een effectieve toepassing van het beginsel van gelijke behandeling worden veroorzaakt. Zuiver budgettaire overwegingen kunnen een discriminatie op grond van geslacht niet rechtvaardigen.(39) Evenmin kan daarop later een beroep worden gedaan wanneer het erom gaat de gevolgen van een discriminatie uit het verleden daadwerkelijk te elimineren.
58. In casu heeft overigens noch de Belgische regering(40) noch de RVP gemotiveerd gesteld dat, wanneer voormalige stewardessen de voordelen van de bijzondere regeling voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart al vóór de volledige betaling van alle regularisatiebijdragen inclusief eventuele rente werden toegekend, het financiële evenwicht van het nationale pensioensysteem ernstig zou worden aangetast.(41)
59. De Belgische wetgever lijkt hoe dan ook bij de uitwerking van de regularisatieregeling niet van een budgettairneutrale inkoop van de voormalige stewardessen te zijn uitgegaan. De regularisatieregeling van 1997 bepaalt namelijk dat alleen de werknemersbijdragen voor de verzekeringsjaren tussen 1964 en 1980 verschuldigd zijn, terwijl de werkgever uitdrukkelijk wordt vrijgesteld van de betaling van de door hem verschuldigde pensioenverzekeringspremies.(42)
60. Als voorlopig resultaat moet derhalve het volgende worden vastgesteld:
Een nationale regeling die ertoe strekt een oorspronkelijk gediscrimineerde groep personen van het ene geslacht de mogelijkheid te bieden om in het genot te komen van de voor de referentiegroep van het andere geslacht geldende gunstigere pensioenregeling, is met richtlijn 79/7 onverenigbaar voor zover zij voor de betrokkenen gepaard gaat met zulke hoge financiële lasten in de vorm van globale eenmalige betalingen, dat een inkoop voor hen in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. Eventueel moeten gespreide betalingen worden toegestaan, waarvan het bedrag aldus moet worden berekend dat de inkoop ondanks de te betalen regularisatiebijdragen en eventuele rente aan de betrokkenen nog een merkbaar voordeel kan verschaffen.
C – Slotopmerkingen
1. Aanvangstijdstip van de inkoop
61. Ter terechtzitting voor het Hof werd er nog op gewezen dat volgens de Belgische regularisatieregeling van 1997 een eventuele inkoop alleen voor de toekomst effect sorteert en de betrokkenen derhalve alleen voor de periode na een aanvraag tot inkoop een hoger pensioen mogen verwachten.(43)
62. In beginsel is de vaststelling van redelijke bepalingen inzake verval van recht met het gemeenschapsrecht verenigbaar, voor zover daarbij de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit in acht worden genomen. Zo heeft het Hof bijvoorbeeld beslist dat de lidstaten beroepstermijnen die gelden op straffe van verval van recht kunnen vaststellen mits genoemde beginselen worden gerespecteerd.(44)
63. In dezelfde zin moet het mogelijk zijn een op grond van het gemeenschapsrecht verplicht hoger pensioen voor de leden van een oorspronkelijk gediscrimineerde groep personen eerst vanaf de indiening van de aanvraag en alleen voor de toekomst te verlenen. Dit veronderstelt evenwel dat ook elders in het nationale recht de correctie van eventuele vergissingen bij de berekening van pensioenaanspraken uitsluitend voor de toekomst geldt (gelijkwaardigheidsbeginsel).(45)
64. Daarbij moet echter rekening worden gehouden met het feit dat voor een alleen voor de toekomst verleende pensioenverhoging niet in dezelfde omvang regularisatiebijdragen kunnen worden verlangd als voor een pensioenverhoging die de betrokkenen met terugwerkende kracht moet worden uitbetaald. Het beginsel van gelijke behandeling gebiedt verlagingen op de regularisatiebijdragen toe te passen en aldus verzekeringswiskundig rekening te houden met de omstandigheid dat de betrokkenen het hogere pensioen niet al bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zullen ontvangen, doch eerst vanaf het aanzienlijk latere tijdstip van de indiening van de aanvraag tot inkoop.
65. Mocht derhalve de verwijzende rechter tot de conclusie komen dat een inkoop van verzoeksters in de drie hoofdgedingen alleen werking voor de toekomst heeft en daarvoor nog een speciale aanvraag moet worden ingediend, dan moeten aan hen passende kortingen op de te betalen regularisatiebijdragen en eventuele rente worden verleend. Wanneer de verwijzende rechter daarentegen tot de conclusie mocht komen dat de door verzoeksters in de drie hoofdgedingen aangewende rechtsmiddelen tegen de beslissingen inzake hun pensioenen impliciet al een aanvraag tot inkoop inhielden, dan moet aan hen het hogere pensioen ook met terugwerkende kracht worden toegekend. Eventueel kan de RVP in het laatste geval de verschuldigde regularisatiebijdragen en eventuele rente verrekenen met de sedert het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd alsnog te betalen pensioenverhogingen.
2. Verjaring van bijdragen‑ en renteschulden
66. In zijn verzoeken om een prejudiciële beslissing wijst de verwijzende rechter er inzonderheid op dat eventuele bijdragen‑ en renteschulden die mannelijk vliegend personeel thans nog voor de litigieuze periode van 1964 tot en met 1980 mocht hebben, al zijn verjaard.
67. Deze omstandigheid alleen sluit evenwel niet uit dat thans van het vrouwelijk vliegend personeel regularisatiebijdragen en eventueel rente wordt verlangd wanneer het aanspraak wil maken op de voordelen van de bijzondere regeling voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart bij wijze van inkoop.
68. Ten aanzien van de verjaring kunnen namelijk eventuele bijdragen van mannelijk vliegend personeel voor de periode 1964 tot en met 1980 niet worden vergeleken met de regularisatiebijdragen die vrouwelijk vliegend personeel moet betalen wanneer het een inkoop aanvraagt. De respectieve bijdragenschulden zijn niet op hetzelfde tijdstip ontstaan en kunnen derhalve ook niet op hetzelfde tijdstip verjaren. Veeleer ligt het juist in de aard van de zaak dat eerder ontstane bijdragen‑ en renteschulden ook eerder verjaren dan die welke hoe dan ook eerst achteraf op grond van een aanvraag van de betrokkenen tot inkoop ontstaan.
69. Wanneer men de door de voormalige stewardessen te betalen regularisatiebijdragen inclusief rente van meet af aan als verjaard beschouwt, zou het beginsel van inkoop zinloos zijn en in feite neerkomen op een gunstigere behandeling van vrouwelijk vliegend personeel ten opzichte van mannelijk vliegend personeel. Een dergelijk resultaat zou evenwel in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Zoals al vermeld(46), kunnen de leden van de tot dusverre gediscrimineerde groep personen zich niet met een beroep op het beginsel van gelijke behandeling onttrekken aan een betaling achteraf van hun pensioenverzekeringspremies voor het litigieuze tijdvak.
70. Zoals vanzelf spreekt, moeten echter voor de (eventueel in termijnen te betalen) regularisatiebijdragen van stewardessen inclusief rente telkens vanaf het moment dat zij ontstaan dezelfde verjaringstermijnen gelden als voor de pensioenverzekeringspremies en rente die indertijd door het mannelijk vliegend personeel voor de verzekeringsjaren 1964 tot en met 1980 moesten worden betaald.
3. Eventuele beperking van de werking van het arrest in de tijd
71. In sommige gevallen die betrekking hadden op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, heeft het Hof met een beroep op het beginsel van rechtszekerheid de werking in de tijd van zijn arresten beperkt.(47)
72. Volgens vaste rechtspraak is een dergelijke beperking echter slechts bij uitzondering(48) mogelijk, namelijk wanneer aan twee voorwaarden is voldaan(49): in de eerste plaats moet er gevaar bestaan voor ernstige economische gevolgen, die met name verband houden met het grote aantal rechtsbetrekkingen die te goeder trouw op basis van geldig geachte wettelijke regelingen zijn tot stand gekomen. In de tweede plaats moeten particulieren en de nationale autoriteiten tot een met de communautaire regeling strijdig gedrag zijn gebracht op grond van een objectieve en grote onzekerheid over de strekking van de communautaire bepalingen, aan welke onzekerheid het gedrag van andere lidstaten of van de Commissie eventueel had bijgedragen.
73. In casu is evenwel aan de eerste voorwaarde niet voldaan. Zoals al vermeld, heeft noch de Belgische regering noch de RVP gemotiveerd gesteld dat bij de hier overwogen oplossing ernstige economische gevolgen te vrezen zouden zijn, bijvoorbeeld het gevaar voor ernstige aantasting van het financieel evenwicht van de nationale pensioenregeling.
74. Derhalve bestaat er voor het Hof geen aanleiding om de werking in de tijd van zijn arrest in casu te beperken.
VI – Conclusie
75. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van het Arbeidshof te Brussel als volgt te beantwoorden:
1) Een nationale regeling die ertoe strekt een oorspronkelijk gediscrimineerde groep personen van het ene geslacht de mogelijkheid te bieden om in het genot te komen van de voor de referentiegroep van het andere geslacht geldende gunstigere pensioenregeling, is niet met richtlijn 79/7/EEG onverenigbaar op de enkele grond dat zij van de betrokkenen verlangt dat zij bij wijze van inkoop
– regularisatiebijdragen betalen
en
– rente betalen over deze regularisatiebijdragen, voor zover het daarbij niet gaat om vertragingsrente en de rente ook niet meer bedraagt dan nodig is voor een passende compensatie van het verlies aan koopkracht.
2) Een dergelijke regeling is evenwel met richtlijn 79/7/EEG onverenigbaar voor zover zij voor de betrokkenen gepaard gaat met zulke hoge financiële lasten in de vorm van globale eenmalige betalingen, dat een inkoop voor hen in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. Eventueel moeten gespreide betalingen worden toegestaan, waarvan het bedrag aldus moet worden berekend dat de inkoop ondanks de te betalen regularisatiebijdragen en eventuele rente aan de betrokkenen nog een merkbaar voordeel kan verschaffen.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Arresten van 25 mei 1971, Defrenne I (80/70, Jurispr. blz. 445); 8 april 1976, Defrenne II (43/75, Jurispr. blz. 455), en 15 juni 1978, Defrenne III (149/77, Jurispr. blz. 1365, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen beloning en andere arbeidsvoorwaarden).
3 – Deze ongelijke behandeling werd al in het arrest Defrenne I (aangehaald in voetnoot 2, punten 3 en 4) voor het Hof aan de orde gesteld, destijds evenwel in verband met de uitlegging van artikel 119 EEG-Verdrag.
4 – Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB L 6, blz. 24; hierna: „richtlijn 79/7”).
5 – Dit volgt uit artikel 8, lid 1, van richtlijn 79/7; zie hiervoor eveneens arresten van 4 december 1986, Nederland/Federatie Nederlandse Vakbeweging (71/85, Jurispr. blz. 3855, punten 15 en 33), en 1 juli 1993, Van Cant (C‑154/92, Jurispr. blz. I‑3811, punt 17).
6 – Belgisch Staatsblad van 10 december 1969, blz. 11903.
7 – Zie artikel 1, § 1, sub 2, van het koninklijk besluit van 3 november 1969, waarin de definitie van het vliegend personeel de uitdrukkelijke aanvulling „met uitzondering van stewardessen” („à l’exclusion des hôtesses de l’air”) bevatte. Deze ongelijke behandeling werd verklaard door het feit dat stewardessen op grond van de destijds voor hen geldende ouderdomsgrens van veertig jaar niet een volledige verzekeringsloopbaan in hun beroep konden afleggen, zodat de bijzondere regeling niet voor hen openstond.
8 – Zo berekenden verzoeksters in de hoofdgedingen – zonder op dit punt te worden tegengesproken – dat bijvoorbeeld het na een verzekeringsperiode van 34 jaar op 1 januari 1991 door een steward verkregen ouderdomspensioen 733 760 BEF per jaar zou hebben bedragen (circa 18 189 EUR), maar het door een stewardess verkregen pensioen daarentegen slechts 611 290 BEF (circa 15 153 EUR).
9–
Belgisch Staatsblad van 23 augustus 1980, blz. 9700.
10–
Belgisch Staatsblad van 31 juli 1997, blz. 19635. Het eerder vastgestelde koninklijk besluit van 28 maart 1984 (Belgisch Staatsblad van 3 april 1984, blz. 4100) werd door de Belgische Raad van State bij arrest nr. 28435 van 2 september 1987 nietig verklaard.
11 – Deze bepaling werd bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 25 juni 1997 ingevoegd.
12 – Société anonyme belge d’exploitation de la navigation aérienne.
13 – Voetnoot irrelevant voor het Nederlands.
14 – Voetnoot irrelevant voor het Nederlands.
15 – Vonnissen van 17 november 1997 en 9 januari 1998.
16 – Vonnis van 26 december 2003.
17 – Voetnoot irrelevant voor het Nederlands.
18 – Artikel 16ter, § 2, van het koninklijk besluit van 3 november 1969 in de versie van artikel 4 van het koninklijk besluit van 25 juni 1997.
19 – Artikel 16ter, § 4, derde alinea, van het koninklijk besluit van 3 november 1969 in de versie van artikel 4 van het koninklijk besluit van 25 juni 1997.
20 – Richtlijn 79/7 moest uiterlijk op 23 december 1984 worden uitgevoerd; zie punt 7 van deze conclusie.
21 – Vaste rechtspraak. Zie onder meer arresten van 15 februari 1978, Bauche en Delquignies (96/77, Jurispr. blz. 383, punt 48); 29 januari 2002, Pokrzeptowicz-Meyer (C‑162/00, Jurispr. blz. I‑1049, punt 50); 14 april 2005, Commissie/Luxemburg (C‑519/03, Jurispr. blz. I‑3067, punt 49); 7 februari 2002, Kauer (C‑28/00, Jurispr. blz. I‑1343, punt 20), en 6 juli 2006, Kersbergen-Lap en Dams-Schipper (C‑154/05, Jurispr. blz. I‑6249, punt 42).
22 – Zie arresten Nederland/Federatie Nederlandse Vakbeweging (punten 21 en 23) en Van Cant (punten 17 en 18), beide aangehaald in voetnoot 5.
23 – Zie onder meer arresten van 30 maart 2004, Alabaster (C‑147/02, Jurispr. blz. I‑3101, punt 45); 14 december 2004, Swedish Match (C‑210/03, Jurispr. blz. I‑11893, punt 70); 14 april 2005, België/Commissie (C‑110/03, Jurispr. blz. I‑2801, punt 71), en 12 september 2006, Eman en Sevinger (C‑300/04, Jurispr. blz. I‑8055, punt 57).
24 – Arrest van 28 september 1994, Fisscher (C‑128/93, Jurispr. blz. I‑4583, punt 35).
25 – Zie in het algemeen over het vereiste van uitbreiding van de voordelen van een regeling tot de gediscrimineerde groep personen arresten van 15 januari 1998, Schöning-Kougebetopoulou (C‑15/96, Jurispr. blz. I‑47, punt 35); 12 december 2002, Rodriguez Caballero (C‑442/00, Jurispr. blz. I‑11915, punt 42); 20 maart 2003, Kutz-Bauer (C‑187/00, Jurispr. blz. I‑2741, punt 72), en 7 september 2006, Cordero Alonso (C‑81/05, Jurispr. blz. I‑7569, punt 45). Zie inzonderheid met betrekking tot richtlijn 79/7 de in voetnoot 5 aangehaalde arresten Nederland/Federatie Nederlandse Vakbeweging (punt 23) en Van Cant (punten 19‑22), alsmede arrest van 13 december 1989, Ruzius-Wilbrink (102/88, Jurispr. blz. 4311, punt 20).
26 – Zie arrest Fisscher (aangehaald in voetnoot 24, punten 36 en 37) en arrest van 24 oktober 1996, Dietz (C‑435/93, Jurispr. blz. I‑5223, punt 34), alsmede conclusie van advocaat-generaal Van Gerven van 7 juni 1994 in de zaak Vroege (C‑57/93, Jurispr. blz. I‑4541, punt 30). Ofschoon deze zaken betrekking hebben op bedrijfspensioenregelingen en deze vanuit het gezichtspunt van artikel 119 EEG-Verdrag (thans artikel 141 EG) onderzoeken, kunnen de overwegingen in die zaken zonder meer op de onderhavige wettelijke pensioenstelsels en richtlijn 79/7 worden overgebracht. Zowel artikel 141 EG als ook artikel 4 van richtlijn 79/7 is de uitdrukking van het algemene beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie.
27 – In dit verband is het vanuit het gemeenschapsrecht bezien van geen belang dat de pensioenbeslissingen aan de verzoeksters in de drie hoofdgedingen werden gegeven vóór de vaststelling van de Belgische regularisatieregeling van 1997. Hoe dan ook volgt immers uit het gemeenschapsrecht dat de betrokkenen nimmer aanspraak hadden op regularisatie zonder betaling van regularisatiebijdragen.
28 – De formulering van de regularisatieregeling van 1997 lijkt in dit opzicht niet geheel duidelijk te zijn: weliswaar wordt in artikel 16ter, § 4, derde alinea, van het koninklijk besluit van 3 november 1969 in de versie van het koninklijk besluit van 25 juni 1997 de neutraal klinkende formulering „enkelvoudige intrest” (Frans: „intérêt simple”) gebruikt, maar zoals de Commissie terecht ter terechtzitting heeft aangevoerd, wordt diezelfde rente vervolgens in § 6 van deze bepaling als „verwijlintrest” (Frans: „intérêt de retard”) aangegeven.
29 – Zie inzake het effectiviteitsbeginsel in het algemeen onder meer arresten van 16 mei 2000, Preston (C‑78/98, Jurispr. blz. I‑3201, inzonderheid punt 31), en 4 juli 2006, Adeneler (C‑212/04, Jurispr. blz. I‑6057, punt 95).
30 – Arrest van 9 februari 1999, Seymour-Smith en Perez (C‑167/97, Jurispr. blz. I‑623, punt 75), en arrest Kutz-Bauer (aangehaald in voetnoot 25, punt 57); in dezelfde zin arrest van 11 januari 2007, ITC (C‑208/05, Jurispr. blz. I‑00000, punt 40).
31 – Voor de gehele periode tussen 1 januari 1964 en 31 december 1980 zou de globale eenmalige betaling met inbegrip van rente meer dan 63 000 EUR hebben bedragen (volgens de door verzoeksters overgelegde berekeningen van de RVP van 19 november 1997 in twee vergelijkbare gevallen).
32 – Aldus de onbetwiste gegevens van verzoeksters in de hoofdgedingen.
33 – Ik wijs er terloops op dat een dergelijk systeem van gespreide betaling in de regularisatieregeling van 1997 al bestaat, ook al is het voorshands beperkt tot die gevallen waarin de betrokkenen nog geen pensioen ontvangen (artikel 16ter, § 6, derde alinea, van het koninklijk besluit van 3 november 1969 in de versie van het koninklijk besluit van 25 juni 1997).
34 – Zie daartoe nogmaals punten 31 en 34 van deze conclusie.
35 – In dit verband zij er nogmaals aan herinnerd dat volgens het beginsel van gelijke behandeling de benadeelde werknemers in dezelfde situatie moeten worden geplaatst als de werknemers van het andere geslacht (arrest Fisscher, aangehaald in voetnoot 24, punt 35).
36 – In de procedure voor het Hof bleef onduidelijk of en in hoeverre inkooppremies en rente die in het kader van de regularisatieprocedure werden geheven, fiscaal aftrekbaar waren. Hoe dit ook zij, een eventuele fiscale aftrekbaarheid zou de betrokkenen heden ten dage gezien hun bescheiden pensioeninkomen nauwelijks merkbare voordelen opleveren.
37 – Indien bijvoorbeeld de toepassing van de bijzondere regeling voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart in het geval van een voormalige stewardess leidt tot een maandelijkse verhoging van het pensioen van 200 EUR in vergelijking met een ouderdomspensioen dat volgens het algemene stelsel voor bedienden is berekend, zou het redelijk zijn om de betrokkenen hiervan circa 100 EUR effectief uit te betalen en de overblijvende 100 EUR als gespreide betaling voor de regularisatiebijdragen in te houden.
38 – De verplichting om achteraf regularisatiebijdragen te betalen moet ten laatste bij de dood van de betrokkenen eindigen, opdat de financiële gevolgen van de door de vroegere stewardessen ondergane discriminatie niet ten laste van de erfgenamen komen.
39 – Vaste rechtspraak. Zie bijvoorbeeld arresten van 24 februari 1994, Roks e.a. (C‑343/92, Jurispr. blz. I‑571, punten 35 en 36); 6 april 2000, Jørgensen (C‑226/98, Jurispr. blz. I‑2447, punt 39); 23 oktober 2003, Schönheit en Becker (C‑4/02 en C‑5/02, Jurispr. blz. I‑12575, punt 85), en Kutz-Bauer (aangehaald in voetnoot 25, punten 59 en 60).
40 – De Belgische regering heeft zelfs niet aan de procedure voor het Hof deelgenomen.
41 – Zie voor deze eventuele rechtvaardigingsgrond – op het overeenkomstige gebied van de fundamentele vrijheden – met name arrest van 28 april 1998, Kohll (C‑158/96, Jurispr. blz. I‑1931, punt 41) en arrest ITC (aangehaald in voetnoot 30, punt 43).
42 – Artikel 16ter, § 2 en § 3, van het koninklijk besluit van 3 november 1969 in de versie van het koninklijk besluit van 25 juni 1997.
43 – Zoals ook de RVP ter terechtzitting heeft bevestigd, volgt dit uit artikel 16ter, § 9, tweede alinea, sub b, van het koninklijk besluit van 3 november 1969 in de versie van het koninklijk besluit van 25 juni 1997.
44 – Zie bijvoorbeeld arresten van 16 december 1976, Rewe/Landwirtschaftskammer Saarland (33/76, Jurispr. blz. 1989, punt 5); 15 september 1998, Edis (C‑231/96, Jurispr. blz. I‑4951, punten 20 en 35), en 17 juni 2004, Recheio-Cash&Carry (C‑30/02, Jurispr. blz. I‑6051, punt 18).
45 – Als voorbeeld zou kunnen dienen de herberekening van pensioenaanspraken teneinde op redelijke wijze rekening te houden met bepaalde tijdvakken van vorming of opvoeding die de verzekerde heeft vervuld.
46 – Zie punten 33 en 34 van deze conclusie.
47 – Zie inz. arrest Defrenne II (aangehaald in voetnoot 2, punten 69‑75, inz. punt 74) en arrest van 17 mei 1990, Barber (C‑262/88, Jurispr. blz. I‑1889, punten 40‑45, inz. punt 44).
48 – Arresten van 15 maart 2005, Bidar (C‑209/03, Jurispr. blz. I‑2119, punt 67); 27 april 2006, Richards (C‑423/04, Jurispr. blz. I‑3585, punt 40), en 6 maart 2007, Meilicke (C‑292/04, Jurispr. blz. I‑00000, punt 35).
49 – Arresten Bidar (punt 69) en Richards (punt 42), aangehaald in voetnoot 48.
Full & Egal Universal Law Academy