CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 10 juli 2007 1(1)
Gevoegde zaken C‑260/06 en C‑261/06
Strafzaak
tegen
Daniel Escalier en Jean Bonnarel
[verzoek om een prejudiciële beslissing van de Cour d’appel te Montpellier (Frankrijk)]
„Richtlijn 91/414/EEG – Werkingssfeer – Artikel 28 EG – Vergunning voor in handel brengen van parallel ingevoerd product – Gewasbeschermingsmiddel ingevoerd uit lidstaat van EER of derde land – Identiek met in lidstaat van invoer reeds toegestaan gewasbeschermingsmiddel – Voorwaarden voor toelating van invoer – Eerbiediging van evenredigheidsbeginsel”
I – Inleiding
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft twee vragen van de Cour d’appel te Montpellier (Frankrijk). De verwijzende rechter vraagt het Hof in wezen of een lidstaat bevoegd is om van een wijnbouwer te verlangen dat hij een vergunning voor het in de handel brengen (hierna: „VHB”) aanvraagt voor de invoer van een gewasbeschermingsmiddel dat in de lidstaat van herkomst is goedgekeurd, terwijl het product overeenkomt met een referentieproduct dat op het grondgebied van de lidstaat van invoer reeds is toegelaten.
2. Deze vragen zijn gerezen in een geding voor de Cour d’appel te Montpellier tussen de Direction régionale de l’agriculture et de la forêt (regionale directie voor land‑ en bosbouw; hierna: „DRAF”) en Escalier en Bonnarel, wijnbouwers die in Frankrijk in de grensstreek met Spanje zijn gevestigd, die zijn veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete voor het bezit en het gebruik van middelen tegen parasieten voor gebruik in de landbouw, waarvoor in Frankrijk geen VHB is afgegeven. Deze producten zijn gekocht in Spanje waar ze veel goedkoper zijn, en waren uitsluitend bestemd voor hun wijngaarden. Er zouden trouwens gelijksoortige producten in Frankrijk te koop zijn.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Gemeenschapsrecht
1. Het EG-Verdrag
3. Artikel 28 EG bepaalt: „kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden”.
4. Naar luid van artikel 30 EG vormen „de bepalingen van [artikel 28] geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen”.
2. Richtlijn 94/414/EG
5. Richtlijn 91/414/EG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen(2) (hierna: „richtlijn 91/414”) harmoniseert de wetgeving van de lidstaten betreffende de toelating, het op de markt brengen, het gebruik van en het toezicht op gewasbeschermingsmiddelen.
6. Volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 91/414 bepalen „de lidstaten [...] dat een gewas[beschermings]middel alleen op hun grondgebied op de markt mag worden gebracht en gebruikt, indien zij het betrokken gewasbeschermingsmiddel [...] hebben toegelaten [...]”.
7. Artikel 9, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 91/414 bepaalt met name dat de „toelating voor een gewasbeschermingsmiddel [...] door of namens degene die er verantwoordelijk voor is dat het middel voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt wordt gebracht, [moet] worden aangevraagd bij de bevoegde instanties van elke lidstaat waar het gewasbeschermingsmiddel op de markt zal worden gebracht”. Voor de eerste toelating moet een complete evaluatie van het product worden uitgevoerd.
8. Richtlijn 91/414 bevat evenwel geen enkele bepaling over de voorwaarden voor toekenning van een VHB in het geval van parallelimport, dat wil zeggen als een marktdeelnemer een in de ene lidstaat goedgekeurd product wil invoeren in een andere lidstaat waar een soortgelijk product reeds is goedgekeurd.
B – Nationaal recht
9. Op grond van artikel L-253-1 van de code rural (landbouwwetboek) „is het op de markt brengen, het gebruik en het bezit door de eindgebruiker van gewasbeschermingsmiddelen waarvoor geen vergunning voor het in de handel brengen is verleend, verboden”.
10. De voorwaarden voor verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen zijn in Frankrijk geregeld in besluit nr. 94-359 van 5 mei 1994(3), vastgesteld ter omzetting in nationaal recht van richtlijn 91/414.
11. Besluit nr. 2001-317 van 4 april 2001 stelt een vereenvoudigde VHB-procedure voor gewasbeschermingsmiddelen afkomstig uit de Europese Economische Ruimte vast.(4) Naar luid van artikel 4 „kan de vergunning voor het in de handel brengen van producten op het Franse grondgebied worden geweigerd of ingetrokken [...] om redenen van bescherming van de gezondheid van mens en dier en het milieu; [...] wegens het ontbreken van overeenstemming, in de zin van artikel 1, met het referentieproduct”.
12. De bijlage bij het besluit van 17 juli 2001 houdende toepassing van besluit nr. 2001-317 tot vaststelling van een vereenvoudigde VHB-procedure in het kader van parallelimport van gewasbeschermingsmiddelen(5), bepaalt dat de aanvrager van een VHB met name de volgende informatie moet verstrekken: „voorgestelde handelsnaam in Frankrijk van het product dat voorwerp van de aanvraag is”.
III – Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13. De hoofdgedingen betreffen een geschil tussen wijnbouwers uit de Languedoc-Roussillon, een aan Spanje grenzende streek, en de DRAF.
A – De zaak Escalier (zaak C‑260/01)
14. Op 6 mei 2003 hebben inspecteurs van de DRAF een controle uitgevoerd van de opslagplaatsen van parasietenbestrijdingsmiddelen van Spaanse oorsprong voor agrarisch gebruik op het domein dat door Escalier wordt geëxploiteerd en een proces-verbaal opgemaakt wegens het gebruik en het bezit met het oog op het gebruik ervan van producten waarvoor geen VHB was afgegeven, welke feiten strafbaar zijn. Op 7 januari 2004 heeft de DRAF besloten dat tegen Escalier een strafvervolging moest worden ingesteld. Op 15 juni 2005 heeft het Tribunal de grande instance te Carcassonne (Frankrijk) Escalier schuldig bevonden aan bovengenoemde strafbare feiten en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 1 500 EUR. Deze rechterlijke instantie heeft ook de gedeeltelijke publicatie van het vonnis in de regionale dagbladen op kosten van de veroordeelde gelast. Escalier is tegen dit vonnis in beroep gegaan bij de Cour d’appel te Montpellier.
B – De zaak Bonnarel (zaak C‑261/01)
15. Op 17 april 2003 hebben inspecteurs van de DRAF een controle uitgevoerd van de opslagplaatsen van parasietenbestrijdingsmiddelen van Spaanse oorsprong voor agrarisch gebruik op het domein dat door Bonnarel wordt geëxploiteerd en een proces-verbaal opgemaakt tot inbeslagneming van deze producten, waarvoor geen VHB was afgegeven. Op 2 juli daarna hebben zij een proces-verbaal opgemaakt waarin het strafbare feit van bezit met het oog op het gebruik ervan van deze producten is vastgesteld. De DRAF heeft daarop besloten dat tegen Bonnarel een strafvervolging moest worden ingesteld. Op 15 juni 2005 heeft het Tribunal de grande instance te Carcassonne Bonnarel schuldig verklaard aan bovengenoemd strafbaar feit en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 1 500 EUR. Deze rechterlijke instantie heeft eveneens de gedeeltelijke publicatie van het vonnis in de regionale dagbladen op kosten van de veroordeelde gelast. Bonnarel heeft tegen dit vonnis beroep ingesteld bij de Cour d’appel te Montpellier.
C – Prejudiciële vragen
16. De Cour d’appel te Montpellier heeft de volgende vaststellingen gedaan: de VHB-procedure die door de Franse wetgever is vastgesteld heeft tot doel ervoor te zorgen dat geen producten op de markt worden gebracht die risico’s en gevaren inhouden voor mens, dier en milieu; de vereenvoudigde toelatingsprocedure beoogt het beginsel van het vrije verkeer binnen de Gemeenschap te verzoenen met de noodzaak om ervoor te zorgen dat iedere lidstaat kan toezien op de bescherming van de volksgezondheid en het milieu, met name rekening houdend met de plaatselijke specifieke omstandigheden; richtlijn 91/414 zou geen onderscheid maken tussen parallelimport voor commerciële doeleinden dan wel voor privédoeleinden, uitsluitend voor eigen gebruik; het Hof heeft in zijn arrest Commissie/Frankrijk(6) geoordeeld dat het aan de Franse autoriteiten staat om wat betreft de persoonlijke invoer van geneesmiddelen, die zich onderscheidt van commerciële invoer, een toelatingsprocedure vast te stellen die is aangepast aan de specifieke aspecten van die invoer; het Hof heeft in zijn arrest British Agrochemicals Association(7) in punt 31 uiteengezet dat „wanneer de invoer in een lidstaat van een gewasbeschermingsmiddel waarvoor in een andere lidstaat volgens de bepalingen van richtlijn 91/414 een VHB is verleend, een parallelimport is ten opzichte van een gewasbeschermingsmiddel waarvoor in de lidstaat van invoer reeds een VHB is verleend, de bepalingen van de richtlijn betreffende de procedure voor de afgifte van een VHB geen toepassing kunnen vinden”. Daarop heeft de Cour d’appel te Montpellier de behandeling van de zaak geschorst en de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Wanneer een lidstaat de invoer van een gewasbeschermingsmiddel afkomstig uit een andere lidstaat waar voor het product reeds een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven overeenkomstig richtlijn [91/414], afhankelijk stelt van een vereenvoudigde procedure voor de vergunning voor het in de handel brengen, teneinde na te gaan of het ingevoerde product voldoet aan de voorwaarden voor overeenstemming die werden vastgesteld in het arrest British Agrochemicals Association, reeds aangehaald, mag deze lidstaat die vereenvoudigde vergunningprocedure dan toepassen op een marktdeelnemer wanneer:
– de invoerder een landbouwer is die het product uitsluitend invoert voor de – veelvuldige, maar kwantitatief beperkte – behoeften van zijn landbouwbedrijf, en het product dus niet in de handel brengt in de commerciële betekenis van dit begrip;
– de vereenvoudigde procedure voor de vergunning voor het in de handel brengen die geldt als invoervergunning, betrokken is op de persoon van iedere marktdeelnemer/distributeur die verplicht is het ingevoerde product aan te duiden met zijn eigen merk en een heffing van 800 EUR moet betalen.
2) Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord, geldt het arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, inzake de persoonlijke invoer van geneesmiddelen door particulieren, dan mutatis mutandis voor het geval van gewasbeschermingsmiddelen die door landbouwers uitsluitend worden ingevoerd voor de behoeften van hun landbouwbedrijven?”
IV – Bij het Hof ingediende opmerkingen
A – Eerste prejudiciële vraag
17. Escalier en Bonnarel zijn van mening dat de Franse regelgeving is strijd is met de rechtspraak van het Hof in de zaak Kohlpharma(8), aangezien op grond daarvan wordt vereist dat de ingevoerde gewasbeschermingsmiddelen zijn vervaardigd door dezelfde onderneming die in Frankrijk het referentieproduct vervaardigt.
18. Het vereiste van een individuele VHB voor de persoonlijke invoer door landbouwers voor uitsluitend hun eigen behoeften bij de verbouwing van hun gewassen is onevenredig in het licht van de voorwaarden die aan de verkrijging van een dergelijke toelating worden gesteld, meer bepaald omdat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen parallelimport met een commercieel oogmerk en persoonlijke invoer, en omdat voor landbouwers dezelfde verplichtingen gelden als voor distributeurs wat betreft de heffing van 800 EUR en de registratie van een nieuwe handelsnaam.
19. De door de Franse autoriteiten gebruikte methoden om de overeenstemming vast te stellen tussen het product waarvoor een VHB wordt gevraagd en het referentieproduct, zijn des te onevenrediger nu er geen in een andere lidstaat toegelaten gewasbeschermingsmiddel bestaat, met name niet in Spanje, dat in Frankrijk niet zou mogen worden gebruikt vanwege specifieke agrarische, fytosanitaire en ecologische, meer bepaald klimatologische, omstandigheden of overwegingen van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu. De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft bijgevolg op 12 juli 2006 een voorstel voor een verordening(9) ingediend, waarbij het begrip van een nationale VHB zou worden opgeheven ten voordele van een zonegebonden VHB door gedwongen toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning tussen alle lidstaten die eenzelfde zone vormen.
20. Volgens de Franse regering moeten de artikelen 28 EG en 30 EG aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat, wanneer hij de invoer van een gewasbeschermingsmiddel onderwerpt aan een vereenvoudigde VHB-procedure, deze procedure ook oplegt aan een landbouwer die dit product enkel voor de behoeften van zijn eigen bedrijf en in beperkte hoeveelheden invoert.
21. De Franse regering betoogt, net als de Finse regering, dat de omstandigheid dat landbouwers die gewasbeschermingsmiddelen invoeren voor gebruik in hun bedrijven onderworpen zijn aan een vereenvoudigde VHB-procedure, zoals die welke in Frankrijk is voorzien bij besluit van 4 april 2001, gerechtvaardigd lijkt uit het oogpunt van de doelstellingen van bescherming van de gezondheid van mens en dier en de bescherming van de planten en het milieu. Immers, niets onderscheidt landbouwers die gewasbeschermingsmiddelen invoeren voor gebruik in hun bedrijf van commerciële importondernemingen. De controles die moeten worden verricht op een ingevoerd product ter verzekering van de overeenstemming met het referentieproduct zijn steeds dezelfde. Deze potentieel gevaarlijke producten zouden niet mogen worden gebruikt zonder verificatie van hun onschadelijkheid, hun gebruik, hun gebruiksvoorwaarden en hun etikettering, die in het Frans moet zijn opgesteld, wat op grond van artikel 16, lid 5, van richtlijn 91/414 is toegestaan. De effecten van deze producten zijn niet beperkt tot de oppervlakte van het bedrijf van de landbouwer, maar strekken zich uit tot buiten het bedrijf; zij zouden zich in de omgeving kunnen verspreiden. Bovendien worden deze producten toegepast op gewassen met het oog op menselijke of dierlijke consumptie buiten het landbouwbedrijf. Daarenboven zal een product dat in een lidstaat is toegelaten niet noodzakelijk onder dezelfde voorwaarden worden toegelaten in Frankrijk, aangezien elk product aparte gevaren meebrengt naargelang van de biotoop waarin het wordt geïntroduceerd.
22. Zonder de vereenvoudigde VHB-procedure is het niet mogelijk om zich ervan te vergewissen dat de door de landbouwer enkel voor de behoeften van zijn bedrijf ingevoerde producten geen schade toebrengen aan de volksgezondheid of het milieu. Bovendien zijn de vereisten van de vereenvoudigde procedure niet buitensporig. De betaling van een heffing van 800 EUR vindt haar rechtvaardiging in het feit dat de bevoegde bestuurlijke instantie systematisch elk dossier onderzoekt en schriftelijke verificaties verricht bij de overeenkomstige instanties in het buitenland.
23. Volgens de Franse en de Nederlandse regering maakt de verwijzende rechter in zijn eerste vraag ten onrechte melding van een verplichting voor de importeur om het product naar zijn eigen merk te vernoemen. De bijlage bij het besluit van 17 juli 2001 beperkt zich in onderdeel „Franse identificatie van de import” tot een verzoek om „een voorstel te doen voor een handelsnaam in Frankrijk voor het in het verzoek bedoelde product”.
24. De Finse, de Griekse en de Nederlandse regering stellen onder verwijzing naar artikel 3, lid 1 of 4, van richtlijn 91/414 dat een lidstaat de toepassing van een vereenvoudigde VHB-procedure mag vereisen in geval van parallelimport van gewasbeschermingsmiddelen voor gebruik in een landbouwbedrijf.
25. De Finse en de Nederlandse regering verwijzen naar punten 26 tot en met 31 van het arrest British Agrochemicals Association, reeds aangehaald, waarin is aangegeven dat zelfs als richtlijn 91/414 niet van toepassing is op parallelimport, dezelfde doelstellingen van de bescherming van de gezondheid van mens en dier en het milieu die bij de vaststelling van deze richtlijn primeerden, ook bij parallelimport gelden.
26. Volgens de Griekse regering is een nationale bepaling die de VHB-procedure systematisch verplicht stelt voor een landbouwer met betrekking tot een gewasbeschermingsmiddel dat deze procedure al met goed gevolg heeft doorlopen, in het licht van artikel 9, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 94/414 en de rechtspraak van het Hof, mede gelet op de hoge kosten ervan, in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
27. Volgens de Nederlandse regering is de opmerking van de verwijzende rechter dat de landbouwer het product niet in de handel brengt in de commerciële betekenis van dit begrip, niet relevant. Onder „op de markt brengen” moet „[iedere] levering al dan niet tegen betaling” worden verstaan (artikel 2, punt 10, van richtlijn 91/414), temeer daar een deel van de producten ook kan worden doorverkocht. In tegenstelling tot op recept voorgeschreven geneesmiddelen, is het moeilijk controleerbaar welke hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen daadwerkelijk voor de eigen behoeften van de landbouwer zullen worden gebruikt.
28. Wat betreft een eventuele schending van het evenredigheidsbeginsel, betoogt de Nederlandse regering dat het onderzoek van de lidstaat van invoer noodzakelijk is, wil het stelsel van toelatingen dat is ingevoerd bij richtlijn 91/414 werken en de controleverplichting die krachtens artikel 17 op de lidstaten rust effectief zijn, en is dit bovendien in de rechtspraak van het Hof in British Agrochemicals Association aanvaard. De verwijzende rechter zou moeten beoordelen of de werkelijke kosten niet buitensporig zijn en of er een redelijke verhouding bestaat tussen de heffing en de verleende dienst. In de onderhavige zaak staat niet vast dat het bedrag van 800 EUR een zware last is in vergelijking met de voordelen die de parallelimport oplevert, te weten een besparing van 30 tot 40 % op 30 000 respectievelijk 12 000 EUR per jaar, temeer daar de toelating meerdere jaren geldig is.
29. De Commissie stelt het Hof voor te antwoorden dat artikel 28 EG zich er tegen verzet dat de parallelimport van een gewasbeschermingsmiddel wordt onderworpen aan een voorafgaande toelatingsprocedure wanneer het gewasbeschermingsmiddel reeds voorwerp van een parallelle toelating ten invoer, afgegeven aan een andere marktdeelnemer is geweest. De veiligheid, de doeltreffendheid en de kwaliteit van de producten, waarvoor al een VHB is afgegeven aan een andere vergunninghouder, staan reeds vast. Er moet niet op elke partij parallel ingevoerde gewasbeschermingsmiddelen een voorafgaande toelatingsprocedure worden toegepast; deze procedure is eerder bedoeld om een samenhangend geheel van materiële invoerhandelingen te dekken. Een controle die op elke materiële invoer wordt toegepast kan niet anders dan beperkt zijn.
30. De Commissie erkent dat het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel niet alleen de gebruiker ervan kan schaden – zoals in het geval van een geneesmiddel – maar ook andere personen, dieren en het milieu. Deze overweging zou in sommige gevallen kunnen rechtvaardigen dat de persoonlijke invoer en dus het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onderworpen wordt aan een systeem van voorafgaande toelating dat enigszins strenger is dan dat dat voor de persoonlijke invoer van geneesmiddelen bestemd voor menselijk gebruik, wanneer het gewasbeschermingsmiddel niet is gedekt door een VHB in de lidstaat van invoer. Dit is echter in de onderhavige zaken niet het geval. Zowel in het geval van gewasbeschermingsmiddelen als in het geval van geneesmiddelen bestemd voor menselijk gebruik heeft de persoonlijke invoer van beperkte hoeveelheden minder potentie om schade toe te brengen dan commerciële invoer. Het is dus heel logisch om persoonlijke invoer van gewasbeschermingsmiddelen net als in het geval van de persoonlijke invoer van geneesmiddelen bestemd voor menselijk gebruik, indien nodig, te onderwerpen aan een veel minder zware voorafgaande toelatingsprocedure dan die voor commerciële invoer.
31. Het enkele vereiste van een voorafgaande toelating bij persoonlijke parallelimport van gewasbeschermingsmiddelen is een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 28 EG, aangezien het de voorgenomen invoer verhindert zolang de voorafgaande toelating niet is verleend, en aanleiding geeft tot een administratieve last die de potentiële importeur afschrikt om tot de verrichting over te gaan. Ditzelfde geldt als, zoals in het onderhavige geval, deze procedure de betrokkene tot aanzienlijke uitgaven noopt en zelfs het economische voordeel van die verrichting teniet kan doen.
B – Tweede prejudiciële vraag
32. De Franse regering stelt voor de tweede vraag van de verwijzende rechter in ontkennende zin te beantwoorden vanwege de specificiteit van gewasbeschermingsmiddelen en het feit dat de door de landbouwer verrichte importen voor enkel de behoeften van zijn bedrijf niet kunnen worden beschouwd als importen voor persoonlijke doeleinden, maar als importen voor commerciële doeleinden. De Franse regering benadrukt dat het arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, waarop deze vraag betrekking heeft, de invoer van door een arts voorgeschreven geneesmiddelen bestemd voor menselijk gebruik betreft, waarvan het gebruik dus strikt persoonlijk is. De effecten van deze producten blijven dus beperkt tot de personen die ze consumeren. Daarentegen wordt het product in het geval van gewasbeschermingsmiddelen niet onder de verantwoordelijkheid van een arts of een apotheker gebruikt en kan het risico’s opleveren niet alleen voor de landbouwer, maar ook voor andere personen, dieren, planten en het milieu. Bovendien zou er in dit arrest een onderscheid zijn gemaakt tussen importen van geneesmiddelen die met een commercieel oogmerk zijn verricht en zij die met een persoonlijk oogmerk zijn verricht. Anders dan in het geval van een individuele persoon die zijn geneesmiddelen voor persoonlijke doeleinden invoert, doet een landbouwer die gewasbeschermingsmiddelen invoert voor enkel de behoeften van zijn bedrijf dit voor commerciële doeleinden. Daarenboven zal het, als er een noodzaak is om de producten van de markt te halen of terug te roepen, buitengewoon moeilijk zijn om de producten te traceren als het Hof deze rechtspraak zou uitbreiden tot gewasbeschermingsmiddelen.
33. De Griekse en de Nederlandse regering zijn van mening dat het niet nodig is om de tweede vraag te beantwoorden. Zij zijn in elk geval, net als de Finse regering, dezelfde mening toegedaan als de Franse regering op het punt van de verschillen tussen geneesmiddelen op voorschrift van een arts, waarvan het gebruik strikt persoonlijk is, en gewasbeschermingsmiddelen, die zowel voor het milieu als voor de consument van ermee behandelde producten gevaarlijk zijn.
34. De Commissie meent dat de tweede vraag zich niet onderscheidt van de eerste vraag.
V – Inleidende opmerkingen
35. Op grond van artikel 28 EG zijn in de handel tussen de lidstaten kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking verboden. Een maatregel van gelijke werking is elke maatregel die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren.(10) Niettemin staat artikel 30 EG de verboden of beperkingen toe die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van „de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten”. Het Hof heeft dienaangaande vastgesteld dat de bescherming van het milieu een dwingend vereiste is dat de toepassing van artikel 28 EG kan inperken.(11) Het evenredigheidsbeginsel, dat aan de laatste zin van artikel 30 EG ten grondslag ligt, vereist echter dat de mogelijkheid van de lidstaat om de invoer uit andere lidstaten te verbieden, beperkt moet blijven tot wat noodzakelijk is ter verwezenlijking van het rechtmatige streven de gezondheid te beschermen.(12)
36. Zoals reeds hiervoor aangegeven (punt 8) bevat richtlijn 91/414 geen enkele bepaling die specifiek ziet op de voorwaarden voor verlening van een VHB voor gewasbeschermingsmiddelen(13) in het geval van parallelimporten. De niet-toepasselijkheid van de richtlijn op parallelimporten is door het Hof in duidelijke bewoordingen aangegeven in zijn arrest Harpegnies(14) en, zoals ook de verwijzende rechter opmerkt (zie punt 16 van de onderhavige conclusie), door het Hof bevestigd in zijn arrest British Agrochemicals.(15)
37. Volgens dit laatste arrest hebben, wanneer er twee overeenkomstig richtlijn 91/414 afgegeven VHB’s bestaan, de door de richtlijn nagestreefde doelstellingen van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu niet dezelfde gelding. In een dergelijke situatie gaat de toepassing van de richtlijnbepalingen betreffende de procedures voor de afgifte van een VHB verder dan nodig is ter bereiking van deze doelstellingen, en kan zij afbreuk doen aan het beginsel van het vrije verkeer van goederen van artikel 28 van het Verdrag zonder dat zulks gerechtvaardigd is.(16)
38. Het Hof heeft in dit arrest vervolgens de voorwaarden gepreciseerd voor toelaatbaarheid van een dergelijke vereenvoudigde procedure wat betreft het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Naast het bestaan van een gemeenschappelijke oorsprong, in die zin dat zij door dezelfde fabrikant of een met hem verbonden onderneming zijn vervaardigd of door een onderneming aan wie hij een licentie heeft verstrekt voor dezelfde formule, moeten de twee betrokken gewasbeschermingsmiddelen, zelfs als zij niet op alle punten identiek zijn, toch op zijn minst volgens dezelfde formule en met gebruikmaking van dezelfde werkzame stof zijn vervaardigd en, rekening houdend met eventuele verschillen in de voor het gebruik van het product relevante agrarische, fytosanitaire en ecologische, met inbegrip van klimatologische, omstandigheden, bovendien dezelfde werking hebben.(17)
39. Het is naar aanleiding van dit arrest dat de vereenvoudigde procedure door de Franse regering is ingesteld in het kader van besluit nr. 2001‑317, waarin deze voorwaarden voor toelaatbaarheid zijn overgenomen, en van het besluit van 17 juli 2001.
VI – Beoordeling
A – Eerste prejudiciële vraag
1. Eerste deel van de eerste prejudiciële vraag
40. Met het eerste deel van de eerste prejudiciële vraag wordt gevraagd om verduidelijking of een lidstaat een vereenvoudigde VHB-procedure mag toepassen op een landbouwer die een gewasbeschermingsmiddel invoert, wanneer hij enkel tot deze invoer is overgegaan voor de uitsluitende behoeften van zijn bedrijf.
41. Volgens de Commissie is dit vereiste een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 28 EG aangezien het een administratieve last oplegt die de importeur zou kunnen afschrikken.
42. Zoals zojuist echter is opgemerkt, geeft het Franse recht door de oplegging van de vereenvoudigde VHB-procedure enkel uitvoering aan de volgens het arrest British Agrochemicals Association noodzakelijk geachte verificatie van het bestaan van een gemeenschappelijke oorsprong van het product waarop het verzoek om invoer betrekking heeft en het product waarvoor reeds een VHB is afgegeven in de lidstaat van invoer.
43. Escalier en Bonnarel voeren wat hen aangaat aan dat de Franse regelgeving in strijd is met de rechtspraak van het Hof in de zaak Kohlpharma wat de eis betreft dat de ingevoerde gewasbeschermingsmiddelen vervaardigd moeten zijn door de onderneming die ook het referentieproduct in Frankrijk vervaardigt.
44. Ook al vraagt de verwijzende rechter het Hof niet naar de criteria voor overeenstemming tussen het product waarop het verzoek om invoer betrekking heeft en het referentieproduct(18), moet niettemin worden opgemerkt dat de strekking van deze zaak niet kan worden uitgebreid tot gewasbeschermingsmiddelen; de strekking van deze zaak is dat het ontbreken van gemeenschappelijke oorsprong van een geneesmiddel dat reeds is toegelaten en een geneesmiddel waarvoor een VHB wordt aangevraagd op zich geen reden voor weigering van de VHB van het tweede geneesmiddel kan zijn.(19) Terwijl een geneesmiddel wordt voorgeschreven door een arts, of zijn minst afgeleverd door een apotheker, en slechts door één enkele patiënt wordt ingenomen, kan een gewasbeschermingsmiddel zoals dat in de onderhavige zaak, te weten een pesticide, zich verspreiden in de natuur, zowel door de lucht als via de bodem. Daarbij komt nog dat pesticiden bestemd zijn om te worden gebruikt op gewassen bestemd voor verkoop met het oog op menselijke of dierlijke consumptie.
45. Dat gewasbeschermingsmiddelen gevaarlijk zijn, is zeker.(20) Om zich hiervan te overtuigen volstaat het om kennis te nemen van het Zesde Milieuactieprogramma, dat onder meer als doelstellingen heeft: de beperking van de risico’s van het gebruik van pesticiden, verscherpt toezicht op het gebruik en de distributie van pesticiden en bevordering van de vervanging van de gevaarlijkste werkzame stoffen door veiligere stoffen, zoals niet-chemische vervangstoffen(21); dan wel om kennis te nemen van de literatuur over dit onderwerp.(22)
46. Bijgevolg is het gerechtvaardigd dat een lidstaat van een importeur verlangt, ook als het een wijnbouwer betreft die het product slechts in zijn wijngaarden gebruikt, dat hij een vereenvoudigde aanvraag voor een VHB doet. Het product wordt inderdaad niet rechtstreeks verhandeld omdat het niet wordt doorverkocht, maar het neemt wel degelijk deel aan een commercieel proces, aangezien de gewassen die met het pesticide worden behandeld daarna worden verhandeld. Het Hof heeft in de zaak British Agrochemicals Association trouwens geen enkel onderscheid gemaakt naar de reden voor invoer of naar de persoon van de aanvrager; de risico’s verbonden aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen blijven steeds dezelfde.
47. Op het argument van Escalier en Bonnarel dat er geen gewasbeschermingsmiddel bestaat dat is toegelaten in een andere lidstaat, meer bepaald in Spanje, dat niet in Frankrijk zou kunnen worden gebruikt, en dat de Commissie een verordening(23) heeft voorgesteld die het begrip van een nationale VHB zou opheffen en vervangen door een zonegebonden VHB, kan worden geantwoord dat de begrippen van „nationale” en „zonegebonden” VHB’s niet identiek kunnen zijn. Een zonegebonden VHB, die een veel groter gebied bestrijkt, impliceert dat rekening wordt gehouden met de specifieke aspecten van de regio’s die erdoor worden gedekt, terwijl een nationale VHB slechts rekening houdt met de kenmerken van het eigen grondgebied.
2. Tweede deel van de eerste prejudiciële vraag
48. Met het tweede deel van de eerste prejudiciële vraag wil de verwijzende rechter vernemen of de vereenvoudigde procedure voor toelating tot invoer persoonsgebonden moet zijn, nu de importeur gedwongen kan worden om het product naar zijn eigen merk te vernoemen en een heffing van 800 EUR te betalen. Dit deel betreft derhalve de problematiek van de evenredigheid van wat er van een landbouwer, die een gewasbeschermingsmiddel voor zijn eigen behoeften invoert, kan worden verlangd als er reeds een referentieproduct in de lidstaat van invoer is toegelaten.
a) Noodzaak van persoonsgebonden vergunning
49. Het potentiële gevaar van gewasbeschermingsmiddelen, dat zojuist is besproken, rechtvaardigt dat voor elke invoer een verklaring en een vergunning wordt verlangd, ook als deze bedoeld is voor één enkele gebruiker. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van een dergelijk product kan immers niet worden overgelaten aan de beoordeling door een eenvoudige gebruiker, maar moet door de overheid worden goedgekeurd.
50. Overigens is een lidstaat gehouden om van alle gewasbeschermingsmiddelen die zich op zijn grondgebied bevinden op de hoogte zijn, met name omdat hij op grond van artikel 12, lid 1, van richtlijn 91/414 „ten minste binnen een maand na afloop van elk kwartaal de overige lidstaten en de Commissie schriftelijk [moet] mee[delen] welke gewasbeschermingsmiddelen werden toegelaten of uit de markt genomen [...], onder vermelding van ten minste: de naam of firmanaam van de houder van de toelating, de handelsnaam van het gewasbeschermingsmiddel, het soort preparaat, de naam en het gehalte van elke werkzame stof die het middel bevat, in voorkomend geval, de redenen waarom een toelating is ingetrokken”. Lid 2 bepaalt ook dat „iedere lidstaat jaarlijks een lijst opstelt van de op zijn grondgebied toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en deze lijst aan de andere lidstaten en aan de Commissie verstrekt”. Afgezien daarvan worden de toelatingen voor een periode van ten hoogste tien jaar verstrekt (artikel 4, lid 4) en kunnen zij te allen tijde worden herzien (artikel 4, lid 5). Bovendien kan een lidstaat een product voor slechts een voorlopige periode toelaten (artikel 8). Als een lidstaat besluit om een gewasbeschermingsmiddel uit de markt te nemen, moet hij trouwens op de hoogte zijn van alle soortgelijke producten die zich op zijn grondgebied bevinden, teneinde hen van de markt te halen.
51. De Finse en de Griekse regering hebben aangegeven dat een lidstaat het recht heeft om de toepassing van een vereenvoudigde VHB‑procedure te vereisen in geval van parallelimport van gewasbeschermingsmiddelen voor toepassing in een landbouwbedrijf, wat doet vermoeden dat zij in hun respectieve rechtsstelsels een dergelijke verplichting opleggen. Datzelfde geldt bijvoorbeeld ook(24) voor het Verenigd Koninkrijk(25) en Slovenië(26).
b) De evenredigheid van de verplichting van de aanduiding met een handelsnaam
52. Hoewel de invoer door wijnbouwers van pesticiden, die zijn bedoeld voor de behandeling van voor de verkoop bestemde gewassen, ontegensprekelijk plaatsvindt in het kader van een commerciële activiteit, moet worden benadrukt dat in een dergelijk geval de pesticiden als zodanig niet bestemd zijn voor de verkoop. De aanduiding met een handelsnaam lijkt dus geenszins gerechtvaardigd.
53. In dit opzicht is het interessant te vermelden dat een dergelijke aanduiding bijvoorbeeld niet verplicht is in het Verenigd Koninkrijk, waar de importeur kan volstaan met het gebruik van de handelsnaam waaronder het product in het land van herkomst is geregistreerd.(27)
54. In de onderhavige zaak hebben noch de Finse, noch de Griekse, noch de Nederlandse regering betoogd dat de aanduiding met een handelsnaam voor invoer met het oog op uitsluitend eigen gebruik noodzakelijk zou zijn.
55. De Franse regering, hierin gesteund door de Nederlandse regering (zie punt 23 van de onderhavige conclusie), zet daarentegen uiteen dat het Franse recht in een dergelijk geval deze verplichting niet oplegt. De verwijzende rechter zou de vraag betreffende de benaming van het ingevoerde product derhalve verkeerd hebben uitgelegd.
c) De evenredigheid van de verplichting tot betaling van een heffing van 800 EUR
56. De verplichting om een te hoge heffing te betalen voorafgaand aan de invoer van een gewasbeschermingsmiddel kan afschrikken. Zij kan derhalve al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel importen belemmeren en daarmee ook het nuttig effect van artikel 28 EG. Volgens de berekeningen van de Nederlandse regering is het bedrag van 800 EUR geen te hoge last in vergelijking met de besparing die met de invoer kan worden gerealiseerd. Deze berekening is echter van weinig nut aangezien de heffing in kwestie niet evenredig is aan de mogelijke besparingen die behaald kunnen worden, maar aan de kosten van de verificaties door de overheid voor de beoordeling van de overeenstemming van het product waarop het verzoek om invoer betrekking heeft met het referentieproduct. In het kader van parallelimport gaat het namelijk niet om de uitvoering van de wetenschappelijke testen, maar enkel om de verificatie van de overeenstemming van het product met het referentieproduct. Met het oog op de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel zou de heffing niet hoger mogen zijn dan de werkelijke kosten van de verificatie van de overeenstemming van het product waarop het verzoek om invoer betrekking heeft met het referentieproduct.
57. De Franse regering werpt op dat het bedrag van 800 EUR wordt gerechtvaardigd door het feit dat de overheid schriftelijk onderzoek verricht bij de overeenkomstige instanties in het buitenland. Het beginsel van parallelimport veronderstelt echter dat de overeenstemming van het product waarop het verzoek om invoer betrekking heeft, wordt onderzocht, niet met het oorspronkelijke product, maar met het referentieproduct, dus het reeds ingevoerde product.(28)
58. Bij wijze van vergelijking(29) is het interessant te vermelden dat in het Verenigd Koninkrijk de kosten verschillen al naar gelang de parallelimport is bestemd voor persoonlijk of voor commercieel gebruik.(30) In Slovenië zijn de kosten weliswaar dezelfde, ongeacht het oogmerk van de invoer, maar bedragen zij op jaarbasis niet meer dan 17,73 EUR.(31)
59. Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat een lidstaat gerechtigd is om in het kader van parallelimport een vereenvoudigde VHB-procedure voor te schrijven wanneer een landbouwer een gewasbeschermingsmiddel invoert voor de uitsluitende behoeften van zijn landbouwbedrijf. Aan deze toelating, die gebonden is aan de persoon van elke importeur, kunnen echter niet de voorwaarden worden verbonden dat het ingevoerde product wordt vernoemd naar het eigen merk van de importeur en onderworpen wordt aan een heffing die hoger is dan de werkelijke kosten van de verificatie van de overeenstemming van het product waarop het verzoek op invoer betrekking heeft en het referentieproduct.
B – Tweede prejudiciële vraag
60. De tweede prejudiciële vraag strekt ertoe te vernemen of de uitspraak Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, betreffende persoonlijke invoer van geneesmiddelen door particulieren ook kan gelden in het geval van gewasbeschermingsmiddelen die door landbouwers voor de uitsluitende behoeften van hun landbouwbedrijven worden ingevoerd.
61. In die zaak is de Franse Republiek veroordeeld, met name omdat zij een voorafgaande VHB-procedure toepaste op de niet met eigen transportmiddelen ondernomen persoonlijke invoer van homeopathische geneesmiddelen die op regelmatige basis in Frankrijk werden voorgeschreven en in een andere lidstaat waren geregistreerd.
62. Zoals reeds uiteengezet in de punten 44 en 45 hiervoor, kunnen geneesmiddelen, die door een arts aan een welbepaalde patiënt worden voorgeschreven, niet worden vergeleken met gewasbeschermingsmiddelen die worden gebruikt op voor de verkoop bestemde gewassen.
63. Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, betreffende persoonlijke invoer van geneesmiddelen niet op overeenkomstige wijze kan worden toegepast op het geval van gewasbeschermingsmiddelen die door landbouwers voor de uitsluitende behoeften van hun landbouwbedrijf worden ingevoerd.
VII – Conclusie
64. Gelet op een en ander geef ik in overweging de door Cour d’appel te Montpellier gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
„1. Een lidstaat is gerechtigd om in het kader van parallelimport een vereenvoudigde procedure voor het in de handel brengen voor te schrijven wanneer een landbouwer een gewasbeschermingsmiddel invoert voor de uitsluitende behoeften van zijn landbouwbedrijf. Aan deze toelating, die gebonden is aan de persoon van elke importeur, kunnen echter niet de voorwaarden worden verbonden dat het ingevoerde product wordt vernoemd naar het eigen merk van de importeur en onderworpen wordt aan een heffing die hoger is dan de werkelijke kosten van de verificatie van de overeenstemming van het product waarop het verzoek op invoer betrekking heeft en het referentieproduct.
2) Het arrest van het Hof van 26 mei 2005, Commissie/Frankrijk (C‑212/03), betreffende de persoonlijke invoer van geneesmiddelen kan niet op overeenkomstige wijze worden toegepast op gewasbeschermingsmiddelen die door landbouwers voor de uitsluitende behoeften van hun landbouwbedrijf worden ingevoerd.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 230, blz. 1.
3 – Journal officiel de la République française, 7 mei 1994, blz. 6683.
4 – Journal officiel de la République française, 14 april 2001, blz. 5811. Gecodificeerde tekst in de artikelen R.253-52 tot en met R.253-55 van het landbouwwetboek.
5 – Journal officiel de la République française, 27 juni 2001, blz. 12091.
6 – Arrest van 26 mei 2005 (C‑212/03, Jurispr. blz. I‑4213).
7 – Arrest van 11 maart 1999 (C‑100/96, Jurispr. blz. I‑1499).
8 – Arrest van 1 april 2004, Kohlpharma (C‑112/02, Jurispr. blz. I‑3369).
9 – 2006/0136 (COD) – COM(2006) 388 def. Bijlage 1 betreffende de definitie van de toelatingszones voor gewasbeschermingsmiddelen definieert Zone C als het gebied dat met name Frankrijk en Spanje, alsmede Portugal, Griekenland, Italië, Cyprus en Malta, omvat.
10 – Arresten van 1l juli 1974, Dassonville (8/74, Jurispr. blz. 837), en 20 februari 1979, Rewe-Zentral, genoemd „Cassis de Dijon” (120/78, Jurispr. blz. 649).
11 – Arrest van 20 september 1988, Commissie/Denemarken (302/86, Jurispr. blz. 4607, punt 9). Aldus moet de verplichting die op grond van nationaal recht aan producenten en importeurs wordt opgelegd in het kader van een stelsel dat de commercialisering van bier en frisdranken slechts toestaat in herbruikbare verpakkingen, om een statiegeld‑ en retoursysteem op te zetten, worden beschouwd als noodzakelijk ter verwezenlijking van de doelstellingen van milieubescherming, in die zin dat de beperkingen die die regeling stelt aan het vrije verkeer van goederen, niet worden geacht onevenredig te zijn (punt 13).
12 – Arrest van 14 juli 1983, Sandoz (174/82, Jurispr. blz. 2445, punt 18). De uitzondering waarin artikel 30 EG voorziet, gaat immers voor een nationale regeling of praktijk niet op wanneer de gezondheid en het leven van personen even doeltreffend kunnen worden beschermd door maatregelen die het handelsverkeer tussen de lidstaten minder beperken [zie met name arresten van 10 september 2002, Ferring (C‑172/00, Jurispr. blz. I‑6891, punt 34), en 8 mei 2003, Paranova Läkemedel e.a. (C‑5/01, Jurispr. blz. I‑4175, punt 24)].
13 – Over de kwestie van het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, zie Kraus, V., Die Zweitanmelderproblematik im Pflanzenschutzrecht, Diss., Frankfurt am Main 1993, blz. 1-5; van dezelfde auteur, Nationale Marktzugangsbeschränkungen für Pflanzenschutzmittelimporte, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 1997, nr. 11, blz. 331-334; Fluck, J., Konsequenzen der europäischen Wirkstoffzulassung für bestandkräftige deutsche Pflanzenschutzmittel-Zulassungen, Europarecht 1999, nr. 5, blz. 687-696; Fischer, K., Ursprungsidentität bei Arzneimittelzulassung, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2004, nr. 17, blz. 530-533, en Die Erteilung einer Verkehrsfähigkeitsbscheinigung beim Parallelimport von Pflanzenschutzmitteln, Berlin 2006; Köpl, C., en Fredel, A., Parallelimport von Pflanzenschutzmitteln, Neue Zeitschrift für Verwaltungsrecht 2004, nr. 5, blz. 569-572; Quart, P. E., EU-Parallelimporte von Pflanzenschutzmitteln, Wettbewerb in Recht und Praxis 2005, nr. 3, blz. 323-330; Koof, P., Welche gesetzlichen Rahmenbedingungen braucht der Pflanzenschutz- und Generikahandel in der Europäischen Union unter den Anforderungen des globalen Marktes?, Agrar- und Umweltrecht 2005, nr. 11, blz. 349-357; Bouveresse, A., Commentaire, Autorisation de mise sur le marché, Revue mensuelle LexisNexis JurisClasseur, 2005, blz. 19-20; Berr, C.‑J., Retrait d’une autorisation de mise sur le marché, Revue trimestrielle LexisNexis JurisClasseur 2006, blz. 678-679; Erlbacher, F., Neueste Rechtsprechung der Europäischen Gerichte in den Bereichen Landwirtschaft, Fischerei, Tiergesundheit und Pflanzenschutz (Tweede semester 2006), Argrar- und Umweltrecht 2007, nr. 2, blz. 46.
14 – Arrest van 17 september 1998 (C‑400/96, Jurispr. blz. I‑5121, punt 8, betreffende producten die nog niet op de markt zijn gebracht in de lidstaat van invoer en waarin is geoordeeld dat „zowel de procedure van artikel 4 als die van artikel 8 van de richtlijn alleen ziet op het geval van de eerste aanvraag om toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat nog niet is toegelaten in de lidstaat waar de toelating wordt aangevraagd”).
15 – Reeds aangehaald, punt 31.
16 – Reeds aangehaald, punt 32.
17 – British Agrochemicals Association, reeds aangehaald, punt 40.
18 – Ik wijs erop dat het begrip van criteria voor overeenstemming voorwerp van geschil is in het beroep wegens niet-nakoming Commissie/Frankrijk, C‑201/06. In die zaak, die nog bij het Hof aanhangig is, is de Commissie van mening dat de Franse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 28 EG door een „gemeenschappelijke oorsprong” (identieke vervaardiging) van het parallel ingevoerde gewasbeschermingsmiddel en het referentieproduct te verlangen.
19 – Arrest Kohlpharma, reeds aangehaald, punt 21.
20 – De negende overweging van de considerans van richtlijn 91/414 luidt dat „de toelatingsvoorwaarden een zodanig hoge mate van bescherming moeten garanderen dat met name wordt voorkomen dat gewasbeschermingsmiddelen worden goedgekeurd waarvan de risico’s voor de gezondheid, het grondwater en het milieu niet op adequate wijze zijn onderzocht; dat de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu voorrang moet hebben op het streven naar een betere plantaardige productie”.
21 – Artikel 7, sub c, van besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (PB L 242, blz. 1). Mededeling van de Commissie betreffende het zesde milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (COM 2001, 31 def., blz. 47) luidt als volgt: „Een groep chemische stoffen die speciale aandacht verdient, is die van de gewasbeschermingsmiddelen (dat wil zeggen producten ter bescherming van planten en biociden). Besmetting van het grondwater, de bodem, het voedsel en zelfs de lucht door gewasbeschermingsmiddelen kan schadelijke gevolgen hebben voor de volksgezondheid. Vanwege hiaten in de voorhanden zijnde kennis van het probleem is het moeilijk nauwkeurige uitspraken te doen over de omvang en ontwikkeling ervan, maar er zijn voldoende redenen om aan te nemen dat het hier om een ernstig en groeiend probleem gaat. Vooral de besmetting van grondwater baart zorgen. Gemiddeld wordt 65 % van het Europese drinkwater geleverd door grondwater en zelfs nadat maatregelen zijn genomen om verdere besmetting te voorkomen, duurt het vaak lang voordat het grondwater weer aan aanvaardbare kwaliteitsnormen voldoet. Ook de besmetting van voedingsmiddelen geeft reden tot bezorgdheid alsmede aanwijzingen voor de continue ophoping van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen in planten en dieren en de gevolgen daarvan voor hun gezondheid en vermogen om zich voort te planten.”
22 – Een artikel uit de krant Le Monde (Auzanneau, M., 12 juni 2007) geeft de volgende informatie over het Franse grondgebied: volgens F. Veillerette (co-auteur van Pesticides, Fayard, 2007): „In Frankrijk worden meer dan 900 moleculen pesticiden gebruikt. Men vindt ze overal, iedereen eet ze dagelijks. Vanwege die alomtegenwoordigheid is het voor de wetenschappers moeilijk om de precieze oorzaken van het risico aan te wijzen – in tegenstelling tot een probleem van asbest”; volgens I. Baldi (maître de conférence aan de Universiteit van Bordeaux), die hamert op het gebrek aan wetenschappelijke resultaten ten aanzien van de mogelijke gevaren verbonden aan het feit dat via de voeding opgenomen pesticiden in het lichaam aanwezig blijven: „Er bestaan in de wereld een dertigtal studies die alle een verhoogd risico op hersentumoren aantonen en een tiental andere die melding maken van een verhoging van de frequentie van andere pathologieën.” Overigens zouden volgens een Franse studie de landbouwers, die sterk blootgesteld staan aan pesticiden, maar ook de personen die ze gebruiken voor hun kamerplanten statistisch gezien twee maal zoveel kans hebben om een hersentumor te ontwikkelen (Occupational and environmental medicine, ).
23 – De voorgestelde verordening is bedoeld als vervanging van richtlijn 91/414. Zij beoogt met name de beperking van het gebruik van chemische elementen in de samenstelling van gewasbeschermingsmiddelen.
24 – In Duitsland is dit punt, bij de huidige stand van het recht, echter nog niet beslecht. Het Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg (arrest van 23 januari 2007 – Az. 4 S 1379/04 –, Juris) heeft evenwel geoordeeld dat volgens een letterlijke interpretatie van de wet op de gewasbescherming (Pflanzenschutzgesetz; hierna: „PflSchG”) ook voor een persoonlijke parallelimport een vereenvoudigde VHB is vereist om te voldoen aan de veiligheidsnorm gesteld bij richtlijn 91/414.
25 – Plant Protection Products Regulation (Verordening op de gewasbeschermingsmiddelen), 2005 (Statutory Instrument 2005/1435).
26 – Artikel 32 bis van de wet op de gewasbeschermingsmiddelen (Zakon o fitofarmacevtskih sredstvih, Uradni list Republike Slovenije, št. 35/2007, blz. 5017).
27 – Artikel 19 van de Plant Protection Product Regulation, 2005.
28 – Dit staat overigens duidelijk aangegeven in het Franse recht aangezien het besluit van 4 april 2001 in artikel 1 bepaalt dat: „De identieke overeenstemming van het product dat op het nationale grondgebied wordt geïntroduceerd met het referentieproduct wordt beoordeeld uit het oogpunt van [...]”.
29 – In Duitsland variëren de kosten van een VHB van 160 EUR (in geval van een eenvoudige verificatie van een document) tot 1 840 EUR [Anlage Gebührenverzeichnis nr. 5700 bij de „Verordnung über Kosten des Bundesamtes für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit und der Biologischen Bundesanstalt für Land- und Forstwirtschaft im Pflanzenschutzbereich (Pflanzenschutzmittel-Gebührenverordnung; PflSchMGebV)” in der Fassung der Bekanntmachung vom 9. März 2005, BGBl. I S. 744, geändert am 12. März 2007, BGBl. I S. 319] [artikel 2, lid 1, van de wet op de plantenbescherming en de bijlage betreffende tarieflijst nr. 5700 van het ministerieel besluit betreffende de kosten van het federaal agentschap voor consumentenbescherming en voedselveiligheid en het federaal agentschap voor land‑ en bosbouw op het gebied van plantenbescherming (Gewasbeschermingsmiddelentariefverordening; PflSchMGebV) in de versie van de bekendmaking van 9 maart 2005, BGBl. I blz. 744, gewijzigd op 12 maart 2007, BGBl. I blz. 319]. De vraag van de kosten in geval van parallelimport voor strikt persoonlijk gebruik wordt echter niet helder beantwoord.
30 – De kosten zijn niettemin hoog: iets hoger dan 700 EUR voor parallelimport voor persoonlijk gebruik, en nog hoger in geval van parallelimport met het oog op commercialisering (ongeveer 1 600 EUR) plus eventuele aanduiding met een handelsmerk (ongeveer 450 EUR extra). De kosten zijn duidelijk uiteengezet in het volgende document: The Plant Protection Products (Fees) Regulations 2007 [Gewasbeschermings(tarieven)verordening 2007], in werking getreden op 1 maart 2007 .
31 – Artikel 4 van de Uredba o stroških v zvezi z registracijo fitofarmacevtskih sredstev, ocenjevanjem aktivnih snovi in izdajo dovoljenj za fitofarmacevtska sredstva (verordening over de kosten voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen, de analyse van werkzame stoffen en de afgifte van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen), Uradni list Republike Slovenije 36/2005.
Full & Egal Universal Law Academy