CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 13 maart 2008 (1)
Zaak C‑277/06
Interboves GmbH
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
[verzoek van het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Bescherming van dieren tijdens vervoer – Vervoer over zee van runderen – Vervoersduur – Rusttijd”
I – Inleiding
1. Met de onderhavige prejudiciële verwijzing verzoekt het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) het Hof om uitlegging van punt 48.7, sub a en b, van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG(2), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29/EG van de Raad van 29 juni 1995(3) (hierna: „richtlijn 91/628”).
2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Interboves GmbH (hierna: „Interboves”) en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: „Hauptzollamt”) naar aanleiding van de weigering van het Hauptzollamt om Interboves de in juni 2002 aangevraagde restitutie bij uitvoer van levende runderen toe te kennen op grond dat de duur van het (zee)vervoer van deze dieren de in punt 48.7, sub b, van de bijlage bij richtlijn 91/628 bepaalde duur had overschreden.
II – Toepasselijke bepalingen
3. Artikel 33, lid 9, van verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees(4) stelt betaling van de restitutie bij uitvoer van levende dieren afhankelijk van de voorwaarde dat is voldaan aan de voorschriften van de Gemeenschap inzake het welzijn van dieren en meer in het bijzonder inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer.
4. Op 18 maart 1998 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen verordening (EG) nr. 615/98 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan(5) vastgesteld. Deze verordening – die is vastgesteld op basis van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees(6), meer in het bijzonder artikel 13, lid 9, daarvan(7), en die de voorloper is van verordening nr. 1254/1999 – was tot 13 april 2003 van kracht, op welke datum zij is vervangen door verordening (EG) nr. 639/2003 van de Commissie van 9 april 2003 tot vaststelling, op grond van verordening (EG) nr. 1254/1999, van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer.(8) Verordening nr. 615/98 was derhalve van toepassing op uitvoeraangiften die vóór de vaststelling van verordening nr. 639/2003(9) zijn gedaan, waaronder die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
5. Artikel 1 van verordening nr. 615/98 bepaalt dat voor de toepassing van artikel 13, lid 9, tweede alinea, van verordening nr. 805/68 de betaling van de restituties bij uitvoer van levende runderen afhankelijk wordt gesteld van de naleving, tijdens het vervoer van de dieren tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming, van de bepalingen van richtlijn 91/628 en van verordening nr. 615/98.
6. Artikel 2, lid 2, van richtlijn 91/628 bevat de volgende definities:
„[...]
b) ‚vervoer’: elke verplaatsing van dieren met behulp van een vervoermiddel, het in‑ en uitladen van de dieren inbegrepen;
[...]
g) ‚reis’: het vervoer van de plaats van vertrek naar de plaats van bestemming;
h) ‚rusttijd’: ononderbroken periode tijdens de reis waarin de dieren niet worden verplaatst met behulp van een vervoermiddel;
[...]”
7. Hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 91/628 bepaalt in punt A.2, sub d, ervan, dat de dieren tijdens het vervoer met de in hoofdstuk VII van deze bijlage vastgestelde tussenpozen moeten worden gedrenkt en met geschikt voer gevoederd.
8. Hoofdstuk VII (punt 48) van de bijlage bij richtlijn 91/628 heeft met name betrekking op de reis‑ en rusttijden. Dit hoofdstuk luidt als volgt:
„[...]
2. De reistijd van dieren die behoren tot de in punt 1 bedoelde soorten, mag niet langer zijn dan 8 uur.
3. De in punt 2 genoemde maximale reistijd kan worden verlengd indien het vervoermiddel voldoet aan de onderstaande aanvullende voorwaarden:
– op de vloer van het voertuig bevindt zich voldoende strooisel;
– in het vervoermiddel is al naargelang van de vervoerde diersoorten en de duur van de reis voldoende voeder aanwezig;
– er is rechtstreekse toegang tot de dieren;
– er is adequate ventilatie mogelijk die aan de (binnen‑ en buiten)temperatuur kan worden aangepast;
– er zijn verplaatsbare schotten om aparte afdelingen in te richten;
– het voertuig beschikt over een inrichting die tijdens haltes op voeder en water kan worden aangesloten;
– bij voertuigen voor het transport van varkens is voldoende water aan boord om de dieren tijdens de reis te drenken.
4. Wanneer wegvoertuigen worden gebruikt die voldoen aan de voorwaarden van punt 3, gelden de volgende tussenpozen voor het voederen en drenken, alsmede de volgende reis‑ en rusttijden:
[...]
d) alle andere dieren van de in punt 1 bedoelde soorten[(10)] moeten na een reistijd van 14 uur een voldoende rusttijd van ten minste 1 uur krijgen, waarin zij worden gedrenkt en zo nodig gevoederd. Na deze rusttijd kunnen zij opnieuw gedurende 14 uur worden vervoerd.
5. Na de vastgestelde reistijd moeten de dieren worden uitgeladen, gevoederd en gedrenkt, en moeten zij een rusttijd van ten minste 24 uur krijgen.
[...]
7.a) De dieren mogen niet over zee worden vervoerd indien de maximale reistijd langer is dan die voorgeschreven in punt 2, behalve indien is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in de punten 3 en 4, met uitzondering van de reistijden en rusttijden.
b) Bij zeevervoer waarbij op gezette tijden een rechtstreekse verbinding wordt verzorgd tussen twee verschillende plaatsen in de Gemeenschap met voertuigen die op de schepen worden geladen zonder dat de dieren worden gelost, moeten de dieren na in de haven van bestemming of in de onmiddellijke omgeving te zijn ontscheept, een rusttijd van twaalf uur krijgen, tenzij de reistijd op zee deel uitmaakt van het algemene schema van de punten 2, 3 en 4.
8. In het belang van de dieren kunnen de reistijden bedoeld in de punten 3, 4 en 7 b met 2 uur worden verlengd, met name gelet op de nabijheid van de plaats van bestemming.”
III – Feiten van het hoofdgeding, prejudiciële vragen en procesverloop voor het Hof
9. Op 12 juni 2002 heeft Interboves bij het Hauptzollamt aangifte gedaan van de uitvoer van 33 levende runderen naar de voormalige Federale Republiek Joegoslavië en in verband daarmee om toekenning van een uitvoerrestitutie verzocht.
10. Bij beslissing van 23 juli 2003 heeft het Hauptzollamt de restitutie geweigerd op grond dat Interboves het bepaalde in punt 48.7, sub b, van de bijlage bij richtlijn 91/628 niet had nageleefd tijdens het vervoer van de dieren.
11. In zijn beslissing heeft het Hauptzollamt uiteengezet dat de runderen, volgens zijn analyse van het door Interboves overgelegde reisschema, waren vervoerd gedurende een periode van in totaal 23 uur, te weten een periode van zeevervoer van 14 uur en 30 minuten aan boord van een roll-on/roll-off-veerboot tussen Bari (Italië) en Igoumenitsa (Griekenland) en een periode van wegvervoer van 8 uur en 30 minuten naar Evzoni, een grenspost tussen Griekenland en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, zonder dat daartussen een rusttijd zat. Aangezien punt 48.7, sub b, van de bijlage bij richtlijn 91/628 bepaalt dat de dieren, bij zeevervoer tussen twee verschillende plaatsen in de Gemeenschap met voertuigen die op de schepen worden geladen zonder dat de dieren worden gelost, na 14 uur reistijd een rusttijd van 12 uur dienen te krijgen na in de haven van bestemming of in de onmiddellijke omgeving te zijn ontscheept, heeft het Hauptzollamt besloten de restitutie te weigeren.
12. Bij beschikking op bezwaar van 21 juni 2005 heeft het Hauptzollamt het bezwaarschrift dat Interboves had ingediend tegen de weigering van de uitvoerrestitutie, ongegrond verklaard op grond dat de duur van de overtocht per boot als een verlenging van het vervoer over de weg moest worden aangemerkt. Het wees derhalve de stelling van Interboves af, dat de duur van deze overtocht niet hoefde te worden opgeteld bij de reistijd. Om te bepalen of de totale reistijd in overeenstemming was met het bepaalde in punt 48.7, sub b, van de bijlage bij de richtlijn, moest volgens het Hauptzollamt de duur van het zeevervoer worden opgeteld bij de daaraan voorafgaande of daarop aansluitende perioden van wegvervoer, wat in casu neerkwam op een totale reisduur van 32 uur en 45 minuten (dat wil zeggen 14 uur en 30 minuten aan zeevervoer, en 18 uur en 15 minuten aan wegvervoer tot de eindbestemming).
13. Op 21 juli 2005 heeft Interboves bij het Finanzgericht Hamburg beroep tot nietigverklaring van deze beschikking ingesteld, stellende dat zij de bepalingen van richtlijn 91/628 wel degelijk had nageleefd.
14. Van oordeel dat de oplossing van het geschil afhing van de uitlegging van de bepalingen van hoofdstuk VII van de bijlage bij richtlijn 91/628, die wellicht nog enige twijfel konden oproepen, heeft het Finanzgericht Hamburg besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Regelt punt 48.7, sub a, van [...] de bijlage bij richtlijn 91/628 [...] de essentiële vereisten voor het zeevervoer [van dieren], zodat in beginsel – voor zover aan de voorwaarden van de punten 48.3 en 48.4 van [...] [voornoemde] bijlage [...] is voldaan – ook bij vervoer van dieren op zogenoemde roll-on/roll-off-veerboten, de reistijden van het vervoer over de weg voorafgaand aan en aansluitend op het zeevervoer niet met elkaar zijn verbonden?
2) Bevat punt 48.7, sub b, van [...] de bijlage bij richtlijn 91/628 [...] voor in de Gemeenschap varende roll-on/roll-off-veerboten een bijzondere bepaling die naast, dit wil zeggen in aanvulling op de voorwaarden van punt 48.4, sub [d], moet worden toegepast, zodat na aankomst van de veerboot in de haven van bestemming alleen dan geen nieuwe maximumreistijd van 29 uur ingaat, maar juist een rusttijd van 12 uur in acht moet worden genomen, indien de reistijd op zee langer heeft geduurd dan volgens het algemene schema van de punten 48.2 tot en met 48.4 [...] – in concreto 29 uur overeenkomstig punt 48.4, sub d – is toegestaan?”
15. Overeenkomstig artikel 23 van ’s Hofs Statuut-EG hebben Interboves, het Hauptzollamt, de Belgische, de Griekse en de Zweedse regering alsook de Commissie van de Europese Gemeenschappen schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 23 mei 2007 zijn zij gehoord in hun pleidooien, met uitzondering van het Hauptzollamt en de Belgische regering die zich niet ter terechtzitting hebben doen vertegenwoordigen.
IV – Analyse
16. Hoofdstuk VII (punt 48) van de bijlage bij richtlijn 91/628 stelt de regels vast met betrekking tot de tussenpozen voor het voederen en drenken, alsmede de reis‑ en rusttijden van de in artikel 1, lid 1, sub a, van de richtlijn opgesomde diersoorten, waaronder runderen, tijdens hun vervoer, met uitzondering van het luchtvervoer.
17. Punt 48.2 van de bijlage preciseert dat de reisduur niet langer mag zijn dan 8 uur. Deze reistijd kan echter worden verlengd, indien het vervoermiddel voldoet aan de aanvullende voorwaarden van punt 48.3. Zo geldt ingevolge punt 48.4, sub d, van de bijlage bij de richtlijn dat, wanneer wegvoertuigen worden gebruikt die voldoen aan de voorwaarden van punt 48.3 – wat de verwijzende rechter in het hoofdgeding niet in twijfel trekt – de dieren na een reistijd van 14 uur een rusttijd van ten minste 1 uur moeten krijgen, waarin zij worden gedrenkt en zo nodig gevoederd, waarna de dieren gedurende een nieuwe periode van 14 uur kunnen worden vervoerd. Punt 48.4, sub d, stelt dus voor wegvoertuigen die voldoen aan de voorwaarden van punt 48.3., de maximumreistijd vast op 28 uur.
18. In dit verband wil ik erop wijzen dat de gangbare formule, waarop ook de verwijzende rechter en een aantal deelnemers aan de procedure die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, zich beroepen, te weten dat punt 48.4, sub d, van de bijlage bij richtlijn 91/628 een maximumreistijd van 29 uur toestaat, op een onnauwkeurige uitlegging van de in deze bepaling opgenomen regel „14 + 1 + 14” berust.(11) Punt 48.4, sub d, stelt namelijk uitsluitend een maximale reistijd over de weg van 28 uur vast, onderbroken door een minimale rusttijd van een uur, zodat deze perioden bij elkaar opgeteld tot een minimale reisduur van 29 uur leiden. Dit betekent dat de duur van een reis bijvoorbeeld 50 uur mag bedragen, namelijk twee (maximale) vervoersperioden van elk 14 uur, onderbroken door een rusttijd van 22 uur.
19. Met betrekking tot het zeevervoer verwijst punt 48.7, sub a, van de bijlage bij richtlijn 91/628 naar het bepaalde in punt 48.2 (dus een maximumreistijd van 8 uur), behalve indien aan de voorwaarden van de punten 48.3 en 48.4 van die bijlage, met uitzondering van de reistijden en rusttijden, is voldaan. Reeds naar de letter van punt 48.7, sub a, van de bijlage bij richtlijn 91/628 geldt de in punt 48.4, sub d, voorziene minimale reistijd van 29 uur in de regel niet voor zeevervoer. Deze wijze van vervoer omvat in elk geval, zoals ook is betoogd door alle deelnemers aan de procedure die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, het vervoer per gespecialiseerd schip dat dezelfde voorwaarden van comfort biedt als een stal (ook wel „stal-schip” genaamd).
20. Voorts preciseert punt 48.7, sub b, van de bijlage bij richtlijn 91/628 dat bij zeevervoer waarbij op gezette tijden een rechtstreekse verbinding wordt verzorgd tussen twee verschillende plaatsen in de Europese Gemeenschap met voertuigen die op de schepen worden geladen zonder dat de dieren worden gelost (hierna: „vervoer op roll-on/roll-off-veerboten”), de dieren na in de haven van bestemming of in de onmiddellijke omgeving te zijn ontscheept, een rusttijd van 12 uur moeten krijgen, tenzij de reistijd op zee deel uitmaakt van het algemene schema van de punten 48.2 tot en met 48.4.
21. Met zijn eerste prejudiciële vraag wil de verwijzende rechter in wezen en primair weten, of het in punt 48.7, sub b, van de bijlage bij richtlijn 91/628 bedoelde vervoer op roll-on/roll-off-veerboten kan worden gekwalificeerd als vervoer over zee in de zin van punt 48.7, sub a, van deze bijlage. Voor zover deze vraag bevestigend wordt beantwoord, vraagt de verwijzende rechter voorts of, wanneer het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten plaatsvindt tussen twee perioden van wegvervoer, laatstgenoemde perioden niet met elkaar zijn verbonden, zoals volgens hem het geval is wanneer, bij een identiek reisschema, het traject op zee wordt afgelegd op een „stal-schip”.
22. Met zijn tweede vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen of de dieren, na een vervoer op een roll-on/roll-off-veerboot gedurende een periode die kennelijk langer is dan 14 uur, dus langer dan de maximumreistijd van punt 48.4, sub d, van de bijlage bij richtlijn 91/628 voorafgaand aan de minimumrusttijd van 1 uur, een rusttijd van 12 uur moeten krijgen op grond van punt 48.7, sub b, dan wel of het vervoer over de weg onmiddellijk na ontscheping mag plaatsvinden voor een maximumduur van 28 uur.
23. Om deze vragen te kunnen beantwoorden, moet punt 48 van de bijlage bij richtlijn 91/628 systematisch en teleologisch worden uitgelegd wat betreft de reisvoorwaarden van runderen gedurende het vervoer over de weg, gedurende het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten en wanneer zij worden vervoerd op een „stal-schip”.
24. Punt 48 onderscheidt verschillende wijzen van vervoer naargelang van de kwalitatieve waarborgen die zij bieden met betrekking tot het behoud van de gezondheid van de dieren, in casu runderen.
25. Terwijl de reistijd over de weg maximaal 28 uur mag bedragen, zoals bepaald in punt 48.4, sub d, is het vervoer over zee van runderen op een „stal-schip” als bedoeld in punt 48.7, sub a, niet aan een maximumduur gebonden, omdat de reisomstandigheden van de dieren in dat geval aanmerkelijk beter zijn.
26. Tussen deze twee uitersten bevindt zich het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten, dat centraal staat in de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter. In dit geval worden de runderen weliswaar niet uit de vrachtwagen op het schip geladen, zoals gebeurt bij vervoer op een „stal-schip”, doch zijn de omstandigheden gunstiger voor hun gezondheid dan tijdens het vervoer over de weg, wegens de aanvullende garanties als bedoeld in punt 26 van hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 91/628. Aldus voorziet punt 26, sub i, van dit hoofdstuk, omdat runderen tijdens het wegvervoer aan talrijke schokken worden blootgesteld, in een stelsel van vastmaking van de vrachtwagens, dat de bewegingen van het voertuig tijdens het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten beperkt. Voorts kunnen de dieren tijdens de overtocht worden gedrenkt en/of gevoederd overeenkomstig punt 26, sub iii, van voornoemd hoofdstuk, terwijl dit bij wegvervoer slechts mogelijk is tijdens de stops.
27. Zonder vooruit te willen lopen op het antwoord op de prejudiciële vragen, meen ik dat de gemeenschapswetgever de bijzondere aard van het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten heeft erkend door tevens in punt 48.7, sub b, van de bijlage bij richtlijn 91/628 specifieke bepalingen, onder meer met betrekking tot de reistijd, op te nemen die rekening houden met de kwalitatieve voorwaarden van deze wijze van vervoer. Verderop in mijn conclusie zal ik de gevolgen onderzoeken die deze voorwaarden hebben voor de vaststelling van de reistijd op roll-on/roll-off-veerboten.
28. Intussen wil ik op grond van het in punt 26 van deze conclusie genoemde punt 26 van hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 91/628 alvast een antwoord geven op het eerste onderdeel van de eerste prejudiciële vraag, namelijk dat het geen twijfel lijdt dat het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten moet worden aangemerkt als vervoer over zee. Zoals ik immers reeds heb opgemerkt in mijn conclusie in de reeds aangehaalde zaak Schwaninger Martin, valt het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten, ondanks de specifieke kenmerken daarvan, onder vervoer over zee.(12) Bovendien verwijst punt 48.7, sub b, van de bijlage bij richtlijn 91/628 naar deze wijze van vervoer als „zeevervoer”.
29. Ik denk dan ook dat zonder schroom kan worden gesteld dat punt 48.7, sub a, de algemene bepalingen met betrekking tot het zeevervoer bevat, daaronder begrepen het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten. Dit punt is derhalve van toepassing op alle soorten zeevervoer die aan de voorwaarden van de punten 48.2 tot en met 48.4, met uitzondering van de reis‑ en rusttijden, voldoen.
30. Om de eerste vraag van de verwijzende rechter volledig te kunnen beantwoorden, moet nog worden onderzocht of de perioden van wegvervoer die voorafgaan aan en aansluiten op het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten, met elkaar zijn verbonden.
31. Verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie verdedigen de stelling, dat de twee perioden van wegvervoer nimmer met elkaar zijn verbonden. De Zweedse regering is daarentegen van mening dat zij altijd met elkaar verbonden zijn, omdat sprake is van één enkele ononderbroken reis. Volgens deze regering strookt alleen haar opvatting met het doel van richtlijn 91/628.
32. Naar mijn mening kan de gestelde vraag niet zo categorisch worden beantwoord. Uiteindelijk moet, zoals ik hieronder zal aantonen, de noodzaak om de beide perioden van wegvervoer bij elkaar op te tellen, worden beoordeeld aan de hand van de duur van het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten, met andere woorden afhankelijk van de vraag of de duur van dit vervoer de in punt 48.4, sub d, van de bijlage bij richtlijn 91/628 voorziene duur overschrijdt of niet.
33. Ik heb reeds aangegeven, dat het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten, niettegenstaande de kwalificatie ervan als zeevervoer, bijzondere kenmerken vertoont. De gemeenschapswetgever heeft deze kenmerken erkend in de bepalingen van richtlijn 91/628, met name in punt 48.7, sub b, van de bijlage bij deze richtlijn. De verwijzing aan het eind van dit punt naar het algemene schema van de punten 48.2 tot en met 48.4 van de bijlage betekent in dit verband dat, in tegenstelling tot de voorschriften die voor het zeevervoer in het algemeen gelden (punt 48.7, sub a), de in punt 48.4, sub d, voorziene maximumduur van 28 uur van toepassing is wanneer runderen op roll-on/roll-off-veerboten worden vervoerd. Ik wil er echter op wijzen, dat de rusttijd bedoeld in punt 48.4, sub d, tijdens het zeevervoer geen zin heeft. Of de dieren zich nu op een „stal-schip” dan wel een roll-on/roll-off-veerboot bevinden, zij kunnen doorlopend worden gedrenkt en/of gevoederd: in het eerste geval wegens de op een stal gelijkende omstandigheden en in het tweede geval wegens het bestaan en de naleving van de bepalingen van punt 26, sub iii, van hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 91/628, waardoor het drenken en het voederen van de dieren kan worden gewaarborgd.
34. Hieruit volgt dat, wanneer vervoer op roll-on/roll-off-veerboten 28 uur heeft geduurd, de dieren bij aankomst in de haven van bestemming een rusttijd van 12 uur dienen te krijgen overeenkomstig punt 48.7, sub b. Hierbij teken ik aan dat de in deze bepaling voorgeschreven duur van 12 uur dezelfde functie van „neutralisering” van de reistijden voorafgaand aan deze rusttijd heeft, als de in punt 48.5 van de bijlage bij richtlijn 91/628 bedoelde periode van 24 uur voor het wegvervoer heeft. Dit betekent dat, na de rusttijd van 12 uur volgend op een reistijd op roll-on/roll-off-veerboten van 28 uur, een nieuwe periode van vervoer kan ingaan.
35. Deze uitlegging van de functie van de rusttijd van 12 uur vindt enerzijds bevestiging in de bewoordingen van punt 48.7, sub b, van de bijlage bij richtlijn 91/628, dat niet naar punt 48.5 van deze bijlage verwijst, en anderzijds in de aard van het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten, welk type vervoer, zoals hiervóór reeds uiteengezet, betere voorwaarden voor de gezondheid van de dieren biedt dan het vervoer over de weg.
36. Indien het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten plaatsvindt tussen twee perioden van wegvervoer, het geval dus waarop de verwijzende rechter doelt, is de koppeling van deze twee perioden mijns inziens afhankelijk van de duur van het vervoer op de roll-on/roll-off-veerboot.
37. Indien de reistijd op de roll-on/roll-off-veerboot de maximumduur van 28 uur bereikt, neutraliseert de rusttijd van 12 uur die de runderen moeten krijgen, de duur van elke vorm van vervoer die daaraan is voorafgegaan.
38. Indien de reistijd op de roll-on/roll-off-veerboot de maximumduur van 28 uur niet bereikt, moeten de twee perioden van wegvervoer bij elkaar worden opgeteld wegens de door richtlijn 91/628 nagestreefde doelstelling, de gezondheid van de dieren tijdens het vervoer te beschermen. Indien men namelijk in dat geval met de Commissie zou menen dat de perioden van wegvervoer niet bij elkaar hoeven te worden opgeteld, zou dit ertoe leiden dat een periode van vervoer op roll-on/roll-off-veerboten gunstiger wordt behandeld dan een rusttijd. Terwijl na een rusttijd van 20 uur, voorafgegaan door een periode van wegvervoer van 14 uur, de daaropvolgende periode van wegvervoer niet langer mag duren dan 14 uur, overeenkomstig het algemene schema van punt 48.4, sub d, van de bijlage bij de richtlijn, zou het doel van de richtlijn om het vervoer van dieren over lange afstanden zoveel mogelijk te beperken en dus de duur van dit vervoer met het oog op hun welzijn te beperken, worden miskend, indien in een soortgelijk geval werd aanvaard dat na een vervoer op roll-on/roll-off-veerboten gedurende 20 uur een maximumreistijd van 28 uur mogelijk is, zonder rekening te houden met de duur van het wegvervoer dat aan het vervoer over zee is voorafgegaan. Het belang van dit doel is bovendien door het Hof herhaald in het arrest ZVK(13) in relatie met de uitlegging van het begrip „vervoer” in de zin van richtlijn 91/628.
39. De uitlegging dat de perioden van wegvervoer bij elkaar moeten worden opgeteld afhankelijk van de duur van het vervoer op een roll-on/roll-off-veerboot, verzekert een evenredige bescherming van de dieren gedurende de reis door de cumulatie van lange reistijden zoveel mogelijk te beperken. Deze uitlegging strookt naar mijn mening met hetgeen de gemeenschapswetgever heeft willen bereiken, namelijk een equivalent niveau van bescherming van de dieren tijdens het vervoer, rekening houdend met de kwalitatieve voorwaarden die elk vervoermiddel biedt; hij heeft derhalve passende voorschriften voor elk van deze middelen opgesteld, waaronder die met betrekking tot de reistijd.
40. Derhalve lijkt mij de stelling van de Zweedse regering, dat ter wille van het behoud van de gezondheid van de dieren dient te worden uitgegaan van het bestaan van één enkele ononderbroken reis, niet juist. Ofschoon moet worden toegegeven dat het vervoer één enkele reis vormt(14), omvat deze reis verschillende vormen van vervoer, die aan verschillende voorschriften zijn gebonden. Bovendien lijkt het betoog van de Zweedse regering een discriminerende behandeling van bepaalde wijzen van vervoer, in casu het vervoer over zee, als consequentie te hebben, waarmee de ratio van richtlijn 91/628 geweld wordt aangedaan.
41. Derhalve onderschrijf ik noch het standpunt van de Commissie dat perioden van wegvervoer voorafgaand aan en aansluitend op het vervoer op roll-on/roll-off-veerboten nimmer bij elkaar mogen worden opgeteld, noch de stelling van de Zweedse regering dat deze perioden altijd bij elkaar moeten worden opgeteld wanneer er sprake is van één enkele ononderbroken reis. Integendeel, volgens mij moet het tweede onderdeel van de eerste vraag van de verwijzende rechter aldus worden beantwoord, dat de koppeling van de perioden van wegvervoer voorafgaand aan en aansluitend op een periode van vervoer op een roll-on/roll-off-veerboot afhangt van de vraag of de maximumduur die voor dit vervoer is bepaald in punt 48.4, sub d, van de bijlage bij richtlijn 91/628, volgens de verwijzing in punt 48.7, sub b, van deze bijlage is bereikt.
42. Op grond van de voorgaande analyse en het antwoord dat ik op de eerste vraag heb gegeven, kan in wezen ook de tweede vraag van de verwijzende rechter worden beantwoord.
43. Met deze tweede vraag wil de verwijzende rechter weten of, na een vervoer op roll-on/roll-off-veerboten langer dan 14 uur, dus langer dan de maximumreistijd van punt 48.4, sub d, de dieren een rusttijd van 12 uur moeten krijgen op grond van punt 48.7, sub b, dan wel of het vervoer over de weg onmiddellijk na hun ontscheping mag plaatsvinden en wel voor een maximumduur van 28 uur.
44. Zoals ik hiervoor heb aangegeven, kan, na een vervoer op een roll-on/roll-off-veerboot van minder dan 28 uur een nieuwe vervoersperiode ingaan, waarbij evenwel rekening dient te worden gehouden met een eventuele periode van wegvervoer voorafgaand aan het vervoer op de roll-on/roll-off-veerboot.
45. In casu blijkt uit de verwijzingsbeschikking dat het vervoer over de weg dat is voorafgegaan aan het vervoer op de roll-on/roll-off-veerboot, is geneutraliseerd door een rusttijd van meer dan 24 uur (overeenkomstig punt 48.5 van de bijlage bij richtlijn 91/628) en dat de verwijzende rechter zich voor de vraag ziet gesteld of een nieuwe vervoersperiode kan ingaan na een beweerdelijk te lange reistijd op een roll-on/roll-off-veerboot (14,5 uur). Zoals uit mijn uiteenzetting in het kader van de eerste prejudiciële vraag volgt, kan vervoer over de weg onmiddellijk plaatsvinden na de aankomst in de haven van bestemming van een roll-on/roll-off-veerboot, indien de overtocht niet langer dan 28 uur heeft geduurd. Verder is het voorbehoud dat ik hiervóór heb gemaakt ten aanzien van de noodzaak om de perioden van wegvervoer bij elkaar op te tellen, in het hoofdgeding niet relevant, omdat de periode voorafgaand aan het vervoer op de roll-on/roll-off-veerboot is geneutraliseerd.
46. Volledigheidshalve voeg ik hieraan toe dat de alternatieve uitlegging waarop de verwijzende rechter doelt, namelijk dat na een reistijd van 14 uur op een roll-on/roll-off-veerboot een rusttijd van 12 uur moet worden ingelast, moet worden afgewezen, niet alleen om de hiervóór genoemde reden maar ook om andere redenen verband houdend met de systematische uitlegging van richtlijn 91/628. Deze uitlegging zou er inzonderheid op neerkomen dat een periode van wegvervoer van 14 uur, die overeenkomstig punt 48.4, sous d, van de bijlage bij richtlijn 91/628 slechts hoeft te worden gevolgd door een rusttijd van „ten minste 1 uur”, gunstiger werd behandeld dan het vervoer op een roll-on/roll-off-veerboot, dat door een rusttijd van 12 uur moet worden gevolgd, terwijl laatstgenoemde vervoersvorm de dieren kwalitatief betere voorwaarden voor hun gezondheid biedt dan het vervoer over de weg.(15)
47. Gelet op het voorgaande stel ik het Hof voor om de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt. Ten eerste regelt punt 48.7, sub a, van de bijlage bij richtlijn 91/628 de essentiële vereisten waaraan het zeevervoer dient te voldoen, daaronder begrepen het in punt 48.7, sub b, van deze bijlage bedoelde vervoer op roll-on/roll-off-veerboten. Ten tweede hangt de koppeling van de perioden van wegvervoer voorafgaand aan en aansluitend op een periode van vervoer op een roll-on/roll-off-veerboot af van de vraag of de maximumduur die voor dit vervoer is bepaald in punt 48.4, sub d, van de bijlage bij richtlijn 91/628, volgens de verwijzing in punt 48.7, sub b, van deze bijlage is bereikt. Dit betekent dat, wanneer het vervoer op een roll-on/roll-off-veerboot de maximumduur van 28 uur niet bereikt, onmiddellijk na aankomst in de haven van bestemming een periode van wegvervoer kan ingaan. Bij de berekening van de duur van deze periode overeenkomstig richtlijn 91/628 moet rekening worden gehouden met de duur van het wegvervoer voorafgaand aan het vervoer op de roll-on/roll-off-veerboot, tenzij de periode van wegvervoer vóór het zeevervoer is geneutraliseerd door een rusttijd van ten minste 24 uur overeenkomstig punt 48.5 van de bijlage bij richtlijn 91/628. Het is de taak van de verwijzende rechter om te beoordelen of de litigieuze reis in het hoofdgeding aan deze voorwaarden voldoet.
V – Conclusie
48. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van het Finanzgericht Hamburg te beantwoorden als volgt:
„1) Punt 48.7, sub a, van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29/EG van de Raad van 29 juni 1995, moet aldus worden uitgelegd dat het de essentiële vereisten regelt waaraan het zeevervoer dient te voldoen, daaronder begrepen het in punt 48.7, sub b, van deze bijlage bedoelde vervoer waarbij op gezette tijden een rechtstreekse verbinding wordt verzorgd tussen twee verschillende plaatsen in de Europese Gemeenschap met voertuigen die op schepen worden geladen zonder dat de dieren worden gelost.
2) De koppeling van de perioden van wegvervoer voorafgaand aan en aansluitend op een periode van vervoer waarbij op gezette tijden een rechtstreekse verbinding wordt verzorgd tussen twee verschillende plaatsen in de Europese Gemeenschap met voertuigen die op schepen worden geladen zonder dat de dieren worden gelost, hangt af van de vraag of de maximumduur die voor dit vervoer is bepaald in punt 48.4, sub d, van de bijlage bij richtlijn 91/628, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29, volgens de verwijzing in punt 48.7, sub b, van deze bijlage is bereikt.
Dit betekent dat, wanneer het vervoer waarbij op gezette tijden een rechtstreekse verbinding wordt verzorgd tussen twee verschillende plaatsen in de Europese Gemeenschap met voertuigen die op schepen worden geladen zonder dat de dieren worden gelost, de maximumduur van 28 uur niet bereikt, onmiddellijk na aankomst in de haven van bestemming een periode van wegvervoer kan ingaan. Bij de berekening van de duur van deze periode overeenkomstig richtlijn 91/628, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29, moet rekening worden gehouden met de duur van het wegvervoer voorafgaand aan het vervoer waarbij op gezette tijden een rechtstreekse verbinding wordt verzorgd tussen twee verschillende plaatsen in de Europese Gemeenschap met voertuigen die op schepen worden geladen zonder dat de dieren worden gelost, tenzij de periode van wegvervoer vóór het zeevervoer is geneutraliseerd door een rusttijd van ten minste 24 uur overeenkomstig punt 48.5 van de bijlage bij genoemde richtlijn.
Het is de taak van de verwijzende rechter om te beoordelen of de litigieuze reis in het hoofdgeding aan deze voorwaarden voldoet.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 340, blz. 17.
3 – PB L 148, blz. 52.
4 – PB L 160, blz. 21.
5 – PB L 82, blz. 19.
6 – PB L 148, blz. 24.
7 – De redactie van artikel 13, lid 9, tweede alinea, van verordening nr. 805/68 was identiek aan die van artikel 33, lid 9, van verordening nr. 1254/1999.
8 – PB L 93, blz. 10.
9 – Zie artikel 9 van verordening nr. 639/2003.
10 – Het gaat om runderen, met uitzondering van kalveren.
11 – Zie mijn conclusie van 28 februari 2008 in de zaak Schwaninger Martin (C‑207/06, nog aanhangig bij het Hof), voetnoot 7.
12 – Punt 26.
13 – Arrest van 23 november 2006, C-300/05, Jurispr. blz. I‑11169, punt 19.
14 – Ik herinner eraan dat volgens artikel 2, sub g, van richtlijn 91/628 onder reis wordt verstaan „het vervoer van de plaats van vertrek naar de plaats van bestemming”.
15 – Zie in die zin ook mijn conclusie in de reeds aangehaalde zaak Schwaninger Martin (punten 31‑35).
Full & Egal Universal Law Academy