CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 28 februari 2008 (1)
Zaak C‑311/06
Consiglio Nazionale degli Ingegneri
tegen
Ministero della Giustizia,
Marco Cavallera
[verzoek van de Consiglio di Stato (Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Werknemers – Erkenning van beroepsopleidingen – Ingenieur – Inschrijving bij de beroepsorde van een lidstaat die niet de staat is waar het diploma is gehomologeerd”
1. Met de onderhavige verwijzing wordt het Hof verzocht zich bij wijze van prejudiciële beslissing uit te spreken over de uitlegging die moet worden gegeven aan richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten.(2) Inzonderheid wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het met het oog op de doelstellingen van de richtlijn is toegestaan dat een gemeenschapsburger die zijn universitaire opleiding volledig heeft gevolgd in zijn land van herkomst, Italië, en die door middel van homologatie van zijn Italiaanse titel in Spanje, een diploma heeft verkregen dat hem toegang geeft tot het beroep van werktuigbouwkundig ingenieur in dat land, profijt kan trekken van de wederzijdse erkenning van zijn Spaanse diploma in Italië teneinde dat beroep in zijn land van herkomst uit te oefenen ofschoon hij in Spanje geen universitaire opleiding heeft gevolgd en in die staat ook geen enkele beroepservaring heeft opgedaan.
I – Feiten en procesverloop in het hoofdgeding
2. M. Cavallera, een Italiaan, behaalde op 9 maart 1999, na een driejarige opleiding, het diploma van werktuigbouwkundig ingenieur („laurea in ingegneria meccanica”) aan de universiteit van Turijn (Italië). Daarop verzocht hij het Ministerio de Educación y Ciencia (ministerie van Onderwijs en Wetenschappen) om homologatie van zijn universitaire titel. Nadat de homologatie op 17 oktober 2001 was verleend, is Cavallera vervolgens ingeschreven bij het College van ingenieurs van Catalonië, waardoor hij in Spanje het beroep van ingenieur mocht uitoefenen.
3. Tot aan de inwerkingtreding van Spaans koninklijk decreet nr. 285/2004(3), in september 2004, was de homologatieprocedure voor buitenlandse universitaire diploma’s in Spanje namelijk geregeld bij koninklijk decreet nr. 86/1987.(4) Volgens artikel 1 van decreet nr. 86/1987 hangt de homologatie af van de erkenning in Spanje van de officiële geldigheid, voor academische doeleinden, van de buitenlandse hogeronderwijsdiploma’s. Overeenkomstig artikel 2 van dit decreet kunnen aanvullende examens worden vereist, wanneer de uit het diploma blijkende opleiding niet gelijkwaardig is aan de opleiding die met een Spaans diploma wordt afgesloten.
4. Deze procedure verschilt van de erkenningsprocedure voor beroepskwalificaties, ingesteld bij koninklijk decreet nr. 1665/1991 waarmee richtlijn 89/48 in de Spaanse rechtsorde werd omgezet. Aangezien Cavallera in Italië niet beschikte over een diploma dat hem toegang verleende tot het beroep van werktuigbouwkundig ingenieur in die staat, maar enkel over een academische titel na een driejarige universitaire opleiding, was alleen de homologatieprocedure op hem van toepassing. Het is derhalve op grond van koninklijk decreet nr. 86/1987 dat hij een besluit tot homologatie van zijn studieloopbaan heeft verkregen, waarin de gelijkwaardigheid van zijn Italiaanse universitaire opleiding met de Spaanse universitaire opleiding wordt bevestigd.
5. Teneinde de erkenning op grond van de richtlijn te verwerven, had hij immers voordien moeten slagen voor het Italiaanse staatsexamen, dat overeenkomstig koninklijk decreet nr. 2537 van 25 oktober 1925(5) en presidentieel decreet nr. 328 van 5 juni 2001(6) een voorwaarde is voor de toegang tot het beroep van ingenieur in Italië.
6. Het in Spanje verleende homologatiebesluit volstaat echter voor de uitoefening van dat beroep in die staat. Anders dan in Italië, is in Spanje het slagen voor een staatsexamen niet vereist. In Spanje hangt de toegang tot het beroep van werktuigbouwkundig ingenieur alleen af van het bezit van een officieel universitair diploma en van de inschrijving bij de beroepsorde van ingenieurs. Evenals in Italië volstaat een eenvoudig administratief verzoek voor deze inschrijving bij de beroepsorde. Aangezien de homologatie overeenkomstig het Spaanse recht tot gevolg heeft dat, vanaf het moment waarop zij is verleend en waarop het daarbij behorende attest is verstrekt, het buitenlandse diploma dezelfde gevolgen heeft op het gehele nationale grondgebied als het Spaanse diploma of de Spaanse universitaire titel waarmee het gelijkwaardig is verklaard, overeenkomstig de van kracht zijnde wetgeving, kon Cavallera zijn inschrijving verkrijgen bij het College van ingenieurs in Catalonië, op grond waarvan hij het beroep van werktuigbouwkundig ingenieur in Spanje kon uitoefenen.
7. Eenmaal in het bezit zijnde van een Spaans diploma van werktuigbouwkundig ingenieur, heeft Cavallera vervolgens, op 6 maart 2002, de bevoegde Italiaanse autoriteiten verzocht zijn titel in Italië te erkennen, teneinde voor het eerst het beroep van werktuigbouwkundig ingenieur in Italië uit te oefenen.
8. Bij decreet van 23 oktober 2002 heeft de Italiaanse minister van Justitie aan dit verzoek gevolg gegeven door de geldigheid van de Spaanse titel van Cavallera te erkennen met het oog op zijn inschrijving in het register van de Orde van ingenieurs van Alessandria.
9. De Consiglio nazionale degli Ingegneri (nationale raad van ingenieurs), verzoeker in het hoofdgeding, heeft het ministerieel erkenningsdecreet bestreden voor het Tribunale amministrativo regionale del Lazio (TAR Lazio). Hij voert aan dat de Italiaanse autoriteiten deze titel op grond van de richtlijn niet aan Cavallera mochten verlenen, aangezien krachtens het nationale recht de uitoefening van het beroep van ingenieur, naast het universitair diploma waarover Cavallera beschikt, het met succes afleggen van het staatsexamen vereist.
10. Het TAR Lazio verwierp het beroep met de overweging dat het ministerie van Justitie geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De Consiglio di Stato (Raad van State), waarbij tegen deze uitspraak beroep is ingesteld, is evenwel van oordeel dat de richtlijn niet van toepassing is op de situatie van Cavallera, aangezien deze laatste in Spanje geen enkel diploma in de zin van artikel 1, sub a, van de richtlijn had verkregen.
11. Artikel 1 van de richtlijn bepaalt:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) diploma: alle diploma’s, certificaten en andere titels dan wel elk geheel van dergelijke diploma’s, certificaten en andere titels:
– afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die is aangewezen overeenkomstig zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen,
– waaruit blijkt dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of een andere instelling van hetzelfde opleidingsniveau en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de postsecundaire studiecyclus wordt vereist, en
– waaruit blijkt dat de houder de vereiste beroepskwalificaties bezit om tot een gereglementeerd beroep in die lidstaat te worden toegelaten of om dat uit te oefenen,
wanneer de met het diploma, het certificaat of de andere titel afgesloten opleiding overwegend in de Gemeenschap is genoten of wanneer de houder ervan een driejarige beroepservaring heeft opgedaan, gewaarmerkt door de lidstaat die een diploma, een certificaat of een andere titel van een derde land heeft erkend.
[...]
b) ontvangende lidstaat: de lidstaat waar een onderdaan van een lidstaat een aldaar gereglementeerd beroep wenst uit te oefenen, zonder daar zijn diploma te hebben behaald of het betrokken beroep daar voor het eerst te hebben uitgeoefend;
[...]”
12. Artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 89/48 luidt als volgt:
„Deze richtlijn is van toepassing op alle onderdanen van een lidstaat die als zelfstandige of loontrekkende een gereglementeerd beroep in een ontvangende lidstaat willen uitoefenen.”
13. Artikel 3, eerste alinea, van de richtlijn bepaalt:
„Wanneer in de ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een diploma, mag de bevoegde autoriteit een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van dat beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet weigeren wegens onvoldoende kwalificaties [...]”
14. In het onzekere hoe het gemeenschapsrecht en meer in het bijzonder richtlijn 89/48 dient te worden uitgelegd, heeft de Consiglio di Stato overeenkomstig artikel 234 EG de behandeling van de zaak geschorst en de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd:
„1) Is richtlijn 89/48/EEG van toepassing op het geval van een Italiaans staatsburger die: a) in Italië een driejarige ingenieursopleiding met succes heeft voltooid; b) de erkenning van de gelijkwaardigheid van de Italiaanse titel aan de overeenkomstige Spaanse titel heeft verkregen; c) de inschrijving in het Spaanse register van ingenieurs heeft verkregen, maar dat beroep nooit in Spanje heeft uitgeoefend; d) op grond van de Spaanse homologatie om inschrijving in het register van ingenieurs in Italië heeft verzocht?
2) Ingeval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is dan verenigbaar met richtlijn 89/48/EEG het nationale voorschrift (artikel 1 van decreto legislativo nr. 115 van 1992[(7)]) dat zich verzet tegen de erkenning in Italië van een titel van een lidstaat die op zijn beurt het uitsluitend resultaat is van de erkenning van een vorige, Italiaanse titel?”
II – Juridische analyse
15. De voornaamste vraag in deze zaak betreft derhalve de vaststelling in hoeverre een gemeenschapsburger zich in zijn lidstaat van herkomst op de bepalingen van de richtlijn kan beroepen, teneinde de erkenning te verkrijgen van een diploma dat voortvloeit uit een eenvoudige homologatie van een universitaire studiecyclus van drie jaar die hij in zijn lidstaat van herkomst heeft gevolgd, zonder dat de migrant een universitaire opleiding of aanvullende beroepsopleiding heeft gevolgd in de lidstaat waar het diploma is verstrekt.
16. Deze zaak brengt mee dat achtereenvolgens moet worden ingegaan op de werkingssfeer van de richtlijn en op de vraag of daarop een beroep kan worden gedaan door een onderdaan in een situatie als aan de gestelde prejudiciële vragen ten grondslag ligt.
A – De toepasbaarheid van de richtlijn op het geding
17. Richtlijn 89/48 bevat algemene voorschriften voor de erkenning tussen de lidstaten van diploma’s, en meer in het bijzonder van beroepskwalificaties, gebaseerd op het beginsel van wederzijdse erkenning. Volgens artikel 2 van de richtlijn is deze van toepassing op alle „onderdanen van een lidstaat die [...] een gereglementeerd beroep in een ontvangende lidstaat willen uitoefenen”. De lidstaat van ontvangst is in artikel 1, sub b, van de richtlijn gedefinieerd als „de lidstaat waar een onderdaan van een lidstaat een aldaar gereglementeerd beroep wenst uit te oefenen, zonder daar zijn diploma te hebben behaald of het betrokken beroep daar voor het eerst te hebben uitgeoefend”. In casu moet ervan worden uitgegaan dat aan deze voorwaarden is voldaan, aangezien Cavallera inderdaad een gemeenschapsburger is, die beschikt over een door Spanje afgegeven diploma dat hem in staat stelt aldaar het beroep van ingenieur uit te oefenen en waarvan hij de erkenning in Italië vraagt. De ontvangende lidstaat is dus tevens de staat van herkomst.
18. Verschillende lidstaten hebben erop gewezen dat aan die voorwaarden niet was voldaan, aangezien sommige taalversies van de richtlijn in bovengenoemde bepalingen en in artikel 3, eerste alinea, en artikel 3, eerste alinea, sub a, verwijzen naar een onderdaan van een andere lidstaat dan de lidstaat van ontvangst.(8) De letterlijke uitlegging van deze varianten moet evenwel worden verworpen met het oog op de doelstelling van de richtlijn. Het Hof heeft al terstond gepreciseerd dat het vrije verkeer van werknemers en de vrijheid van vestiging fundamentele vrijheden vormen, die niet ten volle worden verwezenlijkt indien de lidstaten de toepasselijkheid van de bepalingen van het gemeenschapsrecht zouden kunnen onthouden aan diegenen van hun onderdanen die, gebruikmakend van de in het gemeenschapsrecht geboden faciliteiten, beroepskwalificaties hebben verworven in een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit bezitten.(9) Op de richtlijn kan derhalve een beroep worden gedaan door een onderdaan van een lidstaat in zijn eigen lidstaat. Deze verschillen in de taalversies moeten in feite aldus worden uitgelegd, dat zij eraan herinneren dat de toepassing van het gemeenschapsrecht het bestaan van een buitenlands element vereist. Aangezien Cavallera over een Spaans diploma beschikt waarvan hij de erkenning in Italië vraagt, mag ervan worden uitgegaan dat zijn situatie duidelijk aanknoopt bij het gemeenschapsrecht, zodat naar mijn mening de onderhavige feiten niet op grond van de enkele voornoemde artikelen van de werkingssfeer van de richtlijn kunnen worden uitgesloten.
19. Daarnaast is het voor de toepassing van richtlijn 89/48 nog nodig dat de titel waarop Cavallera zich beroept, voldoet aan de daarin gepreciseerde definitie van „diploma”. Krachtens artikel 1, sub a, van de richtlijn moet aan drie cumulatieve voorwaarden worden voldaan opdat de titel en/of de beroepservaring waarvan de erkenning wordt gevraagd, als een diploma kan worden beschouwd.
20. Om te beginnen moet het diploma zijn afgegeven door de bevoegde autoriteit van een lidstaat. In casu moet ervan worden uitgegaan dat aan deze voorwaarde is voldaan, omdat het diploma is afgegeven door het Spaanse ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, dat overeenkomstig de Spaanse wetgeving gemachtigd is diploma’s van industrieel technisch ingenieur uit te reiken. In de tweede plaats moet uit het diploma blijken dat de houder wel degelijk „een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of een andere instelling van hetzelfde opleidingsniveau en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de postsecundaire studiecyclus wordt vereist”.(10) In de derde plaats moet het diploma toegang verschaffen tot een beroep in het land van herkomst. Dit wil zeggen dat het diploma de daadwerkelijke uitoefening van een beroep in de lidstaat die het heeft afgegeven, mogelijk moet maken. Onder voorbehoud dat aan de tweede voorwaarde is voldaan, moet ervan worden uitgegaan dat dit ook met het laatste vereiste het geval is. Het Spaanse diploma waarop verweerder zich beroept, geeft hem immers het recht om in de lidstaat waar het diploma is uitgereikt, in casu Spanje, het beroep van werktuigbouwkundig ingenieur uit te oefenen.
21. Bijgevolg blijken de voornaamste verschillen van opvatting ter zake van de uitlegging van artikel 1, sub a, van de richtlijn zich te concentreren rond de tweede voorwaarde, die inhoudt dat het diploma wordt verstrekt na een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar.
22. De tegenstanders van de toepassing van de richtlijn op het onderhavige geval stellen zich in wezen op het standpunt dat de titel die verweerder in Spanje heeft verkregen niet als een diploma kan worden beschouwd. Zij baseren hun argumentatie voornamelijk op de omstandigheid dat het door Cavallera bij de Italiaanse autoriteiten ingediende erkenningsverzoek niet berust op een diploma dat in het kader van een Spaanse universitaire of beroepsopleiding is verkregen, maar eenvoudigweg op een homologatiebesluit van Spanje waarin de gelijkwaardigheid van de Italiaanse universitaire titel aan de Spaanse universitaire titel wordt vastgesteld. De homologatie als zodanig heeft er derhalve toe geleid dat verweerder toegang kreeg tot het beroep van ingenieur in Spanje.
23. Het staat immers duidelijk vast dat verweerder in Spanje niet heeft gestudeerd noch gewerkt, zodat hij met name geen enkele beroeps‑ of universitaire opleiding in die staat heeft gevolgd. Het in Spanje verkregen diploma van werktuigbouwkundig ingenieur is derhalve het gevolg van een „eenvoudige” homologatie van de Italiaanse universitaire/academische titel van Ingeniero Tecnico Industrial, Especialidad en Mécanica. Anders gezegd: het Spaanse diploma is het gevolg van een via een administratieve homologatieprocedure verkregen omzetting van zijn Italiaanse universitaire titel in een Spaanse titel van beroepsbekwaamheid.
24. Alles hangt derhalve af van de uitlegging die aan het in de richtlijn genoemde begrip „diploma” wordt gegeven. Volgens een strikte uitlegging is het homologatiebesluit niet gelijk te stellen met een diploma in de zin van de richtlijn, zodat dit besluit niet kan leiden tot een wederzijdse erkenning op grond van het algemene stelsel van de richtlijn. Daarentegen kan volgens een ruime uitlegging een dergelijk besluit geacht worden een diploma in de zin van genoemde richtlijn te zijn. Wanneer deze laatste hypothese zou worden aanvaard, zou niettemin noodzakelijk – gezien het communautaire beginsel dat misbruik verbiedt – de vraag aan de orde komen of Cavallera zich op de door de richtlijn toegekende rechten kan beroepen.
25. Terstond moet worden erkend dat het Hof met de keuze van een beperkte of ruime uitlegging van de richtlijn twee gelijkwaardige opties heeft, nu de ruime uitlegging gepaard gaat met de toepassing van het beginsel van het verbod van misbruik. Zoals ik zal aantonen, vormen deze benaderingen twee methoden die zonder onderscheid door de communautaire rechter kunnen worden toegepast om een identiek resultaat te bereiken. Mijn voorkeur gaat nochtans uit naar een ruime uitlegging van deze tekst en in het bijzonder van het begrip „diploma”. Een dergelijke optie heeft niet alleen het voordeel dat de lidstaten de beoordelingsvrijheid ter zake van de voorwaarden voor de toegang tot en de uitoefening van de onder de richtlijn vallende beroepen behouden, maar zij vermijdt met name, zoals hierna zal worden aangetoond, dat van de werkingssfeer van de richtlijn situaties worden uitgesloten die perfect onder de doelstelling van het vrije verkeer vallen.
26. Tot staving van de beperkte uitlegging van het begrip diploma, waarbij wordt uitgesloten dat een homologatiebesluit zoals hierboven beschreven, vergelijkbaar is met een diploma, verwijst de Commissie van de Europese Gemeenschappen naar de twaalfde overweging van de considerans van richtlijn 2005/36/EG(11) die inmiddels richtlijn 89/48 vervangt. Deze overweging sluit van de werkingssfeer uit „de erkenning door een lidstaat van door andere lidstaten overeenkomstig de onderhavige richtlijn afgegeven beroepserkenningen. Dientengevolge kunnen personen […] een dergelijke erkenning niet gebruiken om in hun lidstaat van oorsprong andere rechten te verkrijgen dan die welke zijn toegekend door de in die lidstaat verkregen beroepskwalificaties, tenzij zij kunnen aantonen dat zij aanvullende beroepskwalificaties hebben verkregen in de ontvangende lidstaat.”
27. Dit argument kan niet overtuigen. Om te beginnen is de beslissing waarop Cavallera zich beroept niet een op de richtlijn gebaseerd „erkenningsbesluit”, maar een krachtens het nationale recht genomen homologatiebesluit. Het Italiaanse diploma is immers niet een „diploma” in de zin van artikel 1, sub a, van de richtlijn. Dat is in casu juist het probleem, omdat de door Cavallera in Italië na een studiecyclus van drie jaar verkregen titel als zodanig geen toegang verschaft tot het beroep van ingenieur in Italië. Onder deze omstandigheden is niet voldaan aan het derde vereiste om de titel in de zin van de richtlijn als diploma te kunnen kwalificeren. De homologatie en vervolgens de inschrijving bij de Orde van ingenieurs in Spanje hebben dan ook plaatsgehad alleen op basis van het nationale recht en niet op grond van richtlijn 89/48.
28. Vervolgens is het enigszins tegenstrijdig de twaalfde overweging van de considerans van richtlijn 2005/36 voor uitleggingsdoeleinden aan te voeren teneinde vast te stellen of het betrokken besluit beantwoordt aan de definitie van diploma in de zin van richtlijn 89/48. Het middel kan immers alleen relevant zijn wanneer en voor zover al wordt aangenomen dat het homologatiebesluit geen diploma vormt als in richtlijn 89/48 gedefinieerd, dat wil zeggen, wanneer men al heeft gekozen voor een beperkte uitlegging van het diploma. Dat komt er dus op neer dat wordt uitgegaan van een uitlegging van het begrip diploma om daaraan de uitlegging te ontlenen die aan dit begrip moet worden gegeven. Het komt mij voor, dat dit neerkomt op een bewijs uit het ongerijmde.
29. Daarentegen kan een dergelijke uitlegging beter worden gerechtvaardigd gelet op de eerste en de vijfde overweging van de considerans van de richtlijn, waaruit in wezen volgt dat een titel van vakbekwaamheid niet kan worden gelijkgesteld met een diploma zonder dat sprake is van een gehele of gedeeltelijke verkrijging van kwalificaties in de lidstaat die het diploma heeft uitgereikt.
30. Dit standpunt lijkt overigens door de rechtspraak van het Hof te worden bevestigd. Met name in het voornoemde arrest Kraus overwoog het Hof dat de onderdaan van een lidstaat zich in die lidstaat slechts kon beroepen op een diploma dat in een andere lidstaat was verkregen, indien, en alleen indien, dit document „het bezit van een aanvullende kwalificatie [vergeleken met de opleiding die hij in de lidstaat van herkomst heeft gevolgd] bewijst en daarmede de geschiktheid van de houder om een bepaalde post te bezetten [...]”.(12)
31. Hieruit kan worden afgeleid dat het in het onderhavige geval voor de toepasbaarheid van de richtlijn nodig is dat minstens een gedeelte van de universitaire opleiding in Spanje heeft plaatsgehad of dat in die lidstaat een beroepservaring is gevolgd. Zoals echter is aangetoond en zoals de Commissie met nadruk stelt, heeft Cavallera geen enkele kwalificatie of specifieke bevoegdheid in die lidstaat verkregen, behoudens wanneer men van mening is dat de verkrijging van een titel van vakbekwaamheid uitsluitend door middel van homologatie, gelijkwaardig is aan de verkrijging van een dergelijke beroepskwalificatie.
32. Deze interpretatieve keuze houdt evenwel het gevaar in, dat van de werkingssfeer van de richtlijn situaties worden uitgesloten die in werkelijkheid perfect voldoen aan de doelstellingen van het vrije verkeer. Het algemene stelsel van de erkenning van diploma’s moet immers op een homologatiebesluit van toepassing kunnen zijn wanneer het wordt genomen door een lidstaat waar, met name als gevolg van de beroepsuitoefening op het grondgebied van die lidstaat, een vakbekwaamheid is verkregen. Onder deze omstandigheden immers moeten de homologatie van de academische kwalificaties van de onderdaan en de beroepservaring die hij op het grondgebied van die staat heeft verkregen, hem in staat stellen zijn beroep in een andere lidstaat uit te oefenen krachtens een wederzijdse erkenning van zijn beroepskwalificaties op grond van de richtlijn.(13) Anders gezegd: een homologatiebesluit moet naar mijn mening onder bepaalde omstandigheden beantwoorden aan de kwalificatie van diploma, wil men geen afbreuk doen aan de door de richtlijn nagestreefde doeleinden. Juist de beperkte uitlegging houdt in die situaties het gevaar in, te ontaarden in een systematische uitsluiting van de werkingssfeer van de richtlijn.
33. Aangezien de wederzijdse erkenning van diploma’s is gebaseerd op het beginsel van wederzijds vertrouwen, zou een te beperkte uitlegging van de richtlijn bovendien afbreuk kunnen doen aan deze beginselen. Dienaangaande heeft het Hof er steeds aan herinnerd dat „[a]nders dan de sectorale richtlijnen betreffende specifieke beroepen, [...] richtlijn 89/48 niet [strekt] tot harmonisatie van de voorwaarden voor de toegang tot of de uitoefening van de verschillende beroepen waarop zij van toepassing is. De lidstaten blijven bevoegd om deze voorwaarden binnen de door het gemeenschapsrecht gestelde grenzen vast te stellen.”(14)
34. Aldus gezien, moet Spanje worden beschouwd als vrij in zijn beslissing om in Spanje toegang te verlenen tot het beroep van ingenieur zowel op grond van een besluit tot homologatie van een op het grondgebied van een andere lidstaat gevolgde opleiding als op grond van een diploma na het volgen van zijn eigen opleidingen, aangezien de richtlijn enkel vereist dat de titel bevestigt „dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar [...] heeft gevolgd [en] de vereiste beroepskwalificaties bezit om tot een gereglementeerd beroep in die lidstaat te worden toegelaten [...]”.(15)
35. Uit de tekst van dit artikel blijkt, dat het van weinig belang is volgens welke modaliteiten of procedures het diploma is uitgereikt en op welk grondgebied de opleidingen zijn gevolgd, als zij maar overwegend op het communautaire grondgebied hebben plaatsgehad.(16) De ruime uitlegging van de richtlijn garandeert aldus de inachtneming van de beoordelingsmarge van de lidstaten betreffende de kwalificatie van „diploma”. Voor zover Spanje van mening is dat Cavallera over de vakbekwaamheden beschikt die voldoende en noodzakelijk zijn om het beroep op zijn grondgebied uit te oefenen, kan moeilijk de hoedanigheid van „diploma” aan de door Spanje aan Cavallera verstrekte titel worden ontzegd.(17)
36. Om zich hiervan te overtuigen, volstaat het nog eraan te herinneren dat artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 89/48 zelfs de lidstaten verbiedt, aan een onderdaan de toegang tot een beroep te weigeren wanneer hij „in het bezit is van het diploma dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om tot het betrokken beroep op zijn grondgebied te worden toegelaten”.
37. Om al deze redenen komt het mij voor, dat de richtlijn geacht moet worden op het onderhavige geval van toepassing te zijn. De toepasselijkheid van de richtlijn mag echter niet worden verward met de mogelijkheid zich daarop te beroepen. Zoals immers beklemtoond, nopen de bijzondere omstandigheden van deze zaak, met name blijkend uit een spraakverwarring tussen de staat van herkomst en de staat van ontvangst, tot een diepgaand onderzoek met betrekking tot de mogelijkheid zich op de richtlijn te beroepen en inzonderheid met betrekking tot het misbruik van recht.
B – Het beroep op de richtlijn
38. Het recht op de wederzijdse erkenning van diploma’s op het communautaire grondgebied is een recht dat inherent is aan het door het EG-Verdrag gegarandeerde vrije verkeer van personen. Het verzoek om erkenning in de lidstaat van ontvangst van een in een andere lidstaat verkregen diploma voor de uitoefening van een beroep, vormt op zichzelf geen misbruik van het gemeenschapsrecht. Evenwel mogen „de door het Verdrag geschapen mogelijkheden niet ertoe [...] leiden, dat degenen die daarvan profiteren, deze kunnen misbruiken om zich aan de werking van hun nationale recht te onttrekken, en dat zij de lidstaten niet beletten om de nodige maatregelen te nemen om dergelijke misbruiken te voorkomen”.(18)
39. De verwijzende rechter snijdt dit probleem terloops aan, wanneer hij zich afvraagt of een nationale regeling op grond waarvan in Italië de erkenning wordt geweigerd van een door een lidstaat afgegeven titel die op zijn beurt uitsluitend resulteert uit de homologatie van een titel die voordien in Italië is verkregen (artikel 1 van wetgevend decreet nr. 115 van 1992), wel met het gemeenschapsrecht verenigbaar is.
40. Wanneer een lidstaat zich evenwel tot staving van een restrictieve nationale regeling op een dergelijk beginsel wenst te beroepen, moet hij zich nog – bij gebreke van elke rechtvaardiging gebaseerd op dwingende redenen van algemeen belang – ervan verzekeren dat de betrokken situatie voldoet aan de voorwaarden voor misbruik zoals in de rechtspraak van het Hof gedefinieerd. Dit vooronderstelt een onderzoek in concreto van elke bijzondere situatie, teneinde na te gaan of aan de voorwaarden voor misbruik is voldaan.
41. Ook al staat het aan de nationale rechter om na te gaan of in het hoofdgeding sprake is van de wezenlijke kenmerken van misbruik, het Hof kan in zijn prejudiciële beslissing preciseringen geven teneinde de nationale rechterlijke instantie bij haar uitlegging te leiden.(19) Aangezien het Hof tot dusverre in het kader van het algemene stelsel van erkenning van diploma’s nog niet over deze kwestie heeft moeten oordelen, lijkt het mij van belang om aanwijzingen te geven betreffende de toepassing, op dit bijzondere gebied, van de algemene criteria waardoor misbruik wordt gekenmerkt.
42. Op grond van deze preciseringen zal het immers eenvoudiger zijn, de nationale rechter de gegevens te verschaffen die hij nodig heeft om de verenigbaarheid van de restrictieve nationale regelgeving met het gemeenschapsrecht te kunnen beoordelen.
1. De identificatie van misbruik in het kader van het algemene stelsel van wederzijdse erkenning van diploma’s
43. In het gemeenschapsrecht bestaat een beginsel van verbod van misbruik volgens hetwelk „de justitiabelen in geval van misbruik of bedrog geen beroep op het gemeenschapsrecht [kunnen] doen”.(20) Dit beginsel heeft inmiddels op grond van de rechtspraak van het Hof een vrij precieze inhoud gekregen.(21)
44. Misbruik veronderstelt de samenvoeging van twee intrinsiek met elkaar verbonden criteria, beide gebaseerd op objectieve elementen.(22) Om in voorkomend geval te kunnen vaststellen dat het om een misbruik gaat, is enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist waaruit blijkt dat, in weerwil van de formele naleving van de door de gemeenschapsregeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt, en is anderzijds vereist dat uit die omstandigheden blijkt dat de werkelijke bedoeling van de gerealiseerde handeling erin bestaat, een door de gemeenschapsregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.(23)
45. Wat om te beginnen het eerste criterium betreft, inzake het bestaan van een tegenstrijdigheid tussen het behaalde resultaat en het door de gemeenschapsregeling nagestreefde doel, dient te worden onderzocht of de erkenning van het Spaanse diploma in Italië ertoe leidt dat een voordeel wordt verkregen dat in strijd is met het door het algemene stelsel van erkenning van diploma’s nagestreefde doel.
46. Deze eerste fase in de identificatie van een misbruik impliceert het nauwkeurig onderscheiden van de door de richtlijn beoogde doelstellingen. De wederzijdse erkenning heeft in de eerste plaats tot doel het vrije verkeer van personen op het communautaire grondgebied te vergemakkelijken door het aanmoedigen van de vrijheid van vestiging, de vrijheid van dienstverrichting en het vrije verkeer van werknemers.
47. Deze doelstelling heeft in feite drie aspecten. Zij impliceert dat een gekwalificeerde onderdaan zijn beroep in een andere lidstaat kan uitoefenen ondanks de verschillen in wetgeving tussen de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst.(24) Zij gaat er eveneens van uit dat een onderdaan de lidstaat kan kiezen waar hij zijn beroepskwalificaties wil verkrijgen.(25) Ten slotte beoogt zij de opleidingsinstituten van een lidstaat de gelegenheid te geven, hun diensten te verlenen aan onderdanen van andere lidstaten en zelfs dergelijke diensten op het grondgebied van andere lidstaten te verrichten.(26) Anders gezegd: het stelsel van erkenning van diploma’s is van toepassing op de onderdaan die „als zelfstandige of loontrekkende een beroep [wenst] uit te oefenen in een andere lidstaat dan die waar [hij zijn] beroepskwalificaties [heeft] verworven”(27), op degene die beroepskwalificaties wenst te verwerven „in een andere lidstaat dan die waarvan [hij] de nationaliteit [bezit]”(28), of op degene die „in aanvulling op zijn basisvorming een academische kwalificatie in een andere lidstaat” wenst te verwerven.(29)
48. Richtlijn 89/48 en de daarbijbehorende sectorale richtlijnen beogen uitdrukkelijk de daadwerkelijke uitoefening van het vrije verkeer van personen te bevorderen. De erkenning van diploma’s houdt derhalve nauw verband met de daadwerkelijke uitoefening van de in het Verdrag erkende vrijheden teneinde „de economische en sociale vervlechting in de Gemeenschap” op dit gebied te bevorderen.(30) Dit is de reden waarom een onderdaan van een lidstaat, die nooit in andere lidstaten dan zijn land van herkomst heeft gewerkt, gestudeerd, een diploma behaald of een beroepsopleiding gevolgd, geen beroep kan doen op de in richtlijn 89/48 genoemde rechten.(31)
49. Bijgevolg veronderstelt deze economische en sociale vervlechting door middel van het erkenningssysteem van diploma’s, ten minste het geheel of gedeeltelijk volgen van een opleiding in de lidstaat die het diploma heeft uitgereikt of in het kader van opleidingen die hij organiseert of, meer in het algemeen, de verkrijging van academische of beroepservaring die territoriaal of materieel verband houdt met de lidstaat van afgifte van het diploma waarvan de erkenning in een andere lidstaat wordt gevraagd.
50. Derhalve kan niet in strijd met de doelstellingen van het vrije verkeer van personen worden geacht, de omstandigheid dat de opleiding die heeft geleid tot de verkrijging van het diploma waarvan de erkenning wordt gevraagd, heeft plaatsgehad op het grondgebied van de lidstaat waar men zich op dit diploma wenst te beroepen, zodra die opleiding aan een andere lidstaat is gelieerd, inzonderheid omdat zij heeft plaatsgehad in het kader van het onderwijsstelsel van die staat. Onder die omstandigheden moet de uitoefening van het recht op vrij verkeer als daadwerkelijk worden beschouwd, aangezien de gemeenschapsburger heeft kunnen profiteren van een toegang tot een academische en/of beroepsopleiding, georganiseerd in het kader van een stelsel van een andere lidstaat dan zijn staat van herkomst.(32) Een dergelijke omstandigheid voldoet ook volledig aan de doelstelling van het vrij verrichten van diensten, aangezien niets in de weg wordt gelegd aan het verschaffen van een opleiding door een instelling van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat. Op termijn beoogt richtlijn 89/48 namelijk de organisatie van een Europese arbeidsmarkt, die niet kan worden gerealiseerd zonder dat er op Europees niveau een opleidingsmarkt ontstaat.
51. Evenzeer beantwoordt het feit dat een gemeenschapsburger heeft willen profiteren van een gunstiger toegang tot een beroep in een andere lidstaat dan die waar hij heeft gestudeerd, op zich perfect aan de communautaire doelstellingen.
52. Wanneer daarentegen een onderdaan zich in lidstaat A – waar hij zijn volledige academische opleiding heeft gevolgd, die hem echter niet in staat stelt toe te treden tot het beroep dat hij in die staat ambieert – dan wel in een andere lidstaat C, wenst te beroepen op een diploma dat hij in lidstaat B heeft verkregen en dat hem de mogelijkheid verschaft in die staat dat beroep uit te oefenen, doch zonder dat hij enige beroeps‑ of academische ervaring heeft opgedaan in de lidstaat die hem dit diploma heeft uitgereikt, anders gezegd, zonder dat hij heeft gestudeerd in het kader van de opleidingen die staat B verstrekt of zonder dat hij daar heeft gewerkt, kan redelijkerwijs worden betwijfeld of sprake is van een daadwerkelijke uitoefening van het vrije verkeer, aangezien geen enkele activiteit in de lidstaat van ontvangst heeft plaatsgehad. Kortom, er is van een aan het vrije verkeer van werknemers ten grondslag liggende economische en sociale vervlechting geen sprake.
53. Het resultaat dat die onderdaan op grond van de richtlijn bereikt doordat hij aan alle formele voorwaarden voor de toepassing daarvan voldoet, komt niet overeen met de uitoefening van een beroep als zelfstandige of loontrekkende in een andere lidstaat dan die waar hij zijn beroepskwalificaties heeft verkregen, noch met de verkrijging van beroepskwalificaties in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en evenmin met de verkrijging in of onder toezicht van een andere lidstaat, van een universitaire kwalificatie die zijn basisopleiding aanvult. Onder deze omstandigheden zou het recht op de wederzijdse erkenning aan de betrokken persoon de mogelijkheid verschaffen, in zijn lidstaat van herkomst een beroep uit te oefenen waarvoor hij volgens het toepasselijke nationale recht de noodzakelijke beroepskwalificaties ontbeert. De tiende overweging van de considerans van de richtlijn wijst er uitdrukkelijk op, dat het in het leven geroepen algemene stelsel van erkenning „niet bedoeld is om wijzigingen aan te brengen in de beroepsvoorschriften, waaronder de deontologische regels, die gelden voor alle personen die een beroep op het grondgebied van een lidstaat uitoefenen, noch om de migranten aan de toepassing van die regels te onttrekken”. In dit geval zou ondanks de formele inachtneming van de toepassingsvoorwaarden van het gemeenschapsrecht, het verkregen resultaat dus kennelijk in strijd zijn met het door de richtlijn nagestreefde doel.
54. Het duidelijke verschil tussen het verkregen resultaat en de door het algemene stelsel van erkenning van diploma’s nagestreefde doelstellingen zou evenwel op zichzelf nog geen misbruik kunnen karakteriseren. Daarvoor is immers nog nodig dat het via de bepalingen van het gemeenschapsrecht verkregen voordeel door geen enkele andere overweging objectief kan worden gerechtvaardigd dan door het omzeilen van de bepalingen van de nationale wetgeving teneinde in een andere lidstaat toegang te verkrijgen tot een beroep zonder aan de voorwaarden daarvoor te voldoen.
55. Voor de beoordeling van deze voorwaarde kan men „het louter artificiële karakter van deze handelingen”, in casu de homologatiehandelingen en de erkenning, in aanmerking nemen(33) teneinde vast te stellen of zij, wat de verschillende genoemde doelstellingen betreft, geacht kunnen worden een andere rechtvaardiging te hebben dan alleen maar het belang bij het omzeilen van de toepasselijke nationale regelingen.
56. In het onderhavige geval is, bij gebreke van elke daadwerkelijke uitoefening van het vrije verkeer, zeer waarschijnlijk sprake van een kunstmatige constructie. Het verkregen resultaat komt geenszins de economische en sociale vervlechting ten goede, doch beoogt aan een gemeenschapsburger toegang te verschaffen tot een beroep in zijn lidstaat van herkomst, zonder dat hij de kwalificaties heeft verkregen die volgens het recht van die lidstaat zijn vereist en zonder dat het nodig was in het kader van een stelsel van een andere lidstaat beroeps- en/of academische bekwaamheden te verkrijgen. Dit komt er derhalve op neer dat communautaire voordelen worden verkregen in een feitelijke situatie die in wezen van zuiver nationale aard is, maar op gekunstelde wijze binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht is gebracht.
57. Daarom moet de toegang tot een gereglementeerd beroep in een lidstaat beschouwd worden als een voordeel dat in strijd is met de bepalingen van de richtlijn, wanneer niet is voldaan aan de in de toepasselijke nationale regeling bepaalde voorwaarden, doch een beroep wordt gedaan op een diploma, behaald in een andere lidstaat waar geen enkele beroepskwalificatie is verkregen, hetzij door het volgen van een aanvullende academische opleiding in het kader van het onderwijsstelsel van die lidstaat hetzij door het verkrijgen van beroepservaring die met die lidstaat verband houdt, wanneer geen enkele andere rechtvaardiging, verbonden met de doelstelling van het vrije verkeer, kan worden aangevoerd.
58. Indien de nationale rechter tot de conclusie komt dat Cavallera misbruik heeft gemaakt van het gemeenschapsrecht, zal hij moeten oordelen dat deze laatste onmogelijk een beroep kan doen op de bepalingen van de richtlijn, ofschoon zijn titel voldoet aan de formele voorwaarden om als diploma in de zin van die richtlijn te worden aangemerkt. Deze conclusie volstaat evenwel op zich nog niet om de nationale wetgeving, die de toepassing van erkenning van de diploma’s in het onderhavige geval beoogt te beperken, in overeenstemming met het gemeenschapsrecht te verklaren.
2. De voorwaarden voor de overeenstemming van de Italiaanse restrictieve wetgeving met het oog op het bestrijden van misbruik
59. Deze tweede fase in de redenering houdt nauw verband met de eerste. Het zal aan de nationale rechter staan om te beoordelen of de beperking in de wederzijdse erkenning van diploma’s, als in de Italiaanse wetgeving voorzien, kan worden „gerechtvaardigd door de strijd tegen volstrekt kunstmatige constructies, en in voorkomend geval of deze beperking in verhouding staat tot dit doel”.(34)
60. Gezien de bovengenoemde doelstellingen kan een beperking van de erkenning van diploma’s worden „gerechtvaardigd, wanneer zij specifiek tot doel heeft, gedragingen te verhinderen die erin bestaan, volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit”(35), dat wil zeggen constructies waaruit blijkt dat op geen enkel moment een daadwerkelijke uitoefening van de vrijheden van verkeer heeft plaatsgehad. Deze constructies tonen dan aan dat de handelingen uitsluitend tot doel hadden de toepassing van de nationale wetgeving betreffende de toegang tot het beroep te ontwijken.
61. In de onderhavige zaak kan de Italiaanse wetgeving die de erkenning weigert „van een titel van een lidstaat die op zijn beurt het uitsluitend resultaat is van de erkenning van een vorige Italiaanse titel” vermoedelijk aan het verwezenlijken van dit doel bijdragen.
62. De betrokken nationale wetgeving moet evenwel nog evenredig zijn aan het nagestreefde doel, zij mag niet verder gaan dan nodig is om dit te bereiken. In casu zal alles afhangen van de uitlegging van de uitdrukking „uitsluitend resultaat”. Zoals gezegd, indien de onderdaan de verkrijging van beroepsbekwaamheden op het gebied van de lidstaat waar het diploma is verstrekt kan aantonen, moet hij zich in zijn staat van herkomst daarop kunnen beroepen via een wederzijdse erkenning van de diploma’s.
63. Het zal dan aan de nationale rechter staan om na te gaan of de Italiaanse wetgever met de woorden „uitsluitend resultaat” dergelijke situaties niet uitsluit, en enkel doelt op de situatie waarin een onderdaan van een lidstaat in de lidstaat van afgifte van het diploma op geen enkele beroeps‑ of aanvullende academische ervaring kan bogen, naast die welke hij aanvankelijk al in Italië had opgedaan. Daarentegen moet de toepassing van deze wetgeving worden uitgesloten wanneer het verzoek om erkenning kan worden gerechtvaardigd door een van de doelstellingen van het vrije verkeer, zoals zij zijn gepreciseerd in punt 47 van de onderhavige conclusie.
64. Bijgevolg kan een nationale wetgeving de wederzijdse erkenning van diploma’s – wanneer aan de formele voorwaarden voor een dergelijke erkenning is voldaan – slechts beperken indien, en alleen indien, zij wordt gerechtvaardigd door de strijd tegen misbruiken, met name bestaande in kunstmatige constructies, en onder voorbehoud dat zij evenredig is aan dit specifieke doel.
III – Conclusie
65. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
„1) Een homologatiebesluit zoals in het hoofdgeding aan de orde is, vormt een diploma in de zin van artikel 1, sub a, van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, wanneer het voldoet aan de in die bepaling vastgestelde objectieve voorwaarden.
2) Evenwel moet richtlijn 89/48 aldus worden uitgelegd dat zij niet als grond kan worden aangevoerd voor een verzoek om erkenning van een diploma dat een misbruik oplevert.
Enerzijds vereist de vaststelling van het bestaan van een dergelijk misbruik, dat het verzoek om erkenning tot resultaat heeft dat, ondanks de formele toepassing van de voorwaarden voorzien in de relevante bepalingen van richtlijn 89/48, een voordeel wordt verkregen waarvan de verlening in strijd zou zijn met de door die bepalingen beoogde doelstelling. Anderzijds moet ook uit een geheel van objectieve elementen blijken dat de verkrijging van dit voordeel het wezenlijk doel van de betrokken handelingen is.
De toegang tot een gereglementeerd beroep in een lidstaat moet worden beschouwd als een voordeel dat in strijd is met de relevante bepalingen van richtlijn 89/48, wanneer niet is voldaan aan de in de toepasselijke nationale regeling bepaalde voorwaarden, doch een beroep wordt gedaan op een diploma, behaald in een andere lidstaat waar geen enkele beroepskwalificatie is verkregen, hetzij door het volgen van een aanvullende academische opleiding in het kader van het onderwijsstelsel van die lidstaat hetzij door het verkrijgen van beroepservaring die met die lidstaat verband houdt, wanneer geen enkele andere rechtvaardiging, verbonden met de doelstelling van het vrije verkeer, kan worden aangevoerd.
3) Een nationale wetgeving kan de wederzijdse erkenning van diploma’s – wanneer aan de formele voorwaarden voor een dergelijke erkenning is voldaan – slechts beperken indien, en alleen indien, zij wordt gerechtvaardigd door de strijd tegen misbruiken, met name bestaande in kunstmatige constructies, en onder voorbehoud dat zij evenredig is aan dit specifieke doel.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans
2 – PB 1989, L 19, blz. 16.
3 – Koninklijk decreet van 20 februari 2004, BOE van 4 maart 2004.
4 – Koninklijk decreet van 16 januari 1987, BOE van 23 januari 1987.
5 – Koninklijk decreet nr. 2537 van 23 oktober 1925 inzake de goedkeuring van de regeling betreffende de beroepen van ingenieur en architect, GURI nr. 37 van 15 februari 1926.
6 – Presidentieel decreet nr. 328 van 5 juni 2001 tot wijziging en aanvulling van de regeling betreffende de toegangsvoorwaarden tot het staatsexamen en de daarvan deel uitmakende proeven met het oog op de uitoefening van bepaalde beroepen, alsmede de regeling betreffende de betrokken beroepsordes, gewone bijlage bij GURI nr. 190 van 17 augustus 2001.
7 – Decreet van 27 januari 1992 (GURI nr. 40 van 18 februari 1992, blz. 6).
8 – Zie de Italiaanse en de Hongaarse taalversie van artikel 1, sub b, van richtlijn 89/48. De Duitse en de Hongaarse taalversie van artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 89/48 en de Spaanse, de Italiaanse en de Sloveense taalversie van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 89/48.
9 – Zie met name arresten van 7 februari 1979, Knoors (115/78, Jurispr. blz. 399, punt 20), en 31 maart 1993, Kraus (C‑19/92, Jurispr. blz. I‑1663, punt 16).
10 – Artikel 1, sub a, tweede streepje, van richtlijn 89/48.
11 – Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22).
12 – Punt 19 (cursivering van mij), en arrest van 9 september 2003, Burbaud (C‑285/01, Jurispr. blz. I‑8219, punten 50 en 52).
13 – Zie in deze zin arrest Kraus, reeds aangehaald (punten 15‑18).
14 – Arrest van 7 september 2006, Price (C‑149/05, Jurispr. blz. I‑7691, punt 54).
15 – Artikel 1, sub a, eerste alinea, van richtlijn 89/48.
16 – Zie in deze zin de punten 34‑39 van de conclusie van advocaat-generaal Bot van 19 april 2007 in de zaak Commissie/Griekenland (C‑274/05, nog bij het Hof aanhangig).
17 – Er zij bovendien de aandacht op gevestigd dat de homologatie niet automatisch plaatsvindt, maar geschiedt op grond van een nauwkeurige verificatie van de kwalificaties van de verzoeker: zie de artikelen 4 e.v. van koninklijk decreet nr. 86/1987 van 16 januari 1987, BOE van 23 januari 1987, dat ten tijde van de feiten van toepassing was.
18 – Zie arrest Knoors, reeds aangehaald (punt 25); arresten van 3 oktober 1990, Bouchoucha (C‑61/89, Jurispr. blz. I‑3551, punt 14); 7 juli 1992, Singh (C‑370/90, Jurispr. blz. I‑4265, punt 24); 9 maart 1999, Centros (C‑212/97, Jurispr. blz. I‑1459, punt 24); 21 november 2002, X en Y (C‑436/00, Jurispr. blz. I‑10829, punten 41 en 45), en 30 september 2003, Inspire Art (C‑167/01, Jurispr. blz. I‑10155, punt 136).
19 – Zie inzonderheid arrest van 21 februari 2006, Halifax e.a. (C‑255/02, Jurispr. blz. I‑1609, punten 76 en 77).
20 – Arresten van 12 mei 1998, Kefalas e.a. (C‑367/96, Jurispr. blz. I‑2843, punt 20), en 23 maart 2000, Diamantis (C‑373/97, Jurispr. blz. I‑1705, punt 33); arrest Halifax e.a., reeds aangehaald (punt 68), en arrest van 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (C‑196/04, Jurispr. blz. I‑7995, punt 35).
21 – Zie voor een samenvatting van de ontwikkelingen in de rechtspraak op het gebied van misbruik van recht, punt 62 van mijn conclusie in de zaak Halifax e.a., reeds aangehaald.
22 – Zie voor het belang aan de hand van objectieve elementen het bewijs van misbruik te leveren zonder dat het dienstig is de bedoeling van de vermoedelijke dader na te gaan, mijn conclusie in de zaak Halifax e.a., reeds aangehaald (punten 70 en 71).
23 – Zie arrest van 14 december 2000, Emsland‑Stärke (C‑110/99, Jurispr. blz. I‑11569, punten 52 en 53), en in gelijke zin reeds aangehaalde arresten Centros (punt 24), Halifax e.a. (punten 74 en 75) en Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (punt 64).
24 – Zie meer in het bijzonder aangaande de vrijheid van vestiging, reeds aangehaalde arresten Centros (punt 25), X en Y (punt 42) en Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (punten 41 en 42).
25 – Deze doelstelling houdt verband met artikel 3, lid 1, sub q, EG en artikel 149, lid 2, tweede streepje, EG, die betrekking hebben op de mobiliteit van leraren en studenten. Zie eveneens arresten van 11 juli 2002, D’Hoop (C‑224/98, Jurispr. blz. I‑6191, punten 30‑32), en 7 juli 2005, Commissie/Oostenrijk (C‑147/03, Jurispr. blz. I‑5969, punt 44).
26 – Zie punt 39 van de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Commissie/Griekenland, reeds aangehaald.
27 – Arrest van 2 juli 1998, Kapasakalis e.a. (C‑225/95–C‑227/95, Jurispr. blz. I‑4239, punt 18).
28 – Arrest Kraus, reeds aangehaald (punt 16).
29 – Ibidem (punt 17).
30 – Arrest Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, reeds aangehaald (punt 53).
31 – Zie inzonderheid arrest Kapasakalis e.a., reeds aangehaald (punt 22).
32 – Zie punt 39 van de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Commissie/Griekenland, reeds aangehaald.
33 – Arrest Halifax e.a., reeds aangehaald (punt 81).
34 – Arrest Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, reeds aangehaald (punt 57).
35 – Ibidem (punt 55).
Full & Egal Universal Law Academy