CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 14 februari 2008 (1)
Gevoegde zaken C‑329/06 en C‑343/06
Arthur Wiedemann
tegen
Land Baden‑Württemberg
en
Peter Funk
tegen
Stadt Chemnitz
Gevoegde zaken C‑334/06 tot en met C‑336/06
Matthias Zerche
tegen
Landkreis Mittweida
Steffen Schubert
tegen
Landkreis Mittlerer Erzgebirgskreis
en
Manfred Seuke
tegen
Landkreis Mittweida
[verzoeken van het Verwaltungsgericht Sigmaringen (Duitsland) en het Verwaltungsgericht Chemnitz (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Onderlinge erkenning van rijbewijzen – Intrekking van nationaal rijbewijs in woonstaat wegens drugs‑ en alcoholgebruik – Verkeersveiligheid – Bevoegdheid van lidstaat de erkenning van rijbewijs te weigeren – Artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439/EEG”
1. De zaken die hier aan het Hof worden voorgelegd, behoren tot de reeds omvangrijke reeks geschillen in de Gemeenschap over de onderlinge erkenning van rijbewijzen.
2. In deze vijf zaken wordt het Hof de vraag gesteld of een lidstaat de geldigheid van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs kan weigeren te erkennen, wanneer op het grondgebied van de eerste lidstaat de rijbevoegdheid aan de houder van dit rijbewijs is ontzegd en hem daarbij de verplichting is opgelegd om voor verkrijging van een nieuw rijbewijs een medisch-psychologische test met goed gevolg te ondergaan.
3. Het gaat erom te bepalen wat de omvang is van de verplichtingen die op de lidstaten rusten krachtens richtlijn 91/439/EEG van de Raad(2), en met name krachtens de artikelen 7, lid 1, sub a en b, en 8, leden 2 en 4, van deze richtlijn.
4. In de onderhavige conclusie zal ik het Hof in overweging geven voor recht te verklaren dat wanneer in een lidstaat iemand zijn rijbewijs is ontnomen wegens het rijden onder invloed van alcohol of drugs en voor de afgifte van een nieuw rijbewijs als vereiste is gesteld dat deze persoon, gelet op het gevaar dat hij vormt, een medisch-psychologische test met goed gevolg ondergaat, deze lidstaat krachtens de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 kan weigeren de geldigheid van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen, indien in de lidstaat van afgifte geen test is afgenomen van vergelijkbaar niveau als de in de eerste staat vereiste.
5. Ik zal het Hof ook voorstellen, vast te stellen dat wanneer een houder van een rijbewijs potentieel gevaarlijk gedrag vertoont, met name gelet op de redenen op grond waarvan het eerste rijbewijs is ingetrokken, de lidstaat die de controle heeft uitgevoerd, voorlopige maatregelen kan treffen zoals de schorsing van dit rijbewijs gedurende het onderzoek door de lidstaat van afgifte naar de voorwaarden voor de verlening van dit rijbewijs.
6. Aangezien deze vijf zaken dezelfde rechtsvraag betreffen, zal ik ze in de onderhavige conclusie gezamenlijk behandelen.
I – Toepasselijk recht
A – Gemeenschapswetgeving
7. Om het verkeer van personen in de Europese Gemeenschap dan wel hun vestiging in een andere lidstaat dan die waarin zij hun rijbewijs hebben verkregen, te vergemakkelijken, heeft richtlijn 91/439 het beginsel van de onderlinge erkenning van rijbewijzen ingesteld.(3)
8. De vaststelling in deze richtlijn van minimumvoorwaarden voor de afgifte van het rijbewijs heeft ook tot doel, de veiligheid van het wegverkeer op het grondgebied van de Europese Unie te verbeteren.(4)
9. Artikel 7, lid 1, sub a en b, van deze richtlijn luidt als volgt:
„1. De afgifte van het rijbewijs is eveneens aan de volgende voorwaarden onderworpen:
a) de aanvrager moet overeenkomstig het bepaalde in bijlage II met goed gevolg een examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag en een theoretisch examen ondergaan, alsmede voldoen aan de medische normen van bijlage III;
b) de aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven.[(5)]”
10. Richtlijn 91/439 bepaalt in het bijzonder dat een rijbewijs niet mag worden afgegeven of verlengd, indien de aanvrager of bestuurder verslaafd is aan alcohol of psychotrope stoffen.
11. De punten 14.1 en 15.1 van bijlage III bij deze richtlijn bepalen namelijk:
„Rijbewijzen mogen niet worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder aan alcohol verslaafd is of niet kan afzien van alcoholgebruik wanneer hij aan het verkeer deelneemt.
Rijbewijzen mogen worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder aan alcohol verslaafd is geweest, na een periode van bewezen onthouding en onder voorbehoud van een officieel medisch advies en geregelde medische controle.
[...]
Rijbewijzen mogen niet worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder regelmatig, in welke vorm dan ook, psychotrope stoffen gebruikt die van nadelige invloed op de rijvaardigheid kunnen zijn, indien dusdanige hoeveelheden worden gebruikt dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed. Hetzelfde geldt voor alle andere geneesmiddelen of geneesmiddelencombinaties die de rijvaardigheid beïnvloeden.”
12. Artikel 8, lid 2, van deze richtlijn bepaalt dat de lidstaat van de gewone verblijfplaats op de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen kan toepassen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid.
13. Krachtens artikel 8, lid 4, eerste alinea, van richtlijn 91/439 kan een lidstaat, wanneer op zijn grondgebied tegen een persoon een van voornoemde maatregelen is getroffen, eveneens weigeren de geldigheid van een door een andere lidstaat aan deze persoon verstrekt rijbewijs te erkennen.
14. Ten slotte bepaalt artikel 12, lid 3, van deze richtlijn dat „[d]e lidstaten [...] elkaar assistentie [verlenen] bij de toepassing van deze richtlijn en [...] zo nodig informatie uit[wisselen] over de rijbewijzen die bij hen zijn ingeschreven”.
B – Nationale wettelijke regeling
15. § 28, lid 1, van de verordening inzake de toelating van personen tot het wegverkeer (Verordnung über die Zulassung von Personen zum Straβenverkehr; hierna: „FeV”) bepaalt dat het de houders van een door een lidstaat van de Unie afgegeven rijbewijs is toegestaan op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland motorvoertuigen te besturen.
16. Volgens § 28, lid 4, punt 3, FeV geldt deze toestemming echter niet voor houders wier rijbewijs in Duitsland tijdelijk of definitief door een rechterlijke instantie of bij een onmiddellijk uitvoerbare of definitieve maatregel van een bestuursorgaan is ingetrokken.
17. Verder kan krachtens § 28, lid 5, FeV in Duitsland gebruik worden gemaakt van een in een lidstaat van de Unie behaald rijbewijs waarop een van de in § 28, lid 4, punt 3, FeV, bedoelde maatregelen is toegepast, wanneer de redenen voor de intrekking van de rijbevoegdheid of het verbod om die bevoegdheid aan te vragen, niet langer aanwezig zijn.
18. § 11 FeV bepaalt dat aanvragers van een rijbewijs moeten voldoen aan de hiervoor noodzakelijke lichamelijke en geestelijke voorwaarden. Aan die voorwaarden is in het bijzonder niet voldaan wanneer deze personen onder invloed van verdovende middelen staan dan wel cannabis gebruiken.
19. Wanneer twijfel bestaat aan de lichamelijke of geestelijke geschiktheid van deze personen, kunnen de bevoegde autoriteiten de overlegging van een doktersattest eisen alvorens over de afgifte of verlenging van het rijbewijs te beslissen.(6)
20. De Duitse regeling kent twee soorten intrekking. Het rijbewijs van een bestuurder kan administratief worden ingetrokken. Indien deze maatregel op hem is toegepast, moet hij om zijn rijbevoegdheid te herkrijgen, door overlegging van een medisch-psychologisch rapport aantonen dat hij weer rijgeschikt is. Het Verwaltungsgericht Sigmaringen (Duitsland) vermeldt nog dat in dit geval geen termijn kan worden verbonden aan de werking van het intrekkingsbesluit.
21. Behalve de administratieve intrekking kent de Duitse regeling ook de strafrechtelijke intrekking van het rijbewijs, met de mogelijkheid van oplegging van een verbod aan de houder van het ingetrokken rijbewijs om binnen een periode van zes maanden tot vijf jaar een nieuw rijbewijs aan te vragen.(7)
II – De feiten die aan de onderhavige prejudiciële verzoeken ten grondslag liggen
A – De zaken C‑329/06 en C‑343/06
1. Zaak C‑329/06
22. Het rijbewijs van Wiedemann, Duits onderdaan, is in april 2004 ingetrokken wegens rijden onder invloed van drugs (heroïne en cannabis). Het door Wiedemann tegen deze maatregel ingediende administratief bezwaar is afgewezen bij beslissing van 16 augustus 2004, die op 18 augustus 2004 is betekend en vanaf 20 september 2004 uitvoerbaar is.
23. Op 19 september 2004, een zondag, heeft de bevoegde Tsjechische overheidsdienst Wiedemann rijbevoegdheid verleend. Het rijbewijs, waarop een adres in Duitsland is vermeld, heeft hij op 1 oktober 2004 gekregen.
24. Op 11 oktober 2004 heeft Wiedemann in Duitsland een verkeersongeval veroorzaakt en is zijn rijbewijs in beslag genomen. Bij besluit van 27 oktober 2004, heeft het Landratsamt Ravensburg (Duitsland) Wiedemann de rijbevoegdheid op Duits grondgebied ontzegd omdat hij wegens drugsgebruik nog steeds niet in staat was een motorrijtuig te besturen. Later heeft het Landratsamt Ravensburg hem dit rijbewijs teruggegeven na het te hebben voorzien van de vermelding „het rijbewijs geeft geen recht tot het besturen van motorvoertuigen in Duitsland”.
25. Na een vergeefse bezwaarprocedure heeft Wiedemann beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Sigmaringen.
2. Zaak C‑343/06
26. Het rijbewijs van Funk, Duits onderdaan, aan wie de rijbevoegdheid reeds voor negen maanden was ontzegd na een veroordeling wegens dronken rijden, is opnieuw ingetrokken bij administratief besluit van de gemeente Chemnitz (Duitsland) van 15 juli 2003, en wel om diezelfde redenen. Na overlegging van een medisch-psychologisch rapport is het door Funk in december 2003 ingediende verzoek tot teruggave van dit rijbewijs afgewezen.
27. Op 9 december 2004 heeft Funk een rijbewijs in de Republiek Tsjechië gekregen, terwijl hij in die lidstaat geen woonplaats had.
28. De Duitse autoriteiten aan wie het bestaan van dit rijbewijs is medegedeeld, hebben vastgesteld dat Funk nog steeds niet had aangetoond dat hij in staat was een motorrijtuig te besturen. Nadat Funk had geweigerd zich aan een medisch-psychologisch onderzoek te onderwerpen, hebben de Duitse bestuursautoriteiten gedreigd zijn Tsjechisch rijbewijs in te trekken.
29. Omdat zijn bezwaar niet werd aanvaard, heeft Funk bij het Verwaltungsgericht Chemnitz (Duitsland) beroep ingesteld.
B – De zaken C‑334/06 tot en met C‑336/06
30. Het Duitse rijbewijs van Zerche, Schubert en Seuke, Duitse onderdanen, is bij strafrechtelijke beslissing ingetrokken wegens rijden onder invloed van alcohol. Tevens werd een verbod opgelegd om hen voor een periode van enige maanden een nieuw rijbewijs af te geven.
31. De aanvragen van de drie betrokkenen om een nieuw rijbewijs werden vervolgens afgewezen, aangezien zij geen positief medisch-psychologisch rapport hadden overgelegd.
32. Na afloop van de verbodsperiode hebben Zerche, Schubert en Seuke een rijbewijs in de Republiek Tsjechië gekregen. Het adres dat op deze drie rijbewijzen staat vermeld, is steeds een adres in Duitsland.
33. De Duitse autoriteiten aan wie het bestaan van deze nieuwe rijbewijzen ter kennis is gekomen, hebben de drie houders ervan gelast om een medisch-psychologisch rapport over te leggen. Aangezien zij hieraan niet voldeden, hebben de Duitse autoriteiten hun het recht ontzegd om op Duits grondgebied van hun Tsjechisch rijbewijs gebruik te maken.
34. Omdat de bezwaarprocedures van Zerche, Schubert en Seuke vruchteloos bleven, hebben zij bij het Verwaltungsgericht Chemnitz beroep ingesteld.
III – De prejudiciële vragen
35. In zaak C‑329/06 heeft het Verwaltungsgericht Sigmaringen besloten de behandeling te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Moeten artikel 1, lid 2, en artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/493 aldus worden uitgelegd dat de administratieve intrekking van een rijbewijs wegens ontbrekende rijgeschiktheid in de woonstaat niet in de weg staat aan de afgifte van een rijbewijs door een andere lidstaat, en dat de woonstaat ook een dergelijk rijbewijs in beginsel moet erkennen?
2) Moeten artikel 1, lid 2, artikel 7, lid 1, sub a, juncto bijlage III, en artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/493 aldus worden uitgelegd dat de woonstaat niet gehouden is een rijbewijs te erkennen, dat de houder na de intrekking van zijn rijbewijs in de woonstaat bedrieglijk heeft verkregen door doelgerichte misleiding van de met de afgifte van rijbewijzen belaste dienst van de afgiftestaat en zonder bewijs dat hij opnieuw rijgeschikt is, of door collusie met medewerkers van de overheidsdienst van de afgiftestaat?
3) Moeten artikel 1, lid 2, en artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 aldus worden uitgelegd dat de woonstaat na de intrekking van het rijbewijs door zijn bestuursorganen de erkenning van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voorlopig kan schorsen of het gebruik ervan kan verbieden, zolang de afgiftestaat onderzoekt of hij het met misbruik verkregen rijbewijs zal intrekken?”
36. In zaak C‑343/06 heeft het Verwaltungsgericht Chemnitz besloten de behandeling te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Mag een lidstaat op grond van artikel 1, lid 2, en artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 van de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs verlangen dat hij de nationale autoriteiten verzoekt het recht te erkennen om in het binnenland gebruik te maken van die rijbevoegdheid, wanneer de rijbevoegdheid van de houder van dit buitenlandse EU-rijbewijs tevoren in het binnenland is ingetrokken of deze hem anderszins is ontzegd?
Zo neen:
2) Moet artikel 1, lid 2, juncto artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 aldus worden uitgelegd dat een lidstaat op zijn grondgebied mag weigeren de rijbevoegdheid op basis van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen, wanneer de rijbevoegdheid van de houder van dit buitenlandse EU-rijbewijs tevoren in het binnenland door de bestuursautoriteit is ingetrokken, er naar het recht van eerstgenoemde lidstaat bij administratieve intrekking of ontzegging van de rijbevoegdheid geen verbodstermijn bestaat voor de hernieuwde verlening van de rijbevoegdheid, en er eerst opnieuw recht op verlening van rijbevoegdheid bestaat wanneer de betrokkene het bewijs van zijn rijgeschiktheid als materiële voorwaarde voor de herkrijging van de rijbevoegdheid heeft overgelegd in de vorm van een op verzoek van de bestuursautoriteit verricht medisch-psychologisch onderzoek als nader geregeld in het nationale recht?
Zo neen:
3) Moet artikel 1, lid 2, juncto artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 aldus worden uitgelegd dat een lidstaat op zijn grondgebied mag weigeren de rijbevoegdheid op basis van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen, wanneer de rijbevoegdheid van de houder van dit buitenlandse EU-rijbewijs tevoren door de bestuursautoriteit in het binnenland is ingetrokken of anderszins is ontzegd en op basis van objectieve aanknopingspunten (geen woonplaats in de lidstaat van afgifte van het rijbewijs, en afwijzing van de aanvraag tot hernieuwde verlening van de rijbevoegdheid in het binnenland) moet worden aangenomen dat de buitenlandse EU-rijbevoegdheid alleen is verkregen om de strenge materiële vereisten van de procedure tot herkrijging van het rijbewijs in het binnenland, in het bijzonder het medisch-psychologische onderzoek, te omzeilen?
37. In de zaken C‑335/06 en C‑336/06 heeft het Verwaltungsgericht Chemnitz besloten de behandeling te schorsen en het Hof de volgende vragen te stellen:
„1) Mag een lidstaat op grond van artikel 1, lid 2, en artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 van de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs verlangen dat hij de nationale autoriteiten verzoekt het recht te erkennen om in het binnenland gebruik te maken van die rijbevoegdheid, wanneer de rijbevoegdheid van de houder van het buitenlandse EU-rijbewijs tevoren in het binnenland is ingetrokken of deze hem anderszins is ontzegd?
Zo neen:
2) Moet artikel 1, lid 2, juncto artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 aldus worden uitgelegd dat een lidstaat op zijn grondgebied mag weigeren de rijbevoegdheid op basis van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen, wanneer de rijbevoegdheid van de houder van dit buitenlandse EU-rijbewijs tevoren in het binnenland is ingetrokken of deze hem anderszins is ontzegd, de verbodstermijn voor de hernieuwde verlening van de rijbevoegdheid in het binnenland, die samen met deze maatregel is bepaald, was afgelopen voordat het rijbewijs in een andere lidstaat werd afgegeven, en op basis van objectieve aanknopingspunten (geen woonplaats in de lidstaat van afgifte van het rijbewijs, en afwijzing van de aanvraag tot hernieuwde verlening van de rijbevoegdheid in het binnenland) moet worden aangenomen dat de verkrijging van de buitenlandse EU-rijbevoegdheid enkel ertoe diende om de strenge materiële vereisten van de procedure tot herkrijging van het rijbewijs in het binnenland, in het bijzonder het medisch-psychologisch advies, te omzeilen?”
38. De door het Verwaltungsgericht Chemnitz in zaak C‑334/06 gestelde vraag is identiek aan de tweede vraag van deze rechter in de zaken C‑335/06 en C‑336/06.
IV – Analyse
39. De vraag die in de hoofdgedingen wordt gesteld, is of de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat weigert de geldigheid van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen wanneer de rijbevoegdheid van de houder van dit rijbewijs in de eerste lidstaat is ingetrokken wegens het rijden onder invloed van drugs of alcohol, al dan niet met een verbodstermijn, en in die eerste lidstaat voor het verkrijgen van een nieuw rijbewijs de voorwaarde geldt, dat met goed gevolg een medisch-psychologisch test is afgelegd.
40. De Commissie van de Europese Gemeenschappen is van mening dat de lidstaat van ontvangst in beginsel niet bevoegd is te verifiëren of de vereisten voor verlening van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nageleefd, indien dit rijbewijs overeenkomstig artikel 1, lid 1, van deze richtlijn is afgeven. Zij stelt daarbij echter ook dat, indien de afgiftestaat meent dat dit rijbewijs in strijd met het gemeenschapsrecht is afgegeven, de houder ervan zich in dat geval niet op het beginsel van onderlinge erkenning kan beroepen.
41. In elk geval beschikt de lidstaat van ontvangst volgens de Commissie over andere maatregelen om zich tegen de erkenning van een dergelijk rijbewijs te verzetten. Hij zou dit rijbewijs overeenkomstig artikel 8, lid 2, van deze richtlijn kunnen intrekken op grond van misdragingen van de houder na de afgifte van het tweede rijbewijs. Bovendien zou de lidstaat van ontvangst overeenkomstig artikel 12, lid 3, van richtlijn 91/439 de afgiftestaat kunnen informeren over bestaande gebreken dan wel tegen deze lidstaat een procedure op grond van artikel 227 EG kunnen aanspannen.
42. Ik ben het niet eens met de zienswijze van de Commissie en wel om de volgende redenen.
43. Met richtlijn 91/439 worden twee doelstellingen nagestreefd, waarborging van de veiligheid en vergemakkelijking van het verkeer van personen, waarbij de ene net zo belangrijk is als de andere, hetgeen buiten kijf staat omdat het ondenkbaar is dat het verkeer van personen kan worden vergemakkelijkt ten koste van hun veiligheid.
44. Voor de onderhavige zaken zijn vooral die richtlijnbepalingen van belang, waarin het gaat om het voorkomen van de gevaren waarin personen die alcohol of drugs gebruiken dan wel hieraan verslaafd zijn, de andere weggebruikers brengen.
45. De bepalingen van deze richtlijn en die van de bijlagen tonen dit bijzonder duidelijk aan door de wijze waarop de maatregelen ter bestrijding van het gevaar dat van deze bestuurders uitgaat, zijn vastgesteld en omschreven, te weten ontzegging van de rijbevoegdheid aan deze bestuurders zolang de gevaarssituatie voortduurt dan wel de maatregelen ter voorkoming van het optreden of de herhaling ervan niet zijn genomen of nageleefd.
46. Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439 verwijst namelijk naar bijlage III bij die richtlijn. Volgens de punten 14 en 15 van deze bijlage is het verboden om een rijbewijs af te geven of te verlengen indien de betrokkene verslaafd is aan alcohol of drugs of, zonder daaraan verslaafd te zijn, die stoffen geregeld gebruikt dan wel geregeld overmatig gebruikt.(8)
47. De medische geschiktheidseisen voor het besturen van een motorrijtuig zijn in de Republiek Tsjechië geregeld in wet nr. 361/2000 inzake het wegverkeer. De bepalingen van deze wet verstaan onder medische geschiktheid de lichamelijke en geestelijke geschiktheid. Deze geschiktheid wordt op verzoek van de aanvrager van het rijbewijs door een arts vastgesteld in een medische verklaring.
48. De verklaring van de arts moet rekening houden met de eigen verklaringen van de aanvrager en met het onderzoek naar diens gezondheidstoestand.
49. Volgens deze wet nr. 361/2000 worden personen met gedragsstoornissen ten gevolge van verslaving aan alcohol of psychotrope stoffen van de rijbevoegdheid uitgesloten.
50. In de hoofdgedingen lijkt het of de vijf houders van een Tsjechisch rijbewijs enkel een medische verklaring inzake hun rijgeschiktheid hebben overgelegd aan de bevoegde Tsjechische autoriteiten.
51. Volgens mij verlangt richtlijn 91/439, die minimumvereisten vaststelt voor de verkrijging van het rijbewijs, van de lidstaten niet dat zij van de aanvrager meer dan een eenvoudige medische verklaring van een arts inzake de rijgeschiktheid vereisen.
52. Wanneer er geen bijzondere aanwijzingen uit het gebruikelijke klinische onderzoek naar voren zijn gekomen, kan immers redelijkerwijs niet van iedere lidstaat worden verlangd dat zijn bevoegde bestuursorganen iedere aanvrager systematisch controleren door hem onder meer bloedtesten te laten ondergaan teneinde te bepalen of hij niet onder invloed van alcohol of drugs staat.
53. Daarentegen is volgens mij uitgebreider onderzoek van de medische rijgeschiktheid nodig, wanneer de houder van het rijbewijs bijvoorbeeld, naast het eerdergenoemde geval, een ongeval heeft veroorzaakt terwijl hij drugs of alcohol had gebruikt en zijn rijbewijs om die redenen is ingetrokken, dan wel wanneer algemeen bekend is of uit bepaald gedrag kan worden afgeleid dat deze persoon waarschijnlijk daaraan verslaafd is.
54. Gelet op de doelstelling van verhoging van de verkeersveiligheid is dat juist de betekenis die mijns inziens de gemeenschapswetgever aan de punten 14 en 15 van bijlage III bij richtlijn 91/439 heeft willen geven, namelijk voorkomen dat personen die niet geschikt zijn om een motorrijtuig te besturen aangezien zij gevaarlijke middelen gebruiken, rijbevoegdheid kunnen verkrijgen.
55. Om de daarin vastgestelde doeleinden te bereiken voorziet de richtlijn in een voor alle lidstaten gemeenschappelijke procedure voor de afgifte van het rijbewijs en in de onderlinge erkenning van de aldus afgegeven rijbewijzen.(9)
56. Deze onderlinge erkenning geldt echter niet onbeperkt.
57. Artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 bepaalt namelijk dat een lidstaat, wanneer het rijbewijs van de houder op zijn grondgebied is beperkt, geschorst, ingetrokken dan wel nietig is verklaard, kan weigeren de geldigheid van een door een andere lidstaat aan deze houder afgegeven rijbewijs te erkennen.
58. Deze bepaling strekt ertoe de in de richtlijn vastgestelde doelstelling van verhoging van de verkeersveiligheid te bereiken. Een lidstaat kan aldus ervoor zorgen dat personen die hij niet geschikt acht tot het besturen van een motorrijtuig omdat zij zijns inziens gevaarlijk zijn, zich niet op een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs kunnen beroepen.
59. Daarbij verplicht de richtlijn, in het verlengde van het daarin vastgelegde beginsel van onderlinge erkenning, de lidstaten ook tot loyale samenwerking, die met name in twee bijzonder duidelijke bepalingen naar voren komt, namelijk artikel 2, lid 2, en artikel 12, lid 3.
60. Artikel 2, lid 2, van richtlijn 91/439 bepaalt dat de lidstaten alle dienstige maatregelen nemen om vervalsing van rijbewijzen te voorkomen.
61. Volgens artikel 12, lid 3, van deze richtlijn verlenen de lidstaten elkaar assistentie bij de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn en wisselen zij zo nodig informatie uit over de rijbewijzen die bij hen zijn ingeschreven.
62. In de eerdere zaken, die verschillende vragen betroffen, in het bijzonder over het beginsel van onderlinge erkenning, heeft het Hof een rechtspraak ontwikkeld waarin het met name het bindend karakter van de onderlinge erkenning beklemtoonde, dat de lidstaten van ontvangst verbiedt om de procedure van de afgiftestaat te controleren.
63. Vanaf het arrest Skanavi en Chryssanthakopoulos(10) heeft het Hof namelijk voor recht verklaard dat de onderlinge erkenning van rijbewijzen zonder enige formaliteit geldt, hetgeen het in de arresten Awoyemi(11) en Commissie/Nederland(12) heeft bevestigd.
64. Overigens heeft het Hof in deze twee arresten gepreciseerd dat de in richtlijn 91/439 vervatte verplichting tot onderlinge erkenning duidelijk en nauwkeurig is en de lidstaten geen beoordelingsmarge laat met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen om daaraan te voldoen.(13)
65. De tegenovergestelde oplossing zou het noodzakelijke wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, dat het beginsel van onderlinge erkenning veronderstelt, teniet hebben gedaan.(14)
66. De zaken waarin het Hof thans moet beslissen, verschillen evenwel volledig van die waarin het tot op heden uitspraak heeft gedaan.
67. Zeker, in het reeds aangehaalde arrest Kapper heeft het Hof verklaard dat het niet de taak van de lidstaat van ontvangst is om na te gaan of aan alle voorwaarden voor de verkrijging van een rijbewijs is voldaan, met name aan de voorwaarde van de gebruikelijke verblijfplaats van de houder van het rijbewijs. Deze verificatie is louter de taak van de lidstaat van afgifte, die een exclusieve bevoegdheid heeft om na te gaan of de rijbewijzen zijn afgegeven met inachtneming van de daarvoor gestelde voorwaarden.(15)
68. Met betrekking tot artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 heeft het Hof in het arrest Kapper geoordeeld dat een lidstaat aan een persoon tegen wie op zijn grondgebied een maatregel van intrekking of nietigverklaring van een eerder door die staat afgegeven rijbewijs is getroffen, niet eindeloos de erkenning van een rijbewijs kan weigeren dat hem door een andere lidstaat, na het tijdelijk verbod om een nieuw rijbewijs te verkrijgen, is afgegeven.(16)
69. In het arrest Kapper weigerde de lidstaat van ontvangst het door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs echter enkel te erkennen, omdat de voorwaarde inzake de verblijfplaats van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 91/439 niet was nageleefd.
70. Volgens mij kan een dergelijke voorwaarde niet op één lijn worden gesteld met een vereiste inzake de medische geschiktheid, zoals in de onderhavige zaken aan de orde is. De verblijfplaats, of deze zich nu bevindt op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst of van de lidstaat van afgifte, heeft, anders dan een gevaarlijk gedrag zoals dat van de vijf betrokkenen in de onderhavige zaken, geen enkele invloed op de veiligheid van de weggebruikers.
71. Hier gaat het om zaken waarin een houder van een rijbewijs, ondanks de wegens zijn alcohol‑ of drugsverslaving tegen hem getroffen maatregelen die zijn rijbevoegdheid beperken, van een andere lidstaat gedaan heeft gekregen om een rijbewijs af te geven zonder rekening te houden met de regels van de richtlijn.
72. Uit het onderzoek van de feiten van de hoofdgedingen blijkt ondubbelzinnig de frauduleuze opzet van de houders van de litigieuze rijbewijzen.
73. Om te beginnen lijken, zoals Wiedemann in zijn opmerkingen uiteenzet, de betrokkenen namelijk naar de Republiek Tsjechië te zijn gegaan omdat zij wisten dat de medisch-psychologische test die in Duitsland voor de afgifte van een nieuw rijbewijs is vereist, in Tsjechië niet werd verlangd en zij de redenen waarom hun Duitse rijbewijs was ingetrokken, niet behoefden aan te geven.
74. Hierbij moet worden bedacht dat deze informatie algemeen bekend is, aangezien er gespecialiseerde internetsites zijn die in het Duits vermelden dat deze test, die „Idiotentest” wordt genoemd, niet vereist is voor de afgifte van een rijbewijs in de Republiek Tsjechië.(17)
75. Verder zet Wiedemann uiteen dat hij is begonnen met groepstherapiesessies om zijn drugsprobleem op te lossen, maar dat hij hiermee is opgehouden toen hem werd verteld dat de medisch-psychologische test in de Republiek Tsjechië niet was vereist.
76. Uit al deze omstandigheden blijkt dat de bepalingen van richtlijn 91/439, die wellicht bijkomstig kunnen lijken wanneer de hierin vervatte wezenlijke formaliteiten bij de afgifte van het rijbewijs worden nageleefd, daarentegen uiterst belangrijk worden wanneer bedrog speelt, en dat het ontduiken van deze bepalingen een noodzakelijke voorwaarde is geweest om dit bedrog te plegen.
77. Dat is het geval met de bepaling over de bevoegdheid van de lidstaat van afgifte in artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 91/439.
78. Deze voorwaarde van een verblijf van ten minste zes maanden op het grondgebied van de lidstaat van afgifte voorafgaand aan de afgifte van het rijbewijs, blijkt essentieel om de in de richtlijn voorziene medische testen te kunnen verrichten, alsook voor de aanvragen en de noodzakelijke uitwisseling van gegevens overeenkomstig artikel 12, lid 3, van deze richtlijn.
79. Om deze redenen kan het reeds aangehaalde arrest Kapper in casu niet worden toegepast, daar de omstandigheden van het geschil geheel anders zijn.
80. Om dezelfde redenen kan het beginsel van onderlinge erkenning in deze gevallen niet op de normale en gebruikelijke wijze worden toegepast.
81. Dat zou in deze gevallen bedrog vergemakkelijken of afdekken en de potentiële gevaarssituatie dus nog verergeren, wat ingaat tegen de in richtlijn 91/439 zelf verwoorde doelstelling van verhoging van de veiligheid van het wegverkeer.
82. Niet alleen het recht, maar eenvoudig het gezonde verstand gebiedt in zo’n situatie aan te nemen dat bedrog het onderlinge vertrouwen tenietdoet en dat de lidstaten de bevoegdheid moeten hebben om de voorwaarden te controleren waaronder het rijbewijs is verkregen.
83. De aard zelf van de door richtlijn 91/439 ingevoerde regeling maakt dat, om de beoogde veiligheid te realiseren, de onderlinge erkenning van de rijbewijzen, althans op de wezenlijke gebieden die uitdrukkelijk in de richtlijn zijn genoemd, gepaard moet gaan met de onderlinge erkenning van intrekkingen of nietigverklaringen van die rijbewijzen en van andere beperkingen van de rijbevoegdheid die zijn opgelegd om de redenen waarom de richtlijn van de lidstaten identieke maatregelen voor de controle van de rijgeschiktheid verlangt.
84. Deze aanvullende vorm van onderlinge erkenning is volgens mij een verplichting die op de lidstaten rust uit hoofde van artikel 2, lid 2, van richtlijn 91/439, op grond waarvan zij alle dienstige maatregelen moeten nemen om vervalsing van rijbewijzen te voorkomen. Ik zie namelijk niet in waarom onder het begrip vervalsing enkel de materiële falsificatie van een administratief document zou vallen.
85. Wil aan dit begrip niet iedere nuttige betekenis worden ontnomen, dan moet het aldus worden opgevat dat het ook het geval omvat waarin een oneerlijk persoon zich op bedrieglijke wijze een administratief document verschaft, dat hem onder de vlag van echtheid een recht lijkt te verschaffen dat hem in wezen is ontzegd.
86. Deze op de lidstaten rustende verplichting brengt noodzakelijkerwijs de in artikel 12, lid 3, van richtlijn 91/439 vervatte plicht mee om informatie uit te wisselen, waarbij het aan de lidstaten is om daarvoor de uitvoeringsvoorwaarden vast te stellen.
87. Bij gebreke hiervan zal overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel de gemeenschapswetgever deze uitvoeringsvoorwaarden moeten vaststellen, die niet veel ingewikkelder hoeven te zijn dan het tot stand brengen van een, tussen bepaalde lidstaten reeds functionerend, netwerk van strafbladregisters, die overigens normaliter de noodzakelijke gegevens zullen bevatten over rechterlijke beslissingen over de beperking, de schorsing of de ontzegging van de rijbevoegdheid.
88. Zolang deze geharmoniseerde voorwaarden niet van kracht zijn, mag echter mijns inziens, al was het maar uit voorzorg, een lidstaat die objectief van mening kan zijn dat de in richtlijn 91/439 bepaalde regels ter bescherming van derden niet zijn toegepast, de voorwaarden voor de toepassing van het beginsel van onderlinge erkenning controleren.
89. Dat is met name het geval, wanneer al bij controle van het rijbewijs zelf blijkt dat de minimumvoorwaarde van de daadwerkelijke verblijfplaats van artikel 7, lid 1, sub b, van de richtlijn niet was nageleefd, en de rijbevoegdheid van de betrokkene op het grondgebied van de lidstaat die de controle heeft verricht, is ingetrokken, waaraan de verplichting is verbonden om met goed gevolg een medisch-psychologische test te ondergaan voor de verkrijging van een nieuw rijbewijs.
90. Ik meen dat in die context de controlerende lidstaat bevoegd is om bij twijfel contact op te nemen met de lidstaat van afgifte zodat deze over de geldigheid van het door hem afgegeven document kan beslissen, waartoe alleen hij bevoegd is.
91. In de onderhavige zaken zou dit voor de lidstaat van afgifte erop neerkomen dat hij nagaat of de houder van het rijbewijs, gelet op de omstandigheden op grond waarvan het eerste rijbewijs is ingetrokken en gelet op het gevaar dat hij voor de andere weggebruikers is, een medisch onderzoek heeft ondergaan dat qua niveau vergelijkbaar is met de medisch-psychologische test.
92. Indien door de lidstaat van afgifte een test is gedaan die qua niveau vergelijkbaar is met die welke in de eerste lidstaat wordt verlangd, waarbij de medische geschiktheid van de houder van het rijbewijs en met name zijn verslaving aan drugs en alcohol is geverifieerd, moet de eerste lidstaat naar mijn mening het afgegeven rijbewijs erkennen krachtens artikel 1, lid 2, van richtlijn 91/439.
93. Indien de lidstaat van afgifte de eerste lidstaat echter meedeelt dat hij de voorgeschiedenis van de houder van dit rijbewijs niet kende en dat dus geen diepgaand medisch onderzoek is gedaan waaruit is gebleken dat hij wederom rijgeschiktheid bezit, mag de eerste lidstaat mijns inziens bij uitzondering krachtens artikel 8, leden 2 en 4, van de richtlijn weigeren de geldigheid van dit rijbewijs te erkennen wegens de gebleken gevaarlijkheid van de betrokken houder.
94. Volgens mij is de bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten om een bestuurder met een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te controleren en in voorkomend geval de geldigheid van dit rijbewijs te verifiëren bij de autoriteiten van de lidstaat van afgifte, niet in strijd met het beginsel van onderlinge erkenning.
95. Het zou enkel anders zijn wanneer de lidstaat die de controle heeft verricht, het rijbewijs niet ambtshalve erkent of het niet als geldig erkent, hoewel uit de controle niets abnormaals naar voren is gekomen.
96. De Commissie zelf heeft in een aanbeveling benadrukt dat de handhaving, en met name de grensoverschrijdende handhaving, een belangrijk en effectief middel is om verkeersongevallen te voorkomen en hun aantal te beperken.(18)
97. Een lidstaat deze bevoegdheid ontzeggen zou mijns inziens in strijd zijn met de door richtlijn 91/439 nagestreefde en door de Commissie bepleite doelstelling van verhoging van de verkeersveiligheid.(19)
98. Overigens heeft de Commissie eraan herinnerd dat de onveiligheid in het verkeer de eerste zorg van de weggebruiker is en dat van alle vervoersmodaliteiten het vervoer over de weg veruit de gevaarlijkste is en de meeste mensenlevens kost.(20)
99. De Commissie preciseert ook dat het aan de lidstaten is om de noodzakelijke maatregelen te nemen om het in het Witboek gestelde doel, halvering van het aantal verkeersdoden, te bereiken.(21)
100. In dit opzicht laat het geval Wiedemann ons zien dat het gevaar dat van hem uitgaat, nog steeds niet lijkt weggenomen, nu hij immers minder dan een maand na verkrijging van zijn Tsjechisch rijbewijs, in Duitsland opnieuw een ongeval heeft veroorzaakt.
101. Een dergelijke oplossing lijkt mij niet in strijd met de rechtspraak van het Hof.
102. Zoals gebleken, was in het arrest Kapper immers alleen de verblijfplaatsvoorwaarde in geschil.
103. Ook zou kunnen worden gesteld dat het Hof in voornoemde beschikking Halbritter wederom heeft aanvaard dat de lidstaten niet opnieuw mogen nagaan of de voorwaarden voor de afgifte zijn nageleefd, en dat het in die zaak ging om de voorwaarde van de medische geschiktheid.(22)
104. Anders dan in de onderhavige zaken waren de autoriteiten van de lidstaat van afgifte in de zaak die aanleiding was tot de beschikking Halbritter, de medische geschiktheid van de houder van het rijbewijs echter reeds nagegaan, door juist te onderzoeken of hij nog onder invloed van drugs was.(23)
105. Aangezien de controle reeds had plaatsgevonden en de aanvrager volgens de Oostenrijkse autoriteiten medisch gezien rijgeschikt was, mocht de Bondsrepubliek Duitsland niet meer een medisch-psychologische test voor de houder van het rijbewijs eisen en derhalve weigeren dit rijbewijs te erkennen.
106. Ten slotte onderscheiden de onderhavige zaken zich ook van de zaak Kremer(24), aangezien hierin de Bondsrepubliek Duitsland ambtshalve had geweigerd een door het Koninkrijk België afgegeven rijbewijs te erkennen zonder zich tevoren ervan te vergewissen of de noodzakelijke controles van de medische geschiktheid wel waren verricht.
107. Het Verwaltungsgericht Sigmaringen wenst verder van het Hof te vernemen of gedurende het onderzoek door de lidstaat van afgifte naar de voorwaarden voor verlening van het rijbewijs, de lidstaat op het grondgebied waarvan het eerste rijbewijs is ingetrokken, voorlopige maatregelen mag nemen om het tweede rijbewijs te schorsen.
108. Mijns inziens is de controlerende lidstaat bevoegd om in afwachting van de beslissing van de lidstaat van afgifte het litigieuze rijbewijs in te trekken, wat in dit geval een maatregel in het belang van de noodzakelijke bescherming van derden zou zijn.
109. Het zou volgens mij namelijk onbegrijpelijk zijn, dat een nieuw ongeval of een nieuwe overtreding moet worden afgewacht alvorens de controlerende lidstaat kan optreden.
110. Een andere zienswijze zou in wezen de negatie zijn van het hele preventiebeleid, dat echter, zoals bekend, in de verkeersveiligheid het primaat behoort te hebben. Ook zou de publieke opinie er terecht door kunnen worden geschokt en zou twijfel kunnen worden gezaaid aan de effectiviteit en het nut van de gemeenschapsmaatregelen.
111. Om al deze redenen meen ik dat de gestelde vragen als volgt moeten worden beantwoord.
112. Wanneer in een lidstaat iemand zijn rijbewijs is ontnomen wegens het rijden onder invloed van alcohol of drugs en voor de afgifte van een nieuw rijbewijs als vereiste is gesteld dat deze persoon, gelet op het gevaar dat hij vormt, een medisch-psychologische test met goed gevolg ondergaat, is deze lidstaat krachtens de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 bevoegd, de erkenning van de geldigheid van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te weigeren, indien in de lidstaat van afgifte geen test is afgenomen van vergelijkbaar niveau als de in de eerste staat vereiste.
113. Verder moeten de artikelen 1, lid 2, en artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat een lidstaat voorlopige maatregelen treft, zoals de schorsing van het rijbewijs, gedurende het onderzoek door de lidstaat van afgifte naar de voorwaarden voor verlening van dit rijbewijs, wanneer de houder ervan potentieel gevaarlijk gedrag vertoont.
V – Conclusie
114. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door het Verwaltungsgericht Sigmaringen en het Verwaltungsgericht Chemnitz gestelde vragen als volgt te beantwoorden:
„De artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat een lidstaat weigert de geldigheid van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen wanneer de rijbevoegdheid van de houder van dit rijbewijs in de eerste lidstaat is ingetrokken wegens het rijden onder invloed van alcohol of drugs, voor de afgifte van een nieuw rijbewijs als vereiste is gesteld dat deze persoon, gelet op het gevaar dat hij vormt, een medisch-psychologische test met goed gevolg ondergaat, en in de lidstaat van afgifte geen test is afgenomen van vergelijkbaar niveau als de in de eerste staat vereiste.
Verder moeten de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat een lidstaat voorlopige maatregelen treft, zoals de schorsing van het rijbewijs, gedurende het onderzoek door de lidstaat van afgifte naar de voorwaarden voor verlening van dit rijbewijs, wanneer de houder ervan potentieel gevaarlijk gedrag vertoont.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans
2 – Richtlijn van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PB L 237, blz. 1).
3 – Zie artikel 1 van richtlijn 91/439.
4 – Zie de vierde overweging van de considerans.
5 – Volgens artikel 9, eerste alinea, van richtlijn 91/439 is de gewone verblijfplaats de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar. Indien de houder van het rijbewijs in die lidstaat een studie volgt, moet hij het bewijs leveren dat hij ten minste zes maanden in die staat is gevestigd.
6 – § 11, leden 2 en 3, FeV.
7 – §§ 69 en 69 bis van het Duitse Wetboek van Strafrecht.
8 – Zie de punten 14, 14.1, eerste alinea, 15 en 15.1 van deze bijlage III.
9 – Zie artikel 1, lid 2, van richtlijn 91/439.
10 – Arrest van 29 februari 1996 (C‑193/94, Jurispr. blz. I‑929, punt 26).
11 – Arrest van 29 oktober 1998 (C‑230/97, Jurispr. blz. I‑6781, punt 41).
12 – Arrest van 10 juli 2003 (C‑246/00, Jurispr. blz. I‑7485, punt 60).
13 – Zie reeds aangehaalde arresten Awoyemi (punt 42) en Commissie/Nederland (punt 61).
14 – Zie punten 35‑40 van de conclusie van advocaat-generaal Léger in de zaak Kapper (arrest van 29 april 2004, C‑476/01, Jurispr. blz. I‑5205).
15 – Punten 46‑48 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
16 – Zie reeds aangehaald arrest Kapper (punt 76) en beschikking van 6 april 2006, Halbritter (C‑227/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 37).
17 – Zie met name de site .
18 – Zie de aanbeveling van de Commissie van 6 april 2004 inzake handhaving op het gebied van verkeersveiligheid (PB L 111, blz. 75).
19 – Zie het Witboek van de Commissie van 12 september 2001 met de titel: „Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen” [COM(2001) 370 def.]. Ik herinner ook aan de publicatie van de Commissie „20 000 levens redden op onze wegen, een gedeelde verantwoordelijkheid” in het kader van het Europees actieprogramma voor verkeersveiligheid – Terugdringing van het aantal verkeersslachtoffers in de Europese Unie met de helft in de periode tot 2010: een gedeelde verantwoordelijkheid [COM(2003) 311 def.].
20 – Zie het Witboek, loc. cit. (blz. 70).
21 – Ibidem (blz. 73).
22 – Zie punt 34 van deze beschikking.
23 – Zie punt 31 van dezelfde beschikking.
24 – Beschikking van 28 september 2006 (C‑340/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
Full & Egal Universal Law Academy