CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 24 april 2008 (1)
Zaak C‑353/06
Stefan Grunkin en Dorothee Regina Paul
tegen
Leonhard Matthias Grunkin-Paul en Standesamt Stadt Niebüll
„Burgerschap van de Unie – Verbod van discriminatie op grond van nationaliteit – Vrijheid om te reizen en te verblijven – Namen van personen – Collisie – Familienaam vastgesteld en nadien gewijzigd overeenkomstig wetgeving van lidstaat van geboorte en van gewone verblijfplaats – Niet-erkenning door lidstaat van nationaliteit”
1. In dit verzoek van het Amtsgericht Flensburg, Duitsland, om een prejudiciële beslissing worden vraagtekens gezet bij de verenigbaarheid van een Duitse conflictregel met het discriminatieverbod en de burgerrechten in het EG-Verdrag. Volgens die regel wordt de familienaam van iemand die alleen de Duitse nationaliteit bezit, uitsluitend bepaald door het Duitse recht. Zelfs als zo iemand geboren is in een andere lidstaat en zijn gewone verblijfplaats heeft in die lidstaat (in dit geval in Denemarken), waarvan de wetgeving op hem van toepassing is ingevolge de conflictregel van deze staat, kan zijn familienaam, die aldaar is gevormd en geregistreerd, niet in Duitsland worden geregistreerd, tenzij deze tevens in overeenstemming is met het Duitse materiële recht.
Juridische achtergrond
Bepalingen van het Verdrag
2. Artikel 12, eerste alinea, EG luidt als volgt:
„Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.”
3. Artikel 17 EG bepaalt:
„1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan.
2. De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld.”
4. Artikel 18, lid 1, EG luidt:
„Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.”
5. Ingevolge artikel 65 EG (mede gelezen in samenhang met artikel 61, sub c, EG en artikel 67 EG) kan de gemeenschapswetgever „maatregelen op het gebied van samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen” nemen, waaronder maatregelen die ten doel hebben „b) de bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen”. Met betrekking tot de vaststelling van namen zijn er nog geen maatregelen genomen.(2)
Materieel recht betreffende de vaststelling van familienamen
6. In de punten 5 tot en met 22 van zijn conclusie in de zaak García Avello(3) heeft advocaat-generaal Jacobs een overzicht gegeven van de destijds (2003) geldende voorschriften voor de vaststelling van familienamen in de lidstaten. Sindsdien zijn er ontwikkelingen geweest, en in verscheidene lidstaten bieden de materiële voorschriften nu meer keuzemogelijkheden dan voorheen. In dit stadium laat ik het echter bij de constatering dat er aanzienlijke variatie is, niet alleen in de wijze van vaststelling van familienamen, maar ook in de ter zake wettelijk toegestane speelruimte. In het bijzonder zijn samengestelde familienamen (waarin de familienamen van beide ouders worden gecombineerd) in sommige lidstaten verboden, in andere lidstaten toegestaan en in weer andere de regel.
Conflictregels betreffende de vaststelling van familienamen
7. Om te bepalen welk recht van toepassing is op de vaststelling van iemands familienaam wanneer er banden zijn met meer dan één rechtsstelsel, gaan sommige rechtsstelsels uit van de wetgeving van de gewone verblijfplaats van de betrokkene(4), al lijkt vaker te worden uitgegaan van de wetgeving van zijn of haar nationaliteit.(5) Deze benadering is voor sommige lidstaten verankerd in internationale overeenkomsten in het kader van de Internationale Commissie van de Burgerlijke Stand (CIEC), een intergouvernementele organisatie waarbij onder meer dertien lidstaten zijn aangesloten en nog drie lidstaten de status van waarnemer hebben. Duitsland is lid van de CIEC. Denemarken is geen lid of waarnemer.
8. Enkele CIEC-overeenkomsten(6) hebben betrekking op namen, maar geen daarvan is geratificeerd door meer dan zeven lidstaten. Kort gezegd, is daarin geregeld dat iemands namen in beginsel dienen te worden bepaald door de wetgeving van de staat waarvan hij of zij de nationaliteit bezit, en dat overeenkomstsluitende staten geen wijzigingen in de familienaam zullen toestaan aan personen met de nationaliteit van een andere overeenkomstsluitende staat, tenzij zij tevens de nationaliteit van de eerste staat bezitten, maar zo nodig een certificaat van afwijkende familienaam zullen afgeven. Ingevolge een recentere overeenkomst(7), die nog niet van kracht is, zal de in de geboortestaat aan een kind met de nationaliteit van meer dan één van de overeenkomstsluitende staten gegeven familienaam worden erkend in de andere overeenkomstsluitende staten, maar hetzelfde geldt voor een familienaam die is gegeven op verzoek van de ouders in een andere overeenkomstsluitende staat, waarvan het kind de nationaliteit bezit.
Instrumenten betreffende de rechten van kinderen
9. Artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind van de Verenigde Naties(8) bepaalt: „Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.” Goeddeels dezelfde bepaling is te vinden in artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.(9)
10. Artikel 7, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt onder meer dat een kind „onmiddellijk na de geboorte [wordt] ingeschreven en [...] vanaf de geboorte recht [heeft] op een naam”. Nagenoeg hetzelfde is bepaald in artikel 24, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.(10)
In casu relevant nationaal recht
11. Naar Deens internationaal privaatrecht worden aangelegenheden betreffende de vaststelling van iemands familienaam beheerst door de wetgeving van betrokkenes woonplaats (dat wil zeggen zijn gewone verblijfplaats). Wanneer de familienaam moet worden vastgesteld van iemand met gewone verblijfplaats in Denemarken, zal dus Deens recht gelden.
12. Op het in de onderhavige zaak relevante tijdstip was de vaststelling van familienamen in Denemarken geregeld in de artikelen 1 tot en met 9 van wet nr. 193 van 29 april 1981 (Lov om personnavne – wet inzake de persoonsnaam).(11)
13. In artikel 1 van die wet was bepaald dat, indien de ouders één familienaam gebruikten, dit de naam was die aan het kind moest worden gegeven. Gebruikten zij niet dezelfde familienaam, dan kon die van een van beide ouders worden gekozen. Ingevolge artikel 9 was echter ook een administratieve wijziging van de familienaam mogelijk in een naam die was samengesteld uit de familienamen van beide ouders met een streepje ertussen.
14. Een (veel toegepast) alternatief is dat, wanneer het kind de familienaam van een van de ouders draagt, de familienaam van de andere ouder wordt gebruikt als „middelste naam” (mellemnavn). De twee namen worden dan in feite gecombineerd (zonder streepje). Volgens de wet van 1981 kon in dat geval echter alleen het tweede deel (de tweede familienaam) van de gecombineerde naam worden doorgegeven aan de volgende generatie.
15. In Duitsland wordt ingevolge § 10, lid 1, van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuch (wet tot invoering van het burgerlijk wetboek; hierna: „EGBGB”) de naam van een persoon vastgesteld volgens de wetgeving van de staat waarvan hij of zij de nationaliteit bezit. Ingevolge § 10, lid 3, kan de familienaam van een kind alleen dan aan de hand van de wetgeving van een ander land worden vastgesteld, wanneer een van de ouders (of andere naamgevende persoon) de nationaliteit van dat land bezit. Duits recht kan echter worden toegepast wanneer geen van beide ouders de Duitse nationaliteit bezit, maar ten minste één van hen in Duitsland woont.
16. § 1616 van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”) bepaalt dat, indien de ouders gebruik maken van één familienaam(12), dit de naam is die het kind wordt gegeven, net zoals in Denemarken. § 1617 bepaalt:
„1) Wanneer de ouders geen huwelijksnaam dragen en zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, dan stellen zij bij voor de ambtenaar van de burgerlijke stand afgelegde verklaring als geboortenaam van het kind de naam vast die de vader of de moeder op het tijdstip van de verklaring draagt. [...] De keuze door de ouders geldt ook voor hun latere kinderen.
2) Wanneer de ouders binnen een maand na de geboorte van het kind geen verklaring hebben afgelegd, dan draagt het Familiengericht[(13)] het vaststellingsrecht over aan één van de ouders. Lid 1 geldt mutatis mutandis. De rechter kan de ouder een termijn voor de uitoefening van het vaststellingsrecht stellen. Wanneer na afloop van de termijn het vaststellingsrecht niet is uitgeoefend, dan krijgt het kind de naam van de ouder aan wie het vaststellingsrecht is overgedragen.
3) Wanneer een kind niet op Duits grondgebied is geboren, dan draagt de rechter het vaststellingsrecht krachtens lid 2 enkel over aan een van de ouders wanneer een van de ouders of het kind hierom verzoekt of wanneer de naam van het kind moet worden ingeschreven in een register van de Duitse burgerlijke stand of moet worden vermeld op een officieel Duits identiteitsbewijs.”
17. § 1617, lid 1, sluit dus de mogelijkheid uit, de familienamen van beide ouders te combineren tot een nieuwe samengestelde naam. De bepaling belet echter niet dat een bestaande, reeds door een van de ouders gedragen samengestelde naam blijft voortbestaan.(14)
Rechtspraak van het Hof
18. Vragen inzake de vaststelling van familienamen doen zich in gemeenschapsrechtelijk verband niet vaak voor. Er zijn het Hof echter op dit gebied in twee eerdere gevallen prejudiciële vragen gesteld – in de zaak Konstantinidis(15) en in de zaak García Avello(16) – en eenmaal eerder in de onderhavige zaak.(17)
19. In het arrest Konstantinidis achtte het Hof het in strijd met het discriminatieverbod op grond van nationaliteit dat een Grieks onderdaan werd gedwongen om bij de uitoefening van zijn beroep in een andere lidstaat een schrijfwijze van zijn naam te gebruiken die zodanig was dat de uitspraak erdoor werd verbasterd, met het risico van een persoonsverwisseling bij zijn potentiële clientèle.
20. In het arrest García Avello oordeelde het Hof dat de artikelen 12 EG en 17 EG eraan in de weg stonden dat de Belgische autoriteiten weigerden te voldoen aan een verzoek, ingediend namens in België wonende minderjarige kinderen met zowel de Belgische als de Spaanse nationaliteit, tot wijziging van de familienaam van die kinderen in de familienaam die zij naar Spaans recht en gebruik mochten dragen.
Feiten en procesverloop
21. Leonhard Matthias werd in 1998 in Denemarken geboren als kind van Stefan Grunkin en Dorothee Paul. Hij en zijn ouders hebben alleen de Duitse nationaliteit (geboorte in Denemarken levert niet automatisch de Deense nationaliteit op). Het grootste deel van zijn leven heeft hij hoofdzakelijk in Denemarken gewoond, waar zijn ouders oorspronkelijk samen woonden. In 2001-2002 woonde hij een aantal maanden met hen in Niebüll, Duitsland. Sindsdien heeft hij hoofdzakelijk bij zijn moeder gewoond in Tønder, Denemarken, maar hij verblijft ook regelmatig bij zijn vader in Niebüll, dat ongeveer 20 km bij Tønder vandaan ligt.
22. Bij zijn geboorte werd Leonhard Matthias oorspronkelijk in Denemarken ingeschreven onder de familienaam „Paul”, met „Grunkin” als mellemnavn. Enkele maanden later werd de familienaam op verzoek van zijn ouders bij administratieve verklaring (navnebevis) gewijzigd in „Grunkin-Paul” en werd een geboortebewijs afgegeven waarop die familienaam was vermeld.(18) Dit was mogelijk omdat hij naar Deens internationaal privaatrecht in Denemarken woonde, zodat het Deense materiële recht van toepassing was op de vaststelling van zijn familienaam.
23. Zijn ouders willen hem bij de Duitse autoriteiten laten inschrijven in Niebüll, onder de hem in Denemarken gegeven familienaam „Grunkin-Paul”. Op grond van de hiervóór weergegeven Duitse wettelijke regeling(19) weigerden deze autoriteiten die naam te erkennen, en stelden zij zich op het standpunt dat als familienaam hetzij „Grunkin” hetzij „Paul” moest worden gekozen.
24. De ouders stelden tegen deze weigering beroep in bij de Duitse rechter, maar dit werd in hoogste instantie afgewezen in 2003.
25. Daarop legde het bevoegde Standesamt (bureau burgerlijke stand) ingevolge § 1617, lid 2, BGB de zaak voor aan het Amtsgericht Niebüll. Als Familiengericht had deze instantie tot taak, de ouder aan te wijzen die het recht had de familienaam van het kind te kiezen of wiens dan wel wier familienaam aan het kind zou worden gegeven wanneer er geen keuze werd gemaakt.
26. Het vroeg zich echter af of de conflictregel van § 10 EGBGB in het licht van de artikelen 12 EG en 18 EG geldig was, voor zover de vaststelling van familienamen uitsluitend afhing van de nationaliteit. Het verzocht het Hof dan ook om uitlegging van het EG-Verdrag in verband met de verenigbaarheid van § 10 EGBGB met het EG-Verdrag.(20)
27. In de procedure voor het Hof werd de ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing in twijfel getrokken, omdat de verwijzende instantie kennelijk optrad in de hoedanigheid van administratief orgaan en niet als rechter.
28. In zijn conclusie van 30 juni 2005 achtte advocaat-generaal Jacobs die twijfel reëel, maar hij meende dat het Hof de prejudiciële vraag desondanks moest beantwoorden.(21) Hij was van mening dat de situatie binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht viel en dat, hoewel zich geen discriminatie op grond van nationaliteit voordeed, het „volkomen onverenigbaar met de status en de rechten van een burger van de Europese Unie [is] dat een persoon ertoe wordt verplicht op grond van de wettelijke bepalingen van verschillende lidstaten uiteenlopende namen te dragen”.(22)
29. Bij arrest van 27 april 2006 verklaarde het Hof, niet bevoegd te zijn om de prejudiciële vraag te beantwoorden omdat de verwijzende rechter niet kon worden geacht een rechtsprekende functie te vervullen.
30. Op 30 april 2006 verzochten de ouders opnieuw om inschrijving van hun zoon bij het Standesamt onder de familienaam Grunkin-Paul, als de naam waaronder hij in Denemarken was ingeschreven. Het Standesamt weigerde de inschrijving wederom, daar het Duitse recht deze niet toeliet.
31. Ingevolge het Duitse procesrecht werd het beroep van de ouders tegen deze nieuwe weigering behandeld door een ander Amtsgericht, het Amtsgericht Flensburg. Dit wijst erop dat het naar Duits recht de ambtenaar van de burgerlijke stand niet kan gelasten om een samengestelde familienaam in te schrijven, maar dat het vergelijkbare twijfel koestert als het Amtsgericht Niebüll destijds.
32. Het Amtsgericht Flensburg verzoekt dan ook om een uitspraak over de volgende vraag:
„Is, gelet op het in artikel 12 EG vervatte discriminatieverbod respectievelijk het door artikel 18 EG voor elke burger van de Unie gegarandeerde recht om vrij te reizen, de in § 10 EGBGB geformuleerde Duitse conflictregel geldig, voor zover volgens deze bepaling het naamrecht uitsluitend afhangt van de nationaliteit?”
33. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Stefan Grunkin, de Belgische, de Franse, de Duitse, de Griekse, de Litouwse, de Nederlandse, de Poolse en de Spaanse regering en door de Commissie. De Duitse, de Griekse, de Litouwse en de Spaanse regering en de Commissie zijn ter terechtzitting verschenen.
Ontvankelijkheid
34. De ontvankelijkheid van deze prejudiciële verwijzing wordt niet formeel betwist, al vraagt de Belgische regering zich af of a) de verwijzende rechter bevoegd is de inschrijving van een samengestelde familienaam te gelasten, in het bijzonder nu een eerdere procedure reeds was afgerond, en b) de onderhavige procedure een reële procedure is.
35. Deze twijfel wordt echter niet gedeeld door de Duitse regering, die gedetailleerd uiteenzet in hoeverre de onderhavige procedure naar Duits recht zowel ontvankelijk als een reëel geschil is. Het komt erop neer dat de ouders van Leonhard Matthias een vordering hebben ingesteld (waaraan niet in de weg staat dat op hun eerdere beroep in 2003 definitief is beslist) tegen de ambtenaar van de burgerlijke stand tot inschrijving van de familienaam van het kind als „Grunkin-Paul”. Om te beslissen of die vordering kan worden toegewezen – in welke context de verwijzende rechter duidelijk optreedt als rechtsprekende instantie – heeft hij een uitspraak nodig over de uitlegging van het gemeenschapsrecht.
36. Het lijkt mij dan ook onnodig dat het Hof de ontvankelijkheid van de onderhavige verwijzing nader onderzoekt.
Ten gronde
Inleidende overwegingen
37. Het internationaal privaatrecht is, anders dan zijn naam wellicht doet vermoeden, geen internationaal recht. Het is een onderdeel van het nationale recht van elk rechtsstelsel. Het biedt een mechanisme, of eigenlijk een aantal in elkaar grijpende mechanismen, om, in het geval dat rechtssituaties of rechtsverhoudingen connecties vertonen met meer dan één rechtsstelsel, te beslissen welke rechters of andere autoriteiten bevoegd zijn, welk materieel recht moet worden toegepast en welke gevolgen of erkenning moeten worden verbonden aan beslissingen of rechtshandelingen die tot stand zijn gekomen overeenkomstig andere rechtsstelsels.
38. Omdat de betrokken situaties of verhoudingen per definitie interjurisdictioneel zijn, zal het apparaat van elk rechtsstelsel steeds interactie vertonen met het apparaat van andere rechtsstelsels. Soms sporen ze, en soms botsen ze. Als ze sporen (wat de voorkeur heeft), dan kan dat komen doordat de betrokken rechtsstelsels van meet af aan compatibele regels hebben, of omdat zij samen naar compatibiliteit hebben toegewerkt in het kader van een organisatie als het CIEC of de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht(23), of (binnen de Europese Unie) omdat de compatibiliteit hun is opgelegd door de gemeenschapswetgeving. Niettemin zijn er nog heel wat gebieden waarop er geen volledige compatibiliteit of harmonisatie bestaat.
39. Het totaalbeeld is dan ook dat van een complex geheel van complexe mechanismen, die in complexe maar niet steeds harmonische wisselwerking met elkaar zijn. Aanpassingen aan een van die mechanismen kan gevolgen hebben voor een breed scala van interacties. Een verandering in de regels van internationaal privaatrecht met betrekking tot de vaststelling van namen in het ene rechtsstelsel kan repercussies hebben voor de wisselwerking van die regels met de equivalente regels van een ander rechtsstelsel, maar ook voor de werking van de eigen regels van internationaal privaatrecht betreffende aanverwante gebieden van personen‑ of familierecht (met daaruit voortvloeiende veranderingen in de wisselwerking tussen die regels en de regels van andere rechtsstelsels) of voor de eigen relevante regels van materieel recht.
40. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste lidstaten die in deze zaak opmerkingen hebben ingediend het Hof op het hart hebben gedrukt zich niet te bemoeien met de in geding zijnde Duitse conflictregel. Enkele academische commentatoren hebben zich bovendien kritisch uitgelaten over het arrest García Avello en de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Standesamt Stadt Niebüll, omdat zij vinden dat daarin onvoldoende rekening is gehouden met de consequenties van de gekozen benadering.(24)
41. Dit is duidelijk een terrein dat het Hof behoedzaam en met de nodige terughoudendheid dient te betreden. Maar dat wil dat nog niet zeggen dat het geheel van betreden moet afzien.
42. Zoals verschillende lidstaten naar voren hebben gebracht, is dit een terrein waarop de Gemeenschap bevoegd is regulerend op te treden – zoals zij op de grondslag van artikel 61, sub c, EG en artikel 67, lid 1, EG reeds regelend is opgetreden inzake de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid(25), en voornemens is het toepasselijke recht in huwelijkszaken te regelen.(26)
43. Des te meer geldt hetgeen het Hof verklaarde in het arrest García Avello(27): „Zo de lidstaten in de huidige stand van het gemeenschapsrecht bevoegd blijven om de naamgeving van personen te regelen, moeten zij niettemin bij de uitoefening van deze bevoegdheid het gemeenschapsrecht eerbiedigen [...] en, in het bijzonder, de verdragsbepalingen betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.”
44. Het Hof kan zich dus niet onttrekken aan zijn plicht om het gemeenschapsrecht uit te leggen op een wijze die van nut is voor de nationale rechter, zoals het Amtsgericht Flensburg in de onderhavige zaak, wiens taak het is, te beslissen of specifieke nationale regels al dan niet met dat recht in overeenstemming zijn.
45. Het zou ontegenzeglijk eenvoudiger zijn wanneer de situatie was geregeld bij communautaire wetgeving (of wanneer alle lidstaten lid waren van het CIEC en alle overeenkomsten daarvan hadden geratificeerd). Een oplossing bij wetgeving of overeenkomst zou bovendien gepast zijn op een gebied als dit. De discussies voorafgaand aan de totstandkoming van communautaire wetgeving of multilaterale overeenkomsten zijn noodzakelijkerwijs langer, grondiger en meeromvattend dan ooit kan worden bereikt in de context van een prejudiciële verwijzingsprocedure bij het Hof. Tevens is duidelijk, gezien de toenemende mobiliteit van de burgers op het gehele grondgebied van de Europese Unie, die niet alleen een gemeenschappelijke markt is maar ook een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, dat belangenconflicten met betrekking tot de vaststelling en het gebruik van de naam van een persoon zich steeds vaker kunnen (en waarschijnlijk zullen) voordoen tenzij en totdat een adequate oplossing wordt gevonden. Dit zal een volledig en systematisch doordachte oplossing moeten zijn, waarbij rekening is gehouden met alle daaraan verbonden implicaties voor alle betrokken rechtsstelsels.
46. Een dergelijke oplossing is er echter nog niet. Bij de huidige stand van zaken moet het Hof zijn uitlegging geven aan het bestaande gemeenschapsrecht inzake het recht van de burger om vrij op het gehele grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven zonder discriminatie op grond van nationaliteit. Daarbij moet het rekening houden met de specifieke situatie die zich in het hoofdgeding voordoet. Het moet ervoor zorgen, zich niet verder dan nodig is te begeven op een terrein dat tot de bevoegdheid van de lidstaten in aangelegenheden van internationaal privaatrecht behoort. Tegelijkertijd mag het het begrip burgerschap van de Unie – de „primaire status van de burgers van de lidstaten”(28) – niet uithollen of afzwakken, of de bij die status behorende rechten hun reële betekenis ontnemen.
47. In casu lijkt mij het punt dat moet worden beslist teneinde de nationale rechter in staat te stellen, het bij hem aanhangige geschil te beslechten, minder ruim te zijn dan het op het eerste gezicht wellicht lijkt.
48. In de eerste plaats staat de materiële bepaling van Duits recht op grond waarvan de familienaam van een kind de familienaam van een van de ouders moet zijn, zonder de mogelijkheid de namen van beide ouders te combineren, op zich niet ter discussie. Er zijn geen inhoudelijke bepalingen van gemeenschapsrecht van toepassing op dit gebied (en er lijkt ook geen rechtsgrondslag te zijn voor aanneming van dergelijke bepalingen), en een nationale bepaling die een bepaalde naamgeving voorschrijft dan wel verbiedt, lijkt als zodanig geen inbreuk te kunnen maken op het recht van de burger om gevrijwaard te blijven van discriminatie en op zijn recht om vrij te reizen en te verblijven. Het kan alleen een probleem worden wanneer een dergelijk voorschrift, in een bepaald individueel geval, botst met een voorschrift van een andere lidstaat.
49. In de tweede plaats behoeft voor de beantwoording van de vraag van de nationale rechter, die weliswaar is geformuleerd in termen van verenigbaarheid van de conflictregel van § 10 EGBGB met het gemeenschapsrecht, niet de geldigheid van die bepaling als geheel te worden beoordeeld, maar enkel de geldigheid van het effect van die bepaling, in samenhang met § 1617 BGB, namelijk dat deze de inschrijving van een rechtmatig tot stand gekomen en reeds in Denemarken ingeschreven familienaam belet.
50. De bij het Hof ingediende opmerkingen van enkele lidstaten, die met een zeker vuur hebben gepleit voor nationaliteit boven gewone verblijfplaats als verbindende factor in aangelegenheden betreffende de persoon (als stabieler en duidelijker te verifiëren criterium), zijn bijgevolg naar mijn mening niet direct relevant, daargelaten of zij al dan niet steekhoudend zijn. Het Hof behoeft niet en behoort ook niet als scheidsrechter op te treden tussen deze twee criteria – zoals het ook in de zaak García Avello niet de knoop doorhakte ten gunste van Belgisch of Spaans recht voor de vaststelling van de familienaam van een kind.(29) De specifieke rol van het Hof in dit geval is, de niet-erkenning van een naam te toetsen aan de maatstaven van het gemeenschapsrecht.
51. Ten slotte lijkt mij van belang dat het hoofdgeding een situatie betreft waarin de familienaam bij de geboorte is vastgesteld en ingeschreven overeenkomstig de toepasselijke Deense wettelijke regeling, en kort na de geboorte gewijzigd en opnieuw ingeschreven is overeenkomstig dezelfde toepasselijke wettelijke regeling, voordat een verzoek werd gedaan om de naam bij de Duitse autoriteiten in te schrijven. Dit is dus niet een geval waarin in de lidstaat van de gewone verblijfplaats een naam wordt gewijzigd die was vastgesteld conform de wetgeving van de lidstaat van de nationaliteit. Het feit dat de oorspronkelijk ingeschreven familienaam compatibel was met de Duitse voorschriften en de herziene familienaam niet, wil niet zeggen dat de eerste was gevormd op grond van die voorschriften. Beide namen zijn gevormd op basis van de Deense voorschriften en de ouders van Leonhard Matthias hadden het recht, een van de keuzes te maken die volgens de Deense voorschriften voor hen openstonden, zolang zij hun gewone verblijfplaats hadden in Denemarken. Thans gaat het hen niet om de inschrijving van een kind waaraan nog geen familienaam is gegeven, maar om de inschrijving in de Duitse registers van een naam die al door het kind wordt gedragen in overeenstemming met de wetgeving van de plaats waar het is geboren en bestendig verblijf houdt. En terwijl overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind de naam van Leonhard Matthias onmiddellijk na zijn geboorte in Denemarken moest worden ingeschreven, was er blijkens de bewoordingen van § 1617, lid 3, BGB geen automatische verplichting om zijn naam onmiddellijk vast te leggen in een Duits registratie‑ of identiteitsdocument.
52. Ik zal de zaak dan ook op deze minder brede voet benaderen en eerst de vraag bespreken of de situatie binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt; vervolgens of er sprake is van discriminatie op grond van nationaliteit of van een belemmering van het recht om vrij te reizen en te verblijven; en in de derde plaats of, zo een dergelijke discriminatie of belemmering zich voordoet, deze gerechtvaardigd kan zijn.
Toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht
53. In zijn conclusie in de zaak Standesamt Stadt Niebüll(30) wees advocaat-generaal Jacobs op de vaststelling van het Hof in het arrest García Avello(31) dat er een verband met het gemeenschapsrecht bestond ten aanzien van de betrokken kinderen, „onderdanen van een lidstaat die legaal op het grondgebied van een andere lidstaat verblijven”, en was hij van mening dat in het geval van Leonhard Matthias hetzelfde gold.
54. Hij verwees voorts naar de vaststelling in het arrest Zhu en Chen(32) dat de situatie van een persoon met de nationaliteit van een lidstaat die in een andere lidstaat is geboren maar nog geen gebruik heeft gemaakt van het recht van vrij verkeer, niet kan worden gelijkgesteld met een zuiver interne situatie, waardoor hij geen beroep zou kunnen doen op de gemeenschapsrechtelijke bepalingen inzake de vrijheid om te reizen en te verblijven. Het Hof verklaarde in die zaak verder(33) dat een kind krachtens die bepalingen rechten kan hebben voordat het de leeftijd bereikt waarop het juridisch bekwaam is om deze rechten zelf uit te oefenen.
55. De situatie in het hoofdgeding lijkt mij binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht te vallen op vergelijkbare, zij het nog sterkere gronden.
56. Om te beginnen is Leonhard Matthias geboren in de ene lidstaat, en heeft hij aldaar zijn gewone verblijfplaats, terwijl hij (uitsluitend) de nationaliteit van een andere lidstaat bezit.
57. Ten tweede heeft Leonhard Matthias als burger van de Unie op grond van het gemeenschapsrecht het recht om vrij te reizen en te verblijven. Bovendien heeft hij, anders dan de kinderen in de zaken García Avello of Zhu en Chen, van dat recht gebruik gemaakt en doet hij dat nog steeds, door nu eens in de ene dan weer in de andere lidstaat te verblijven en herhaaldelijk heen en weer te reizen – daartoe genoodzaakt door een gezinssituatie waarover hij geen zeggenschap heeft.
58. Ten derde is hij daarbij geconfronteerd met een conflict tussen een regel die hem wordt gesteld door de wetgeving van de ene lidstaat en een keuzemogelijkheid die zijn ouders ter beschikking stond en waarvan zij namens hem een rechtmatig gebruik hebben gemaakt op grond van de wetgeving van de andere lidstaat.
59. Het is duidelijk dat een dergelijke situatie – zowel ratione personae als ratione materiae – valt binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht, in de vorm van de bepalingen betreffende de uitoefening van het recht van de burger om vrij te reizen en zijn recht om gevrijwaard te blijven van discriminatie.
Doet zich discriminatie voor?
60. In zijn conclusie in de zaak Standesamt Stadt Niebüll(34) wees advocaat-generaal Jacobs erop dat ingevolge de omstreden regeling alle personen die enkel de Duitse nationaliteit bezitten gelijk worden behandeld en alle personen die meer dan één nationaliteit hebben (of waarvan de ouders meer dan één nationaliteit hebben) verschillend worden behandeld, zonder dat evenwel sprake is van enige vorm van discriminatie op grond van nationaliteit.
61. Geen van de partijen die in de onderhavige zaak opmerkingen hebben ingediend, is het met deze zienswijze oneens, en ik ook niet.
62. Wel maakt de regel in § 10 EGBGB verschil tussen personen naargelang van hun nationaliteit, maar zulke verschillen zijn onvermijdelijk wanneer nationaliteit fungeert als connectie met een bepaald rechtsstelsel. De regel discrimineert echter niet op grond van nationaliteit. Het doel van het verbod van een dergelijke discriminatie is niet, de verschillen te elimineren die noodzakelijkerwijs het gevolg zijn van het bezit van de nationaliteit van de ene lidstaat en niet van een andere (welke verschillen door artikel 17, lid 1, tweede zin, EG duidelijk gehandhaafd worden), maar verdere verschillen in behandeling uit te sluiten die gebaseerd zijn op nationaliteit en die ten nadele werken van een burger van de Unie.
63. Volgens de Duitse wettelijke regeling wordt elke burger van de Unie die slechts één nationaliteit bezit, behandeld overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waarvan hij of zij de nationaliteit bezit, terwijl allen die meer dan één nationaliteit hebben, (in overeenstemming met het arrest García Avello(35)) anders worden behandeld maar wel overeenkomstig de wetgeving van de lidstaten waarvan zij de nationaliteit bezitten. Bovendien kan het Duitse materiële recht worden toegepast op iedereen, ongeacht nationaliteit, die zijn gewone verblijfplaats heeft in Duitsland en die dit wenst, zodat aan personen die hun gewone verblijfplaats in Duitsland hebben en de nationaliteit bezitten van andere lidstaten, geen enkel aan personen met de Duitse nationaliteit toekomend voordeel wordt onthouden.
64. Het discriminatieverbod – het beginsel van gelijke behandeling – in het gemeenschapsrecht is echter niet beperkt tot nationaliteitskwesties. Het wordt gewoonlijk verwoord als een algemeen vereiste dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij die behandeling objectief gerechtvaardigd is.(36)
65. Hoewel het in geding zijnde voorschrift alle situaties waarin de factor die een persoon verbindt met een rechtsstelsel, duidelijk op dezelfde manier behandelt, strekt het die gelijke behandeling niet uit tot situaties waarin de gewone verblijfplaats de verbindende factor is. Rechtsstelsels binnen de Gemeenschap hanteren nu eens het ene dan weer het andere criterium.(37) Men kan zich dan ook afvragen of het beginsel van gelijke behandeling niet eist dat aan het in het Deense recht toegepaste criterium van de gewone verblijfplaats evenveel gewicht wordt gehecht als aan het in het Duitse recht toegepaste criterium van de nationaliteit.
66. Volgens mij wel. Elk ander antwoord zou neerkomen op een positiebepaling met betrekking tot de vraag welk criterium „beter” is en zwaarder moet wegen. Zo dit al moet worden bepaald, is dat de taak van de gemeenschapswetgever en niet die van het Hof. Totdat er een uniforme regel is, is het aan de lidstaten om te beslissen welke verbindingsfactor zij willen hanteren bij het bepalen welk recht van toepassing is op iemands naam, mits zij bij de uitoefening van die bevoegdheid het gemeenschapsrecht in acht nemen.
67. Terwijl het enkele feit dat nationaliteit en niet gewone verblijfplaats (of andersom) wordt gekozen als verbindende factor, niet in strijd is met het vereiste van gelijke behandeling in het gemeenschapsrecht, lijkt de weigering om de effecten te erkennen van maatregelen die geldig zijn in een ander rechtsstelsel, dat uitgaat van een andere verbindingsfactor, daarmee wel in strijd.
68. Als voorbeeld daarvan zou kunnen dienen dat Leonhard Matthias, als hij niet in Denemarken was geboren maar in een lidstaat met (een sterke vorm van) het jus soli(38), de nationaliteit van die lidstaat had kunnen verkrijgen en dat het Duitse recht dan een naam zou hebben erkend die overeenkomstig de wetgeving van die staat was vastgesteld. Aldus worden Duitse burgers die in een andere lidstaat zijn geboren en zijn ingeschreven onder een naam die is gevormd overeenkomstig de wetgeving van die staat, als de staat waar zij hun gewone verblijfplaats hebben, verschillend behandeld naargelang die staat hun al dan niet tevens zijn nationaliteit verleent, iets wat niet noodzakelijkerwijs is gekoppeld aan het criterium dat door deze staat wordt gehanteerd bij de vaststelling, welke wetgeving ter zake van naamgeving toepasselijk is.
69. Indien derhalve een conflictregel van een lidstaat systematisch leidt tot de weigering om een familienaam te erkennen die aan iemand met de nationaliteit van die lidstaat is gegeven overeenkomstig de wetgeving van zijn lidstaat van geboorte en gewone verblijfplaats, welke wetgeving toepasselijk is op grond van de eigen conflictregels van eerstgenoemde staat, dan is die weigering geen discriminatie op grond van nationaliteit die verboden is bij artikel 12 EG. Wel is die regel naar mijn mening in strijd met het algemene beginsel van gelijke behandeling. Dit beginsel eist dat, wanneer een situatie geen zuiver interne situatie van een lidstaat is maar de uitoefening van een door het EG-Verdrag gegarandeerd recht meebrengt, een connectie met de wetgeving van een andere lidstaat niet verschillend mag worden behandeld naargelang deze connectie (volgens de wetgeving van die andere lidstaat) is gebaseerd op nationaliteit of op gewone verblijfplaats.
70. Een andere inbreuk op het algemene beginsel kan wellicht worden gezien in het feit dat de Duitse regel de verschillende situaties van enerzijds personen met de Duitse nationaliteit wier naam niet eerder is ingeschreven in een andere lidstaat, en anderzijds diegenen wier naam daar wel eerder is ingeschreven, op gelijke wijze behandelt.
71. Evenals echter het geval is bij het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, staat het beginsel van gelijke behandeling niet zonder meer in de weg aan alle verschillen, ongeacht de omstandigheden. Bezien zal moeten worden of inbreuk wordt gemaakt op het recht van Leonhard Matthias om vrij te reizen of te verblijven.
Is er inbreuk gemaakt op de vrijheid om te reizen of te verblijven?
72. In het arrest García Avello merkte het Hof op dat „een [...] verscheidenheid van namen voor de betrokkenen ernstige ongemakken in hun beroeps- en privé-leven kan veroorzaken, met name doordat zij zich in een lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, moeilijk zullen kunnen beroepen op akten of documenten die zijn opgesteld onder de naam die wordt erkend in een andere lidstaat, waarvan zij eveneens de nationaliteit bezitten”.(39)
73. Dergelijk ongemak wordt zeker niet minder doordat iemand de nationaliteit van slechts één van de betrokken lidstaten heeft. Het komt in de praktijk niet voort uit het bezit van meer dan één nationaliteit maar uit het feit dat iemand als burger van de Unie van de ene lidstaat naar een andere reist en achtereenvolgens in die lidstaten woont, studeert, werkt, een uitkering aanvraagt, administratieve formaliteiten vervult, bankrekeningen opent en de vele andere transacties verricht die zich in het dagelijks leven voordoen.
74. Door die praktische moeilijkheden wordt volgens advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaak Standesamt Stadt Niebüll het „recht [van Leonhard Matthias] als burger om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven [...] ingeperkt”.(40) Ik denk daar net zo over.
75. Verscheidene lidstaten hebben echter betoogd dat er in de in geding zijnde conflictregel of de toepassing daarvan in het onderhavige geval niets is dat als zodanig de uitoefening van het recht om vrij te reizen en te verblijven kan belemmeren of minder aantrekkelijk maken.(41) Het stond de ouders van Leonhard Matthias vrij, in Denemarken een familienaam te kiezen die volledig compatibel was met de Duitse wetgeving, en het kind zou een dergelijke familienaam inderdaad hebben gekregen als zij niet willens en wetens een andere keuze hadden gemaakt. Het is onmogelijk dat ouders van een verhuizing naar een andere lidstaat worden weerhouden door de wetenschap dat zij op gelijke wijze zullen worden behandeld als wanneer zij van dat recht geen gebruik hadden gemaakt.
76. Op deze argumentatie is op zich niets aan te merken – en het is waarschijnlijk waar dat er geen enkele lidstaat is waar de familienaam van Leonhard Matthias, zo hij daar geboren zou zijn, had moeten worden ingeschreven in een vorm die niet compatibel was met het Duitse materiële recht.
77. Ik meen echter dat dit argument niet to the point is. De vraag is niet of ouders wellicht worden weerhouden van de uitoefening van hun recht om te reizen en te verblijven, dan wel in de uitoefening van die rechten worden gehinderd, door regels voor de vaststelling van de familienaam van hun (al dan niet reeds geboren) kinderen. Het gaat erom of een kind dat bij de geboorte rechtmatig is ingeschreven onder een bepaalde naam overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van zijn geboorteplaats – en dat zelf ten aanzien van die inschrijving geen keuze heeft gehad – ongemak of moeilijkheden ondervindt bij de uitoefening van zijn eigen rechten als burger van de Unie(42), indien de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, weigert de aldus ingeschreven naam te erkennen.
78. Het antwoord moet bevestigend luiden. Op zijn minst zal er verschil zijn tussen zijn geboortebewijs en zijn reisdocumenten. Voor iemand die zoals Leonhard Matthias voornamelijk blijft wonen in de lidstaat waar hij geboren is en die tegelijkertijd een sterke band behoudt met de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, worden de problemen vanzelf steeds groter. Gaandeweg zal hij diverse documenten verkrijgen op de in zijn geboortebewijs vermelde naam, maar hij zal ook andere documenten krijgen op de naam die wordt erkend door de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit. Hij zal wellicht gaan studeren en kwalificaties verwerven in beide lidstaten. Hij kan een socialezekerheidsregistratie verkrijgen in beide lidstaten. Het is heel goed mogelijk dat hij naar een derde lidstaat verhuist en administratieve problemen ondervindt omdat hij in diverse documenten uiteenlopende namen draagt. Ook mag er niet aan worden voorbijgegaan dat zowel de overheid als particuliere organisaties de laatste jaren steeds wantrouwender zijn geworden in ongewoon lijkende situaties, vaak met buitengewoon onaangename gevolgen voor degenen die hun achterdocht hebben gewekt.
79. Het lijkt mij daarom duidelijk dat de weigering van de lidstaat waarvan iemand de nationaliteit bezit, een hem rechtmatig gegeven naam te erkennen, het voor de betrokkene aanmerkelijk moeilijker maakt om gebruik te maken van zijn rechten als burger van de Unie om op het gehele grondgebied van de lidstaten vrij te reizen en te verblijven. Het feit dat, zoals de Franse regering in de onderhavige zaak opmerkt, het Leonhard Matthias feitelijk tot op heden niet is belet of bemoeilijkt om tussen Denemarken en Duitsland te reizen, wil niet zeggen dat zijn recht daartoe niet is beperkt.
Kan er een rechtvaardiging zijn?
80. Zo de wijze waarop de Duitse wetgeving wordt toegepast op een geval als dat van Leonhard Matthias – en ik benadruk nogmaals dat het in casu gaat om de weigering, de hem in Denemarken rechtmatig gegeven familienaam in te schrijven – in beginsel zowel onverenigbaar is met het beginsel van gelijke behandeling als van dien aard dat het op zijn verdragsrechten als burger van de Unie inbreuk maakt, kan er dan een rechtvaardiging voor die weigering zijn?
81. Mogelijke rechtvaardigingsgronden kunnen worden onderverdeeld in gronden met een systematisch karakter, die een automatische weigering van erkenning of inschrijving kunnen rechtvaardigen zodra aan bepaalde criteria is voldaan, en gronden die nauwer verband houden met de individuele situatie, die een weigering zouden kunnen rechtvaardigen op basis van het concrete geval.
82. In de eerste categorie heeft Duitsland gewezen op de voordelen van het niet toestaan van samengestelde familienamen die een combinatie zijn van de namen van beide ouders (anders zouden toekomstige generaties worden opgezadeld met ellenlange familienamen(43), samengesteld uit namen die zelf ook weer samengesteld waren) en van het hanteren van de nationaliteit als enige verbindende factor bij het bepalen van de op de naam van een persoon toepasselijke wetgeving (een stabieler en gemakkelijker te verifiëren criterium dan de gewone verblijfplaats).
83. Zoals reeds gezegd, acht ik het niet noodzakelijk of passend om een standpunt in te nemen over de voors en tegens van de diverse materieelrechtelijke of conflictregels op dit gebied. Het komt mij echter voor dat Duitsland zich hoe dan ook niet op dit soort argumenten kan beroepen, daar de Duitse wetgeving samengestelde familienamen voor de eigen burgers niet volstrekt uitsluit (waar bijvoorbeeld ingevolge § 10, lid 3, EGBGB de naam wordt vastgesteld overeenkomstig het nationale recht van een ouder die een andere nationaliteit heeft), evenmin als het gebruik van de gewone verblijfplaats als verbindende factor (eveneens ingevolge § 10, lid 3, EGBGB kan zelfs indien geen van beide ouders de Duitse nationaliteit bezit, Duits recht van toepassing zijn wanneer een van de ouders in Duitsland woont(44)). Het erkennen van de aan Leonhard Matthias in zijn lidstaat van geboorte en gewone verblijfplaats rechtmatig gegeven familienaam lijkt dan ook niet in strijd te komen met enige absolute regel van Duits recht.(45)
84. Eveneens in de categorie rechtvaardigingen met een systematisch karakter betoogt de Litouwse regering (die op andere punten van mening is dat het effect van de Duitse regels niet in strijd is met het gemeenschapsrecht) dat van geen enkele lidstaat mag worden gevergd, namen te erkennen die aan personen met zijn nationaliteit zijn gegeven overeenkomstig vreemd recht, wanneer die namen niet compatibel zijn met de structuur van de eigen taal, een wezenlijk deel van het nationale erfgoed. Litouwse familienamen hebben een verschillende vorm naargelang zij door een man of door een vrouw worden gevoerd en, in geval van een vrouw, of zij gehuwd is of niet. Die verschillen zijn eigen aan de taal en afwijkende vormen zijn uit het oogpunt van nationaal belang onaanvaardbaar.
85. Het lijkt mij niet nodig, over dit argument te beslissen in het kader van de onderhavige zaak. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat een samengestelde familienaam als „Grunkin-Paul” ingaat tegen fundamentele waarden van de Duitse taal. Ik wijs er echter op dat het Europees Hof voor de rechten van de mens het belang van het aspect van de landstaal heeft benadrukt in verband met persoonsnamen en heeft erkend dat het gerechtvaardigd kan zijn taalkundige regels te stellen.(46)
86. Met betrekking tot omstandigheden die in een specifiek geval een weigering van erkenning of inschrijving zouden kunnen rechtvaardigen, zijn er verschillende mogelijkheden. Het lijkt stellig te rechtvaardigen dat wordt geweigerd een familienaam in te schrijven die op een of andere manier belachelijk of aanstootgevend is. Zou het nationale recht volledig uitsluiten dat broers en zussen uiteenlopende familienamen dragen, dan zou wellicht te rechtvaardigen zijn dat wordt geweigerd een naam in te schrijven die tot een dergelijke situatie zou leiden. Ook zou wellicht te rechtvaardigen zijn dat wordt geweigerd een naam te erkennen die is gegeven overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat, waarmee het kind door geboorte maar niet door nationaliteit is verbonden, wanneer blijkt dat de geboorteplaats enkel is gekozen om de voorschriften van de lidstaat van de nationaliteit te omzeilen, zonder dat er verder een reële band met die plaats bestaat.(47)
87. In casu zijn er echter geen aanwijzingen dat een van deze gevallen zich voordoet. In het bijzonder is de band van Leonhard Matthias met Denemarken, waar hij het grootste deel van zijn leven heeft gewoond, waar hij naar mag worden verwacht vrienden heeft gemaakt en geworteld is, reëel en stabiel. In dit verband – evenals ten aanzien van elke weigering in vergelijkbare omstandigheden om een naam in te schrijven op basis van voor dat individuele geval specifieke factoren – herinner ik eraan dat de Duitse autoriteiten en rechterlijke instanties, evenals die van alle lidstaten, verplicht zijn om de belangen van het kind als eerste overweging te hebben.(48) Het lijkt mij zeker in het belang van Leonhard Matthias, nu zijn tiende verjaardag voor de deur staat, dat de familienaam die hij bijna heel zijn leven heeft gedragen in de lidstaat van zijn gewone en vaste verblijfplaats, door de autoriteiten van de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, wordt erkend.
Afsluitende opmerkingen
88. Zodoende ben ik tot de opvatting gekomen dat het Hof het gemeenschapsrecht, met betrekking tot het recht van de burger om in de gehele Europese Unie vrij te reizen en te verblijven en daarbij niet te worden gediscrimineerd, in die zin moet uitleggen dat in het hoofdgeding de familienaam van Leonhard Matthias, Grunkin-Paul, die meer dan negen jaar geleden rechtmatig is ingeschreven in Denemarken, moet worden ingeschreven in Duitsland.
89. Uiteraard is de rol van het Hof in een prejudiciële procedure, het gemeenschapsrecht uit te leggen en niet het gemeenschapsrecht toe te passen op de in het hoofdgeding voorliggende feitelijke situatie, en is het doel van de procedure, de eenvormige uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht in alle lidstaten te verzekeren. Met andere woorden, het Hof kan het bij de verwijzende rechter aanhangige specifieke geval niet zelf beslechten, maar zijn uitspraak zal bepalend zijn voor het resultaat van zowel dat geval als van andere procedures die wellicht bij andere nationale rechters aanhangig zullen worden gemaakt.
90. Vanwege dit laatste aspect heb ik benadrukt dat in het onderhavige geval de nodige voorzichtigheid moet worden betracht. Hoewel ik het volstrekt eens ben met advocaat-generaal Jacobs dat het „volkomen onverenigbaar [is] met de status en de rechten van een burger van de Europese Unie – die volgens het Hof ‚de primaire status van de onderdanen van de lidstaten [dient] te zijn’ – dat een persoon ertoe wordt verplicht op grond van de wettelijke bepalingen van verschillende lidstaten uiteenlopende namen te dragen”(49), erken ik ook de in brede kring geuite bezorgdheid dat het precaire bouwwerk van regels van internationaal privaatrecht op het gebied van de status van personen binnen de Europese Unie niet totaal overhoop mag worden gehaald.
91. Ik wijs er dan ook op dat mijn visie niet noodzaakt tot een ingrijpende wijziging van het Duitse materiële recht of de conflictregels van dat land op naamgevingsgebied, maar alleen vereist dat daarin meer ruimte wordt gemaakt voor de erkenning van een eerdere, overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat geldig gekozen naam. In zoverre houdt zij niet meer in dan een toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning, dat aan zo’n groot deel van het gemeenschapsrecht ten grondslag ligt, niet alleen in de economische sfeer maar ook in civiele aangelegenheden.
92. Bovendien beveel ik in de onderhavige zaak een uitspraak aan die niet alleen is toegesneden op het specifieke type situatie waarin Leonhard Matthias zich bevindt, maar ook ruimte laat voor uitzonderingen die te rechtvaardigen zijn uit overwegingen van openbaar belang (al ben ik van mening dat in de onderhavige zaak gelet op de wijze waarop de relevante Duitse regels thans worden toegepast geen geldige grond voor een uitzondering naar voren is gebracht).
93. Ten slotte wijs ik erop dat de vaststelling van iemands naam weliswaar binnen de werkingssfeer van de wetgeving inzake de status van personen valt, maar binnen dat terrein een betrekkelijk specifieke materie is. Zij heeft tevens van doen met identificatie, hetgeen iets anders is dan wettelijke status of handelingsbekwaamheid. Ik meen dan ook niet dat een uitspraak met betrekking tot naamgeving noodzakelijkerwijs dient te worden geëxtrapoleerd naar dergelijke andere materies.
Conclusie
94. Gezien al het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vraag van het Amtsgericht Flensburg als volgt te beantwoorden:
„– Een conflictregel die bepaalt dat iemands naam moet worden vastgesteld overeenkomstig de wetgeving van zijn nationaliteit, is op zichzelf niet onverenigbaar met de artikelen 12 EG, 17 EG of 18 EG;
– dergelijke regels moeten echter op zodanige wijze worden toegepast dat het recht van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten vrij te reizen en te verblijven, wordt gerespecteerd;
– dat recht wordt niet gerespecteerd indien van een burger van de Unie die overeenkomstig de wetgeving van zijn geboorteplaats onder een bepaalde naam is ingeschreven voordat het noodzakelijk is geworden om zijn naam elders in te schrijven, wordt verlangd dat hij zich vervolgens in een andere lidstaat laat inschrijven onder een andere naam;
– derhalve mogen de autoriteiten van een lidstaat, wanneer zij de naam van een burger van de Unie inschrijven, niet automatisch weigeren een naam te erkennen waaronder deze burger reeds rechtmatig is ingeschreven overeenkomstig de regels van een andere lidstaat, tenzij die erkenning in strijd zou komen met dringende redenen van openbaar belang waarop geen uitzondering kan worden toegestaan.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Momenteel moeten maatregelen ingevolge artikel 65 EG worden genomen „voor zover nodig voor de goede werking van de interne markt”. Deze beperking zal niet meer staan in artikel 81 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat artikel 65 EG moet vervangen en dat specifiek voorziet in maatregelen ter zake van familierecht met grensoverschrijdende gevolgen.
3 – C-148/02, arrest van 2 oktober 2003, Jurispr. blz. I‑11613.
4 – Van de lidstaten hanteren Denemarken, Finland en Litouwen het woonplaatscriterium (dat wil zeggen de gewone verblijfplaats, niet het begrip woonplaats zoals gehanteerd in common-law stelsels), terwijl het Griekse recht in bepaalde omstandigheden uitgaat van de wetgeving van de laatste gezamenlijke verblijfplaats van de ouders.
5 – Dit is kennelijk in de meeste andere lidstaten het geval. Ierland en het Verenigd Koninkrijk hebben echter geen specifieke conflictregel – in de praktijk is hun nationale recht flexibel genoeg om alle namen te accepteren, ongeacht volgens welk rechtsstelsel zij zijn gevormd.
6 – CIEC-overeenkomsten nr. 4 van 4 september 1958 inzake wijziging van familienamen en voornamen; nr. 19 van 5 september 1980 inzake het op familienamen en voornamen toepasselijke recht, en nr. 21 van 8 september 1982 inzake de afgifte van een certificaat van afwijkende familienamen.
7 – CIEC-overeenkomst nr. 31 van 16 september 2005 inzake de erkenning van familienamen.
8 – Verdrag van 20 november 1989, geratificeerd door alle lidstaten.
9 – PB 2000, C 364, blz. 1 (recenter in PB 2007, C 303, blz. 1).
10 – Verdrag van 16 december 1966, eveneens geratificeerd door alle lidstaten.
11 – Met ingang van 1 april 2006 vervangen door wet nr. 524 van 24 juni 2005 (Navnelov – wet inzake de naam), die een ruimere keuze laat.
12 – Krachtens § 1355 kan dit alleen de familienaam zijn die voordien door een van de echtgenoten werd gebruikt, en niet een combinatie van deze twee.
13 – De benaming van het Amtsgericht zittinghoudend als familierechter.
14 – Het Bundesverfassungsgericht (grondwettelijk hof) heeft verklaard dat § 1616 en § 1617 niet in strijd zijn met de grondwet voor zover zij beletten dat een kind een samengestelde naam draagt die de namen van beide ouders combineert (uitspraak van 30 januari 2002, 1 BvL 23/96, BVerfGE 104, blz. 373).
15 – Arrest van 30 maart 1993 (C-168/91, Jurispr. blz. I‑1191).
16 – Aangehaald in voetnoot 3.
17 – Arrest van 27 april 2006, Standesamt Stadt Niebüll (C-96/04, Jurispr. blz. I‑3561; zie hierna punten 21-29).
18 – Volgens Stefan Grunkin hadden de ouders Leonhard Matthias oorspronkelijk aangegeven onder de familienaam „Grunkin-Paul” en werd de wijziging uitgevoerd om zijn geboortebewijs in overeenstemming te brengen met die aangifte. De namen van beide ouders zouden bijgevolg deel uitmaken van de familienaam van het kind, en geen van beide zou slechts een mellemnavn zijn (zie hiervóór punt 14). Hoe het ook zij, er moet van worden uitgegaan dat „Grunkin-Paul” naar Deens recht voor de ouders een van de keuzemogelijkheden was.
19 – Punten 15 en 16.
20 – C-96/04, aangehaald in voetnoot 17.
21 – Punten 30-44.
22 – Punten 45-56.
23 – Waarvan alle lidstaten en de Gemeenschap zelf lid zijn (zie besluit 2006/719/EG van de Raad van 5 oktober 2006, PB L 297, blz. 1).
24 – Zie bijvoorbeeld de commentaren op het arrest García Avello van Mathias Audit in Recueil Dalloz 2004, blz. 1476, punt 20, en Thomas Ackermann in Common Market Law Review 2007, blz. 141, speciaal op blz. 153, en op de conclusie in de zaak Standesamt Stadt Niebüll van Dieter Henrich in Praxis des internationalen Privat- und Verfahrensrechts 2005, blz. 422.
25 – Thans in verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1).
26 – Voorstel van de Commissie COM(2006) 399 def. van 17 juli 2006 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van verordening nr. 2201/2003 wat de bevoegdheid betreft en tot invoeging van regels inzake toepasselijk recht in huwelijkszaken. De toelichting noemt de „toenemende mobiliteit van burgers binnen de Europese Unie [die leidt] tot meer internationale huwelijken waarbij de echtgenoten een verschillende nationaliteit hebben, in verschillende lidstaten verblijven of in een lidstaat verblijven waarvan ten minste een van hen geen onderdaan is” – precies de context waarin het onderhavige geschil is gerezen.
27 – Punt 25.
28 – Arrest van 20 september 2001, Grzelczyk (C-184/99, Jurispr. blz. I-6193, punt 31). Deze formulering is sindsdien herhaaldelijk gebruikt, laatstelijk in het arrest van 11 december 2007, Eind (C-291/05, Jurispr. blz. I‑0000, punt 32).
29 – Wel heeft het in punt 42 van het arrest commentaar gegeven op de raison d’être van beide systemen en de wijze waarop deze voor die raison d’être geschikt leken te zijn, maar het trok geen conclusie ten aanzien van de verdiensten van het ene systeem ten opzichte van het andere.
30 – Punten 48 en 49.
31 – Punt 27 van dat arrest.
32 – Arrest van 19 oktober 2004 (C-200/02, Jurispr. blz. I-9925, punt 19).
33 – Punt 20.
34 – Punt 53.
35 – Punten 32-35.
36 – Zie het arrest García Avello, punt 31, en de aldaar aangehaalde rechtspraak. Het Hof is verweten (zie Ackermann, aangehaald in voetnoot 24, op blz. 149) dat het in het arrest García Avello het algemene „Aristotelische” begrip gelijke behandeling heeft laten versmelten met het specifieke verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in artikel 12 EG. Of die kritiek terecht is of niet, ik refereer hier aan het algemene beginsel als een afzonderlijke materie.
37 – Verordening nr. 2201/2003 (aangehaald in voetnoot 25, artikel 3) staat zelfs toe, tussen deze twee criteria te kiezen bij de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van huwelijksbeëindiging, en het voorstel van de Commissie tot wijziging daarvan (aangehaald in voetnoot 26, voorgesteld nieuw artikel 20 bis) wil een keuze toestaan bij de aanwijzing van het toepasselijke recht.
38 – Bijvoorbeeld Ierland – zie het arrest Zhu en Chen, punt 9.
39 – Punt 36.
40 – Punt 54.
41 – Zie mutatis mutandis bijvoorbeeld arrest van 31 maart 1993, Kraus (C‑19/92, Jurispr. blz. I‑1663, punt 32), of arrest van 9 september 2003, Burbaud (C-285/01, Jurispr. blz. I-8219, punt 95).
42 – Vergelijk de arresten García Avello en Zhu en Chen, waarin het Hof in beide gevallen de rechten van de kinderen benadrukte.
43 – De langste in het Verenigd Koninkrijk geboekstaafde samengestelde familienaam is naar het schijnt Temple-Nugent-Brydges-Chandos-Grenville, de naam die werd gedragen door de hertogen van Buckingham en Chandos van 1822 tot 1889, toen de titel uitstierf – wellicht als gevolg van een overdosis familienamen. De meeste families weten dergelijke uitwassen echter te vermijden.
44 – Interessant is een geval dat werd genoemd door de secretaris-generaal van de CIEC tijdens de algemene vergadering van de CIEC te Edinburgh op 15 september 2004. Op 16 februari 2004 vernietigde het Tribunal Administratif (bestuursrechter) te Luxemburg een beslissing van de Luxemburgse autoriteiten waarbij was geweigerd het kind van een in Duitsland wonend Luxemburgs echtpaar in te schrijven in Luxemburg onder de familienaam van de moeder. Het echtpaar had die naam gekozen als enige familienaam (zie hiervóór, punt 16 en voetnoot 12) en het kind, geboren in Duitsland, was aldaar onder die naam ingeschreven, geheel in overeenstemming met Duits recht, dat overeenkomstig zijn eigen conflictregels kon worden toegepast als het recht van de woonplaats. De Luxemburgse rechter oordeelde dat een dergelijke situatie niet kon worden beschouwd als strijdig met het Luxemburgse openbaar belang.
45 – Vergelijk punt 44 van het arrest García Avello, waar het Hof benadrukte dat de stelselmatige weigering van de Belgische autoriteiten om de wijziging van een familienaam toe te staan, duidelijk onevenredig was, daar in andere, vergelijkbare situaties uitzonderingen mogelijk waren.
46 – Zie de zaak Bulgakov tegen Oekraïne (nr. 59894/00, 11 september 2007), punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
47 – Wel zou een dergelijke rechtvaardigingsgrond enigzins op gespannen voet staan met het arrest Zhu en Chen, aangehaald in voetnoot 32, waarin het Hof in de punten 34 e.v. een argument verwierp volgens hetwelk geen beroep kon worden gedaan op de nationaliteit van een lidstaat die was verkregen op grond van de alleen voor dat doel gekozen geboorteplaats. De redenering van het Hof was echter gebaseerd op het recht van elke lidstaat om de voorwaarden voor de verkrijging van de nationaliteit te stellen en betrof niet het gebruik van de nationaliteit of een ander criterium als verbindingsfactor in de zin van het internationaal privaatrecht. Zie ook arrest van 7 juli 1992, Singh (C-370/90, I-4265, punt 24, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 – Zie hiervóór, punt 9.
49 – Conclusie in de zaak Standesamt Stadt Niebüll, punt 56, waar hij het arrest Bidar aanhaalt (arrest van 15 maart 2005, C-209/03, Jurispr. blz. I-2119, punt 31).
Full & Egal Universal Law Academy