CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 23 oktober 2008 (1)
Zaak C‑362/06 P
Markku Sahlstedt,
Juha Kankkunen,
Mikko Tanner,
Toini Tanner,
Liisa Tanner,
Eeva Jokinen,
Aili Oksanen,
Olli Tanner,
Leena Tanner,
Aila Puttonen,
Risto Tanner,
Tom Järvinen,
Runo K. Kurko,
Maa- ja metsätaloustuottajain keskusliitto MTK ry,
MTK:n säätiö
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Richtlijn 92/43/EEG – Instandhouding van natuurlijke habitats – Beschikking 2005/101/EG van de Commissie – Lijst van gebieden van communautair belang – Beroep tot nietigverklaring – Artikel 230, vierde alinea, EG – Begrip beschikking die natuurlijke of rechtspersoon ‚rechtstreeks en individueel’ raakt”
1. De onderhavige zaak betreft de hogere voorziening die door meerdere grondeigenaren(2) en een vereniging van landbouwers en bosbouwers(3) (hierna samen: „rekwiranten”) is ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 2006, Sahlstedt e.a./ Commissie.(4)
2. Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht verworpen, het door rekwiranten ingestelde beroep tot nietigverklaring van beschikking 2005/101/EG van de Commissie van 13 januari 2005 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad(5), van de lijst van gebieden van communautair belang voor de boreale biogeografische regio.(6) Het Gerecht heeft immers tot besluit van zijn onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep geoordeeld dat rekwiranten niet in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG rechtstreeks door de litigieuze beschikking worden geraakt en heeft hun beroep dus verworpen.
3. De voorwaarde dat een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks door een gemeenschapshandeling moet worden geraakt om in een beroep tot nietigverklaring ontvankelijk te zijn, vereist twee elementen. In de eerste plaats moet de bestreden handeling rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van de rekwirant. In de tweede plaats mag deze handeling de nationale autoriteiten die met de tenuitvoerlegging ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laten.(7) Het Gerecht heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat aan geen van beide voorwaarden was voldaan.
4. In het kader van de onderhavige hogere voorziening moet het Hof dus de gevolgen voor de rechtspositie van rekwiranten onderzoeken van een beschikking die bepaalde gebieden heeft aangewezen als van communautair belang. Het zal ook moeten beoordelen hoe ver de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van een dergelijke beschikking strekt.
5. In de onderhavige conclusie zal ik het Hof in overweging geven de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen en zelf uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het in eerste aanleg ingestelde beroep.
6. Ik zal namelijk betogen dat het Gerecht bij zijn onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep ten aanzien van het recht heeft gedwaald doordat het heeft geoordeeld dat rekwiranten door de litigieuze beschikking niet rechtstreeks worden geraakt.
7. Ik zal uiteenzetten waarom ik daarentegen meen dat een dergelijke beschikking, die gebieden waarop de grondeigenaren rechten hebben, als gebieden van communautair belang aanwijst, hun rechtspositie aantast en de lidstaten die met de tenuitvoerlegging ervan zijn belast slechts een zeer beperkte beoordelingsmarge laat. Ik zal daarna aangeven waarom de grondeigenaren mijns inziens door de litigieuze beschikking ook individueel worden geraakt en waarom MTK ook in haar beroep ontvankelijk moet worden verklaard.
I – Toepasselijke bepalingen en feiten
8. De richtlijn beoogt de vorming van een coherent Europees ecologisch netwerk, „Natura 2000” genaamd. Dit netwerk moet het behoud en het herstel van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Gemeenschap bevorderen.(8)
9. Bedoeld netwerk bestaat uit „specialebeschermingszones”. Volgens artikel 1, sub l, van de richtlijn is een specialebeschermingszone „een door de lidstaten bij een wettelijk, bestuursrechtelijk en/of op een overeenkomst berustend besluit aangewezen gebied van communautair belang waarin de instandhoudingsmaatregelen worden toegepast die nodig zijn om de natuurlijke habitats en/of de populaties van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen”.
10. Die zones worden aangewezen na afloop van een in drie fasen verlopende procedure, bedoeld in artikel 4 van de richtlijn.
11. In de eerste fase stellen de lidstaten de Commissie van de Europese Gemeenschappen met het oog op de bescherming van de typen natuurlijke habitats en soorten fauna en flora waarop de richtlijn doelt, een lijst van gebieden van communautair belang voor die zich op hun grondgebied bevinden. Deze lijst gaat vergezeld van alle nuttige informatie, niet alleen wetenschappelijke en ecologische(9) en geografische(10) gegevens, maar ook economische en sociale(11) gegevens, en moet binnen drie jaar na de kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie worden toegezonden.
12. Vervolgens stelt de Commissie, handelend in het kader van een procedure waarbij een ad‑hoccomité wordt betrokken(12), in een tweede fase de lijst van de gebieden van communautair belang vast. Deze lijst wordt binnen zes jaar na de kennisgeving van de richtlijn vastgesteld.
13. De derde fase, ten slotte, is omschreven in artikel 4, lid 4, van de richtlijn. Zij vormt het sluitstuk van de procedure voor de aanwijzing van specialebeschermingszones.
14. Bedoeld artikel bepaalt dat zodra een gebied van communautair belang door de Commissie is gekozen, „de betrokken lidstaat dat gebied [...] aan[wijst] als specialebeschermingszone”.
15. Zodra een gebied op de lijst van gebieden van communautair belang is geplaatst, gelden voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2 tot en met 4, aldus bovendien artikel 4, lid 5, van de richtlijn.
16. Artikel 6 van de richtlijn bevat de regeling die de lidstaten zullen moeten vaststellen ter verzekering van de instandhouding en het beheer van de Natura 2000-gebieden.
17. Artikel 6, lid 1, van de richtlijn voorziet in een algemene beschermingsregeling die de lidstaten voor de specialebeschermingszones moeten invoeren. Die regeling kan de vorm aannemen van wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen en in voorkomend geval beheersplannen.
18. Anders dan voormelde bepaling, is artikel 6, leden 2 tot en met 4, van de richtlijn van toepassing zodra een gebied op de lijst van gebieden van communautair belang is ingeschreven.
19. Ingevolge artikel 6, lid 2, van de richtlijn treffen de lidstaten passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de habitats niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de beschermde soorten. Deze bepaling is dus hoofdzakelijk preventief van aard.
20. Artikel 6, leden 3 en 4, van de richtlijn legt de voorwaarden vast waaronder plannen of projecten die de natuurlijke kenmerken van een gebied kunnen aantasten, kunnen worden toegestaan.
A – Litigieuze beschikking
21. De litigieuze beschikking stelt op basis van de richtlijn de lijst van gebieden van communautair belang voor de boreale biogeografische regio vast. Deze lijst is uit hoofde van artikel 4, lid 2, derde alinea, van de richtlijn vastgesteld.
22. Onder de gebieden van communautair belang die in de lijst in bijlage I bij de litigieuze beschikking zijn opgenomen, bevinden zich de volgende:
A
B
C
D
E
Code van het [GCB(13)]
Naam van het [GCB]
Oppervlakte van het [GCB] (in hectare)
Lengte van het [GCB] (in km)
Geografische coördinaten van het [GCB]
Lengtegraad
Breedtegraad
[...]
FI0100040
Nuuksio
5 643
E 24 29
N 60 19
[...]
FI0100050
Haaviston alueet
59
E 24 24
N 60 32
[...]
FI0200011
Varesharju
271
E 23 42
N 60 26
[...]
FI0900013
Hietasyrjänkangas-Sirkkaharju
378
E 25 59
N 62 29
23. De gebieden waarop de litigieuze beschikking betrekking heeft, omvatten ook de terreinen van de grondeigenaren.(14)
II – Procesverloop voor het Gerecht
24. Op 18 april 2005 hebben rekwiranten bij het Gerecht beroep ingesteld tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de litigieuze beschikking.
25. Bij akte neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 juli 2005, heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
26. Bij beschikking van de president van de Eerste kamer van het Gerecht van 27 september 2005 is de Republiek Finland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
III – Bestreden beschikking
27. Het Gerecht heeft tot besluit van zijn onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep geoordeeld dat rekwiranten niet in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG rechtstreeks door de litigieuze beschikking werden geraakt en heeft hun beroep dus verworpen.
28. Het Gerecht heeft er eerst aan herinnerd dat volgens artikel 230, vierde alinea, EG „iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep [kan] instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken”.
29. Na te hebben vastgesteld dat de litigieuze beschikking niet tot rekwiranten was gericht, heeft het Gerecht dan ook onderzocht of deze rechtstreeks en individueel door die beschikking worden geraakt.
A – Vraag of de grondeigenaren rechtstreeks worden geraakt
30. Na in de punten 52 en 53 van de bestreden beschikking de rechtspraak van het Hof ter zake in herinnering te hebben gebracht, heeft het Gerecht de gevolgen van de litigieuze beschikking voor de rechtspositie van de grondeigenaren, die natuurlijke personen zijn(15), onderzocht. Het heeft het volgende verklaard:
„54 Het Gerecht is van oordeel dat de [litigieuze] beschikking, die als gebieden van communautair belang zones van het Finse grondgebied aanwijst waarin verzoekers [de grondeigenaren, natuurlijke personen] gronden bezitten, op zich geen gevolgen voor verzoekers’ [de grondeigenaren, natuurlijke rechtspersonen] rechtspositie heeft. De [litigieuze] beschikking bevat geen enkele bepaling over de regeling van bescherming van de gebieden van communautair belang zoals instandhoudingsmaatregelen of goedkeuringsprocedures. Zij raakt dus niet de rechten en plichten van de grondeigenaren of de uitoefening van deze rechten. Anders dan verzoekers [de grondeigenaren, natuurlijke personen] stellen, houdt de opneming van deze gebieden in de lijst van de gebieden van communautair belang voor de marktdeelnemers of particulieren geen enkele verplichting in.”
31. Het Gerecht heeft vervolgens de tweede in de rechtspraak gestelde voorwaarde onderzocht, volgens welke de uitvoering van de bestreden handeling zuiver automatisch en alleen op grond van de communautaire regeling moet gebeuren. Zo heeft het in de punten 55 tot en met 58 van de bestreden beschikking de inhoud van de krachtens de artikelen 4, leden 4 en 5, en 6 van de richtlijn op de lidstaten rustende verplichtingen onderzocht. Het Gerecht heeft daaruit het volgende afgeleid:
„59 Onderzoek van voormelde verplichtingen die op de lidstaten rusten zodra de [litigieuze] beschikking de gebieden van communautair belang heeft aangewezen, leert dat geen van deze verplichtingen rechtstreeks op verzoekers [de grondeigenaren, natuurlijke personen] van toepassing is. Deze verplichtingen vereisen namelijk een maatregel van de betrokken lidstaat om aan te geven hoe hij de betrokken verplichting wil nakomen, ongeacht of het gaat om de nodige instandhoudingsmaatregelen (artikel 6, lid 1, van de [...]richtlijn), passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het gebied niet verslechtert (artikel 6, lid 2, van de [...]richtlijn) of de door de bevoegde nationale autoriteiten te geven toestemming voor een project dat significante gevolgen voor het gebied kan hebben (artikel 6, leden 3 en 4, van de [...]richtlijn).
60 Uit de [...]richtlijn, op basis waarvan de [litigieuze] beschikking is vastgesteld, volgt dus dat zij voor de lidstaat verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar aan de nationale instanties de bevoegdheid laat de te nemen instandhoudingsmaatregelen en de te volgen goedkeuringsprocedures te kiezen. Dat de lidstaten de toegekende beoordelingmarge overeenkomstig de doelstellingen van de [...]richtlijn moeten uitoefenen, verandert daar niets aan.”
32. Het Gerecht heeft dus geconcludeerd dat de grondeigenaren, die natuurlijke personen zijn, niet in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG door de litigieuze beschikking rechtstreeks worden geraakt en geoordeeld dat dus niet hoefde te worden nagegaan of zij door die gemeenschapshandeling individueel worden geraakt.
B – Vraag of MTK rechtstreeks wordt geraakt
33. In punt 61 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht tegen de achtergrond van zijn conclusies inzake het rechtstreekse belang van de grondeigenaren, die natuurlijke personen zijn, geoordeeld dat de leden van MTK niet konden worden geacht door de litigieuze beschikking rechtstreeks te worden geraakt. Het Gerecht heeft er ook op gewezen dat die vereniging niet had aangetoond dat zij een eigen belang had bij de vordering.
34. Het Gerecht heeft het door rekwiranten ingestelde beroep derhalve niet-ontvankelijk verklaard.
IV – Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
35. Rekwiranten hebben bij op 4 september 2006 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift de onderhavige hogere voorziening ingesteld.
36. Bij beschikking van de president van het Hof van 16 januari 2007 is het Koninkrijk Spanje toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
37. Met hun hogere voorziening verzoeken rekwiranten het Hof de bestreden beschikking te vernietigen en de litigieuze beschikking nietig te verklaren. Zij verzoeken het Hof ook de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
38. De Commissie, in die zin ondersteund door het Koninkrijk Spanje, concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en vordert verwijzing van rekwiranten in de kosten.
V – Hogere voorziening
39. Rekwiranten voeren drie middelen aan ter onderbouwing van hun hogere voorziening. Zij stellen namelijk in de eerste plaats dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd, in de tweede plaats dat het oordeel van het Gerecht dat zij niet in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG rechtstreeks door de litigieuze beschikking worden geraakt, onjuist is, en in de derde plaats dat er geen effectieve rechterlijke bescherming is.
A – Eerste middel: ontoereikende motivering van de bestreden beschikking
1. Argumenten van partijen
40. Rekwiranten betogen in de punten 57 tot en met 60 van de hogere voorziening dat het Gerecht geen antwoord heeft gegeven op het argument inzake de rechtsgevolgen van de in artikel 6, lid 3, van de richtlijn bedoelde verplichting tot beoordeling van de plannen. Volgens hen was dit argument nochtans duidelijk aangevoerd in de punten 21 tot en met 29 van de schriftelijke opmerkingen die zij naar aanleiding van de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid hebben ingediend.
2. Beoordeling
41. Dit middel heeft betrekking op het formele motiveringsvereiste. Het beoogt een sanctie te verbinden aan een gebrek aan motivering van de bestreden beschikking.
42. Met betrekking tot de tegen de arresten van het Gerecht ingestelde hogere voorzieningen is het vaste rechtspraak van het Hof dat de vraag of het Gerecht heeft geantwoord op de middelen van de partijen en zijn arrest regelmatig heeft gemotiveerd, een rechtsvraag is die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden aangevoerd.(16)
43. Volgens vaste rechtspraak verplicht het Hof het Gerecht niet om een uiteenzetting te geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen volgt. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom de betrokken maatregelen zijn getroffen en de bevoegde rechter over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen.(17) Wanneer het een beroep gebaseerd op artikel 230 EG betreft, impliceert het motiveringsvereiste dat het Gerecht de door de verzoeker aangevoerde middelen tot nietigverklaring onderzoekt en de redenen uiteenzet die leiden tot afwijzing van het middel of tot nietigverklaring van de bestreden handeling.
44. Hoewel het Gerecht niet op elk argument van de rekwirant in detail hoeft te antwoorden, met name niet wanneer het argument niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is en niet wordt onderbouwd door omstandig bewijs, is het Hof echter van oordeel dat het Gerecht ten minste alle aangevoerde schendingen van rechten moet onderzoeken.(18)
45. Na op deze punten te hebben gewezen, moet worden beoordeeld of het Gerecht heeft nagelaten het door rekwiranten aangevoerde aan de orde zijnde argument te beantwoorden en, in voorkomend geval, of het verplicht was dit argument te beantwoorden.
46. In casu hebben rekwiranten duidelijk aangegeven waarom zij zich door de litigieuze beschikking rechtstreeks geraakt achten. Zij hebben met name in sectie 2.2 van hun schriftelijke opmerkingen(19), in het bijzonder in de punten 21 tot en met 29 daarvan, zeer gedetailleerd uiteengezet welke nieuwe lasten thans op de grondeigenaren rusten als gevolg van de in artikel 6, lid 3, van de richtlijn bedoelde verplichting tot beoordeling van plannen en projecten.
47. Dit argument is aangevoerd ter onderbouwing van het middel inzake het rechtstreekse belang van rekwiranten. Het gaat niet om een daarvan onderscheiden rechtsmiddel, zoals de door rekwiranten bij hun opmerkingen gevoegde synthese en de samenvatting van de ter onderbouwing van de hogere voorziening aangevoerde middelen beogen aan te tonen.(20)
48. De redenering van het Gerecht inzake het rechtstreekse belang van de grondeigenaren, die natuurlijke personen zijn, staat in de punten 54 en 59 van de bestreden beschikking:
„54 Het Gerecht is van oordeel dat de [litigieuze] beschikking [...] op zich geen gevolgen voor verzoekers’ [de grondeigenaren, natuurlijke personen] rechtspositie heeft. De [litigieuze] beschikking bevat geen enkele bepaling over de regeling van bescherming van de gebieden van communautair belang zoals instandhoudingsmaatregelen of goedkeuringsprocedures. Zij raakt dus niet de rechten en plichten van de grondeigenaren of de uitoefening van deze rechten. Anders dan verzoekers [de grondeigenaren, natuurlijke personen] stellen, houdt de opneming van deze gebieden in de lijst van de gebieden van communautair belang voor de marktdeelnemers of particulieren geen enkele verplichting in.
[...]
59 Onderzoek van voormelde verplichtingen die op de lidstaten rusten zodra de [litigieuze] beschikking de gebieden van communautair belang heeft aangewezen, leert dat geen van deze verplichtingen rechtstreeks op verzoekers [de grondeigenaren, natuurlijke personen] van toepassing is. Deze verplichtingen vereisen namelijk een maatregel van de betrokken lidstaat om aan te geven hoe hij de betrokken verplichting wil nakomen, ongeacht of het gaat om de nodige instandhoudingsmaatregelen (artikel 6, lid 1, van de [...]richtlijn), passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het gebied niet verslechtert (artikel 6, lid 2, van de [...]richtlijn) of de door de bevoegde nationale autoriteiten te geven toestemming voor een project dat significante gevolgen voor het gebied kan hebben (artikel 6, leden 3 en 4, van de [...]richtlijn).”
49. In punt 61 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht daar dus uit afgeleid dat MTK derhalve niet rechtstreeks geraakt kon zijn.
50. Een gewone lezing van de bestreden beschikking volstaat om vast te stellen dat het Gerecht uitspraak heeft gedaan over het middel inzake het rechtstreekse belang van rekwiranten. Het is juist dat het Gerecht niet in detail de gevolgen van artikel 6, lid 3, van de richtlijn voor de rechtspositie van de grondeigenaren heeft onderzocht. De bondigheid van zijn motivering op dit punt moet worden betreurd. Het Gerecht doet immers, zoals gezegd, uitspraak over een middel van niet-ontvankelijkheid dat van openbare orde is.
51. Ik ben echter van mening dat de motivering van de bestreden beschikking het Hof in staat stelt zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen en rekwiranten bovendien in staat stelt de redenen te kennen waarom het Gerecht heeft geoordeeld dat zij door de litigieuze beschikking niet rechtstreeks worden geraakt. Zoals uit de bestreden beschikking duidelijk blijkt, is het Gerecht immers uitgegaan van de vaststelling dat de litigieuze beschikking geen enkele bepaling over de in artikel 6 van de richtlijn bedoelde beschermingsregeling bevat en de lidstaten die met de uitvoering ervan zijn belast, bovendien een beoordelingsmarge laat.
52. Ik geef het Hof dus in overweging het eerste middel ongegrond te verklaren.
B – Tweede middel: onjuiste beoordeling door het Gerecht van het rechtstreekse belang van de grondeigenaren
1. Argumenten van partijen
53. Rekwiranten betogen dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG en de rechtspraak van het Hof rechtstreeks door de litigieuze beschikking worden geraakt. Volgens hen heeft het Gerecht ten aanzien van het recht gedwaald bij het onderzoek van de twee door de rechtspraak gestelde voorwaarden volgens welke de litigieuze handeling gevolgen moet hebben voor de rechtspositie van de rekwirant en de uitvoering ervan zuiver automatisch moet zijn.(21)
54. Met betrekking tot de eerste voorwaarde betogen rekwiranten dat het Gerecht artikel 6 van de richtlijn onjuist heeft uitgelegd, nu het heeft geoordeeld dat de litigieuze beschikking voor hen geen rechtstreekse rechtsgevolgen heeft.
55. In de eerste plaats heeft de litigieuze beschikking onvermijdelijk tot gevolg dat de als van communautair belang geselecteerde gebieden worden aangewezen als specialebeschermingszones. Die beschikking regelt dus definitief het vraagstuk van de opneming van die gebieden in het Natura 2000-netwerk.
56. In de tweede plaats heeft de litigieuze beschikking tot gevolg dat de als van communautair belang aangewezen gebieden niet mogen achteruitgaan en dat de plannen en projecten die in die gebieden kunnen worden uitgevoerd, moeten worden beoordeeld, zoals in artikel 6, lid 3, van de richtlijn is bepaald. Dat de litigieuze beschikking op zich geen verplichtingen of beperkingen betreffende het gebruik van eigendom bevat, is irrelevant.
57. Ter onderbouwing daarvan verwijten rekwiranten het Gerecht dat het de rechtsgevolgen van de litigieuze beschikking heeft onderzocht zonder rekening te houden met de verschillende fasen van de procedure voor de selectie van de gebieden.
58. Met betrekking tot de tweede voorwaarde betogen rekwiranten dat het Gerecht ook artikel 6 van de richtlijn onjuist heeft uitgelegd, aangezien het heeft geoordeeld dat de litigieuze beschikking enkel rechtsgevolgen sorteert wanneer de lidstaat maatregelen treft ten aanzien waarvan hij een beoordelingsbevoegdheid heeft.
59. De Commissie voert aan dat de bestreden beschikking niet in strijd is met de rechtspraak van het Hof inzake artikel 230, vierde alinea, EG. Volgens haar worden rekwiranten door de litigieuze beschikking niet rechtstreeks geraakt, aangezien deze geen enkele bepaling bevat over de beschermingsregeling die de lidstaten op basis van de richtlijn moeten vaststellen. Bovendien belet artikel 6, lid 3, van de richtlijn, zoals de litigieuze beschikking, rekwiranten geenszins om vastgoed‑, bosbouw‑ of landbouwprojecten in de specialebeschermingszones uit te voeren. De bewoordingen van die bepaling zijn duidelijk en vereisen slechts dat de nationale bevoegde autoriteiten beoordelingsprocedures toepassen en overleg organiseren alvorens het project wordt goedgekeurd. Tot slot acht de Commissie het niet noodzakelijk om de argumenten van rekwiranten volgens welke de litigieuze beschikking hen ook individueel raakt, te beantwoorden.
60. Het Koninkrijk Spanje, dat ter onderbouwing van de conclusies van de Commissie is tussengekomen, voegt daaraan toe dat de litigieuze beschikking alleen een feitelijke toestand vaststelt, namelijk dat in een bepaald gebied bijzondere milieuvoorwaarden zijn vervuld. Het preciseert bovendien dat de gevolgen van artikel 6, lid 3, van de richtlijn niet voortvloeien uit de litigieuze beschikking, maar uit de aanwijzing van het gebied door de lidstaten als specialebeschermingszone.
2. Beoordeling
61. De litigieuze beschikking is volgens artikel 2 ervan uitsluitend gericht tot de lidstaten. Natuurlijke personen, in casu de grondeigenaren, of rechtspersonen, in casu de stichting MTK:n säätiö, die een beroep tot nietigverklaring van deze beschikking wensen in te stellen, moeten dus aan de in artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarden beantwoorden. Zij moeten bijgevolg aantonen dat zij door deze beschikking rechtstreeks en individueel worden geraakt. Indien de litigieuze beschikking die voorwaarden niet vervult, is het tegen deze beschikking door een natuurlijke of een rechtspersoon ingestelde beroep niet-ontvankelijk.
62. Dit is het voorwerp van het onderhavige geding.
63. Volgens vaste rechtspraak en zoals het Gerecht in punt 52 van de bestreden beschikking in herinnering heeft gebracht, wordt een natuurlijke of rechtspersoon door de bestreden handeling slechts rechtstreeks geraakt indien aan twee voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet die handeling rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van de particulier. In de tweede plaats mag die handeling degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laten. De uitvoering moet dus zuiver automatisch en alleen op grond van de communautaire regeling gebeuren, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld.(22)
64. In het kader van de onderhavige zaak dient dus te worden onderzocht of aan die twee voorwaarden is voldaan.
a) Eerste voorwaarde, inzake de gevolgen van de litigieuze beschikking voor de rechtspositie van de grondeigenaren
65. Zoals ik heb vermeld, heeft het Gerecht in punt 54 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de litigieuze beschikking, „die als gebieden van communautair belang zones van het Finse grondgebied aanwijst waarin verzoekers [grondeigenaren, natuurlijke personen,] gronden bezitten [(23)], op zich geen gevolgen voor verzoekers’ rechtspositie heeft”. Volgens het Gerecht bevat de litigieuze beschikking geen enkele bepaling over de regeling van bescherming van de gebieden van communautair belang en raakt zij dus niet de rechten en plichten van de grondeigenaren of de uitoefening van deze rechten. Het Gerecht is derhalve van oordeel dat de opneming van deze gebieden in de lijst van de gebieden van communautair belang voor de marktdeelnemers of particulieren geen enkele verplichting inhoudt.
66. Ik ben het met die analyse niet eens.
67. Ik ben daarentegen van mening dat de litigieuze beschikking op zich rechtstreekse gevolgen heeft voor de rechtspositie van de grondeigenaren, ook zonder dat de betrokken lidstaat beschermingsmaatregelen heeft vastgesteld.
68. Anders dan het Koninkrijk Spanje betoogt, is de litigieuze beschikking wel voor beroep vatbaar. Die beschikking is geen „declaratoire handeling” of een gewone voorlopige maatregel, aangezien zij het standpunt van de Commissie over de gebieden van communautair belang die tot het Natura 2000-netwerk behoren, definitief vastlegt.(24)
69. De litigieuze beschikking is bovendien een bezwarende handeling. Door de terreinen waarop de grondeigenaren rechten hebben, als gebieden van communautair belang aan te wijzen, ontneemt deze beschikking hun de mogelijkheid om over deze terreinen vrij te beschikken.(25)
70. Bedoelde beschikking heeft immers tot gevolg dat aan de rechten van de grondeigenaren nieuwe beperkingen worden verbonden die niet bestonden op het tijdstip waarop zij deze rechten verkregen hebben en die de uitoefening ervan moeilijker maken. Krachtens de litigieuze beschikking kunnen de grondeigenaren hun terreinen niet meer exploiteren of verkopen zonder dat rekening wordt gehouden met de aanwijzing van hun eigendom als gebied van communautair belang. De impact van de litigieuze beschikking op hun situatie kan dus uitlopen op economische en sociale schade door de vermindering van de waarde van de terreinen of door de volledige of gedeeltelijke stopzetting van landbouw‑ en bosbouwactiviteiten. Zij kan ook tot uiting komen in een reeks beperkingen van de uitoefening van de aan het eigendomsrecht verbonden prerogatieven, aangezien die terreinen met nieuwe verplichtingen worden belast wanneer ze als gebied van communautair belang worden aangewezen.
71. In de eerste plaats zijn bedoelde terreinen krachtens artikel 4, lid 4, van de richtlijn als specialebeschermingszones aangewezen.
72. In de tweede plaats moeten de lidstaten volgens artikel 4, lid 5, van de richtlijn een regeling van bescherming van de in de litigieuze beschikking bedoelde gebieden vaststellen overeenkomstig artikel 6, leden 1 tot en met 4, van de richtlijn.(26) De lidstaten moeten bijvoorbeeld alle instandhoudingsmaatregelen vaststellen die noodzakelijk zijn voor het behoud van de gebieden.(27) Zo kunnen zij bepaalde activiteiten binnen de beschermde zones verbieden, zoals ontginning en ontbossing, of bouw‑ en exploitatiewerkzaamheden beperken. De lidstaten moeten bovendien voor alle plannen en projecten die gevolgen kunnen hebben voor gebieden van communautair belang, zoals projecten inzake het oppompen van water, een voorafgaande administratieve vergunning vereisen die op een beoordeling van de gevolgen van die plannen en projecten voor het betrokken gebied berust.(28)
73. Die maatregelen zijn evenzeer beperkingen van de uitoefening van het eigendomsrecht en houden rechtstreeks verband met de aanwijzing van de terreinen van de grondeigenaren als gebieden van communautair belang.
74. In de – mijns inziens vergelijkbare – zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Commissie/Infront WM aanleiding heeft gegeven, heeft het Hof erkend dat de rekwirant rechtstreeks werd geraakt. De bestreden handeling was een beschikking van de Commissie waarbij was vastgesteld dat een Britse regeling waarbij overeenkomstig richtlijn 89/552/EEG(29) voorwaarden waren gesteld met betrekking tot de uitzending van belangrijke evenementen door de omroeporganisaties, verenigbaar was met het gemeenschapsrecht. Het Hof heeft aanvaard dat een onderneming, in casu Infront WM AG, die zich bezighield met de aankoop en de verkoop van uitzendrechten voor sportevenementen door die handeling rechtstreeks werd geraakt, aangezien de door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland genomen en bij die handeling goedgekeurde regeling bedoelde organisaties een aantal beperkingen oplegde wanneer zij voornemens waren om aangewezen evenementen ten aanzien waarvan Infront WM AG exclusieve rechten had verworven, uit te zenden. Het Hof heeft geoordeeld dat „[v]oor zover deze beperkingen verband [hielden] met de voorwaarden waaronder deze organisaties van Infront [WM AG] de [...]uitzendrechten [...] verwerven, [...] de door het Verenigd Koninkrijk genomen maatregelen en de litigieuze handeling tot gevolg [hebben] dat aan de rechten die deze vennootschap bezit, nieuwe beperkingen worden verbonden die niet bestonden op het moment dat zij deze uitzendrechten heeft verworven, en die de uitoefening van deze rechten moeilijker maken. De litigieuze handeling tast de rechtspositie van Infront [WM AG] dus rechtstreeks aan”.(30)
75. Die rechtspraak kan mijns inziens zeer goed in de onderhavige zaak worden toegepast.
76. In die omstandigheden en gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de litigieuze beschikking de rechtspositie van de grondeigenaren wel rechtstreeks aantast.
77. Thans moet worden onderzocht of de toepassingsmaatregelen die de litigieuze beschikking behoeft, zuiver automatisch zijn dan wel of de nationale autoriteiten daarentegen in dit verband een discretionaire bevoegdheid behouden.
b) Tweede voorwaarde, inzake de omvang van de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de litigieuze beschikking
78. Volgens vaste rechtspraak wordt, wanneer een gemeenschapshandeling door een instelling tot een lidstaat is gericht en de lidstaat ingevolge die handeling automatisch actie moet ondernemen, of wanneer hoe dan ook vaststaat waarop die actie zal uitlopen, eenieder voor wie die actie gevolgen heeft, door die handeling rechtstreeks geraakt.(31)
79. Wanneer er een nationale uitvoeringsmaatregel bestaat die tussen de bestreden handeling en de rekwirant komt, is het Hof van oordeel dat het op zich niet om een omstandigheid van niet-ontvankelijkheid van het beroep gaat indien die maatregel zuiver automatisch is of indien de betekenis ervan voorzienbaar is en uit de gemeenschapsregeling kan worden afgeleid.(32) Het Hof heeft bijvoorbeeld geoordeeld dat dit het geval was in de aan het reeds aangehaalde arrest Commissie/Infront WM ten grondslag liggende zaak. Ondanks het bestaan van een beoordelingsmarge bij de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling, heeft het Hof vastgesteld dat de nationale autoriteiten geen beoordelingsbevoegdheid hadden met betrekking tot het te bereiken resultaat, aangezien dit alleen door die handeling werd bepaald.(33)
80. Indien de bestreden handeling de lidstaat waartoe zij is gericht, daarentegen een werkelijke keuze laat, en deze de mogelijkheid heeft om al dan niet op te treden of niet verplicht is om in een bepaalde zin op te treden, is het Hof van oordeel dat een particulier geen rechtstreekse procesbevoegdheid heeft om tegen die handeling op te komen.(34)
81. Zoals ik heb vermeld, heeft het Gerecht in de punten 55 tot en met 58 van de bestreden beschikking de inhoud van de krachtens de artikelen 4, leden 4 en 5, en 6 van de richtlijn op de lidstaten rustende verplichtingen onderzocht. Het heeft daaruit afgeleid dat al die verplichtingen een maatregel van de betrokken lidstaat vereisen om aan te geven hoe hij deze op zijn grondgebied wil nakomen. Vervolgens heeft het Gerecht geoordeeld:
„60 Uit de [...]richtlijn, op basis waarvan de [litigieuze] beschikking is vastgesteld, volgt dus dat zij voor de lidstaat verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar aan de nationale instanties de bevoegdheid laat de te nemen instandhoudingsmaatregelen en de te volgen goedkeuringsprocedures te kiezen [(35)]. Dat de lidstaten de toegekende beoordelingmarge overeenkomstig de doelstellingen van de [...]richtlijn moeten uitoefenen, verandert daar niets aan.”
82. Op die laatste vaststelling heeft het Gerecht het door de grondeigenaren ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk verklaard.
83. Ik ben het met die redenering niet eens.
84. In de eerste plaats is de litigieuze beschikking beslissend en moeten de lidstaten deze volledig nakomen zonder dat zij kunnen terugkomen op de indeling van de terreinen in het Natura 2000-netwerk.
85. In de tweede plaats beschikken de lidstaten mijns inziens bij de uitvoering van die beschikking slechts over een zeer beperkte beoordelingsmarge.
86. In de onderhavige zaak is de onenigheid tussen partijen het gevolg van het feit dat de litigieuze beschikking voor de tenuitvoerlegging ervan uitvoeringsmaatregelen van de lidstaten behoeft. Zoals ik te kennen heb gegeven, is het bestaan van een nationale toepassingsmaatregel, die tussen de bestreden handeling en de rekwirant komt, op zich geen reden om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. In een dergelijke situatie onderzoekt het Hof de omvang van de beoordelingsmarge waarover de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling beschikken.
87. In casu zijn die uitvoeringsmaatregelen vastgesteld door een richtlijn, die de lidstaten per definitie een beoordelingsmarge laat. Volgens artikel 249, derde alinea, EG is het te bereiken resultaat immers verbindend voor de lidstaten, maar wordt deze een zekere vrijheid gelaten ten aanzien van de vorm en de middelen die zij daartoe aanwenden.(36)
88. In de onderhavige zaak is de vraag dus of de lidstaten gelet op de voorschriften van de richtlijn bij de tenuitvoerlegging van de litigieuze beschikking over een voldoende ruime beoordelingsmarge beschikken om al dan niet op te treden dan wel of zij integendeel verplicht zijn om in een bepaalde zin op te treden.
89. De wijze waarop en de voorwaarden waaronder de litigieuze beschikking ten uitvoer moet worden gelegd, zijn vastgesteld in de artikelen 4, leden 4 en 5, en 6 van de richtlijn.
90. Ten eerste moeten de lidstaten wanneer de Commissie de lijst van gebieden van communautair belang heeft vastgesteld, die gebieden zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen zes jaar als specialebeschermingszones aanwijzen. Zoals rekwiranten hebben opgemerkt, zijn de bewoordingen van artikel 4, lid 4, van de richtlijn duidelijk en beschikken de lidstaten in dit verband niet over een beoordelingsmarge.(37)
91. Ten tweede moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 5, van de richtlijn de beschermingsregeling van artikel 6, leden 2 tot en met 4, van de richtlijn toepassen op de gebieden die op de lijst van gebieden van communautair belang zijn geplaatst.(38) Zoals het Hof in het reeds aangehaalde arrest Dragaggi e.a. heeft opgemerkt, zijn de plaatsing van een gebied op de lijst van gebieden van communautair belang en de toepassing van de in die bepaling bedoelde beschermingsmaatregelen uitdrukkelijk verbonden.(39)
92. De nationale autoriteiten beschikken stellig nog over enige beoordelingsmarge bij de uitvoering van artikel 6 van de richtlijn en van de litigieuze beschikking. Om de daaruit voortvloeiende verplichtingen na te komen, kunnen de nationale autoriteiten immers een passende beschermingsregeling voor de gebieden vaststellen, die kan verschillen naargelang de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en de regionale en lokale bijzonderheden van iedere lidstaat.(40)
93. Hun beoordelingsmarge is mijns inziens echter zeer beperkt.
94. De nationale autoriteiten moeten er immers voor zorgen dat de eigenaren van terreinen die als gebieden van communautair belang zijn aangewezen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats die zich in hun eigendom bevinden, niet doen verslechteren en de soorten die daar leven niet storen in een mate die in strijd is met de vereisten van de richtlijn. Daartoe moeten de nationale autoriteiten beschermingsmaatregelen nemen die naar mijn mening zeer voorzienbaar zijn en in een zin gaan die gemakkelijk kan worden bepaald. Die maatregelen moeten het aldus mogelijk maken de natuurlijke habitats en de wilde dier‑ en plantensoorten van communautair belang in een „gunstige staat van instandhouding” te behouden en te herstellen.(41) Zij moeten het ook mogelijk maken alle gevaar voor verslechtering van de kwaliteit en verstoring van de gebieden te voorkomen. Met die maatregelen wordt de litigieuze beschikking rechtstreeks ten uitvoer gelegd. Die maatregelen en dus, in casu, de litigieuze beschikking bepalen het te bereiken resultaat. Ten aanzien van dit resultaat beschikken de nationale autoriteiten derhalve niet over een beoordelingsmarge.
95. De rechtsposities van de grondeigenaren worden aangetast omdat dit resultaat moet worden bereikt.
96. Bovendien beperken de gemeenschapsinstellingen de beoordelingsmarge van de bevoegde nationale autoriteiten steeds meer.
97. Zo heeft de Commissie richtsnoeren voor de uitlegging van artikel 6 van de richtlijn uitgevaardigd, waarin zij de draagwijdte en de inhoud van iedere bepaling ervan verduidelijkt.(42) Met betrekking tot de uitvoering van artikel 6, lid 2, van de richtlijn bijvoorbeeld, preciseert de Commissie de betekenis van de begrippen storende factoren en verslechtering van de kwaliteit van de gebieden en zegt zij de lidstaten met name hoe die gevaren moeten worden beoordeeld. De Commissie bepaalt bovendien de voorwaarden waaronder en de termijnen waarbinnen de lidstaten dan beschermingsmaatregelen moeten vaststellen.(43) Wat vervolgens de uitvoering van artikel 6, lid 4, van de richtlijn betreft, licht de Commissie toe wat moet worden verstaan onder „dwingende redenen van groot openbaar belang” en „compenserende maatregelen”. Zij vermeldt onder meer wanneer die maatregelen moeten worden overwogen, wie de kosten ervan moet dragen en aan wie zij moeten worden meegedeeld.
98. Bovendien oefenen de Commissie – via de procedure van het beroep wegens niet-nakoming – en het Hof – in het kader van zijn rechterlijk toezicht – een zeer groot toezicht uit op de maatregelen die de lidstaten krachtens artikel 6 van de richtlijn vaststellen. Dit blijkt uit het grote aantal geschillen inzake de uitvoering van de richtlijn. In dit verband wijst het Hof erop dat de nauwkeurigheid van de uitvoering van de richtlijn „van bijzonder belang is [nu] het beheer van het gemeenschappelijke erfgoed aan de lidstaten is toevertrouwd voor hun respectieve grondgebied”.(44) Aangezien de richtlijn „ingewikkelde en technische regels” vaststelt, „[moeten] de lidstaten er in het bijzonder op [...] toezien dat hun wetgeving ter omzetting van de richtlijn duidelijk en nauwkeurig is, ook wat de essentiële verplichtingen van toezicht en controle betreft”.(45)
99. Zo heeft het Hof niet geaarzeld om de modaliteiten van de in artikel 6, lid 3, van de richtlijn bedoelde beschermingsregeling te preciseren. Volgens het Hof houdt een „passende beoordeling” in de zin van die bepaling in dat de bevoegde nationale autoriteiten alle aspecten van het plan die de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar kunnen brengen, moeten inventariseren. Vervolgens kan volgens het Hof voor het plan of project slechts toestemming worden verleend indien de bevoegde nationale autoriteiten de zekerheid hebben verkregen dat het geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Zoals het Hof preciseert, zal, „[w]anneer er onzekerheid bestaat of deze schadelijke gevolgen voor het gebied zullen uitblijven, [...] de bevoegde autoriteit dus toestemming voor het betrokken plan of project moeten weigeren”.(46) Zoals rekwiranten terecht hebben opgemerkt, beschikken de lidstaten derhalve slechts over een zeer beperkte beoordelingsmarge bij het verlenen van toestemming op basis van die criteria.(47)
100. Zodra de Commissie een gebied als van communautair belang heeft geselecteerd, hebben de lidstaten mijns inziens dus geen andere keuze dan dit gebied als specialebeschermingszone aan te wijzen en een beschermingsregeling vast te stellen die het behoud van dat gebied mogelijk maakt, overeenkomstig de vereisten van de richtlijn. Dat de lidstaten een – zij het zeer beperkte – beoordelingsmarge hebben ter zake van de vast te stellen beschermingsmaatregelen en de te volgen vergunningprocedures, dient naar mijn mening irrelevant te zijn voor de gevolgen van de litigieuze beschikking op zich.
101. Gelet op het voorgaande sta ik op het standpunt dat in casu is voldaan aan de twee voorwaarden die de rechtspraak stelt om een natuurlijke of rechtspersoon als door een gemeenschapshandeling rechtstreeks geraakt te beschouwen.
102. Ik ben dus van mening dat het Gerecht ten aanzien van het recht heeft gedwaald door te oordelen dat de grondeigenaren door de litigieuze beschikking niet rechtstreeks worden geraakt. Ik geef het Hof derhalve in overweging de bestreden beschikking te vernietigen.
103. In die omstandigheden behoeft het derde middel, volgens hetwelk er geen effectieve rechterlijke bescherming is, mijns inziens niet te worden onderzocht.
104. Ik ben bovendien van mening dat het Hof definitief uitspraak kan doen over de ontvankelijkheid van het in eerste aanleg door rekwiranten ingestelde beroep, overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie.(48)
VI – Ontvankelijkheid van het in eerste aanleg ingestelde beroep tot nietigverklaring
105. Aangezien het Gerecht dit in de bestreden beschikking niet heeft beoordeeld, zal ik dus onderzoeken in hoeverre de grondeigenaren door de litigieuze beschikking individueel kunnen worden geraakt. Na die analyse zal ik de ontvankelijkheid van het door MTK ingestelde beroep tot nietigverklaring onderzoeken.
A – Ontvankelijkheid van het door de grondeigenaren ingestelde beroep tot nietigverklaring
1. Argumenten van partijen
106. In haar in het kader van de eerste aanleg opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid betoogt de Commissie dat de grondeigenaren door de litigieuze beschikking niet individueel worden geraakt. Zij merkt om te beginnen op dat die beschikking hen niet aldus raakt dat hun het genot van hun goed wordt ontnomen. Bedoelde beschikking kent hun geen rechten toe en legt hun geen verplichtingen op. De Commissie benadrukt vervolgens dat de in de litigieuze beschikking bedoelde gebieden uitsluitend op basis van biologische criteria zijn gedefinieerd, overeenkomstig artikel 1, sub k, van de richtlijn. In dit verband is de Commissie van mening dat de identiteit van de eigenaren van de als van communautair belang aangewezen gebieden onmogelijk kan worden bepaald op basis van de litigieuze beschikking of van de gegevens die voor de opstelling daarvan zijn gebruikt. De Commissie merkt ten slotte op dat de in die beschikking bedoelde gebieden van belang zijn voor andere actoren dan de grondeigenaren, zoals de bouwondernemingen, de niet-gouvernementele organisaties of de gewone burger.
107. Rekwiranten zijn daarentegen van oordeel dat zij zich wel in een bijzondere situatie bevinden, die hen van alle andere personen onderscheidt, aangezien de litigieuze beschikking betrekking heeft op terreinen waarvan zij eigenaar zijn en hun rechtspositie aantast.
2. Beoordeling
108. Volgens vaste rechtspraak kunnen degenen die niet adressaat van een beschikking zijn, slechts stellen individueel te worden geraakt, indien deze beschikking hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat.(49)
109. Tevens volgt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer de beschikking een groep personen raakt die op het tijdstip waarop deze handeling werd vastgesteld waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd op basis van specifieke kenmerken van de leden van de groep, deze personen door die handeling individueel kunnen zijn geraakt voor zover zij deel uitmaken van een beperkte kring van marktdeelnemers.(50) Het Hof heeft erop gewezen dat dit het geval is wanneer de beschikking de rechten die de particulier vóór de vaststelling ervan heeft verkregen, aantast.(51)
110. In de onderhavige zaak maken de grondeigenaren mijns inziens wel deel uit van een gesloten kring waarvan de leden bijzonder door de litigieuze beschikking worden geraakt, en dit om drie redenen.
111. Ten eerste bevinden zij zich in een bijzondere situatie, aangezien zij eigendomsrechten hebben op de gebieden waarop de litigieuze beschikking betrekking heeft.
112. Ten tweede kon de identiteit van de grondeigenaren door de Commissie worden bepaald op het tijdstip waarop zij die beschikking heeft vastgesteld. De in de litigieuze beschikking bedoelde gebieden worden namelijk geïdentificeerd aan de hand van geografische coördinaten (breedtegraad en lengtegraad). Aan de hand van die coördinaten, die worden voorgesteld, doorgegeven en vervolgens bekrachtigd door de lidstaat, kunnen percelen worden geïdentificeerd waarop eigendomsrechten bestaan. De eigendomsrechten van ieder van ons worden in beginsel door de nationale autoriteiten in registers ingeschreven.
113. Ten derde tast de litigieuze beschikking, zoals ik heb aangetoond, de rechtspositie van de grondeigenaren aan, met name de vrije beschikking over hun rechten.
114. In die omstandigheden lijkt mij de ontvankelijkverklaring van het door die grondeigenaren ingestelde beroep tot nietigverklaring te passen in de lijn van de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke een particulier de wettigheid van een gemeenschapshandeling kan betwisten wanneer deze de rechten die hij vóór de vaststelling ervan heeft verkregen, aantast.
115. Zoals uiteengezet in de punten 99 tot en met 102 van mijn conclusie in de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Commissie/Infront WM aanleiding heeft gegeven, heeft het Hof dit uitgemaakt in het arrest Toepfer en Getreide-Import Gesellschaft/Commissie(52), waarin het voor het eerst heeft erkend dat een particulier individueel kan worden geraakt door een tot een lidstaat gerichte beschikking. Tot dezelfde slotsom is het Hof gekomen in het reeds aangehaalde arrest Bock/Commissie en in de arresten Agricola commerciale olio e.a./Commissie en Savma/Commissie(53). In het arrest CAM/Commissie(54) heeft het Hof eveneens de procesbevoegdheid van een particulier aanvaard, wanneer de bestreden maatregel betrekking heeft op een situatie die reeds bestaat op het tijdstip van de vaststelling van de handeling en raakt aan voor toekomstige activiteiten verkregen rechten. Het Hof heeft in dezelfde zin uitspraak gedaan in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Infront WM.
116. Wanneer het betrokken recht een fundamenteel recht in de communautaire rechtsorde is, zoals het geval is voor het eigendomsrecht(55), is het mijns inziens bovendien duidelijk dat tegen schending van dat recht moet kunnen worden opgetreden door middel van een effectief beroep in rechte bij de gemeenschapsrechter.
117. Ik ben van mening dat die analyse steun vindt in de gemeenschapsrechtspraak, met name in het arrest Codorníu/Raad.(56) In die zaak verzocht een Spaanse vennootschap die sinds 1924 houdster was van het merk Gran Cremant de Codorníu, om nietigverklaring van het artikel van een verordening van de Raad waarbij haar op termijn werd verboden de vermelding „cremant” te gebruiken. Het Hof lijkt de ontvankelijkheid van haar beroep te hebben aanvaard, ook al was de bestreden handeling van normatieve aard, teneinde het eigendomsrecht dat de vennootschap krachtens de Spaanse wetgeving op dat merk had, te beschermen.
118. Die rechtspraak kan mijns inziens zeer goed worden toegepast op de onderhavige zaak, aangezien de rechten van de grondeigenaren vóór de vaststelling van de litigieuze beschikking zijn verkregen.
119. Gelet op het voorgaande ben ik derhalve van mening dat die grondeigenaren door bedoelde beschikking individueel worden geraakt.
120. De grondeigenaren voldoen dus aan de in artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarden om een beroep tot nietigverklaring van een dergelijke beschikking in te stellen. Ik geef het Hof derhalve in overweging hun beroep ontvankelijk te verklaren.
121. Thans moet de ontvankelijkheid worden onderzocht van het beroep tot nietigverklaring dat MTK tegen de litigieuze beschikking heeft ingesteld.
B – Ontvankelijkheid van het door MTK ingestelde beroep tot nietigverklaring
122. Blijkens de stukken behartigt MTK de belangen van 163 000 landbouwers en bosbouwers, waaronder die van de grondeigenaren.(57)
123. De ontvankelijkheid van een beroep van een met de behartiging van collectieve belangen belaste vereniging bij de gemeenschapsrechter vloeit ook voort uit artikel 230, vierde alinea, EG. Zoals gezegd kan een natuurlijke of rechtspersoon overeenkomstig die bepaling slechts een beroep tot nietigverklaring van een niet tot hem gerichte beschikking instellen indien aan de dubbele voorwaarde is voldaan dat die beschikking hem rechtstreeks en individueel raakt.
124. Een vereniging die met de behartiging van collectieve belangen is belast, kan derhalve slechts nietigverklaring van een niet tot haar gerichte beschikking vorderen indien die beschikking haarzelf of haar leden rechtstreeks en individueel raakt. Een vereniging is dus volgens vaste rechtspraak niet bevoegd om ter verdediging van algemene en collectieve belangen van de ondernemingen die zij vertegenwoordigt, beroep tegen een dergelijke handeling in te stellen.(58) Hierdoor kan worden voorkomen dat particulieren de procedurele vereisten van artikel 230, vierde alinea, EG door de oprichting van een dergelijke vereniging kunnen omzeilen.(59)
125. Zoals uit de rechtspraak van het Hof blijkt, kan een vereniging als MTK dus slechts in twee gevallen beroep instellen tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie. Ten eerste is het beroep ontvankelijk wanneer de leden die de vereniging vertegenwoordigt, of een aantal daarvan, zelf procesbevoegdheid hebben.(60) Er wordt dan van uitgegaan dat de vereniging in de plaats treedt van haar leden. Ten tweede is het beroep ook ontvankelijk wanneer de vereniging een eigen belang bij de voortzetting van de procedure kan stellen. Volgens de rechtspraak kan dat het geval zijn wanneer de onderhandelaarspositie van de vereniging wordt geraakt door de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevraagd.(61)
126. In het kader van het onderhavige geding betogen rekwiranten dat het door MTK ingestelde beroep ontvankelijk is, aangezien de meeste van haar leden zelf procesbevoegdheid hebben.
127. Ik sluit mij bij deze zienswijze aan.
128. Het komt mij namelijk voor dat MTK met het onderhavige beroep de individuele belangen van bepaalde van haar leden wenst te behartigen, in het bijzonder die van de grondeigenaren. Zoals ik heb aangetoond, worden die leden mijns inziens door de litigieuze beschikking rechtstreeks en individueel geraakt. Het beroep van MTK, die deze grondeigenaren vertegenwoordigt, lijkt mij dus ontvankelijk.
129. Tegen de achtergrond van de rechtspraak van het Hof volstaat dit element mijns inziens om de ontvankelijkheid van het beroep van MTK te rechtvaardigen.
130. Gelet op een en ander geef ik het Hof derhalve in overweging, de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het door rekwiranten bij het Gerecht ingestelde beroep af te wijzen.
131. Ik geef het Hof bovendien in overweging, de zaak ter beslissing over de gegrondheid van het beroep te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing over de kosten aan te houden.(62)
VII – Conclusie
132. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, te beslissen als volgt:
„1) De beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 2006, Sahlstedt e.a./Commissie (T‑150/05), wordt vernietigd.
2) De door de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.
3) De zaak wordt ter beslissing over de gegrondheid van het beroep verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen.
4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Onder deze grondeigenaren bevinden zich dertien natuurlijke personen en een stichting genaamd MTK:n säätiö (hierna: „grondeigenaren”).
3 – Het betreft Maa- ja metsätaloustuottajain keskusliitto MTK ry (hierna: „MTK”). Deze vereniging behartigt de belangen van 163 000 landbouwers en bosbouwers.
4 – T‑150/05, Jurispr. blz. II‑1851; hierna „bestreden beschikking”.
5 – Richtlijn van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 (PB L 284, blz. 1; hierna: „richtlijn”).
6 – PB L 40, blz. 1; hierna: „litigieuze beschikking”.
7 – Zie met name arrest van 13 maart 2008, Commissie/Infront WM (C‑125/06 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 47 en aangehaalde rechtspraak).
8 – Eerste en derde tot en met zesde overweging van de considerans.
9 – Zoals de indeling van de dierlijke populaties volgens de ornithologische criteria bedoeld in bijlage I bij richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1), maar ook informatie over trekvogels die geregeld in het gebied aanwezig zijn en niet onder deze bijlage vallen, de indeling van de zoogdieren, de reptielen, de amfibieën, de vissen, de ongewervelden en de planten bedoeld in bijlage II bij de richtlijn en de andere belangrijke soorten fauna en flora die niet onder deze bijlage vallen.
10 – Zoals de ligging van het gebied en een kaart daarvan.
11 – Zo wordt het de lidstaten aanbevolen om alle informatie over „[a]ctiviteiten en invloeden in en buiten het betrokken gebied” mee te delen. Daartoe worden de lidstaten verzocht informatie te verschaffen over activiteiten die verband houden met, met name, de landbouw en de bosbouw, de visvangst, de jacht en het verzamelen, de urbanisatie, de industrialisatie, het transport en de communicatie [zie punt 6.1 en aanhangsel E van beschikking 97/266/EG van de Commissie van 18 december 1996 betreffende het informatieformulier voor als Natura 2000-gebied voorgestelde gebieden (PB 1997, L 107, blz. 1, in het bijzonder blz. 37)].
12 – Artikelen 20 en 21 van de richtlijn. Dit comité, dat wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie, bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten.
13 – Gebied van communautair belang.
14 – Bepaalde terreinen zijn vermeld en geïdentificeerd in punt 6.2.2.7 van het inleidende verzoekschrift.
15 – Volgens mij is het Gerecht in zijn analyse niet ingegaan op de rechtspositie van de stichting MTK:n säätiö, die ook, zoals gezegd, eigenaar is van terreinen waarop de litigieuze beschikking betrekking heeft.
16 – Zie met name arresten van 20 november 1997, Commissie/V (C‑188/96 P, Jurispr. blz. I‑6561, punt 24), en 7 mei 1998, Somaco/Commissie (C‑401/96 P, Jurispr. blz. I‑2587, punt 53).
17 – Zie in die zin arrest van 25 oktober 2007, Komninou e.a./Commissie (C‑167/06 P, punt 22 en aangehaalde rechtspraak).
18 – Idem.
19 – Ik verwijs naar de schriftelijke opmerkingen die naar aanleiding van de in eerste aanleg door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid zijn ingediend.
20 – Zie respectievelijk punten 68‑70 van de schriftelijke opmerkingen en bladzijde 4 van de hogere voorziening.
21 – Punten 8‑56 van de hogere voorziening.
22 – Zie arrest Commissie/Infront WM, reeds aangehaald (punt 47 en aangehaalde rechtspraak).
23 – Cursivering van mij.
24 – Arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie (60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 10).
25 – Ik verwijs naar de woorden van professor G. Isaac, volgens wie „de rekwirant [...] slechts rechtstreeks [wordt] geraakt indien de bestreden handeling op zich als onmiddellijk gevolg heeft dat hem een recht wordt ontnemen of een verplichting wordt opgelegd, zodat hij in een situatie wordt geplaatst die vergelijkbaar is met die waarin hij zich zou hebben bevonden indien die handeling tot hem was gericht” (Isaac, G., Droit communautaire général, 7e ed., Colin, Parijs, 1999, blz. 266).
26 – Zie arrest van 13 januari 2005, Dragaggi e.a. (C‑117/03, Jurispr. blz. I‑167). Het Hof heeft in punt 21 van dit arrest geoordeeld dat de in artikel 6, leden 2 tot en met 4, van de richtlijn bedoelde beschermingsmaatregelen worden toegepast op gebieden die overeenkomstig artikel 4, lid 2, derde alinea, van de richtlijn zijn opgenomen in de door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 van de richtlijn vastgestelde lijst van gebieden van communautair belang.
27 – Artikel 6, leden 1 en 2, van de richtlijn.
28 – Artikel 6, lid 3, van de richtlijn.
29 – Richtlijn van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB L 298, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 (PB L 202, blz. 60).
30 – Punten 47‑52.
31 – Arrest van 5 mei 1998, Dreyfus/Commissie (C‑386/96 P, Jurispr. blz. I‑2309, punt 43 en aangehaalde rechtspraak), en beschikking Gerecht van 10 september 2002, Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad (T‑223/01, Jurispr. blz. II‑3259, punt 46).
32 – Zie met name arresten van 13 mei 1971, International Fruit Company e.a./Commissie (41/70–44/70, Jurispr. blz. 411, punt 25), en 23 november 1971, Bock/Commissie (62/70, Jurispr. blz. 897, punten 7 en 8).
33 – Punten 59‑63.
34 – Zie met name arrest van 21 januari 1999, Frankrijk/Comafrica e.a. (C‑73/97 P, Jurispr. blz. I‑185). In die zaak heeft het Hof geoordeeld dat de marktdeelnemers niet rechtstreeks door verordening (EG) nr. 3190/93 van de Commissie van 19 november 1993 tot vaststelling van de uniforme verminderingscoëfficiënt voor het bepalen van de hoeveelheid bananen die in het kader van het tariefcontingent voor 1994 aan elke marktdeelnemer van de categorieën A en B wordt toegewezen (PB L 285, blz. 28), werden geraakt, aangezien het in werkelijkheid aan de bevoegde nationale autoriteiten stond om de hoeveelheden bananen die zij in die periode zouden mogen invoeren definitief vast te stellen op basis van die verordening.
35 – Cursivering van mij.
36 – Zie ook arrest van 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie (C‑129/96, Jurispr. blz. I‑7411, punt 45).
37 – Zie sectie 2.2 van de hogere voorziening.
38 – Zie arrest van 14 september 2006, Bund Naturschutz in Bayern e.a. (C‑244/05, Jurispr. blz. I‑8445, punt 35).
39 – Punt 24.
40 – Zie in dit verband artikel 2, lid 3, van de richtlijn.
41 – Zie artikelen 1, sub e en i, en 2, lid 2, van de richtlijn. Volgens artikel 1, sub e, van de richtlijn wordt de staat van instandhouding van een natuurlijke habitat als gunstig beschouwd wanneer het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in artikel 1, sub i, van de richtlijn.
42 – Die richtsnoeren zijn getiteld „Beheer van ‚Natura 2000’-gebieden – De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (92/43/EEG)”, Luxemburg, 2000.
43 – Zie ook arresten van 13 februari 2003, Commissie/Luxemburg (C‑75/01, Jurispr. blz. I‑1585, punten 41 en 42), en 20 oktober 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑6/04, Jurispr. blz. I‑9017, punten 29‑39).
44 – Arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald (punt 25).
45 – Ibidem (punt 26).
46 – Arrest van 7 september 2004, Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging (C‑127/02, Jurispr. blz. I‑7405, punten 52‑60).
47 – Punt 30 van de hogere voorziening.
48 – Krachtens die bepaling vernietigt het Hof, wanneer de hogere voorziening gegrond is, de beslissing van het Gerecht. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.
49 – Zie met name arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, Jurispr. blz. 197, in het bijzonder blz. 223), en 13 december 2005, Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum (C‑78/03 P, Jurispr. blz. I‑10737, punt 33), en arrest Commissie/Infront WM, reeds aangehaald (punt 70).
50 – Zie met name arresten van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie (11/82, Jurispr. blz. 207, punt 31), en 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C‑182/03 en C‑217/03, Jurispr. blz. I‑5479, punt 60), en arrest Commissie/Infront WM, reeds aangehaald (punt 71).
51 – Arrest Commissie/Infront WM, reeds aangehaald (punt 72 en aangehaalde rechtspraak).
52 – Arrest van 1 juli 1965 (106/63 en 107/63, Jurispr. blz. 525).
53 – Arresten van 27 november 1984 (232/81, Jurispr. blz. 3881, en 264/81, Jurispr. blz. 3915).
54 – Arrest van 18 november 1975 (100/74, Jurispr. blz. 1393).
55 – Zie met name arresten van 26 november 1996, T. Port (C‑68/95, Jurispr. blz. I‑6065, punt 40), en 10 juli 2003, Booker Aquaculture en Hydro Seafood (C‑20/00 en C‑64/00, Jurispr. blz. I‑7411, punt 67 en aangehaalde rechtspraak).
56 – Arrest van 18 mei 1994 (C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853). Zie, ter onderbouwing van die analyse, proefschrift van Cassia, P., L’accès des personnes physiques ou morales au juge de la légalité des actes communautaires, Dalloz, Parijs, 2002, blz. 752, punten 968 e.v.
57 – Punten 3 en 6 van het inleidende verzoekschrift en punt 66 van de schriftelijke opmerkingen die rekwiranten naar aanleiding van de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid hebben ingediend.
58 – Arrest van 14 december 1962, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e.a./Raad (16/62 en 17/62, Jurispr. blz. 901, 919 en 920); beschikking van 18 december 1997, Sveriges Betodlares Centralförening en Henrikson/Commissie (C‑409/96 P, Jurispr. blz. I‑7531, punt 45); arrest Gerecht van 11 februari 1999, Arbeitsgemeinschaft Deutscher Luftfahrt-Unternehmen en Hapag-Lloyd/Commissie (T‑86/96, Jurispr. blz. II‑179, punt 55), en beschikking Gerecht van 29 april 1999, Unione provinciale degli agricoltori di Firenze e.a./Commissie (T‑78/98, Jurispr. blz. II‑1377, punt 36).
59 – Zie in die zin analyse van Cassia, P., op. cit., punten 1226 e.v.
60 – Arrest Hof van 7 december 1993, Federmineraria e.a./Commissie (C‑6/92, Jurispr. blz. I‑6357, punt 17); arrest Gerecht van 6 juli 1995, AITEC e.a./Commissie (T‑447/93–T‑449/93, Jurispr. blz. II‑1971, punt 62); beschikking Gerecht van 30 september 1997, Federolio/Commissie (T‑122/96, Jurispr. blz. II‑1559, punt 61), en arrest Gerecht van 29 september 2000, CETM/Commissie (T‑55/99, Jurispr. blz. II‑3207, punten 23 en 24).
61 – Arresten van 2 februari 1988, Kwekerij van der Kooy e.a./Commissie (67/85, 68/85 en 70/85, Jurispr. blz. 219, punten 21‑24), en 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie (C‑313/90, Jurispr. blz. I‑1125, punten 28‑30).
62 – Arrest van 15 mei 2003, Pitsiorlas/Raad en BCE (C‑193/01 P, Jurispr. blz. I‑4837).
Full & Egal Universal Law Academy