CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 27 november 2007 (1)
Zaak C‑390/06
Nuova Agricast Srl
tegen
Ministero delle Attività Produttive
[Verzoek van het Tribunale ordinario di Roma (Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Geldigheid van een beschikking van de Commissie waarbij een in de Italiaanse wetgeving voorziene regeling van steun voor investeringen in achtergebleven gebieden van Italië, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard”
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van beschikking SG(2000) D/105754 van 12 juli 2000 waarbij een regeling van steun voor investeringen in achtergebleven gebieden van Italië verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard(2) (hierna: „bestreden beschikking”).
2. Het verzoek is gedaan in het kader van een vordering tot schadevergoeding die door de Italiaanse onderneming Nuova Agricast Srl is ingesteld tegen de Italiaanse Staat. Nuova Agricast stelt in wezen dat zij, wegens het feit dat zij geen begunstigde kan zijn van een door de Commissie in de bestreden beschikking goedgekeurde steunmaatregel, schade heeft geleden en wil zien vastgesteld in hoeverre de Italiaanse autoriteiten hiervoor aansprakelijk kunnen worden gesteld.
I – Relevant nationaal recht
A – Oude steunregeling
3. In wet nr. 488 van 19 december 1992(3) (hierna: „wet nr. 488/92”) heeft de Italiaanse wetgever financiële maatregelen vastgesteld, die ondernemingen ertoe moesten bewegen in achtergebleven gebieden van het land bepaalde productieve activiteiten te ontplooien.
4. Bij beschikking van 21 mei 1997(4) (hierna: „beschikking van 1997”) heeft de Commissie besloten, tot en met 31 december 1999 geen bezwaar te maken tegen de op wet nr. 488/92 en verschillende krachtens die wet vastgestelde voorschriften gebaseerde staatssteunregeling.(5)
5. De bij de beschikking van 1997 goedgekeurde steunregeling (hierna: „oude steunregeling”) had de volgende hoofdkenmerken:
a) De financiële middelen van elk jaar werden verdeeld in twee gelijke delen en toegekend door middel van twee inschrijvingsprocedures. Op basis van de beschikbare kredieten voor het jaar waarop de middelen betrekking hadden, konden de regels voor de verdeling van de fondsen bij ministerieel besluit worden gewijzigd en kon met name worden voorzien in verdeling van de fondsen op basis van één enkele inschrijvingsprocedure.
b) De in een inschrijvingsprocedure ingediende aanvragen werden getoetst door bevoegde kredietinstellingen, die daaraan punten toekenden op basis van wettelijke criteria (in het Italiaans „indicatori”; hierna: „indicatoren”).
c) Vervolgens stelde het bevoegde ministerie regionale ranglijsten op van de aanvragen op basis van de bij dit onderzoek verkregen punten en kende het de steun aan de aanvragers toe in afdalende orde, te beginnen met de eerste, totdat de voor elke ranglijst beschikbare fondsen waren uitgeput.
d) Voor steun in aanmerking kwamen uitgaven die werden gedaan vanaf de dag na de sluitingstermijn van de inschrijvingsprocedure waarop de aanvraag betrekking had.(6)
e) Ondernemingen waarvan de aanvragen op een regionale lijst waren geplaatst, maar die geen subsidies kregen omdat de kredieten ontoereikend waren voor het totaalbedrag van de aangevraagde subsidies, konden ofwel hetzelfde project éénmaal opnieuw indienen bij de eerstvolgende geschikte inschrijvingsprocedure, zonder de relevante indicatoren voor de beoordeling van het project te wijzigen (de zogenoemde „automatische deelneming”), ofwel afzien van „automatische deelneming” en hetzelfde project opnieuw indienen mét wijziging van een aantal beoordelingsindicatoren om de aanvraag concurrerender te maken en plaatsing op de ranglijst van de eerstvolgende „geschikte inschrijvingsprocedure”(7) te verkrijgen (de zogenoemde „herziening” van de aanvraag). In beide gevallen golden dezelfde voorwaarden voor de inaanmerkingneming van de uitgaven als bij de oorspronkelijke aanvraag, dit wil zeggen dat de steun ook werd toegekend voor uitgaven die reeds op de datum van de eerste aanvraag waren gedaan.
B – Nieuwe steunregeling
6. Op 18 november 1999 meldden de Italiaanse autoriteiten een door hen op grond van wet nr. 488 van 19 december 1992 vastgestelde steunregeling aan bij de Commissie.(8) De steunregeling was in feite een verlenging van de oude steunregeling, met wijzigingen, vanaf 1 januari 2000.
7. Na aanpassing van de regeling door de Italiaanse autoriteiten gaf de Commissie op 12 juli 2000 de bestreden beschikking, waarin zij verklaarde geen bezwaar te zullen maken tegen de aangemelde steunregeling tot en met 31 december 2006.
8. De bestreden beschikking bevat een overgangsbepaling die luidt als volgt:
„Enkel bij de eerste toepassing van de betrokken regeling, dat wil zeggen bij de eerste inschrijvingsprocedure die volgens deze regeling wordt georganiseerd – met dien verstande dat de steunaanvragen in elk geval vóór de aanvang van de uitvoering van het investeringsproject moeten worden ingediend – worden bij uitzondering de aanvragen toegelaten die zijn ingediend bij de laatste inschrijvingsprocedure onder de vorige door de Commissie tot 31 december 1999 goedgekeurde regeling en die als voor steun in aanmerking zijn beschouwd, maar niet zijn ingewilligd wegens de ontoereikendheid van de voor deze procedure beschikbare middelen.”
9. In Italië werd in vervolg op de bestreden beschikking het besluit van 14 juli 2000(9) van het Ministero dell’Industria, Commercio e d’Artigianato (ministerie van Industrie, Handel en Ambacht; hierna: „MICA”), alsook circulaire nr. 900315 van 14 juli 2000(10) vastgesteld, met nadere regels voor de toepassing van de bij de bestreden beschikking goedgekeurde steunregeling (hierna: „nieuwe steunregeling”).
10. Volgens deze nationale regels kon steun worden verleend voor de „uitgaven die [waren] aanvaard voor projecten die tijdens de laatste geschikte inschrijvingsprocedure met gunstig resultaat [waren] onderzocht, maar die niet [waren] gesubsidieerd bij gebreke van financiële middelen”.
II – De feiten
11. Nuova Agricast had onder de oude steunregeling een steunaanvraag ingediend naar aanleiding van de derde geschikte inschrijvingsprocedure, die het eerste semester van 1998 betrof. Haar aanvraag was opgenomen op de regionale ranglijst van Puglia, goedgekeurd bij besluit van het MICA van 14 augustus 1998.
12. Vanwege haar plaats op de regionale ranglijst en de ontoereikendheid van de beschikbare middelen ontving zij de gevraagde steun niet.
13. Een vierde inschrijvingsprocedure werd gepubliceerd met betrekking tot het tweede semester van 1998. Nuova Agricast besloot geen gebruik te maken van haar recht op automatische deelneming aan die procedure, maar op de volgende geschikte procedure te wachten om haar aanvraag in gewijzigde vorm in te dienen.
14. Vóór 31 december 1999, de datum waarop de goedkeuring van de Commissie van de oude steunregeling eindigde, werd geen geschikte inschrijvingsprocedure meer gepubliceerd. De eerstvolgende geschikte inschrijvingsprocedure waarin Nuova Agricast eindelijk haar herziene aanvraag kon indienen, werd pas gepubliceerd op 14 juli 2000, toen de nieuwe steunregeling reeds van kracht was geworden.
15. De nieuwe, bij de bestreden beschikking goedgekeurde steunregeling handhaafde echter niet de steunvoorwaarden die nog voor de beoordeling van de in de oorspronkelijke aanvraag van Nuova Agricast genoemde uitgaven hadden gegolden. Haar herziene aanvraag werd afgewezen en bijgevolg niet in de relevante regionale lijst opgenomen.
III – Procedure voor de nationale rechter en prejudiciële vraag
16. Nuova Agricast heeft bij het Tribunale ordinario di Roma (rechtbank te Rome, Italië) een vordering ingesteld tegen het bevoegde Italiaanse ministerie (Ministero delle Attività Produttive, dat de bevoegdheden van het MICA heeft overgenomen) tot vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden ten gevolge van het niet-betalen van de door haar aangevraagde staatssteun.
17. Nuova Agricast stelt zich dienaangaande op het standpunt dat de Italiaanse autoriteiten bij de vaststelling van de nieuwe steunregeling onvoldoende rekening hebben gehouden met de belangen van ondernemingen als Nuova Agricast, die afstand hadden gedaan van hun recht op automatische deelneming aan de vierde inschrijvingsprocedure teneinde bij de volgende geschikte inschrijvingsprocedure, met enkele wijzigingen van de „beoordelingsindicatoren”, het in essentie zelfde project opnieuw in te dienen, maar dat niet konden doen omdat de vierde inschrijvingsprocedure onder de oude steunregeling de laatste geschikte bekendmaking was geweest voor de betrokken economische sector.
18. Blijkens de verwijzingsbeschikking waren er na het verstrijken van de goedkeuring voor de oude steunregeling drie categorieën ondernemingen: i) ondernemingen als Nuova Agricast, waarvan de aanvraag op een van de regionale lijsten van de derde inschrijvingsprocedure was opgenomen en die hadden afgezien van hun recht op automatische deelneming aan de vierde procedure om bij de volgende geschikte inschrijvingsprocedure een herziene aanvraag in te dienen („ondernemingen van de eerste categorie”); ii) ondernemingen die de eerste aanvraag bij de vierde procedure hadden ingediend en waarvan de aanvragen in de regionale lijsten met betrekking tot die procedure waren opgenomen, maar die de gevraagde steun niet hadden ontvangen wegens ontoereikendheid van de financiële middelen; deze ondernemingen vallen onder de in de bestreden beschikking omschreven overgangsbepaling („ondernemingen van de tweede categorie”), en iii) ondernemingen die nog geen aanvraag hadden ingediend, hoewel zij reeds met de uitvoering van hun investeringsproject waren begonnen („ondernemingen van de derde categorie”).
19. Volgens de nationale rechter heeft de Italiaanse staat kennelijk verzuimd de Commissie erop te attenderen, dat ondernemingen van de eerste categorie onder de oude steunregeling rechten hadden verworven. Onder de nieuwe steunregeling konden alleen uitgaven die na de steunaanvraag waren verricht, in aanmerking worden genomen. Een tijdelijke en uitzonderlijke afwijking gold enkel voor de aanvragen die in de vierde en laatste inschrijvingsprocedure onder de oude regeling waren ingediend. De verwijzende rechter stelt dat de bestreden beschikking door haar restrictieve benadering het gewettigd vertrouwen van de ondernemingen van de eerste categorie heeft geschonden.
20. De verwijzende rechter meent dat hij voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Italiaanse autoriteiten moet vaststellen of een oorzakelijk verband bestaat tussen de gestelde onrechtmatige gedraging van de Italiaanse Staat en de schade die Nuova Agricast zou hebben geleden.
21. Volgens de verwijzende rechter is de bestreden beschikking van invloed op dit oorzakelijke verband, daar zij een schakel vormt tussen de gedraging die Nuova Agricast de Italiaanse autoriteiten verwijt, en de door Nuova Agricast geleden schade. Naar zijn mening moet daarom worden bepaald in hoeverre het gedrag van de Italiaanse autoriteiten de beschikking van de Commissie heeft beïnvloed. Daartoe moet zijns inziens worden vastgesteld of de in de bestreden beschikking vervatte overgangsbepaling ongeldig is wegens strijd met de regels en beginselen van het gemeenschapsrecht.
22. Aangezien de ondernemingen van de eerste en de tweede categorie zich in een vergelijkbare rechtssituatie bevinden, maar op grond van de overgangsbepaling ten aanzien van hun mogelijke inaanmerkingneming voor de nieuwe steunregeling verschillend worden behandeld, wenst de verwijzende rechter allereerst te vernemen of de overgangsbepaling het beginsel van gelijke behandeling schendt.
23. De verwijzende rechter heeft voorts ook twijfels over de geldigheid van de overgangsbepaling, omdat deze niet zou voldoen aan de motiveringsplicht met betrekking tot de uitsluiting van de ondernemingen van de eerste categorie.
24. Het Tribunale ordinario di Roma heeft daarom op 14 juni 2006 besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Is de beschikking van de Commissie van 12 juli 2000, die aan de Italiaanse regering is meegedeeld bij schrijven SG(2000) D/105754 van 2 augustus 2000, geldig wat de overgangsbepaling aangaat, die – bij de eerste toepassing van de betrokken regeling – voorziet in een uitzonderlijke afwijking van het beginsel van ‚de noodzaak van de steun’ met betrekking tot enkel die aanvragen ‚die waren ingediend bij de laatste inschrijvingsprocedure die op basis van de vorige regeling had plaatsgevonden en door de Commissie tot 31 december 1999 was goedgekeurd, en als voor steun in aanmerking komend waren beschouwd, maar niet waren ingewilligd wegens ontoereikendheid van de voor deze procedure beschikbare middelen’, waardoor in strijd met het beginsel van gelijke behandeling en de motiveringsplicht van artikel 253 EG op ongerechtvaardigde wijze voorbij wordt gegaan aan de bij de vorige inschrijvingsprocedures ingediende aanvragen, die niet waren ingewilligd bij gebreke van financiële middelen en bij de eerstvolgende inschrijvingsprocedure automatisch in aanmerking zouden worden genomen of in herziene vorm opnieuw zouden worden ingediend in de eerstvolgende ‚geschikte’ inschrijvingsprocedure volgens de nieuwe regeling?”
IV – Samenhangende procedures voor de gemeenschapsrechter
25. Naast de vordering in het hoofdgeding voor het Tribunale ordinario di Roma heeft Nuova Agricast twee beroepen ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg.
26. Op 15 maart 2004 hebben Nuova Agricast Srl e.a. een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Gerecht. Bij beschikking van 15 juni 2005, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond dat het niet tijdig was ingesteld.(11)
27. Daarnaast heeft Nuova Agricast bij het Gerecht een vordering tot schadevergoeding ingesteld.(12) Deze vordering strekt tot vergoeding van de schade die zij ten gevolge van de vaststelling van de bestreden beschikking zou hebben geleden. Het beroep, dat nog aanhangig is, betreft in zekere zin dezelfde schade als die welke voorwerp is van het hoofdgeding.
V – Procesverloop voor het Hof
28. Het Hof heeft opmerkingen ontvangen van Nuova Agricast, de Commissie, en de Italiaanse regering. Op 11 september 2007 heeft een mondelinge behandeling plaatsgehad.
VI – Argumenten van partijen
A – Nuova Agricast
29. Nuova Agricast merkt op dat de vragen van de verwijzende rechter over de geldigheid van de bestreden beschikking wat het beginsel van gelijke behandeling aangaat, zijn gebaseerd op de premisse dat de ondernemingen van de eerste categorie erop mochten vertrouwen dat hun herziene aanvraag werd opgenomen in de lijst van de volgende geschikte inschrijvingsprocedure, zijnde de eerste krachtens de nieuwe steunregeling.
30. Teneinde de geldigheid van deze premisse vast te stellen, dient het Hof daarom allereerst te bepalen of de oude steunregeling, die bij de beschikking van 1997 was goedgekeurd, ten gunste van de ondernemingen van de eerste categorie een door het gemeenschapsrecht beschermd recht in het leven heeft geroepen om ook na het verstrijken van de periode waarvoor de oude regeling was goedgekeurd, steun te ontvangen. In dit verband stelt Nuova Agricast zich op het standpunt dat de Commissie met de goedkeuring van de oude regeling heeft erkend, dat ondernemingen van de eerste categorie een wettelijk beschermd recht hadden om hun aanvraag voor de volgende geschikte inschrijvingsprocedure te herzien, waarbij, wat de reeds gedane uitgaven betreft, de steunvoorwaarden bleven gelden die op de oorspronkelijke aanvraag van toepassing waren. Dit recht ging niet zonder meer teniet na afloop van de goedkeuring van de oude steunregeling.
31. Wat een eventuele schending van het beginsel van gelijke behandeling betreft, is Nuova Agricast van mening dat de ondernemingen van de eerste en de tweede categorie zich in een vergelijkbare situatie bevinden, daar zij alle recht op deelname aan de eerste geschikte inschrijvingsprocedure krachtens de nieuwe steunregeling hadden verworven. Zij hadden daarom alle op dezelfde basis als begunstigden in aanmerking moeten worden genomen door de overgangsbepaling van de bestreden beschikking.
32. Ten aanzien van de motiveringsplicht van de Commissie volgens artikel 253 EG stelt Nuova Agricast dat in de bestreden beschikking niet is aangegeven waarom de door de ondernemingen van de eerste categorie krachtens de oude steunregeling verworven wettelijke bescherming werd opgeheven. Een bepaling die een aanzienlijk aantal ondernemingen schade van een dergelijke omvang berokkent, vereist een specifieke motivering.
B – Italiaanse regering
33. In de eerste plaats is de Italiaanse regering van mening dat de bestreden beschikking niet het beginsel van gelijke behandeling schendt, omdat de ondernemingen van de eerste en de tweede categorie zich niet in dezelfde situatie bevinden. De Italiaanse bestuursrechter heeft bevestigd dat de ondernemingen van de eerste categorie geen beroep op een gewettigd vertrouwen konden doen wat betreft de mogelijkheid om een steunaanvraag krachtens de nieuwe steunregeling in te dienen tegen de voorwaarden die golden voor onder de oude regeling gepubliceerde inschrijvingsprocedures.
34. In de tweede plaats is de bestreden beschikking toereikend gemotiveerd, gelet op de briefwisseling tussen Italië en de Commissie tijdens de inleidende fase van het onderzoek van de aangemelde steunregeling, waarin de redenen voor de overgangsbepaling zijn gepreciseerd. Bovendien kan volgens de rechtspraak van het Hof voor een handeling met een algemene strekking die op een groot aantal situaties van toepassing is, de motivering worden beperkt tot een beschrijving van de algemene situatie die tot de vaststelling ervan heeft geleid, en van haar algemene doelstellingen.
C – Commissie
35. De Commissie zet om te beginnen vraagtekens bij de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag. De vraag naar de geldigheid van de bestreden beschikking houdt klaarblijkelijk geen verband met een vordering tot schadevergoeding tegen de Italiaanse staat en is absoluut niet noodzakelijk voor de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geschil.
36. Wat de grond van de zaak betreft, stelt de Commissie in de eerste plaats dat een beschikking waarbij zij een steunregeling voor een bepaalde periode goedkeurt, geen enkele verwachting kan wekken en evenmin kan leiden tot een wettelijk beschermd recht met betrekking tot de mogelijke toekenning en ontvangst van steun nadat de goedkeuring van de regeling is verstreken. Wanneer de Commissie dus een aangemelde nieuwe regeling onderzoekt die in feite de verlenging is van een eerder goedgekeurde steunregeling, is zij niet gehouden om in de goedkeuring van de nieuwe regeling te voorzien in een overgangsregeling die bepaalde ondernemingen die onder de vorige regeling rechten zouden hebben verworven, na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling in staat stelt steun te blijven ontvangen op basis van de oude regeling.
37. De Commissie merkt op dat het de lidstaat is die een steunregeling aanmeldt, en dat zij de regeling niet kan wijzigen. Na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure kan de Commissie voorwaarden stellen, maar ook dan heeft de lidstaat het recht om deze voorwaarden niet toe te passen door de steunregeling in te trekken. Komt de Commissie tot de conclusie dat de criteria voor toekenning van de steun strijdig zijn met andere bepalingen van het Verdrag, waardoor de steunregeling onverenigbaar zou zijn met de gemeenschappelijke markt, dan kan zij de steun enkel onverenigbaar verklaren; zij kan die onverenigbaarheid echter niet verhelpen door, bijvoorbeeld, de groep van krachtens de regeling begunstigden te wijzigen.
38. Wat de gestelde schending van het beginsel van gelijke behandeling betreft, stelt de Commissie ten eerste dat de Italiaanse autoriteiten vrijwillig voor vaststelling van de betrokken overgangsbepaling hebben gekozen. Nu de Commissie enkel de keuze van de Italiaanse staat heeft bevestigd en de aangemelde steunregeling in haar geheel heeft goedgekeurd, schendt de bestreden beschikking bijgevolg niet het beginsel van gelijke behandeling van de verschillende categorieën van ondernemingen.
39. In de tweede plaats herinnert de Commissie eraan dat volgens vaste rechtspraak de rechtmatigheid van een staatssteunbeschikking moet worden beoordeeld aan de hand van de informatie waarover de Commissie beschikte op het moment dat zij de beschikking gaf. In het onderhavige geval hebben de Italiaanse autoriteiten de bijzondere situatie van de ondernemingen van de eerste categorie niet vermeld, zodat het feit dat de overgangsbepaling niet specifiek in de inaanmerkingneming van deze ondernemingen voorziet, niet tot de ongeldigheid van de bestreden besschikking kan leiden.
40. In de derde plaats is de Commissie van mening dat het beginsel van gelijke behandeling hoe dan ook niet geschonden is, aangezien de ondernemingen van de eerste en de tweede categorie zich niet in dezelfde situatie bevinden.
41. Wat de gestelde schending van de motiveringsplicht van artikel 253 EG betreft, stelt de Commissie dat er geen motivering vereist was met betrekking tot de situatie van de ondernemingen van de eerste categorie, omdat de nationale autoriteiten die situatie niet bij haar ter sprake hadden gebracht. Bovendien is de overgangsbepaling het gevolg van de vrije keuze van de Italiaanse Staat, de adressaat van de bestreden beschikking.
VII – Beoordeling
A – Ontvankelijkheid
42. Het is vaste rechtspraak dat in het kader van de door artikel 234 EG tot stand gebrachte samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties het uitsluitend de zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis, als de relevantie van de aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden.(13)
43. Het Hof heeft echter ook erop gewezen dat het in uitzonderlijke gevallen, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek kan instellen naar de omstandigheden waaronder de nationale rechter hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht. Het Hof kan slechts weigeren een uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke of juridische gegevens die het nodig heeft om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.(14)
44. De verwijzende rechter wil in het hoofdgeding vaststellen of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het mogelijk onrechtmatig handelen van de Italiaanse autoriteiten tijdens het vooronderzoek van de nieuwe steunregeling door de Commissie, en de schade – te weten de niet-betaling van steun – die Nuova Agricast stelt te hebben geleden ten gevolge van de draagwijdte van de overgangsbepaling van de bestreden beschikking.
45. De verwijzende rechter lijkt met zijn prejudiciële vraag in wezen te willen vernemen of de bestreden beschikking, door geen rekening te houden met de situatie van ondernemingen van de eerste categorie, ook al is dit verzuim te wijten aan een gebrek aan nauwkeurige informatie door de Italiaanse autoriteiten, dermate gebrekkig is dat daaruit haar ongeldigheid volgt. Een antwoord op die vraag zou, dunkt mij, bijdragen aan de afbakening van de aansprakelijkheid van de Italiaanse autoriteiten met betrekking tot de vaststelling van de bestreden beschikking.
46. De vraag van de nationale rechter omtrent de geldigheid van de bestreden beschikking van de Commissie is derhalve niet klaarblijkelijk zonder verband met het voorwerp van het hoofdgeding, zodat de exceptie van niet-ontvankelijkheid dienaangaande moet worden verworpen.
47. Een tweede ontvankelijkheidskwestie betreft het feit dat Nuova Agricast reeds beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking heeft ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen. Het Gerecht heeft zoals gezegd dat beroep in zijn beschikking Nuova Agricast e.a. niet-ontvankelijk verklaard omdat het tardief was.(15) Gelet op de rechtspraak van het Hof in het arrest TWD Textilwerke Deggendorf(16) moet worden nagegaan of het beroep tot nietigverklaring van Nuova Agricast niet-ontvankelijk is verklaard louter omdat het na de voorgeschreven beroepstermijnen was ingesteld, in welk geval het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van de bestreden beschikking van de Commissie niet-ontvankelijk zou zijn.
48. In de omstandigheden die hebben geleid tot het arrest in de zaak TWD Textilwerke Deggendorf, was het duidelijk dat een beroep tot nietigverklaring van de betrokken beschikking binnen de termijn van artikel 230 EG ontvankelijk zou zijn geweest.(17) In casu daarentegen betreft de bestreden beschikking, die tot de Italiaanse Republiek was gericht, een steunregeling voor algemeen omschreven categorieën van personen en niet voor uitdrukkelijk genoemde begunstigden. Bovendien heeft het Gerecht uitgemaakt dat verzoekers, die enkel als derden betrokken zijn geweest bij het vooronderzoek, niet individueel kunnen worden geraakt door een goedkeuringsbeschikking.(18) Het lijkt daarom twijfelachtig dat Nuova Agricast bevoegd zou zijn geweest om een beroep krachtens artikel 230 EG tegen de bestreden beschikking in te stellen.
49. In tegenstelling tot de omstandigheden in de zaak TWD Textilwerke Deggendorf staat derhalve niet vast dat het beroep tot nietigverklaring van Nuova Agricast ontvankelijk zou zijn geweest indien het binnen de in artikel 230 EG bepaalde termijn was ingesteld.
50. Ik ben daarom van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
B – Ten gronde
51. Gelet op de door de verwijzende rechter verstrekte informatie wenst deze in wezen te vernemen of de beschikking van de Commissie, door geen rekening te houden met de situatie van ondernemingen van de eerste categorie, ongeldig kan zijn wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling en van de motiveringsplicht ingevolge artikel 253 EG.
52. Voor de beoordeling van deze vraag zal ik eerst kort ingaan op de aard van de steun en de beschikking waar het in casu om gaat, evenals de omvang van de rechterlijke toetsing die het Hof in dat verband mag verrichten.
1. Bepaling van de aard van de betrokken steun en beschikking
53. Volgens artikel 87, lid 1, EG zijn steunmaatregelen van de staten in het algemeen verboden in de Gemeenschap. Uitzonderingen op dit beginsel zijn voorzien in artikel 87, lid 2, EG, volgens hetwelk bepaalde steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, en in artikel 87, lid 3, EG, volgens hetwelk nog een beperkt aantal andere categorieën steunmaatregelen als verenigbaar kan worden beschouwd.
54. Volgens vaste rechtspraak van het Hof valt de beoordeling van de verenigbaarheid van steunmaatregelen of van een steunregeling met de gemeenschappelijke markt onder de exclusieve bevoegdheid van de Commissie, die daarbij onder toezicht van het Hof staat.(19)
55. Met het oog op de toetsing van de verenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt wordt de Commissie volgens de eerste volzin van artikel 88, lid 3, EG van elke „nieuwe steunmaatregel” op de hoogte gebracht voordat een dergelijke voorgenomen maatregel tot uitvoering wordt gebracht. „Nieuwe steun” omvat de maatregelen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen, met dien verstande dat de wijzigingen betrekking kunnen hebben op bestaande steunmaatregelen of op bij de Commissie aangemelde ontwerpen.(20) In het onderhavige geval gaat het om nieuwe steun, nu het een wijziging betreft van een eerdere steunregeling waarvan de goedkeuring op 31 december 1999 was verstreken.
56. Ook moet worden opgemerkt dat de maatregel waarom het in de bestreden beschikking gaat, een steunregeling is en geen individuele steunmaatregel. Door gebruik te maken van steunregelingen behoeven de lidstaten slechts één keer de goedkeuring van de Commissie, op basis van de algemene kenmerken van de regeling.(21)
57. De bestreden beschikking is een „beschikking om geen bezwaar te maken”(22), die derhalve door de Commissie is gegeven zonder inleiding van de formele onderzoeksprocedure.(23)
2. Rechterlijk toezicht door het Hof op beschikkingen inzake staatssteun
58. Volgens de rechtspraak van het Hof beschikt de Commissie in het kader van artikel 88, lid 3, EG over een ruime beoordelingsvrijheid, waarvan de uitoefening een afweging van economische en sociale gegevens impliceert, die dient te geschieden in een communautair kader.(24)
59. Bij de toetsing van de wettigheid van een beschikking van de Commissie inzake staatssteun dient het Hof zich derhalve te beperken tot het onderzoek, of de Commissie de aan haar beoordelingsvrijheid inherente grenzen niet heeft overschreden door een vertekening of een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten of door misbruik van bevoegdheid of procedure.(25) Dit houdt tevens in, dat het Hof zijn beoordeling van de verenigbaarheid van de steun niet in de plaats kan stellen van die van de Commissie.(26)
3. De gestelde schending van het beginsel van gelijke behandeling
60. De eerste grond die voor de ongeldigheid van de beschikking is aangevoerd, werpt in wezen de vraag op of de beschikking van de Commissie wellicht ongeldig is wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling van de ondernemingen van de eerste en de tweede categorie wat de werkingssfeer van haar overgangsbepaling betreft.
61. De bevoegdheid van de Commissie op het gebied van staatssteun beperkt zich tot het onderzoek of staatssteun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Wat de omvang van dit onderzoek aangaat, is het vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 87 EG niet mag worden benut om de werking van andere verdragsbepalingen te doorkruisen.(27) De Commissie is derhalve bevoegd om mogelijke schendingen van andere verdragsbepalingen en fundamentele beginselen in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel van de staat met de gemeenschappelijke markt.(28) Een van die beginselen is het beginsel van gelijke behandeling.(29)
62. Hoewel de Commissie dus bevoegd is om de verenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt te toetsen, formuleert of ontwerpt zij zelf geen steunregelingen en kent zij evenmin steun toe. Bovendien kan de Commissie een lidstaat niet verplichten om staatssteun te betalen. Zij kan een lidstaat enkel verbieden steun te betalen die zij onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt acht. De lidstaat fourneert de financiële middelen voor de steun, stelt de regeling op en meldt deze aan bij de Commissie. De lidstaat behoudt het recht om de aanmelding van de steunregeling in te trekken en die steunregeling niet ten uitvoer te leggen.
63. Bijgevolg is het de lidstaat die een eventuele overgangsbepaling in een aangemelde steunregeling voorstelt, als onderdeel van de steunregeling die hij ter goedkeuring bij de Commissie aanmeldt. En een dergelijke overgangsbepaling vormt voor de Commissie dus een onderdeel van de steunregeling, wanneer zij de regeling in haar geheel op de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt toetst.
64. Uit de beslissing van het Gerecht in een zaak die met de onderhavige verband houdt, valt af te leiden dat de formulering van de overgangsbepaling in de bestreden beschikking het resultaat was van de vrije keuze van de Italiaanse autoriteiten.(30) Totdat de formele onderzoeksprocedure is ingeleid, is de Commissie niet bevoegd een lidstaat te verplichten om een steunregeling te wijzigen. Tijdens de informele procedure kan de Commissie slechts een beschikking van geen bezwaar geven, dan wel besluiten de formele onderzoeksprocedure in te leiden.(31)
65. De vraag is derhalve of de Commissie in casu haar bevoegdheid heeft overschreden doordat zij de nieuwe steunregeling na het vooronderzoek, ondanks de uitsluiting van de ondernemingen van de eerste categorie van de werkingssfeer van de overgangsbepaling van de bestreden beschikking, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft geoordeeld en dientengevolge niet de formele onderzoeksprocedure heeft ingeleid.
66. Om te beginnen is er naar mijn mening een formele reden waarom dit niet het geval was. In feite wijst niets erop dat de Commissie zich bewust was van het bestaan, althans van de specifieke situatie van de ondernemingen van de eerste categorie, waartoe Nuova Agricast behoort.
67. Volgens vaste rechtspraak moet de geldigheid van een Commissiebeschikking inzake staatssteun worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie kon beschikken op het ogenblik waarop zij haar beschikking gaf.(32) Voor het onderhavige geval zou dit betekenen dat de Commissie geen rekening behoefde te houden met de situatie van Nuova Agricast en de andere ondernemingen van de eerste categorie.
68. Alvorens deze conclusie te trekken, moet echter worden opgemerkt dat deze rechtspraak is ontwikkeld en toegepast in gevallen waarin de Commissie de bestreden beschikking had gegeven na een formele onderzoeksprocedure. Deze benadering lijkt voor dergelijke beschikkingen gerechtvaardigd, omdat de „belanghebbenden” als bedoeld in artikel 88, lid 2, EG de gelegenheid hebben de Commissie alle relevante informatie te verschaffen, ook al hebben sommigen van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.(33) Deze belanghebbenden zijn dus in belangrijke mate verantwoordelijk voor de informatie waarover de Commissie kon beschikken op het moment waarop zij haar beschikking gaf. Indien die „belanghebbenden” in een latere fase aanvoeren dat de beschikking van de Commissie ongeldig is, kunnen zij logischerwijs de geldigheid van die beschikking alleen ter discussie stellen op basis van de informatie waarover de Commissie bij de vaststelling ervan kon beschikken.
69. Dit is anders in het geval van een beschikking om geen bezwaar te maken tegen een steunregeling en het vooronderzoek van een steunmaatregel zonder formele onderzoeksprocedure af te sluiten. Een dergelijke beschikking komt in beginsel(34) tot stand op basis van de door de lidstaat verstrekte inlichtingen. De procedure stelt derden niet formeel in de gelegenheid om te interveniëren en de Commissie inlichtingen te verstrekken die zij bij haar beoordeling van de verenigbaarheid van de aangemelde steun met de gemeenschappelijke markt in aanmerking kan nemen. Ondernemingen, bijvoorbeeld potentieel begunstigden van de steunmaatregel of hun concurrenten, hoeven zich niet eens bewust te zijn van de aanmelding van een steunregeling die mogelijk voor hen van belang is, daar de Commissie alleen verplicht is een kennisgeving van de goedkeuringsaanvraag te publiceren wanneer zij de formele onderzoeksperiode inleidt.(35) Wanneer de Commissie derhalve een beschikking van geen bezwaar geeft, is de mededeling over deze beschikking de eerste handeling die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt gepubliceerd.
70. Niettemin ben ik van mening dat de Commissie moet kunnen uitgaan van de informatie die beschikbaar is op het moment waarop zij de beschikking geeft, ook wanneer een partij die niet bij het vooronderzoek betrokken was, zoals Nuova Agricast in het onderhavige geval, een beschikking van geen bezwaar aanvecht.
71. Uit het primaire en het afgeleide recht, in het bijzonder verordening nr. 659/1999, volgt onmiskenbaar dat het vooronderzoek een zaak is tussen de Commissie en de betrokken lidstaat.(36) De Commissie heeft bijgevolg geen bevoegdheden om op zoek te gaan naar andere informatie dan die welke met name de betrokken lidstaat haar tijdens het vooronderzoek heeft verstrekt. Deze beperking van de bevoegdheden van de Commissie impliceert noodzakelijkerwijs dat de wettigheid van haar beslissingen niet kan worden aangevochten op basis van andere informatie dan die waarover zij beschikte op het moment waarop zij ze vaststelde. Bovendien, indien derden de geldigheid van beschikkingen van de Commissie zouden kunnen aanvechten op grond van andere informatie dan die waarover zij bij de vaststelling ervan beschikte, zou de Commissie naar alle waarschijnlijkheid een dergelijk risico vermijden door systematisch de formele onderzoeksprocedure in te leiden en zo alle „belanghebbenden” in de zin van artikel 88, lid 2, EG in staat stellen relevante inlichtingen te verstrekken. Dit resultaat is evenwel moeilijk te rijmen met de tweefasenprocedure voor de controle van staatssteun, zoals thans voorzien in het EG-Verdrag en verordening nr. 659/1999.
72. De geldigheid van een beschikking van geen bezwaar door de Commissie moet dan ook worden beoordeeld op basis van de informatie waarover de Commissie beschikte op het moment waarop zij die beschikking gaf.
73. Daar in casu uit niets blijkt dat de Commissie op de hoogte was gesteld van de specifieke situatie van de ondernemingen van de eerste categorie, kan de bestreden beschikking niet ongeldig worden geacht wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling wat betreft rechten die deze ondernemingen zouden hebben verworven.
74. In ieder geval kan de Commissie zich volgens vaste rechtspraak bij het onderzoek van de verenigbaarheid van een steunregeling met de gemeenschappelijke markt ertoe beperken de algemene kenmerken van die regeling te toetsen, zonder dat zij elk afzonderlijk geval waarin die wordt toegepast hoeft te onderzoeken.(37)
75. Bovendien is het voorliggende geval niet een van de uitzonderlijke gevallen waarin de Commissie verplicht kan zijn om in haar beschikking inzake staatsteun een overgangsbepaling op te nemen en ervoor te zorgen dat deze bepaling voldoet aan het beginsel van gelijke behandeling. Van die verplichting kan alleen sprake zijn in zeer specifieke omstandigheden, wanneer onder meer gedragingen van de Commissie in het verleden een gewettigd vertrouwen hebben gewekt dat moet worden beschermd.(38)
76. In het voorliggende geval heeft de Commissie zich evenwel nimmer zodanig gedragen dat een gewettigd vertrouwen kon ontstaan, dat de oude steunregeling, die op 31 december 1999 eindigde, na die datum haar werking zou behouden.
77. De goedkeuring van de oude steunregeling, die in de tijd was beperkt en op 31 december 1999 eindigde, is naar haar aard geen handeling die een dergelijk gewettigd vertrouwen kan doen ontstaan. De regel dat uitzonderingen op het algemene verbod van staatssteun strikt moeten worden uitgelegd, verzet zich ertegen dat de werking in de tijd van een goedgekeurde steunregeling wordt uitgebreid.(39) Bovendien, indien op rechten die men onder een eerdere steunregeling zou hebben verworven, een beroep kon worden gedaan nadat de goedkeuring is verstreken, zou dit afbreuk doen aan het eigenlijke doel van in de tijd beperkte goedkeuringen, die een wijziging van de beoordeling van staatssteun in het licht van veranderende economische omstandigheden mogelijk maken.
78. Het gewettigd vertrouwen kan niet tegen de Commissie worden ingeroepen op grond dat zij het beginsel inzake de „noodzaak van de steun” toepast, dat onder meer impliceert dat de steunaanvraag doorgaans moet worden gedaan voordat met de activiteit waarop de steun betrekking heeft een aanvang wordt genomen. Dit beginsel wordt door de Commissie toegepast als algemene regel bij de beoordeling van de verenigbaarheid van steun.(40) In tegenstelling tot wat de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeschikking lijkt te stellen, is dit beginsel niet eerst toegepast na de introductie ervan in de richtsnoeren van de Commissie inzake regionale steunmaatregelen in 1998.(41) Dit volstaat derhalve voor afwijzing van het argument dat de vermeende „plotse” toepassing van dit beginsel een door de Gemeenschap opgewekt gewettigd vertrouwen kan hebben geschonden wat betreft de mogelijkheid om een steunaanvraag krachtens de nieuwe steunregeling in te dienen tegen de voorwaarden die golden voor onder de oude regeling bekendgemaakte inschrijvingsprocedures.
79. Een eventueel door de nationale autoriteiten opgewekt gewettigd vertrouwen in de mogelijke verlenging van bepaalde gevolgen van een verlopen steunregeling kan evenmin een basis vormen voor een verplichting van de Commissie om een overgangsbepaling op te nemen. De artikelen 87 EG en 88 EG zouden hun nuttig effect grotendeels verliezen, indien een betrokkene met een beroep op een door lidstaten opwekt gewettigd vertrouwen de ongeldigheid van een gemeenschapshandeling kon aanvoeren.(42)
80. Hieruit volgt dat de Commissie in de omstandigheden van het onderhavige geval niet verplicht was om een overgangsmaatregel in de bestreden beschikking op te nemen, die mede de ondernemingen van de eerste categorie omvatte. Zij heeft bijgevolg niet haar bevoegdheid overschreden door geen bezwaar te maken tegen de aangemelde regeling op grond dat de werkingssfeer van de daarin vervatte overgangsmaatregel het beginsel van gelijke behandeling schond. De bestreden beschikking kan derhalve niet op die grond ongeldig worden geacht.
4. Ontoereikende motivering
81. De verwijzende recht wenst tevens te vernemen of de motivering van de Commissie in de bestreden beschikking conform artikel 253 EG toereikend was met betrekking tot de uitsluiting van de ondernemingen van de eerste categorie van de werkingssfeer van haar overgangsbepaling.
82. Volgens vaste rechtspraak van het Hof hangt de motiveringsplicht af van de aard van de handeling en kan in het geval van handelingen die algemene toepassing moeten vinden – zoals een steunregeling – in de motivering worden volstaan met vermelding van de algemene situatie die tot de vaststelling van de handeling heeft geleid, en van haar algemene doelstellingen.(43) Het zou daarom onredelijk zijn, van de Commissie te verlangen dat zij een specifieke motivering geeft voor de exacte werkingssfeer van een overgangsmaatregel in een beschikking van geen bezwaar tegen een steunregeling. Dit geldt te meer wanneer, zoals in casu, de Commissie zich in haar beschikking beperkt tot het weergeven van een besluit van de Italiaanse autoriteiten met betrekking tot de gewenste werkingssfeer van de overgangsbepaling.
83. Hieruit volgt dat de Commissie naar mijn mening, door een motivering voor de uitsluiting van de ondernemingen van de eerste categorie van de werkingssfeer van de overgangsbepaling van de bestreden beschikking achterwege te laten, niet haar motiveringsplicht heeft verzaakt.
VIII – Conclusie
84. Gelet op het voorgaande, ben ik van mening dat het antwoord op de prejudiciële vraag moet luiden als volgt:
„Bij het onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van beschikking SG(2000) D/105754 van de Commissie van 12 juli 2000 waarbij een in de Italiaanse wetgeving voorziene regeling van steun voor investeringen in achtergebleven gebieden van Italië, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – PB 2000, C 278, blz. 26.
3 – GURI nr. 299 van 21 december 1992, blz. 3.
4 – PB 1997, C 242, blz. 4.
5 – Dit wil zeggen dat de Commissie na een eerste onderzoek van de regeling van oordeel was dat er geen enkele reden was om bezwaar te maken tegen de door de lidstaat aangemelde steunregeling.
6 – Met uitzondering van de uitgaven voor technische ontwerpen en studies en voor de aankoop en het inrichten van industriegrond, die voor steun in aanmerking kwamen vanaf twaalf maanden vóór de datum van indiening van de aanvraag.
7 – Een „geschikte” inschrijvingsprocedure is die welke steunmaatregelen in dezelfde economische sector betreft.
8 – De steunregeling is door de Commissie in het register ingeschreven onder nummer N 715/99.
9 – GURI nr. 166 van 18 juli 2000.
10 – GURI nr. 175 van 28 juli 2000.
11 – Beschikking Gerecht van 15 juni 2005, Nuova Agricast e.a. (T‑98/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; bericht gepubliceerd in PB 2005, C 229, blz. 22).
12 – Zaak T‑362/05, nog aanhangig bij het Gerecht.
13 – Zie onder meer arresten van 15 december 1995, Bosman (C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 59); 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, Jurispr. blz. I‑2099, punt 38), en 17 mei 2001, TNT Traco e.a. (C‑340/99, Jurispr. blz. I‑4109, punt 30).
14 – Zie onder meer arresten Bosman, aangehaald in voetnoot 13, punt 61, en PreussenElektra, aangehaald in voetnoot 13, punt 39.
15 – Aangehaald in voetnoot 11.
16 – Arrest van 9 maart 1994 (C‑188/92, Jurispr. blz. I‑833, punten 17 en 18). Uit dat arrest volgt dat in het kader van het communautaire rechtsbeschermingsstelsel de ontvankelijkheid van een indirecte bestrijding van een handeling van een gemeenschapsinstelling door een natuurlijke of een rechtspersoon door middel van een prejudiciële procedure ervan afhangt, of de mogelijkheid bestaat of heeft bestaan om tegen deze handeling rechtstreeks beroep in te stellen bij het Gerecht op grond van artikel 230, vierde alinea, EG.
17 – De tot de betrokken lidstaat gerichte beschikking van de Commissie noemde uitdrukkelijk de begunstigde van de betrokken individuele steunmaatregel, en die lidstaat had de beschikking ter kennis van de begunstigde gebracht, met de vermelding dat deze daartegen een beroep tot nietigverklaring kon instellen.
18 – Zie in die zin arrest van 5 juni 1996, Kahn Scheepvaart (T‑398/94, Jurispr. blz. II‑477, punt 39). In die zaak, betreffende een beschikking van geen bezwaar tegen een steunregeling bestaande uit sectoriële fiscale maatregelen, stelde het Gerecht vast dat de bestreden beschikking voor de potentiële begunstigden van die maatregelen een maatregel van algemene strekking vormde, die objectief op bepaalde situaties van toepassing was en rechtsgevolgen had voor algemeen en in abstracto omschreven categorieën van personen. Deze potentiële begunstigden waren derhalve niet bevoegd om een beroep krachtens artikel 230 EG in te stellen. Deze rechtspraak moet worden onderscheiden van die inzake beschikkingen van geen bezwaar tegen een individuele steunmaatregel, die zonder formele onderzoeksprocedure zijn vastgesteld, in welk geval het Hof de voorwaarden voor de procesbevoegdheid van derden heeft versoepeld [zie arresten van 15 juni 1993, Matra (C‑225/91, Jurispr. blz. I‑3203), en 19 mei 1993, Cook (C‑198/91, Jurispr. blz. I‑2487)].
19 – Arresten van 21 november 1991, Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires en syndicat national des négociants et transformateurs de saumon („FNCE”; C‑354/90, Jurispr. blz. I‑5505, punt 14); 11 juli 1996, SFEI e.a. (C‑39/94, Jurispr. blz. I‑3547, punt 42), en 17 juni 1999, Piaggio (C‑295/97, Jurispr. blz. I‑3735, punt 31).
20 – Zie bijvoorbeeld arrest Piaggio, aangehaald in voetnoot 19, punt 48. Volgens artikel 1, sub c, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1) (hierna: „procedureverordening”) is „nieuwe steun” alle steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun, die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun.
21 – De individuele toekenning van steun is louter een maatregel ter uitvoering van de algemene steunregeling. Aangezien de Commissie bij de beoordeling van die steun dezelfde elementen in aanmerking moet nemen als die zij bij het onderzoek van de algemene regeling heeft toegepast, hoeft de Commissie niet de individuele steunverlening te onderzoeken.
22 – Zie artikel 4, lid 3, van de procedureverordening.
23 – De formele onderzoeksprocedure moet worden ingeleid indien bij de Commissie twijfels bestaan over de verenigbaarheid van de aangemelde steun met de gemeenschappelijke markt (zie artikel 4, lid 4, van de procedureverordening).
24 – Zie onder meer arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie (C‑303/88, Jurispr. blz. I‑1433, punt 34).
25 – Zie arrest Matra, aangehaald in voetnoot 18, punt 25.
26 – Zie bijvoorbeeld beschikking Hof van 24 juli 2003, Sicilcassa (C‑297/01, Jurispr. blz. I‑7849, punt 47).
27 – Zie in deze zin arrest van 21 mei 1980, Commissie/Italië (73/79, Jurispr. blz. 1533, punt 11); arrest Matra, aangehaald in voetnoot 18, punt 41, en arrest van 19 september 2000, Duitsland/Commissie (C‑156/98, Jurispr. blz. I‑6857, punt 78).
28 – Zie de conclusie van advocaat-generaal Fennelly in de zaken Italië en Sardegna Lines/Commissie (arrest van 19 oktober 2000, C‑15/98 en C‑105/99, Jurispr. blz. I‑8855, punt 78).
29 – In dit verband herinner ik eraan dat het Hof in het verleden een Commissiebeschikking krachtens artikel 88 EG ongeldig achtte wegens schending van de overgangsbepaling met het vertrouwensbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling (arrest van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C‑182/03 en C‑217/03, Jurispr. blz. I‑5479, punten 168‑174).
30 – Beschikking van 21 november 2005, Tramarin/Commissie (T‑426/04, Jurispr. blz. II‑4765).
31 – Naast, uiteraard, de mogelijkheid van een beslissing, dat de aangemelde maatregel geen steunmaatregel is.
32 – Arresten van 24 september 2002, Falck en Acciaierie di Bolzano (C‑74/00 P en C‑75/00 P, Jurispr. blz. I‑7869, punten 168‑171); 26 september 1996, Frankrijk/Commissie (C‑241/94, Jurispr. blz. I‑4551, punt 33), en 10 juli 1986, België/Commissie („Meura”; 234/84, Jurispr. blz. 2263, punt 16.)
33 – Zie in die zin bijvoorbeeld arrest Falck en Acciaierie di Bolzano, aangehaald in voetnoot 32, punt 169.
34 – In feite belet niets partijen die in hun belangen kunnen worden geraakt, de Commissie tijdens het vooronderzoek inlichtingen te verschaffen, in welk geval de Commissie met die aspecten rekening moet houden (zie in deze zin arrest van 3 mei 2001, Portugal/Commissie, C‑204/97, Jurispr. blz. I‑3175, punt 35).
35 – Zie in die zin arresten van 20 maart 1984, Duitsland/Commissie (84/82, Jurispr. blz. 1451, punt 13), en 9 oktober 1983, Heineken (91/83 en 127/83, Jurispr. blz. 3435, punt 15).
36 – Zie in deze zin arrest van 6 oktober 2005, Scott/Commissie (C‑276/03 P, Jurispr. blz. I‑8437, punt 33).
37 – Zie in die zin arrest Italië en Sardegna Lines/Commissie, aangehaald in voetnoot 28, en arresten van 14 oktober 1987, Duitsland/Commissie (248/84, Jurispr. blz. 4013, punt 18), en 17 juni 1999, België/Commissie (C‑75/97, Jurispr. blz. I‑3671, punt 48).
38 – Dit was het geval in de zaak België en Forum 187 ASBL/Commissie, aangehaald in voetnoot 29, punten 168‑174. In die zaak had de Commissie een negatieve beschikking gegeven met betrekking tot een bestaande steunregeling voor naar Belgisch recht opgerichte coördinatiecentra. Zie voor een meer recente toepassing van dezelfde maatstaf, arrest Gerecht van 12 september 2007, Koninklijke Friesland Foods (T‑348/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
39 – Zie in deze zin arrest Gerecht van 14 januari 2004, Fleuren Compost/Commissie (T‑109/01, Jurispr. blz. II‑127, punt 75).
40 – Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat steunmaatregelen, om onder een van de uitzonderingen van artikel 87, lid 3, EG te vallen, niet alleen aan een van de doelstellingen van artikel 87, lid 3, sub a, b, c of d, EG moeten voldoen, maar ook noodzakelijk moeten zijn voor de verwezenlijking van die doelstellingen [zie arrest van 17 september 1980, Philip Morris/Commissie (730/79, Jurispr. blz. 2671, punt 17)].
41 – PB 1998, C 74, blz. 9. Volgens punt 4.2, derde alinea, van de richtsnoeren moet „in de steunregeling zijn bepaald dat de steunaanvraag vóór de aanvang van de uitvoering van de projecten moet worden ingediend”.
42 – Zie naar analogie de rechtspraak volgens welke de artikelen 87 EG en 88 EG veel van hun nuttig effect zouden verliezen, indien lidstaten zich op hun eigen onwettig gedrag, dat een gewettigd vertrouwen bij de mogelijke begunstigden van steun kan hebben opgewekt, zouden kunnen beroepen, om door de Commissie op grond van de verdragsbepalingen gegeven beschikkingen elke werking te ontnemen (zie bijvoorbeeld arrest van 20 september 1990, Commissie/Duitsland, C‑5/89, Jurispr. blz. I‑3437, punt 17).
43 – Sinds arrest van 13 maart 1968, Beus (5/67, Jurispr. blz. 120, 137). Zie bijvoorbeeld arrest van 19 november 1998, Spanje/Raad (C‑284/94, Jurispr. blz. I‑7309, punt 28).
Full & Egal Universal Law Academy