CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 6 december 2007 1(1)
Zaak C‑446/06
A. G. Winkel
tegen
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
[verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
„Rundvlees – Verordening (EG) nr. 1254/1999 – Gemeenschappelijke ordening van markten – Nationale wettelijke regeling die toekenning van zoogkoeienpremie afhankelijk stelt van twee vereisten inzake afkalffrequentie en duur van zoogtijd – Begrip ‚zoogkoe’”
1. Met dit verzoek om een prejudiciële beslissing wordt het Hof verzocht voor recht te verklaren of een lidstaat, in het kader van de bij verordening (EG) nr. 1254/1999(2) ingestelde communautaire steunregeling, met het oog op de toekenning van die steun voorwaarden kan stellen inzake de afkalffrequentie en de duur van de zoogtijd.
2. In deze conclusie zal ik uiteenzetten waarom artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999 er mijns inziens niet aan in de weg staat dat een lidstaat de toekenning van de zoogkoeienpremie afhankelijk stelt van een voorwaarde inzake de afkalffrequentie en van de voorwaarde dat het kalf ten minste vier maanden bij de moederkoe moet zijn gebleven.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Gemeenschapsrecht
1. Verordening nr. 1254/1999
3. In het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid is een gemeenschappelijke marktordening in de sector rundvlees ingevoerd om de markten in die sector te stabiliseren en de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren.
4. Daartoe heeft verordening nr. 1254/1999 een steunregeling voor rundvleesproducenten ingevoerd. Die regeling bestaat er met name in dat aan de rundvleesproducenten een premie voor het aanhouden van zoogkoeien, ook bekend als „zoogkoeienpremie”, wordt uitgekeerd in de vorm van een rechtstreekse betaling.
5. Artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999 definieert een zoogkoe als volgt:
„[...] een koe van een vleesras of verkregen door kruising met een vleesras, die behoort tot een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie”.
6. Artikel 6 van verordening nr. 1254/1999 bepaalt dat een producent die zoogkoeien houdt op zijn bedrijf onder bepaalde voorwaarden een zoogkoeienpremie kan worden verleend.
7. Overeenkomstig artikel 6 wordt de zoogkoeienpremie toegekend aan de producenten die geen van hun bedrijf afkomstige melk of zuivelproducten leveren in de twaalf maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag. Bepaalde producenten die melk of zuivelproducten leveren komen toch in aanmerking voor de zoogkoeienpremie indien de individuele referentiehoeveelheid als bedoeld in artikel 4 van verordening (EEG) nr. 3950/92(3) ten hoogste 120 000 kilogram bedraagt.(4)
8. Om voor de zoogkoeienpremie in aanmerking te komen moeten de producenten gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag in hun beslag ten minste 60 % zoogkoeien, en ten hoogste 40 % vaarzen houden.
9. Volgens artikel 3, sub g, van verordening nr. 1254/1999 wordt onder „vaars” een vrouwelijk rund verstaan van ten minste acht maanden, dat nog niet heeft gekalfd. Artikel 6, lid 6, van deze verordening preciseert dat voor de toepassing van dit artikel alleen vaarzen van een vleesras die deel uitmaken van een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van voor de vleesproductie bestemde kalveren, in aanmerking worden genomen.
10. Bovendien staat het aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen om de uitvoeringsbepalingen van voornoemde verordening vast te stellen, met name die welke betrekking hebben op de definitie van het begrip zoogkoe.(5)
2. Verordening (EG) nr. 2342/1999
11. Met de vaststelling van verordening (EG) nr. 2342/1999(6), waarbij de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1254/1999 zijn vastgesteld, heeft de Commissie het begrip zoogkoe gepreciseerd. Artikel 14 van de uitvoeringsverordening, juncto bijlage I bij die verordening, vermeldt immers de runderrassen die niet kunnen worden beschouwd als koeien van vleesrassen, en dus evenmin als zoogkoeien in de zin van artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999.
12. Voorts moeten de lidstaten krachtens artikel 45 van de uitvoeringsverordening alle voor de goede uitvoering van deze verordening nodige maatregelen nemen.
3. Verordening (EG) nr. 2419/2001
13. Verordening (EG) nr. 2419/2001(7) heeft tot doel op doeltreffende wijze uitvoering te geven aan de regelingen inzake rechtstreekse betalingen op het gebied van het gemeenschappelijke landbouwbeleid door de vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92(8) ingestelde geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem. Volgens artikel 1, lid 1, sub b, van deze laatste verordening is het geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem van toepassing op de zoogkoeienpremieregeling. Dat systeem stelt de lidstaten in staat zich ervan te vergewissen dat de met de gemeenschapssteun gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze zijn uitgevoerd.
14. Artikel 36 van verordening nr. 2419/2001 bepaalt met name dat geen steun mag worden verleend voor een groter aantal dieren dan in de steunaanvraag is aangegeven. Wanneer dit het geval is, wordt de steun berekend op basis van het aantal dieren dat feitelijk voldoet aan alle steuntoekenningsvoorwaarden.
15. Overeenkomstig artikel 38 van die verordening wordt het steunbedrag gekort of wordt er geen steun verleend wanneer een onregelmatigheid wordt vastgesteld tussen het aantal dieren dat feitelijk aan de voorwaarden voldoet en het aantal dieren waarvoor steun is aangevraagd.
B – Nationaal recht
16. Aan verordening nr. 1254/1999 is in het Nederlandse recht uitvoering gegeven bij de Regeling dierlijke EG‑premies (hierna: „Regeling”). In de versie van artikel 1 van de Regeling die gold tussen 1 augustus 2002 en 1 juni 2003 was de zoogkoe op dezelfde wijze gedefinieerd als in artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999.
17. Ter zake van de toekenningsvoorwaarden van de zoogkoeienpremie bepaalt de Regeling dat deze premie de producent slechts wordt verleend indien de zoogkoe in het betrokken jaar ten minste eenmaal heeft gekalfd en haar kalf niet binnen vier maanden na de geboorte uit het beslag is afgevoerd.
18. Sedert 2 juni 2003, na een wijziging van de voorwaarde inzake het afkalven, wordt de premie verleend indien de koe ten minste eenmaal heeft gekalfd in de periode die loopt van twintig maanden vóór tot en met vier maanden na de datum waarop de betrokken aanvraagperiode is geopend.
II – Aan het geding ten grondslag liggende feiten en prejudiciële vraag
19. Op 19 augustus 2002 heeft A. G. Winkel bij de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: „minister”) voor zeven zoogkoeien een premieaanvraag voor het jaar 2002 ingediend.
20. Nadat hij Winkel voor het jaar 2002 eerst een premie van 1 532,65 EUR had toegekend, waarvan het bedrag vervolgens werd verlaagd, heeft de minister uiteindelijk, bij besluit van 4 juni 2004, de premieaanvraag voor het jaar 2002 afgewezen en bijgevolg het toegekende bedrag teruggevorderd van Winkel, op grond dat vier van de koeien waarvoor de premie was aangevraagd hun kalf niet minimaal vier maanden hadden gezoogd in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002.
21. Voorts heeft de minister bij besluit van 18 juni 2004 verzoeker op grond van artikel 38, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 2419/2001 voor een bedrag van 875,80 EUR uitgesloten van inkomenssteun.
22. Op 28 juni 2003 heeft Winkel voor het aanhouden van zeven zoogkoeien een premieaanvraag voor het jaar 2003 ingediend.
23. Op 21 juni 2004 heeft de minister Winkel voor het jaar 2003 een premie van 1 104,46 EUR toegekend voor het aanhouden van zes zoogkoeien. Voor de zevende koe is de premie geweigerd, omdat zij haar kalf niet gedurende vier maanden had gezoogd.
24. Winkel heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van de minister van 4, 18 en 21 juni 2004. Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft de minister dit bezwaar afgewezen.
25. Tegen dit laatste besluit is bij de nationale rechter beroep ingesteld. Winkel is namelijk de opvatting toegedaan dat de voorwaarden van de Regeling in strijd zijn met verordening nr. 1254/1999. Hij is inzonderheid van mening dat alle koeien waarvoor hij in 2002 en 2003 de zoogkoeienpremie heeft aangevraagd, voldoen aan de in artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999 opgenomen definitie van zoogkoe.
26. Gezien de twijfel omtrent de uitlegging van artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven de procedure geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag verzocht:
„1) Is een regeling die voor het recht op zoogkoeienpremie op grond van de gangbare veeteeltpraktijk vereist dat een aan te houden koe ten minste één maal heeft gekalfd in de periode die loopt van twintig maanden voor tot en met vier maanden na de datum waarop de aanvraagperiode is geopend en waarvan het kalf niet binnen vier maanden na de geboorte uit het betrokken beslag is afgevoerd, verenigbaar met artikel 3, eerste lid, sub f, van verordening (EG) nr. 1254/1999?
2) Welke criteria moeten in geval van een ontkennende beantwoording van vraag 1 worden gehanteerd om vast te stellen of het beslag wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie alsmede welke koeien tot dit beslag behoren?”
III – Analyse
27. Om te beginnen zij opgemerkt dat Winkel de zoogkoeienpremie voor het jaar 2002 heeft aangevraagd op 19 augustus 2002. De Regeling is evenwel op 2 juni 2003 gewijzigd op het punt van de voorwaarde inzake het kalven. Op de aanvraag voor het jaar 2002 is bijgevolg de tussen 1 augustus 2002 en 1 juni 2003 geldende versie van de Regeling van toepassing.
28. Deze wijziging betreffende de afkalffrequentie heeft mijns inziens geen gevolgen voor het antwoord op de gestelde vraag. De enige nuance is dat de koe onder de oorspronkelijke Regeling in het betrokken jaar ten minste eenmaal moest hebben gekalfd, terwijl zij onder de Regeling zoals gewijzigd ten minste eenmaal moet hebben gekalfd in de periode die loopt van twintig maanden vóór tot en met vier maanden na de datum waarop de aanvraagperiode is geopend.
29. In de twee gevallen rijst de vraag of artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999 eraan in de weg staat dat aan het verkrijgen van de zoogkoeienpremie een voorwaarde inzake de afkalffrequentie wordt verbonden.
30. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999 aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling eraan in de weg staat dat een lidstaat de toekenning van de zoogkoeienpremie afhankelijk stelt van een voorwaarde inzake de afkalffrequentie en van de voorwaarde dat de koe haar kalf gedurende ten minste vier maanden heeft gezoogd.
31. De Commissie is van mening dat een koe als een zoogkoe moet worden beschouwd en dus een recht op de zoogkoeienpremie doet ontstaan zodra is voldaan aan de twee criteria van artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999. Om als een zoogkoe te worden aangemerkt moet het dier dus tot een vleesras behoren en deel uitmaken van een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie.
32. Voorts merkt de Commissie op dat het zogende karakter dient te worden beoordeeld op het niveau van het beslag in zijn geheel en niet op het niveau van de individuele koe. Zij is aldus van mening dat indien er aanwijzingen bestaan dat een koe haar kalf niet heeft gezoogd, het voor de toekenning van de premie voor die koe voldoende is dat wordt vastgesteld dat het zogende karakter van het beslag toch behouden is gebleven. Volgens de Commissie houden nationale voorwaarden zoals die waarin de Regeling voorziet daarenboven geen rekening met gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen, zoals het overlijden van een kalf kort na de geboorte.
33. Volgens de Commissie kunnen de lidstaten aan de toekenning van de zoogkoeienpremie dus geen voorwaarden betreffende de afkalffrequentie en de duur van de zoogtijd verbinden.
34. Ik ben het daarmee niet eens. Net zoals de Nederlandse en de Franse regering ben ik van mening dat artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999 aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling er niet aan in de weg staat dat een lidstaat een regeling vaststelt op grond waarvan veehouders die in aanmerking wensten te komen voor de zoogkoeienpremie moeten voldoen aan voorwaarden inzake de afkalffrequentie en de duur van de zoogtijd.
35. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof voor de uitlegging van gemeenschapsrechtelijke bepalingen niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen daarvan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaken, nastreeft.(9)
36. Uit het onderzoek van de bewoordingen van artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999 blijkt dat geen enkele bepaling daarvan uitdrukkelijk in de weg staat aan de toepassing van voorwaarden zoals die waarin de Regeling voorziet. Integendeel, overeenkomstig artikel 45 van de uitvoeringsverordening nemen de lidstaten alle voor de goede uitvoering van deze verordening nodige maatregelen.
37. Artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999 definieert de zoogkoe als een koe van een vleesras die behoort tot een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie. Het begrip „zoogkoe” is nader uitgewerkt in artikel 14 van de uitvoeringsverordening, waarin is aangegeven welke koeien niet als zoogkoeien kunnen worden beschouwd.
38. Het begrip „zoogkoe die behoort tot een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie” is daarentegen niet uitgewerkt in verordening nr. 1254/1999 en evenmin in de uitvoeringsverordening.
39. Nochtans kan het begrip opfokken, dat kan worden gedefinieerd als een reeks technieken voor het opkweken van dieren, door deze in goede omstandigheden te laten geboren worden en opgroeien(10), in de verschillende lidstaten op zeer uiteenlopende wijze worden opgevat.
40. De Franse regering zet bijvoorbeeld in haar opmerkingen uiteen dat een voor de vleesproductie bestemd kalf in Frankrijk ten minste vier weken moet worden gezoogd, of nog langer indien het vlees moet worden verkocht onder de benaming „veau sous la mère” (door het moederdier gezoogd kalf). Het kalf kan ook in korte tijd worden gespeend en vetgemest om op de markt te worden gebracht als stierkalf, vaars of os.(11)
41. De Commissie erkent overigens dat de opfokmethoden kunnen verschillen al naar gelang het type veehouderij en het ras waarmee wordt gefokt.(12) Zij heeft echter geen nadere informatie verschaft over de wijze waarop dient te worden opgefokt om het beslag een zogend karakter te verlenen.
42. De Nederlandse regering is om die reden van mening dat het voor de uitvoering van verordening nr. 1254/1999 noodzakelijk is het begrip zoogkoe te preciseren op het punt van de voorwaarde dat de koe deel moet uitmaken van een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie.
43. De voorwaarden, zoals de bij de Regeling opgelegde voorwaarden, die de uitdrukking zijn van in Nederland gangbare veeteelttechnieken, maken het dan mogelijk na te gaan of een koe tot een dergelijk beslag behoort en haar als zoogkoe aan te merken. Indien de afkalffrequentie niet in acht is genomen of indien het kalf niet gedurende ten minste vier maanden bij de moederkoe is gebleven, is er bijgevolg geen sprake van opfokken en wordt de koe geacht geen zoogkoe te zijn. De premie kan dus niet kunnen worden toegekend, hetgeen in het hoofdgeding voor Winkel het geval was.
44. In haar opmerkingen betoogt de Commissie evenwel dat het zogende karakter, hetgeen een voorwaarde is voor de toekenning van de premie voor het aanhouden van zoogkoeien, niet moet worden beoordeeld op het niveau van de individuele koe, maar van het beslag in zijn geheel. Indien er aanwijzingen bestaan dat een zoogkoeienpremie is aangevraagd voor koeien die hun kalf niet hebben gezoogd, hangt de toekenning van de zoogkoeienpremie bijgevolg af van het feit of het zogende karakter van het beslag behouden is gebleven.
45. Hiermee ben ik het niet eens, om de hieronder vermelde redenen.
46. Om in aanmerking te komen voor de zoogkoeienpremie moet het beslag van de veehouder op grond van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1254/1999 uit ten minste 60 % zoogkoeien bestaan en mag het ten hoogste 40 % vaarzen bevatten. De inachtneming van die percentages heeft mijns inziens feitelijk tot doel na te gaan, of het beslag een zogend karakter heeft en wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie.
47. Ook al zou het zogende karakter door middel van die percentages behouden moet blijven op het niveau van het beslag, dan nog is het, met het oog op de identificatie van de 60 % zoogkoeien, noodzakelijk precies vast te stellen wat een zoogkoe is. Er moet dus een onderscheid kunnen worden gemaakt tussen zoogkoeien en andere koeien, zoals melkkoeien of vaarzen. Zou dit onmogelijk zijn, dan zou het gevaar bestaan dat een koe als zoogkoe zou worden beschouwd, hoewel zij niet zou worden gebruikt voor het opfokken van kalveren.
48. De bij de Regeling opgelegde voorwaarden zijn mijns inziens dus noodzakelijk om de zoogkoeien te identificeren en om deze te onderscheiden van de koeien die voor andere fokdoeleinden worden gebruikt.
49. Dienaangaande merk ik op dat de Commissie bij brief van 11 april 2002 zelf aan het Koninkrijk der Nederlanden heeft meegedeeld dat zijn toepassing van de rundvleespremieregeling te wensen overliet. Om die reden verrichtte de Commissie een aantal financiële correcties op de door Nederland gedeclareerde uitgaven. Volgens de Commissie heeft een onderzoek voor het hele Nederlandse grondgebied aan het licht gebracht dat 24,6 % van de kalveren waarvoor de zoogkoeienpremie was toegekend het bedrijf binnen vier maanden na de geboorte hadden verlaten.
50. De Commissie preciseerde in die brief dat als algemene regel geldt dat het kalf gemiddeld vier maanden bij de moeder moet blijven, en dat het Nederlandse controlesysteem faalde omdat geen rekening werd gehouden met die gemiddelde tijdsduur. Volgens haar was die tekortkoming gevaarlijk, aangezien een aantal producenten de premie konden ontvangen voor dieren die helemaal geen zoogkoeien waren.
51. Om die reden hebben de Nederlandse overheidsinstanties de zoogkoeienpremieregeling gewijzigd en gemeend de definitie van zoogkoe te moeten preciseren(13), aangezien verordening nr. 1254/1999 noch de uitvoeringsverordening ervan vermelden wat wordt bedoeld met het begrip „zoogkoe die behoort tot een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie”.
52. Het is juist dat de Commissie naderhand in een aan de Nederlandse autoriteiten gerichte brief van 7 november 2002 heeft gepreciseerd dat er geen bezwaren bestonden aangaande het criterium dat het kalf vier maanden bij de moeder diende te blijven, maar dit nam evenwel niet weg dat moest worden onderzocht of de afwijking van dit criterium niet het gevolg was van een gerechtvaardigd uitzonderingsgeval dat het beslag zijn zogend karakter niet ontnam. In haar opmerkingen stelt zij dat de voorwaarden inzake de afkalffrequentie en de duur van de zoogtijd te streng zijn en niet toelaten rekening te houden met die gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen, zoals het overlijden van een kalf.
53. Ik zie niet in hoe dergelijke voorwaarden in het hoofdgeding in de weg staan aan de inaanmerkingneming van gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen. De Nederlandse regering verklaart in haar opmerkingen dat een veehouder zich steeds kan beroepen op buitengewone omstandigheden en gevallen van overmacht, zoals die bedoeld in artikel 48 van verordening nr. 2419/2001, en op natuurlijke omstandigheden, zoals die bedoeld in artikel 41 van deze verordening.
54. Mijns inziens staat niets in de toepassing van de hierboven genoemde voorwaarden eraan in de weg dat de veehouder zich op dergelijke omstandigheden beroept indien hij aantoont dat het kalf bij de moeder is weggehaald vanwege een geval van overmacht of ingevolge buitengewone omstandigheden.
55. Het standpunt van de Commissie in haar verschillende brieven toont mijns inziens duidelijk aan dat het voor de concrete uitvoering van de in artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999 genoemde voorwaarden noodzakelijk is dat de lidstaten, met name met het oog op de controle, nadere invulling geven aan begrippen zoals het begrip „behoren tot een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie”.
56. Deze analyse wordt mijns inziens bevestigd door het doel en de systematiek van de betrokken gemeenschapsbepalingen.
57. Er zij aan herinnerd dat de algemene regeling van premies voor het aanhouden van zoogkoeien een instrument is om de markten te stabiliseren en de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren. Dit is de reden waarom in 1999 een algemeen systeem van rechtstreekse betalingen aan rundvleesproducenten is ingevoerd. Dit systeem bestaat erin, het bedrijfshoofd rechtstreeks te betalen in de vorm van zoogkoeienpremies waarvan de uitkering afhankelijk is van de inachtneming van een minimumaandeel zoogkoeien binnen het beslag, namelijk ten minste 60 %.
58. Om ervoor te zorgen dat een dergelijk systeem zijn volle uitwerking krijgt, staat het aan de lidstaten om de nodige maatregelen te treffen om zich ervan te vergewissen dat de door het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze zijn uitgevoerd, alsmede om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen.(14)
59. Het geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem heeft met andere woorden tot doel na te gaan of de zoogkoeienpremie daadwerkelijk wordt betaald voor een koe die wordt gebruikt voor het opfokken van een kalf voor de vleesproductie.
60. We hebben overigens gezien dat op grond van de artikelen 36 en 38 van verordening nr. 2419/2001 op de premies kortingen en uitsluitingen kunnen worden toegepast indien wordt vastgesteld dat het in de aanvraag aangegeven aantal zoogkoeien groter is dan het feitelijk geconstateerde aantal dieren op het bedrijf van de veehouder omdat bepaalde koeien niet aan de gestelde voorwaarden voldoen.
61. De doelstellingen van verordening nr. 1254/1999 zouden dus in gevaar worden gebracht indien een premie bijvoorbeeld zou worden betaald voor een koe die alleen voor de melkproductie wordt gebruikt, hetgeen zoals bekend het geval kan zijn wanneer het kalf reeds enkele weken na de geboorte wordt afgevoerd. De Commissie geeft dit zelf toe in haar werkdocument van 16 december 1999.(15) Zij erkent dat het ontbreken van kalveren op het bedrijf de indruk zou kunnen wekken dat er geen sprake is van het opfokken van kalveren voor de vleesproductie en dat alle koeien tot het melkkoeienbeslag behoren.
62. Bovendien maakt de voorwaarde inzake de afkalffrequentie het mogelijk zich ervan te vergewissen dat de koe geen vaars is. Uit hoofde van de artikelen 3, sub g, en 6, lid 6, van verordening nr. 1254/1999 is het enige dat een vaars van een zoogkoe onderscheidt het kalven, aangezien een vaars een vrouwelijk rund van een vleesras is, dat nog niet heeft gekalfd.
63. Ik ben dan ook van mening dat het verbinden aan de zoogkoeienpremie van voorwaarden inzake de afkalffrequentie en de duur van de zoogtijd nodig is om een lidstaat in staat te stellen na te gaan of de zoogkoeienpremie wel degelijk is betaald voor een koe die wordt gebruikt voor het opfokken van een kalf voor de vleesproductie.
64. De voorwaarden waarin de Regeling voorziet lijken mij dus verenigbaar met het doel en de systematiek van de betrokken verordeningsbepalingen.
65. Gelet op het voorgaande staat artikel 3, sub f, van verordening nr. 1254/1999 mijns inziens niet eraan in de weg dat een lidstaat de toekenning van de zoogkoeienpremie afhankelijk stelt van een voorwaarde inzake de afkalffrequentie en van de voorwaarde dat de koe haar kalf gedurende ten minste vier maanden heeft gezoogd.
66. Bijgevolg behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
IV – Conclusie
67. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vraag van het College van Beroep voor het bedrijfsleven te beantwoorden als volgt:
„Artikel 3, sub f, van verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1512/2001 van de Raad van 23 juli 2001, staat er niet aan in de weg dat een lidstaat de toekenning van de zoogkoeienpremie afhankelijk stelt van een voorwaarde inzake de afkalffrequentie en van de voorwaarde dat de koe haar kalf gedurende ten minste vier maanden heeft gezoogd.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Verordening van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 160, blz. 21), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1512/2001 van de Raad van 23 juli 2001 (PB L 201, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1254/1999”).
3 – Verordening van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 405, blz. 1).
4 – Artikel 6, lid 2, eerste alinea, sub b, van verordening nr. 1254/1999.
5 – Artikel 6, lid 7, van verordening nr. 1254/1999.
6 – Verordening van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1254/1999 met betrekking tot de premieregelingen (PB L 281, blz. 30; hierna: „uitvoeringsverordening”).
7 – Verordening van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 327, blz. 11).
8 – Verordening van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 355, blz. 1).
9 – Zie arrest van 1 maart 2007, Schouten (C‑34/05, Jurispr. blz. I‑1687, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
10 – Zie Le Petit Robert,Dictionnaire de la langue française, Dictionnaires Le Robert, Parijs, 2008.
11 – Zie punten 33 en 34 van de opmerkingen van de Franse regering.
12 – Zie punt 41 van de opmerkingen van de Commissie.
13 – Zie punt 18 van de opmerkingen van de Nederlandse regering.
14 – Zie punt 2 van de considerans van de uitvoeringsverordening, dat uitdrukkelijk verwijst naar de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3508/92.
15 – Zie bijlage I bij de opmerkingen van de Commissie.
Full & Egal Universal Law Academy