CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 20 november 2008 (1)
Zaak C‑489/06
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Helleense Republiek
„Niet-nakoming – Vrij verkeer van goederen – Richtlijnen 93/36/EEG en 93/42/EEG – Aankoop door ziekenhuis van medische hulpmiddelen die zijn voorzien van EG-markering – Beschermende maatregelen – Overheidsopdracht voor leveringen”
1. In de onderhavige procedure verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat Griekenland de krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/36/EEG(2) van de Raad (de richtlijn betreffende overheidsopdrachten voor leveringen) en de artikelen 17 en 18 van richtlijn 93/42/EEG van de Raad (de richtlijn betreffende medische hulpmiddelen)(3) op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen doordat de bevoegde aanbestedende diensten van Griekse ziekenhuizen offertes met betrekking tot van de EG-markering medische voorziene hulpmiddelen hebben afgewezen zonder de procedure van richtlijn 93/42 te volgen.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Gemeenschapsrecht
2. Zoals ik in punt 33 van de onderhavige conclusie zal uiteenzetten heeft het Hof in het arrest Medipac-Kazantzidis(4) – dat is gewezen nadat de schriftelijke procedure in de onderhavige zaak was gesloten – het geschilpunt betreffende de verplichtingen van de aanbestedende diensten en de procedure die deze diensten dienen te volgen in gevallen zoals aan de orde in de onderhavige procedure mijns inziens beslecht. Derhalve vind ik het niet nodig alle toepasselijke bepalingen van richtlijn 93/42 uiteen te zetten. Dit is immers reeds uitputtend gedaan in het arrest Medipac-Kazantzidis.
3. In artikel 8, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 93/96 wordt bepaald:
„1. De in bijlage III bedoelde technische specificaties worden in de algemene documenten of in de contractuele documenten die bij iedere opdracht behoren vermeld.
2. Onverminderd de verplichte nationale technische voorschriften, voor zover deze met het gemeenschapsrecht verenigbaar zijn, worden de in lid 1 vermelde technische specificaties door de aanbestedende dienst aangegeven door verwijzing naar nationale normen ter omzetting van de Europese normen, door verwijzing naar Europese technische goedkeuringen of door verwijzing naar gemeenschappelijke technische specificaties.
3. Een aanbestedende dienst kan van lid 2 afwijken indien:
a) de normen, de Europese technische goedkeuringen of de gemeenschappelijke technische specificaties geen bepalingen bevatten inzake de vaststelling van de overeenstemming of indien er geen technische middelen zijn om de overeenstemming van een product met deze normen, deze Europese technische goedkeuringen of deze gemeenschappelijke technische specificaties afdoende vast te stellen;
b) de toepassing van lid 2 afbreuk doet aan de toepassing van richtlijn 86/361/EEG [(5)] van de Raad [...] of van beschikking 87/95/EEG[(6)] van de Raad [...] of van andere communautaire besluiten op specifieke gebieden van diensten of producten;
c) de toepassing van deze normen, Europese technische goedkeuringen of gemeenschappelijke technische specificaties de aanbestedende dienst zou verplichten tot de aanschaf van materiaal dat onverenigbaar is met de reeds gebruikte apparatuur, dan wel zou leiden tot buitensporig hoge kosten of tot onevenredig grote technische moeilijkheden; zij kan dit echter slechts doen in het kader van een welomschreven en schriftelijk vastgestelde strategie met het oog op een overgang binnen een gestelde termijn naar Europese normen, Europese technische goedkeuringen of gemeenschappelijke technische specificaties;
d) het betrokken project een echte innovatie is, waardoor het gebruik van bestaande Europese normen, Europese technische goedkeuringen of gemeenschappelijke technische specificaties niet dienstig zou zijn.
4. Aanbestedende diensten die van lid 3 gebruikmaken, vermelden, indien mogelijk, de redenen daarvoor in de in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte aankondiging van de opdracht of in het bestek en in elk geval in hun interne documentatie; zij verstrekken deze informatie desgevraagd aan de lidstaten en aan de Commissie.”
4. Bijlage III bij richtlijn 93/36, met als opschrift „Technische specificaties in de zin van deze richtlijn”, bepaalt:
„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. ‚technische specificatie’: alle technische voorschriften, met name die welke zijn opgenomen in het bestek, die een omschrijving geven van de vereiste kenmerken van een materiaal, een product of een levering en aan de hand waarvan op objectieve wijze een werk, een materiaal of een levering zodanig kan worden omschreven dat dit beantwoordt aan het gebruik waarvoor het door de aanbestedende dienst is bestemd. Deze technische voorschriften omvatten het niveau van kwaliteit en gebruiksgeschiktheid, veiligheid en afmetingen, met inbegrip van de voorschriften voor het materiaal, het product of de levering inzake het systeem voor het waarborgen van de kwaliteit, terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren;
2. ‚norm’: een technische specificatie die door een erkende normaliseringsinstelling voor herhaalde of voortdurende toepassing is goedgekeurd, waarvan de inachtneming in beginsel niet verplicht is;
3. ‚Europese norm’: een norm die door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) of het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (Cenelec) als „Europese norm (EN)” of „Harmonisatiebescheid (HD)” is goedgekeurd volgens de gemeenschappelijke regels van deze organisaties;
4. ‚Europese technische goedkeuring’: op de bevinding dat aan de fundamentele voorschriften wordt voldaan, gebaseerde, gunstig uitvallende technische beoordeling waarbij een product geschikt wordt verklaard voor het gebruik voor bouwdoeleinden volgens zijn intrinsieke eigenschappen en de voor de toepassing en het gebruik ervan vastgestelde voorwaarden. De Europese technische goedkeuring wordt afgegeven door de te dien einde door de lidstaat erkende instelling;
5. ‚Gemeenschappelijke technische specificatie’: de technische specificatie die volgens een door de lidstaten erkende procedure is opgesteld met het oog op een uniforme toepassing in alle lidstaten en die in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is bekendgemaakt.”
B – Nationaal recht
5. Richtlijn 93/36 is hoofdzakelijk bij presidentieel besluit nr. 370 (FEK A’ 199/1995) in Grieks recht omgezet. Artikel 16 van dat besluit neemt de bewoordingen van artikel 8 van richtlijn 93/36 grotendeels over.
6. Bij gemeenschappelijk ministerieel besluit nr. DY7/oik.2480 van 19 augustus 1994 (FEK B’ 679) houdende aanpassing van de Griekse wetgeving aan richtlijn 93/42, is laatstgenoemde richtlijn in Grieks recht omgezet.
7. Bovendien is het Ethnikou Organismos Farmakon (de tot het ministerie van Volksgezondheid behorende Griekse dienst die bevoegd is voor de implementatie van de gemeenschapsrichtlijnen betreffende medische hulpmiddelen; hierna: „EOF”) bij artikel 19 van wet nr. 2889/2001 aangewezen als bevoegde dienst voor medische hulpmiddelen.
II – Feiten, precontentieuze procedure en vorderingen
8. De Commissie heeft een klacht ontvangen betreffende de afwijzing van medische hulpmiddelen – met name chirurgische hechtingen – in het kader van aanbestedingen voor leveringen aan openbare ziekenhuizen in Griekenland. Die medische hulpmiddelen zijn afgewezen op gronden die verband houden met de „algemene geschiktheid en gebruiksveiligheid” ervan, niettegenstaande het feit dat zij waren voorzien van de EG-markering(7) en in elk geval zonder dat de vrijwaringsprocedure van richtlijn 93/42 in acht is genomen.
9. Op 20 april 2004 hebben de Griekse autoriteiten naar aanleiding van het onderzoek door de Commissie circulaire nr. 19384 van het EOF van 2 april 2004 (hierna: „circulaire nr. 19384”) aan de Commissie toegestuurd. Volgens de circulaire is vastgesteld dat „bepaalde inkoopcomités van ziekenhuizen [...] om redenen van niet-conformiteit offertes van vennootschappen met betrekking tot tal van medische hulpmiddelen die van de EG-markering zijn voorzien, hebben afgewezen zonder het noodzakelijke voorafgaande onderzoek door het EOF” en dat „in bepaalde gevallen die non-conformiteit betrekking had op door de ziekenhuizen willekeurig vastgestelde specificaties”. Verder wordt daarin verklaard dat „de betrokken vennootschappen de zaak voor de Griekse rechter en voor de bevoegde Europese instellingen hebben gebracht, die de vennootschappen in het gelijk hebben gesteld”. Volgens de Griekse autoriteiten vormt circulaire nr. 19384 een herinnering aan en een uiteenzetting van de procedure die de comités volgens de wet dienen te volgen.
10. Daarop hebben de diensten van de Commissie de klager laten weten dat zij van plan zijn de klacht ad acta te leggen. Bij brief van 8 november 2004 heeft de klager echter nadere informatie verstrekt waaruit blijkt dat de bevoegde comités van bepaalde ziekenhuizen (waaronder de algemene ziekenhuizen van Komotini, Messolonghi, Agios Nikolaos op Kreta en Venizeleio-Pananeio van Heraklion op Kreta) niettegenstaande de circulaire de regels blijven overtreden.
11. Zo heeft bijvoorbeeld het algemene ziekenhuis van Komotini met betrekking tot een bepaalde aanbesteding een groot deel van de offerte van de klager afgewezen op grond dat de hulpmiddelen ongeschikt zijn niettegenstaande zij zijn voorzien van de EG-markering en zijn geproduceerd overeenkomstig de Europese Farmacopee. Ofschoon het ziekenhuis de circulaire van het EOF heeft ontvangen, heeft het geweigerd gevolg te geven aan de instructie om de hulpmiddelen voor controle naar het EOF te zenden.
12. Op dezelfde wijze heeft het algemene ziekenhuis van Messolonghi de offerte van de klager afgewezen en de aanbesteding afgesloten zonder het EOF op de hoogte te brengen of monsters ter controle toe te sturen. Hetzelfde is gebeurd in een aanbestedingsprocedure van het algemene ziekenhuis van Agios Nikolaos op Kreta.
13. Ten slotte heeft het algemene ziekenhuis van Heraklion op Kreta in het kader van een aanbesteding het EOF weliswaar overeenkomstig de circulaire vooraf op de hoogte gebracht, maar geen gevolg gegeven aan de beslissing van de het EOF, volgens hetwelk de hulpmiddelen veilig zijn.
14. Op grond van deze informatie heeft de Commissie de Helleense Republiek bij brief van 21 maart 2005 formeel in gebreke gesteld en de niet-nakomingsprocedure van artikel 226 EG tegen deze lidstaat ingeleid.
15. In hun antwoord van 24 mei 2005 hebben de Griekse autoriteiten niet betwist dat een aantal Griekse ziekenhuizen niet overeenkomstig de relevante gemeenschapsbepalingen handelen, maar er alleen op gewezen dat de door de Commissie genoemde gevallen uitzonderingen vormen. Volgens hen wijzen deze gevallen niet op een grootschalige, horizontale schending van gemeenschapsrecht.
16. Op 19 december 2005 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij heeft verklaard dat de Helleense Republiek met betrekking tot de plaatsing van overheidsopdrachten voor de levering van medische hulpmiddelen de krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/36 en de artikelen 17 en 18 van richtlijn 93/42 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, en zij deze lidstaat heeft verzocht aan dit met redenen omkleed verzoek te voldoen binnen een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving ervan.
17. In zijn antwoord van 9 februari 2006 heeft Griekenland betoogd dat het de nodige maatregelen heeft getroffen om ervoor te zorgen dat het gemeenschapsrecht correct wordt toegepast, en dat de in het met redenen omkleed advies van de Commissie genoemde gevallen slechts uitzonderingen op een algemene praktijk zijn. Het heeft er ook gewezen dat de Griekse wettelijke regeling op zichzelf in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht. Griekenland heeft niet alleen gewezen op circulaire nr. 19384 en op de waarschuwingsbrief van 19 januari 2006, maar ook op feit dat het EOF op verzoek van de ziekenhuizen stelselmatige controles van de kwaliteit van geleverde goederen heeft verricht. Ten slotte heeft Griekenland erop gewezen dat de nationale ziekenhuizen zich meer en meer stelselmatig houden aan de instructies van het EOF.
18. Uit nieuwe informatie heeft de Commissie afgeleid dat de betrokken inbreuk in feite nog steeds plaatsvindt. Uit die informatie is gebleken dat de voorvallen allesbehalve geïsoleerd en uitzonderlijk zijn, en, wat erger is, dat de aanbestedende diensten op geen enkele wijze zijn gestraft voor hun onrechtmatige handelwijze. Volgens de klager is het in feite eerder uitzonderlijk dat de ziekenhuizen zich aan de regels houden. Bovendien blijkt uit de informatie die de Commissie heeft gekregen, dat het EOF niet bevoegd is om enig administratief toezicht uit te oefenen op de ziekenhuizen en evenmin om deze enige straf op te leggen, en dat tot dusverre geen enkele (rechterlijke of andere) instantie in de Griekse rechtsorde op dit gebied gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. Tot staving van haar stelling noemt de Commissie een aantal beslissingen van de Raad van State, de hoogste rechterlijke instantie op het gebied van het bestuursrecht, met name van het „schorsingscomité” van deze rechterlijke instantie, als voorbeelden van een algemene tendens van die rechterlijke instantie om beroepen tegen door de aanbestedende diensten in strijd met de ter zake geldende richtlijnen en circulaires genomen beslissingen te verwerpen.
19. De Commissie is derhalve van mening dat de inbreuk, die – wat de feiten betreft – door de Griekse autoriteiten nooit is betwist, voortduurt en dat de door de nationale autoriteiten getroffen maatregelen om die inbreuk te beëindigen, ontoereikend en niet doeltreffend zijn. Om die redenen heeft de Commissie bij het Hof het onderhavige beroep ingesteld.
20. Geen enkele van de partijen, die allemaal schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, heeft om een mondelinge behandeling verzocht.
21. De Commissie concludeert dat het Hove behage:
„– te verklaren dat de Helleense Republiek de krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/36 en de artikelen 17 en 18 van richtlijn 93/42 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen doordat de bevoegde aanbestedende diensten van Griekse ziekenhuizen offertes met betrekking tot van de EG-markering voorziene medische hulpmiddelen hebben afgewezen zonder de procedure van richtlijn 93/42 procedure te volgen;
– de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten”.
22. De Griekse regering verzoekt het Hof, het beroep te verwerpen.
III – Bespreking
A – Argumenten van partijen
23. De Commissie betoogt dat richtlijn 93/36 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen een strikt kader verstrekt waarbinnen de aanbestedende diensten kunnen bepalen aan welke technische eisen in een offerte aangeboden hulpmiddelen moeten voldoen. Volgens artikel 8, lid 2, van die richtlijn moet zowel in de aankondiging van de opdracht als bij de beoordeling van de conformiteit van de aangeboden producten worden verwezen naar de nationale normen ter omzetting van de Europese normen, naar de Europese technische goedkeuringen of naar de gemeenschappelijke technische specificaties. De Commissie wijst erop dat de afwijkingen van het in artikel 8, lid 2, geformuleerde beginsel uitputtend worden vermeld in artikel 8, lid 3.
24. Verder betoogt de Commissie dat de door de Griekse ziekenhuizen uitgeschreven aanbestedingen verwijzen naar het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/36 geformuleerde vereiste van een specifieke Europese technische goedkeuring voor medische hulpmiddelen, te weten de EG-markering waarin richtlijn 93/42 voorziet. Niettemin wijzen de aanbestedende diensten van de EG-markering voorziene medische hulpmiddelen af, ofschoon afwijzing op basis daarvan duidelijk niet onder een van de in artikel 8, lid 3, van richtlijn 93/36 genoemde afwijkingen valt.
25. Met betrekking tot richtlijn 93/42 betreffende medische hulpmiddelen stelt de Commissie dat de specifieke en uitsluitende procedures – zowel die voor het certificeren en op de markt brengen van dergelijke hulpmiddelen als die voor het betwisten van de geschiktheid ervan – zo gedetailleerd zijn dat er geen twijfel kan rijzen omtrent de gecertificeerde kwaliteitskenmerken, en dat de nationale autoriteiten geen discretionaire bevoegdheid hebben buiten dit kader.
26. De Commissie voert aan dat de voor medische hulpmiddelen geldende essentiële eisen inzake conformiteit en veiligheid worden genoemd in bijlage I bij richtlijn 93/42 en dat van de EG-markering voorziene producten aan al deze eisen voldoen. Artikel 3 in samenhang met artikel 17 van richtlijn 93/42 verstrekt de grondslag voor erkenning dat de betrokken hulpmiddelen conform zijn en worden toegelaten tot het vrije verkeer op de interne markt.
27. Volgens de Commissie kan het gebeuren dat de artsen van mening zijn dat bepaalde medische hulpmiddelen, niettegenstaande het feit dat zij van de EG-markering zijn voorzien, de gezondheid en de veiligheid van patiënten in gevaar kunnen brengen. In dergelijke gevallen mogen de aanbestedende diensten die hulpmiddelen echter slechts afwijzen met toepassing van de in circulaire nr. 19384 beschreven vrijwaringsprocedure van de artikelen 8 en 18 van richtlijn 93/42.
28. De Commissie betoogt dat de Griekse aanbestedende diensten de vrijwaringsprocedure niet toepassen en de offertes betreffende van de EG-markering voorziene medische hulpmiddelen rechtstreeks afwijzen.
29. Volgens de Commissie is het echter vaste rechtspraak dat het bestaan van een harmonisatierichtlijn, zoals de richtlijnen 93/36 en 93/42, waarin wordt bepaald dat de EG-markering certificeert dat de van die markering voorziene producten die in de offerte worden aangeboden, voldoen aan alle technische voorschriften van de richtlijn, voor een lidstaat de verplichting doet ontstaan om de in de richtlijn voorgeschreven bijzondere procedures voor het betwisten van de geldigheid van de certificering in acht te nemen.(8)
30. De Commissie blijft erbij dat, niettegenstaande de vaststelling van circulaire nr. 19384 en het zenden van een waarschuwingsbrief twee jaar later, de onrechtmatige handelwijze van de aanbestedende diensten en het verzuim van de Griekse autoriteiten om toezicht uit te oefenen en sancties op te leggen voortduren.
31. De Griekse regering betoogt dat de ziekenhuizen in hun hoedanigheid van aanbestedende diensten de relevante nationale en gemeenschapsrechtelijke bepalingen op het gebied van overheidsopdrachten naleven. Volgens haar vormt het feit dat een aantal ziekenhuizen de relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen niet in acht nemen, slechts een uitzondering op de algemene regel, waaruit echter niet mag worden afgeleid dat er sprake is van een grootschalige, horizontale schending van het gemeenschapsrecht ter zake.
32. Verder blijft de Griekse regering erbij dat in elk geval zowel circulaire nr. 19384 van het EOF als de op 19 januari 2006 toegezonden circulaire nr. 4051 EOF eraan hebben herinnerd hoe hulpmiddelen volgens de regels moeten worden beoordeeld met het oog op de levering ervan. Het EOF heeft derhalve de nodige maatregelen genomen om een correcte toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren. Voorts verklaart de Griekse regering dat zij nog geen sancties heeft opgelegd aan ziekenhuizen die de relevante gemeenschapsbepalingen niet in acht nemen, omdat de inspecteurs van het Soma Epitheoriton Ypiresion Ygeias kai Pronoias (dienst Gezondheid en Preventie) hun onderzoek nog niet hebben beëindigd.
B – Standpuntbepaling
33. Allereerst wil ik met betrekking tot richtlijn 93/42 verwijzen naar het recente arrest Medipac-Kazantzidis(9) – dat is gewezen nadat de schriftelijke behandeling in de onderhavige zaak was gesloten – waarin het Hof heeft geoordeeld dat „een aanbestedende dienst die een aanbesteding heeft uitgeschreven voor de levering van medische hulpmiddelen en heeft aangegeven dat deze conform de Europese Farmacopee moeten zijn en voorzien moeten zijn van de EG-markering, de aangeboden materialen [niet] rechtstreeks en buiten het kader van de vrijwaringsprocedure van de artikelen 8 en 18 van richtlijn 93/42 [mag afwijzen] om redenen van bescherming van de volksgezondheid, terwijl deze voldoen aan die technische voorwaarde. Indien de aanbestedende dienst van mening is dat die materialen de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen, is hij verplicht, de bevoegde nationale instantie daarvan in kennis te stellen met het oog op het in gang zetten van deze vrijwaringsprocedure.”
34. Aangezien dit punt van de onderhavige zaak is afgedaan, blijft alleen nog te onderzoeken op wie de bewijslast rust.
35. Dienaangaande tracht de Commissie aan de hand van een aantal concrete gevallen aan te tonen dat de houding van de Griekse ziekenhuizen in hun hoedanigheid van aanbestedende diensten de uitdrukking vormt van een vaste administratieve praktijk die onrechtmatig is, waarop de bevoegde autoriteiten geen toezicht houden en die door deze autoriteiten ook niet wordt bestraft. Daarom verzoekt de Commissie het Hof, vast te stellen dat Griekenland de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen algemeen niet is nagekomen.
36. In zijn arrest Commissie/Duitsland(10) heeft het Hof geoordeeld dat „een niet-nakoming [kan] resulteren uit het bestaan van een met het gemeenschapsrecht strijdige administratieve praktijk, ook al is [...] de toepasselijke nationale regeling op zich met het gemeenschapsrecht verenigbaar”.
37. In dat verband heeft het Hof in een ander arrest Commissie/Griekenland(11) verklaard dat „aangaande de mogelijkheid om op basis van de in een lidstaat gehanteerde administratieve praktijk een niet-nakoming vast te stellen, het Hof de toepasselijke criteria reeds heeft vastgelegd. In dat geval kan de niet-nakoming [...] alleen worden aangetoond door een voldoende omstandig en gedocumenteerd bewijs van de verweten praktijk; deze administratieve praktijk moet in zekere mate constant en algemeen zijn, en voor de conclusie dat er sprake is van een algemene, vaste praktijk mag de Commissie zich niet baseren op enig vermoeden.”
38. In de onderhavige zaak heeft de Commissie op 19 december 2005 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij heeft gesteld dat Griekenland de krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/36 en de artikelen 17 en 18 van richtlijn 93/42 op hem rustende verplichtingen met betrekking tot het plaatsen van overheidsopdrachten voor de levering van medische hulpmiddelen niet is nagekomen, en waarin zij die lidstaat heeft verzocht aan dat advies te voldoen binnen een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving ervan.
39. Op 9 februari 2006 heeft Griekenland op het met redenen omkleed advies geantwoord en gesteld dat het de nodige maatregelen had getroffen om de correcte toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren, onder meer door op 2 april 2004 circulaire nr. 19384 en op 19 januari 2006 een waarschuwingsbrief toe te zenden waarin de ziekenhuizen wordt gewezen op de verplichtingen die krachtens het gemeenschapsrecht op hen rusten. Mijns inziens wijst dit erop dat de Griekse regering i) het bestaan aanvaardt van de feitelijke situatie die ten grondslag ligt aan de in het met redenen omkleed advies geformuleerde stelling, ii) nadere maatregelen heeft getroffen om het probleem te verhelpen (namelijk op 19 januari 2006 een waarschuwingsbrief heeft toegezonden) en iii) niet ten gronde heeft geantwoord op gedragingen waartegen de klacht was gericht.
40. In haar verzoekschrift betoogt de Commissie dat er ondanks de vaststelling van circulaire nr. 19384 en het toezenden van een waarschuwingsbrief twee jaar later, geen einde is gekomen aan het onrechtmatige gedrag van de aanbestedende diensten en aan het verzuim van de Griekse autoriteiten om daar toezicht op uit oefenen. Volgens haar wijzen de haar ter kennis gebrachte gevallen op wat een algemene praktijk in Griekse ziekenhuizen lijkt te zijn, op het feit dat de betrokken inbreuk allesbehalve geïsoleerd en uitzonderlijk is, zoals de Griekse regering stelt, en op het feit dat er nog steeds geen toezicht wordt uitgeoefend op het gedrag van de betrokken aanbestedende diensten.
41. Alvorens de klacht van de Commissie ten gronde te onderzoeken, zal ik de stelling van de Griekse regering behandelen dat de Commissie geen algemene conclusies met betrekking tot het bestaan van een grootschalige, horizontale inbreuk op het gemeenschapsrecht mag trekken uit het onderzoek van specifieke – door die staat als „uitzonderlijk” aangemerkte – gevallen, door ervan uit te gaan dat Griekenland zijn verplichtingen stelselmatig niet nakomt.
42. In de volgende punten zal ik trachten aan te tonen waarom de gestelde inbreuk mijns inziens als algemeen en voortdurend kan worden aangemerkt.
43. In dit verband is het mijns inziens nuttig de relevante delen van het arrest Commissie/Ierland („de zaak Iers afval”)(12) omstandig uiteen te zetten. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat, ofschoon het aan de Commissie staat, de gestelde niet-nakoming aan te tonen(13), „de lidstaten [...] krachtens artikel 10 EG verplicht [zijn], de taak van de Commissie te vergemakkelijken, die er volgens artikel 211 EG met name in bestaat, toe te zien op de toepassing van zowel de bepalingen van het Verdrag als die welke de instellingen ingevolge het Verdrag vaststellen[(14)] [...] In dit verband moet er bij het onderzoek naar de correcte toepassing in de praktijk van nationale bepalingen die de daadwerkelijke implementatie van de richtlijn dienen te verzekeren, rekening mee worden gehouden dat de Commissie, die [...] niet over eigen onderzoeksbevoegdheden ter zake beschikt, grotendeels op de door eventuele klagers en de betrokken lidstaat verstrekte gegevens is aangewezen[(15)] [...] Hieruit volgt inzonderheid dat, wanneer de Commissie voldoende bewijs van bepaalde feiten op het grondgebied van de verwerende lidstaat heeft aangevoerd, laatstgenoemde de aldus overgelegde gegevens en de daaruit voortvloeiende gevolgen inhoudelijk en gedetailleerd moet bestrijden[(16)] [...] In dergelijke omstandigheden is het namelijk primair de taak van de nationale autoriteiten, het nodige onderzoek ter plaatse uit te voeren in een geest van loyale samenwerking, overeenkomstig de [...] plicht van iedere lidstaat, de vervulling van de algemene taak van de Commissie te vergemakkelijken[(17)] [...] Wanneer de Commissie zich beroept op omstandige klachten waaruit herhaalde niet-nakoming van de bepalingen van de richtlijn blijkt, staat het dus aan de betrokken lidstaat, de in die klachten gestelde feiten concreet te bestrijden[(18)] [...] Wanneer de Commissie voldoende bewijs heeft aangevoerd van een, met de bepalingen van een richtlijn strijdige, herhaalde en bestendige praktijk van de autoriteiten van een lidstaat, staat het eveneens aan deze lidstaat, de aldus overgelegde gegevens en de daaruit voortvloeiende gevolgen inhoudelijk en gedetailleerd te bestrijden”(19).
44. Bovendien heeft het Hof in het arrest Commissie/Italië(20) geoordeeld dat „de lidstaten [...] deze verplichting ingevolge de in artikel 10 EG neergelegde verplichting tot loyale samenwerking gedurende de gehele duur van de procedure van artikel 226 EG [dienen] na te komen”.
45. Tegen deze achtergrond zal ik de onderhavige zaak ten gronde onderzoeken.
46. Allereerst kan de Commissie, zoals het Hof in het arrest Commissie/Ierland(21) heeft geoordeeld, „het Hof [...] verzoeken schendingen van de bepalingen van een richtlijn vast te stellen die hierin bestaan dat de autoriteiten van een lidstaat een daarmee strijdige algemene praktijk hebben aangenomen, waarvan specifieke situaties in voorkomend geval de illustratie zijn”.
47. In de onderhavige zaak blijkt mijns inziens overduidelijk uit de aan het Hof overgelegde stukken dat op zijn minst in veertien – de Commissie bekende – gevallen ziekenhuizen in hun hoedanigheid van aanbestedende diensten op de hierboven beschreven wijze onjuist en onrechtmatig hebben gehandeld.
48. De veertien gevallen waarin inbreuk op het gemeenschapsrecht zou zijn gemaakt, betreffen de volgende ziekenhuizen: Attiko, Agios Savvas te Athene, Elpis, Argos, het (Rode Kruis)ziekenhuis Korgialeneio-Benakeio te Athene, het algemene ziekenhuis te Kalamata (op de Peloponnesos), het algemene ziekenhuis te Nauplion, het algemene kinderziekenhuis P. & A. Kyriakoy te Athene, Syros (op de Cycladen), het algemene ziekenhuis te Sparta, het algemene ziekenhuis Panakardiko te Tripolis, het algemene ziekenhuis en kraamziekenhuis Elena Venizelou, het algemene ziekenhuis Asklipieio Voulas Attiqus, en Kos.
49. Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt dat enkele van de grootste ziekenhuizen in Griekenland op die lijst staan namelijk: Attiko, Agios Savvas (een bekend kankerziekenhuis), Korgialeneio-Benakeio, Kyriakoy en Elena Venizelou.
50. Bovendien ben ik van mening dat deze gevallen niet alleen een groot deel van het grondgebied, maar ook een aantal specialisaties, waaronder algemene geneeskunde, kindergeneeskunde, kankerbehandeling en kraamverzorging, bestrijken.(22)
51. Dienaangaande ben ik het eens met advocaat-generaal Geelhoed, die in zijn conclusie in de zaak Commissie/Ierland(23) heeft verklaard dat „ofschoon geïsoleerde gevallen op zich voldoende kunnen zijn om een niet-nakoming te bewijzen, [...] een structurele niet-nakoming een meer algemene praktijk of een patroon van niet-nakoming [suggereert], waarvan tevens waarschijnlijk is dat het zich steeds weer zal voordoen. Gaat het om een richtlijn, dan betekent het dat de wezenlijke inhoud van de richtlijn om welke reden dan ook niet in de praktijk wordt gebracht en dat het resultaat van de richtlijn in de lidstaat niet wordt bereikt. Een aanwijzing hiervoor kan zijn dat de praktijk niet beperkt is tot een bepaalde lokaliteit in een lidstaat, maar een grotere verspreiding heeft in die zin dat meerdere met de richtlijn strijdige situaties zich tegelijkertijd voordoen op het grondgebied van de lidstaat.” Dat lijkt in casu het geval te zijn.
52. Ten slotte mag in dit verband niet uit het oog worden verloren dat het relevante product in de onderhavige procedure een product is dat de ziekenhuizen op geregelde tijdstippen dienen in te kopen. Gelet op de aard van het in de onderhavige procedure aan de orde zijnde product – in tegenstelling tot een product dat slechts eenmaal wordt gekocht – is de door de Commissie gelaakte algemene praktijk mijns inziens dus een praktijk die zich waarschijnlijk steeds weer zal voordoen.
53. Op grond van de in de punten 45 tot en met 51 hierboven geformuleerde overwegingen en gelet op het feit dat de betrokken situaties veel gelijkenissen vertonen en zich naar de aard ervan steeds weer zullen voordoen, ben ik dan ook van mening dat er sprake is van een veralgemeende en gesystematiseerde niet-nakoming door de aanbestedende diensten en de Helleense Republiek van de krachtens de richtlijnen 93/36 en 93/42 op hen rustende verplichtingen.(24)
54. Gelet op een en ander dient te worden opgemerkt dat, wanneer de Commissie voldoende bewijs heeft aangedragen van een, met de bepalingen van de richtlijnen 93/36 en 93/42 strijdige, herhaalde en bestendige praktijk van de autoriteiten van een lidstaat, het de taak van deze lidstaat is, de overgelegde gegevens en de gevolgen daarvan inhoudelijk en gedetailleerd te bestrijden.
55. De kwintessens van de onderhavige zaak is echter dat de Griekse regering tegen geen enkele stelling met betrekking tot een van deze ziekenhuizen is opgekomen.(25) Bovendien heeft Griekenland argumenten noch specifieke bewijzen aangedragen waarmee de stelling van de Commissie inhoudelijk en gedetailleerd wordt tegengesproken of betwist.
56. In feite erkent de Griekse regering in circulaire nr. 19384, in de precontentieuze procedure en vooral in haar verweerschrift in de onderhavige procedure, dat „een aantal ziekenhuizen in strijd met de relevante gemeenschapsbepalingen hebben gehandeld”.
57. Gelet op het feit dat de Griekse regering de stelling van de Commissie niet betwist en geen afdoend tegenbewijs heeft aangedragen, moet dus worden aangenomen dat deze stelling is bewezen.(26)
58. Ik ben van mening dat de Commissie afdoende bewijzen heeft aangedragen voor de schending van het gemeenschapsrecht door Griekenland. Dat bewijs wordt nog verstrekt door het uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkende en door de Griekse regering niet betwiste feit dat die lidstaat geen toezicht heeft uitgeoefend op het onrechtmatige gedrag van de aanbestedende diensten en deze daarvoor ook geen sancties heeft opgelegd.
59. Uit de in punt 43 van de in de onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak blijkt dat Griekenland krachtens artikel 10 EG verplicht is, de taak van de Commissie in procedures op grond van artikel 226 EG te vergemakkelijken.
60. In plaats van gewoon te stellen(27) dat uit de concrete gevallen (die zij echter niet betwist) geen algemene niet-nakoming van op de hem rustende verplichtingen kan worden afgeleid, had Griekenland op grond van artikel 10 EG bewijzen moeten aandragen van gevallen waarin de twee betrokken richtlijnen correct zijn toegepast. Daartoe had Griekenland een raming moeten verstrekken van het gemiddelde aantal aanbestedingen dat een ziekenhuis jaarlijks uitschrijft, om aan te tonen dat de gevallen die de Commissie ter kennis zijn gekomen, qua aantal, geografische spreiding, aard of specialisatie inderdaad uitzonderingen zijn en dat daaraan, gelet op alle andere gevallen, geen algemene tekortkomingen ten grondslag liggen. Tijdens de precontentieuze procedure en in haar schriftelijke opmerkingen in de onderhavige procedure heeft de Griekse regering echter kennelijk het ene noch het andere gedaan.
61. Het enige argument dat de Griekse regering heeft aangevoerd, is dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de gevallen die haar ter kennis zijn gekomen, geen geïsoleerde en uitzonderlijke voorvallen zijn.
62. Gelet op, enerzijds, het aantal, de geografische spreiding en de specialisatie van de ziekenhuizen, en anderzijds, het feit dat enkele van de grootste ziekenhuizen in Griekenland daarbij betrokken zijn, komt het gedrag van de Griekse ziekenhuizen mijns inziens neer op een veralgemeende inbreuk die niet mag worden geacht beperkt te zijn tot de veertien gevallen die de Commissie ter kennis zijn gekomen.
63. Zoals de Commissie heeft aangetoond, leiden het aantal gevallen van inbreuk door de aanbestedende diensten en het ontbreken op administratief en op gerechtelijk niveau van toezicht en sancties – zowel algemeen als in concrete gevallen – op dat gedrag, immers tot een andere conclusie dan die welke Griekenland bepleit. Derhalve ben ik van mening dat zowel de handelwijze van de aanbestedende diensten als de praktijk van de bevoegde toezichthoudende autoriteiten de niet-inachtneming van de wettelijke procedure een systeemkarakter verleent.
64. De Commissie heeft aangetoond dat de gelaakte feiten, gelet op het aantal en de aard ervan, alleen kunnen worden verklaard door een patroon van niet-nakoming van gemeenschapsrechtelijke verplichtingen op een ruimere schaal. In een dergelijke situatie kunnen de gelaakte gedragingen, tezamen en in de context ervan beschouwd, niet als geïsoleerde voorvallen worden aangemerkt, maar moeten zij veeleer worden beschouwd als symptomen van een administratieve praktijk die in strijd is met de verplichtingen van die lidstaat.(28)
65. Dat een groot aantal ziekenhuizen bij openbare aanbestedingsprocedures richtlijn 93/36 niet in acht nemen, is in strijd met de verplichtingen die krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/36 op de Griekse autoriteiten rusten.
66. De Commissie wijst er terecht op, dat de maatregelen die de Griekse regering heeft getroffen om een einde te maken aan die inbreuken nadat zij daarvan door de Commissie in kennis was gesteld, slechts bestaan in de vaststelling van een regulerende handeling door het EOF, namelijk circulaire nr. 19384, en het toesturen van een waarschuwingsbrief twee jaar later. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat de waarschuwingsbrief is verzonden op 19 januari 2006, een maand nadat de Commissie haar met redenen omkleed advies aan de Griekse autoriteiten had toegezonden.
67. Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt echter dat het onrechtmatige gedrag van de aanbestedende diensten en het verzuim van de Griekse autoriteiten om toezicht uit te oefenen en sancties op te leggen, voortduren.
68. Gelet op een en ander ben ik het eens met de Commissie dat de haar ter kennis gebrachte gevallen wijzen op een algemene praktijk met betrekking tot de levering van medische hulpmiddelen in Griekse ziekenhuizen.
69. Het betoog van de Griekse autoriteiten, dat is gebaseerd op het bestaan van nationale (beroeps)procedures ter zake van inbreuken betreffende overheidsopdrachten voor leveringen, kan de schending van de relevante gemeenschapsbepalingen door de lidstaat niet rechtvaardigen.
70. Zoals het Hof in het arrest Brasserie du Pêcheur en Factortame(29) heeft verklaard, „is [het] vaste rechtspraak, dat de omstandigheid dat de justitiabelen zich voor de nationale rechter op de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van het Verdrag kunnen beroepen, slechts een minimumwaarborg is, die op zichzelf niet volstaat om de volledige toepassing van het Verdrag te verzekeren”.
71. De uit een administratieve praktijk van een lidstaat voortvloeiende niet-nakoming van een verplichting veronderstelt immers dat een specifiek gedragspatroon van de autoriteiten van de verwerende lidstaat kan worden vastgesteld.(30)
72. Mijns inziens is dit in casu het geval. Zoals uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt, is de gelaakte administratieve praktijk, waarvan tal van voorbeelden bestaan, duidelijk enigszins samenhangend en algemeen en gaat hij gepaard met een verzuim van toezicht, van handhaving van de regels en van sancties.(31) Daarenboven blijkt volgens het in punt 18 van deze conclusie uiteengezette betoog van de Commissie uit de algemene tendens om beroepen tegen beslissingen van de aanbestedende diensten te verwerpen, duidelijk dat de Raad van State het verre van oneens is met de onjuiste en onrechtmatige uitlegging van de toepasselijke bepalingen door de aanbestedende diensten, maar deze uitlegging veeleer heeft bevestigd.(32)
73. Op grond daarvan ben ik van mening dat de door de Commissie gelaakte administratieve praktijk, zoals die hierboven is beschreven, waarschijnlijk zal voortduren. Bovendien kan een dergelijke inbreuk door de Helleense Republiek niet alleen de door de richtlijnen 93/36 en 93/42 beschermde specifieke belangen schaden, maar meer algemeen afbreuk doen aan de door die richtlijnen nagestreefde doelstellingen.
74. In de onderhavige zaak wordt de situatie immers niet verholpen door op te treden met betrekking tot een aantal concrete gevallen waarin de betrokken gemeenschapsrechtelijke verplichting niet is nagekomen, maar dienen het algemene beleid en de administratieve praktijk van de betrokken lidstaat te worden herzien.(33)
75. Daarbij komt dat de conclusie, dat de gelaakte administratieve praktijk duidelijk enigszins samenhangend en algemeen is en gepaard gaat met een verzuim van toezicht, van handhaving van de regels en van sancties, paradoxaal genoeg wordt bevestigd door het argument van de Griekse regering dat (tot op heden) geen sancties konden worden opgelegd omdat ten tijde van de indiening van de dupliek het onderzoek door de dienst Gezondheid en Preventie nog niet was afgesloten. Prima facie sleept dit onderzoek immers onrechtmatig lang aan, vooral omdat de Griekse autoriteiten met de informatie die tijdens de administratieve procedure op grond van artikel 226 EG aan het licht is gekomen, hun eigen onderzoek hadden kunnen vooruithelpen. Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt inzonderheid dat de Commissie Griekenland op 26 september 2003 voor het eerst in kennis heeft gesteld van de handelwijze van de aanbestedende diensten en dat Griekenland zijn dupliek heeft ingediend op 19 april 2007. Er zijn dus minstens drie en een half jaar verstreken sedert de dag waarop Griekenland voor het eerst in kennis is gesteld van de betrokken handelwijze.
76. Mijns inziens dient hier te worden opgemerkt dat de onderhavige zaak kennelijk voldoet aan de criteria tijd (het feit dat de niet-nakoming lange tijd heeft geduurd) en ernst (de mate waarin de huidige situatie in de lidstaat afwijkt van het met de gemeenschapsverplichting beoogde resultaat).(34)
77. Ten slotte is de niet-nakomingsprocedure objectief en kan het lange aanslepen van het door de autoriteiten verrichte onderzoek de niet-nakoming van de verplichtingen door Griekenland niet opheffen. In zijn arrest Commissie/België(35) heeft het Hof overwogen dat „het [...] vaste rechtspraak van het Hof [is], dat een lidstaat zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit communautaire richtlijnen voortvloeiende verplichtingen, niet ten exceptieve op bepalingen, praktijken of situaties van zijn nationale rechtsorde kan beroepen”.
78. Uit de hierboven aangehaalde rechtspraak volgt derhalve dat bij gebreke van door de Griekse regering aangedragen tegenbewijzen moet worden aangenomen dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat Griekenland de krachtens de richtlijnen 93/36 en 93/42 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen doordat de bevoegde aanbestedende diensten van Griekse ziekenhuizen offertes met betrekking tot van de EG-markering voorziene medische hulpmiddelen hebben afgewezen zonder de procedure van richtlijn 93/42 te volgen.(36)
IV – Kosten
79. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. De Commissie heeft gevorderd, Griekenland te verwijzen in de kosten.
V – Conclusie
80. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
– vast te stellen dat de Helleense Republiek de krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen, en de artikelen 17 en 18 van richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen doordat de bevoegde aanbestedende diensten van Griekse ziekenhuizen offertes met betrekking tot van de EG-markering voorziene medische hulpmiddelen hebben afgewezen zonder de procedure van richtlijn 93/42 betreffende medische hulpmiddelen te volgen;
– de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 _ Richtlijn van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PB L 199, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/78/EG van de Commissie van 13 september 2001 (PB L 285, blz. 1) (hierna: „richtlijn 93/36”). Richtlijn 93/36 is ingetrokken bij richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114), doch is van toepassing op de feiten van de onderhavige zaak.
3 – Richtlijn van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PB L 169, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 (PB L 284, blz. 1) (hierna: „richtlijn 93/42”).
4 – Arrest van 14 juni 2007 (C‑6/05, Jurispr. blz. I‑4557).
5 – Richtlijn van 24 juli 1986 betreffende de eerste fase van de wederzijdse erkenning van goedkeuringen van eindapparatuur voor telecommunicatie (PB L 217, blz. 21).
6 – Beschikking van 22 december 1986 betreffende de normalisatie op het gebied van de informatietechnologieën en de telecommunicatie (PB 1987, L 36, blz. 31).
7 – Volgens de klacht claimen de bevoegde comités, die doorgaans bestaan uit ziekenhuisartsen, het recht om de algemene geschiktheid en gebruiksveiligheid van de betrokken medische hulpmiddelen te controleren. Van mening dat de EG-markering geen passende en bindende garantie biedt, ontdekken zij vaak tekortkomingen in de normen, die volgens hen de waarde van het officiële EG-certificaat beperken of het zelfs ongeldig maken.
8 – De Commissie verwijst naar de arresten van 8 mei 2003, ATRAL (C‑14/02, Jurispr. blz. I‑4431, punten 50‑53); 22 mei 2003, Commissie/ Duitsland (C‑103/01, Jurispr. blz. I‑5369, punten 28 en 29), en 8 september 2005, Yonemoto (C‑40/04, Jurispr. blz. I‑7755, punten 31 en 32), en de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Medipac-Kazantzidis, aangehaald in voetnoot 4, punten 83‑87.
9 – Aangehaald in voetnoot 4, punt 55.
10 – Arrest van 27 april 2006 [C‑441/02, Jurispr. blz. I‑3449, punt 47, waarin wordt verwezen naar het arrest van 12 mei 2005, Commissie/Italië (C‑278/03, Jurispr. blz. I‑3747, punt 13)]. Zie ook arrest van 14 juni 2007, Commissie/Finland (C‑342/05, Jurispr. blz. I‑4713, punt 22).
11 – Arrest van 7 juni 2007 (C‑156/04, Jurispr. blz. I‑4129, punt 50, waarin wordt verwezen naar arrest C‑441/02, Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 10, punten 49, 50 en 99, en aangehaalde rechtspraak). Voor een zaak waarin de Commissie niet heeft weten aan te tonen dat er in een lidstaat een administratieve praktijk met de in de rechtspraak van het Hof geëiste kenmerken bestaat, zie arrest van 12 mei 2005, Commissie/België (C‑287/03, Jurispr. blz. I‑3761, punt 28).
12 – Arrest van 26 april 2005 (C‑494/01, Jurispr. blz. I‑3331, punten 41‑47). Zie ook arrest van 26 april 2007, Commissie/Italië (C‑135/05, Jurispr. blz. I‑3475, punten 26‑32). Cf. Lenaerts, K., „The Rule of Law and the Coherence of the Judicial System of the European Union”, 44 CML Rev. (2007), blz. 1636, voetnoot 70, die op zijn beurt verwijst naar Wennerås, P., „A New Dawn for Commission Enforcement under Articles 226 and 228 EC: General and Persistent (GAP) Infringements, Lump Sums and Penalty Payments”, 43 CML Rev. (2006), blz. 31, en Schrauwen, A., „Fishery, waste management and persistent and general failure to fulfil control obligations: The role of lump sums and penalty payments in enforcement actions under Community law”, 18 Journal of Environmental Law (2006), blz. 289.
13 – Zie met name arresten van 25 mei 1982, Commissie/Nederland (96/81, Jurispr. blz. 1791, punt 6), en 12 september 2000, Commissie/Nederland (C‑408/97, Jurispr. blz. I‑6417, punt 15). Zie ook arrest van 22 september 1988, Commissie/Griekenland (272/86, Jurispr. blz. 4875, punt 21).
14 – Arrest 96/81, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 13, punt 7, en arrest C‑408/97, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 13, punt 16.
15 – Zie, mutatis mutandis, arrest C‑408/97, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 13, punt 17.
16 – Zie daartoe arrest van 9 november 1999, Commissie/Italië („San Rocco”) (C‑365/97, Jurispr. blz. I‑7773, punten 84 en 86).
17 – Arrest San Rocco, aangehaald in voetnoot 16, punt 85.
18 – Zie, mutatis mutandis, arrest 272/86, Commissie/Griekenland, aangehaald in voetnoot 13, punt 19.
19 – Zie, mutatis mutandis, arrest 272/86, Commissie/Griekenland, aangehaald in voetnoot 13, punt 21, en arrest San Rocco, aangehaald in voetnoot 16, punten 84 en 86.
20 – Arrest C 135/05, aangehaald in voetnoot 12, punt 32.
21 – Arrest van 25 oktober 2007 (C‑248/05, Jurispr. blz. I‑9261, punt 64 en aangehaalde rechtspraak).
22 – Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt dat de gelaakte praktijk ook plaatsvindt in een aantal andere ziekenhuizen, waaronder: het Ippokratio-ziekenhuis te Thessaloniki („een van de grootste in het land”), het algemene ziekenhuis te Trikala, het G. Papanikolaou-ziekenhuis te Thessaloniki („een van de grootste in het land”), het academische ziekenhuis te Patras, het Griekse Marine-ziekenhuis te Athene, het Agia Sofia-ziekenhuis te Athene („het grootste kinderziekenhuis van het land”), het Kifisia-ziekenhuis voor traumatologie (KAT, „een van de belangrijkste ziekenhuizen te Athene”) en het Tzanio-ziekenhuis („het grootste ziekenhuis van Piraeus”).
23 – Zaak C‑494/01, aangehaald in voetnoot 12, punt 44.
24 – Het omgekeerde was bijvoorbeeld het geval in het arrest van 12 juni 2003, Commissie/Finland (C‑229/00, Jurispr. blz. I‑5727, punt 53).
25 – Zie arrest C‑494/01, Commissie/Ierland, aangehaald in voetnoot 12, waar Ierland de meeste stellingen van de Commissie heeft betwist. Zie ook arrest van 27 april 1993, Commissie/Griekenland (C‑375/90, Jurispr. blz. I‑2055, punt 34), waar, op grond dat „de Helleense Republiek [...] in haar memories en ter terechtzitting nauwkeurige details [heeft] verschaft waaruit blijkt, dat de vereisten van bijlage III in werkelijkheid in acht waren genomen, zonder dat de Commissie de juistheid van die gegevens heeft betwist”, het Hof heeft geconcludeerd dat de Commissie de gestelde schending van de bepalingen van de relevante verordening niet heeft bewezen.
26 – Zie arrest 272/86, Commissie/Griekenland, aangehaald in voetnoot 13, punt 21. Zie ook arrest van 4 mei 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑508/03, Jurispr. blz. I‑3969, punt 80).
27 – Zie, zakelijk weergegeven, de overwegingen van het Hof in het arrest 272/86, Commissie/Griekenland, aangehaald in voetnoot 13, dat, ofschoon het aan de Commissie staat haar stelling te bewijzen, de lidstaat, wanneer de Commissie voldoende bewijs van de niet-nakoming van de verplichtingen heeft aangedragen, zich niet ertoe mag beperken het bestaan daarvan te ontkennen. De lidstaat moet de overgelegde gegevens en de gevolgen daarvan inhoudelijk en gedetailleerd bestrijden. Indien de lidstaat dat niet doet, moet de stelling worden geacht te zijn bewezen.
28 – Zie in dat verband de conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in zaak C‑494/01, Commissie/Ierland, aangehaald in voetnoot 12, punt 55.
29 – Arrest van 5 maart 1996 (C‑46/93 en C‑48/93, Jurispr. blz. I‑1029, punt 20).
30 – Lenaerts, K., Arts, D., Maselis, I., Procedural Law of the European Union, 2e uitgave, Londen, 2006, blz. 133, punt 5-008, waarin als voorbeelden worden genoemd de arresten van 9 mei 1985, Commissie/Frankrijk (21/84, Jurispr. blz. 1355); 18 februari 1986, Commissie/Italië (35/84, Jurispr. blz. 545); 29 april 2004, Commissie/Oostenrijk (C‑150/00, Jurispr. blz. I‑3887) en 2 december 2004, Commissie/Nederland (C‑41/02, Jurispr. blz. I‑11375).
31 – Net als in zaak C‑494/01, Commissie/Ierland, aangehaald in voetnoot 12, blijkt dat Griekenland algemeen heeft nagelaten i) de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te creëren en/of te handhaven die noodzakelijk zijn voor de correcte toepassing en handhaving van de bepalingen van de richtlijnen 93/36 en 93/42, en ii) die bepalingen in casu toe te passen en te handhaven. Objectief gezien blijkt immers dat er een algemene tendens is bij de Griekse autoriteiten om situaties van niet-naleving van die bepalingen te tolereren (zie arrest C‑494/01, Commissie/Ierland, aangehaald in voetnoot 12, punt 132).
32 – Zie met betrekking tot de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een praktijk betreffende een „neutrale” bepaling van nationaal recht in de context van de handelwijze van de rechterlijke instanties, arrest van 9 december 2003, Commissie/Italië (C‑129/00, Jurispr. blz. I‑14637). In dat arrest heeft het Hof uiteengezet in welke omstandigheden een nationale rechterlijke praktijk kan neerkomen op niet-nakoming door een lidstaat van de krachtens artikel 226 EG op hem rustende verplichtingen.
33 – Zie de conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in zaak C‑494/01, Commissie/Ierland, aangehaald in voetnoot 12, punt 48, waarin wordt verklaard dat „beperking van de oplossing tot geïdentificeerde gevallen van niet-nakoming [...] andere niet-nakomingsgevallen immers in stand [zou] laten tot ook deze bekend zijn geworden en daartegen bezwaar is gemaakt [...] door de Commissie in een nieuwe niet-nakomingsprocedure [...] Intussen duurt een situatie voort die in strijd is met hetgeen de communautaire maatregel beoogt.”
34 – Ibid., punten 45 en 46.
35 – Arrest van 1 maart 1983 (301/81, Jurispr. blz. 467, punt 6).
36 – Zie in dit verband arrest San Rocco, aangehaald in voetnoot 16, punt 91.
Full & Egal Universal Law Academy