CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 20 november 2008 (1)
Zaak C‑494/06 P
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italië en Wam SpA
„Hogere voorziening – Staatssteun – Gesubsidieerde leningen voor programma’s om in derde landen op markt te kunnen komen – Motiveringsplicht van Commissie”
1. In beschikking 2006/177/EG (hierna: „litigieuze beschikking”)(2) concludeerde de Commissie dat het bij twee door Italië aan Wam SpA (hierna: „Wam”)(3) verleende subsidies ging om binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG vallende staatssteun. Aangezien deze steun niet vooraf bij de Commissie was aangemeld(4), verklaarde de Commissie die onrechtmatig.
2. Bij zijn arrest in de gevoegde zaken T‑304/04 en T‑316/04, Italië en Wam/Commissie(5), heeft het Gerecht van eerste aanleg de litigieuze beschikking nietig verklaard wegens onvoldoende motivering door de Commissie. In het bijzonder verklaarde het Gerecht dat de verstrekte motivering niet volstond om de conclusie te rechtvaardigen dat de verleende steun voldeed aan alle voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG. De Commissie heeft thans hogere voorziening ingesteld op grond dat het Gerecht van eerste aanleg voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van toereikende motivering, een criterium heeft toegepast dat afwijkt van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie.
Toepasselijke bepalingen
Relevant gemeenschapsrecht
3. Artikel 87, lid 1, EG bepaalt:
„Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.”
4. Artikel 253 EG luidt:
„De verordeningen, richtlijnen en beschikkingen die door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk worden aangenomen, en de verordeningen, richtlijnen en beschikkingen van de Raad of van de Commissie worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen of adviezen welke krachtens dit Verdrag moeten worden gevraagd.”
Relevant nationaal recht
5. Artikel 2 van wet nr. 394 van 29 juli 1981(6) inzake ondersteunende maatregelen voor de Italiaanse uitvoer vormt de rechtsgrondslag voor de Italiaanse autoriteiten om exportondernemingen die in derde landen de markt proberen te betreden, gesubsidieerde financiering te kunnen verstrekken.
Feitelijke context
6. Wam is een Italiaanse onderneming die zich bezighoudt met het ontwerp, de productie en de afzet van industriële mengapparatuur en componenten daarvan, die vooral in de levensmiddelenindustrie, de chemische, de farmaceutische en de milieusector worden gebruikt.(7)
7. Op 24 november 1995 besloten de Italiaanse autoriteiten om Wam een gesubsidieerde lening van 2 281 485 000 ITL(8) te verstrekken teneinde het haar makkelijker te maken om in de Japanse, de Zuid-Koreaanse en de Taiwanese markt door te dringen. Als gevolg van een economische crisis in Korea en Taiwan, zijn de geplande projecten in die landen niet ten uitvoer gelegd. Wam ontving daadwerkelijk een lening van 1 358 505 421 ITL(9) voor het opzetten van permanente structuren en ter dekking van de kosten voor handelsbevordering in het Verre Oosten.
8. Op 9 november 2000 besloten die autoriteiten Wam nog een gesubsidieerde lening te verstrekken van 3 603 574 689 ITL.(10) Het met die lening gefinancierde programma moest in China worden uitgevoerd door Wam en door Wam Bulk Handling Machinery (Shanghai) Co. Ltd, een lokale onderneming die voor 100 % in handen is van Wam.(11)
Litigieuze beschikking
9. Bij brief van 26 juli 1999 ontving de Commissie een klacht van Morton Machine Company Ltd (hierna: „Morton Machine Company”). Morton Machine Company is een concurrent van Wam Engineering Ltd, een Brits lid van de multinationale groep waarvan Wam deel uitmaakt. Volgens Morton Machine Company werden haar prijzen door Wam Engineering Ltd onderboden als gevolg van de Italiaanse lening aan Wam.
10. Nadat zij nadere gegevens had vergaard, leidde de Commissie de procedure van artikel 88, lid 2, EG in en stelde zij op 19 mei 2004 de litigieuze beschikking vast.
11. De geschiktheid van de motivering van de Commissie met betrekking tot artikel 87, lid 1, EG moet worden beoordeeld op de grondslag van de punten 74 tot en met 79 van de beschikking. Na de tekst van dit artikel in herinnering te hebben gebracht, vervolgt de beschikking:
„(75) De onderzochte steunmaatregelen zijn tot stand gekomen door het verlenen van overheidssubsidies in de vorm van zachte leningen aan een specifieke onderneming, namelijk WAM SpA. Door deze bijdragen verbetert de financiële situatie van de begunstigde van de steun. Wat de mogelijke ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten betreft, heeft het Hof van Justitie(12) erop gewezen dat zelfs indien de steunmaatregel gericht is op export buiten de EU, het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan worden beïnvloed. Wegens de interdependentie van de markten waarop de ondernemingen van de Gemeenschap opereren, is het voorts niet uitgesloten dat een dergelijke steunmaatregel de intracommunautaire mededinging kan vervalsen.
(76) WAM SpA heeft dochterbedrijven in de gehele wereld. In bijna alle lidstaten van de EU, zoals Frankrijk, Nederland, Finland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, België en Duitsland, zijn er dochterbedrijven van WAM SpA opgericht. De klager benadrukte voorts dat hij op de interne markt in een harde concurrentiestrijd was verwikkeld met WAM Engineering Ltd, de dochteronderneming van WAM SpA in het Verenigd Koninkrijk en Ierland, en dat hij vele bestellingen heeft verloren aan de Italiaanse onderneming. Wat de concurrentie buiten de EU tussen ondernemingen uit de Gemeenschap betreft, kwam voorts aan het licht dat het programma dat door middel van de tweede steunmaatregel werd gefinancierd en dat tot doel had commerciële activiteiten in China te ontwikkelen, gezamenlijk moest worden uitgevoerd door WAM SpA en WAM Bulk Handling Machinery Shangai [sic] Co Ltd, een lokale onderneming die volledig in handen is van WAM SpA.
(77) Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie kan subsidiëring van exportactiviteiten het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden, zelfs indien de begunstigde onderneming bijna haar volledige productie buiten de EU, de EER en de toetredende landen uitvoert.
(78) In deze zaak is bovendien vastgesteld dat de afzet in het buitenland in de periode tussen 1995 en 1999 52 tot 57,5 % van de totale jaaromzet van WAM bedroeg, waarvan tweederde export binnen de EU (in absolute cijfers, ongeveer 10 miljoen EUR tegen 5 miljoen EUR).
(79) Ongeacht of de desbetreffende steun wordt verleend voor export naar andere EU-lidstaten of naar landen buiten de EU, kan deze dus het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden. Derhalve is deze steun onderworpen aan artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.”
Procesverloop voor het Gerecht van eerste aanleg
12. Italië en Wam hebben elk bij het Gerecht van eerste aanleg beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking ingesteld. De beroepen zijn vervolgens gevoegd. Italië heeft in zijn beroep zeven gronden voor nietigverklaring aangevoerd en Wam tien.(13) Een van die gronden hield in dat de Commissie de litigieuze beschikking ontoereikend had gemotiveerd.
13. Zonder nader in te gaan op de overige gronden voor nietigverklaring heeft het Gerecht van eerste aanleg de litigieuze beschikking nietig verklaard op grond dat de Commissie ontoereikend had gemotiveerd dat de leningen het handelsverkeer ongunstig konden beïnvloeden of dat zij de mededinging vervalsten of dreigden te vervalsen. De hogere voorziening beperkt zich derhalve tot deze kwestie.
14. Wordt de hogere voorziening toegewezen, dan wordt de zaak verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg voor onderzoek van de overige gronden voor nietigverklaring. Wordt de hogere voorziening afgewezen, dan betekent dat het einde van het geschil.
15. In het kader van de hogere voorziening hebben alle partijen uitvoerige opmerkingen ingediend met betrekking tot de (bestreden) feiten die ten grondslag lagen aan de beschikking van de Commissie. Aangezien een gedetailleerd feitenonderzoek valt buiten het bestek van een hogere voorziening inzake rechtsvragen, die voor het Hof is ingesteld tegen een beslissing van het Gerecht, dienen die opmerkingen buiten beschouwing te worden gelaten.(14)
Hogere voorziening
16. Volgens de Commissie heeft het Gerecht met zijn oordeel dat de motivering van de litigieuze beschikking niet volstond ter ondersteuning van de conclusie dat de door Italië aan Wam verstrekte leningen het handelsverkeer ongunstig konden beïnvloeden en de mededinging konden vervalsen of dreigen te vervalsen, de artikelen 87, lid 1, EG en 253 EG verkeerd uitgelegd en is het afgeweken van de vaste rechtspraak van het Hof. Die rechtspraak hanteert betrekkelijk lichte bewijsvereisten waaraan de Commissie moet voldoen om aan te tonen dat een gestelde steunmaatregel het handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden of de mededinging kan vervalsen of kan dreigen te vervalsen. In het bestreden arrest heeft het Gerecht strengere bewijsregels toegepast.
17. Ter ondersteuning van haar primaire argument voert de Commissie een aantal subsidiaire argumenten aan. In het bijzonder keert de Commissie zich tegen de vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot de motivering inzake (i) het gevolg van de financiële steun voor Wam en (ii) de aanwezigheid van Wam op de intracommunautaire markten. De Commissie betwist eveneens (iii) de noodzaak om onderzoek te doen naar de relatie tussen de markt van de Gemeenschap en de markten van het Verre Oosten.
18. Volgens Italië en Wam heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet afgeweken van de vaste rechtspraak.
Ontvankelijkheid
19. Zowel Italië als Wam stelt dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is. Volgens Italië is de stelling van de Commissie dat het arrest van het Gerecht niet strookt met de rechtspraak van het Hof een middel dat losstaat van een rechtsvraag.
20. Artikel 58 van het Statuut bepaalt dat „[h]et verzoek aan het Hof om hogere voorziening [...] alleen rechtsvragen [kan] betreffen. Het moet gebaseerd zijn op middelen, ontleend aan [onder meer] schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.” De hogere voorziening van de Commissie is juist gebaseerd op de stelling dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door de in de rechtspraak van het Hof neergelegde uitlegging van de artikelen 87 EG en 253 EG niet te volgen en toe te passen.
21. De hogere voorziening is gebaseerd op een rechtsvraag en op een in artikel 58 van het Statuut genoemd middel. Zij is daarom ontvankelijk.
22. Wam stelt verder dat de door de Commissie ingestelde hogere voorziening een verzoek aan het Hof inhoudt om de beslissing van het Gerecht inhoudelijk te toetsen in plaats van zich te beperken tot de toetsing van „wezenlijke vormvoorschriften”, zoals artikel 230 EG vereist.
23. Artikel 230 EG kent het Hof de bevoegdheid toe om toezicht te houden op handelingen van andere gemeenschapsinstellingen dan het Gerecht. Hogere voorzieningen tegen de beslissingen van het Gerecht worden geregeld door artikel 225, lid 1, EG(15) en het Statuut van het Hof. Het argument van Wam inzake de ontvankelijkheid, voor zover het is gebaseerd op artikel 230 EG, is kennelijk onjuist en moet eveneens worden verworpen.
Motiveringsplicht
24. Om te beginnen is het nuttig om stil te staan bij de omvang van de verplichting tot motivering van een beschikking betreffende de toepassing van artikel 87, lid 1, EG; vervolgens zal ik nagaan hoe het Gerecht die rechtspraak heeft toegepast op het bij hem aanhangige geding.
25. De door artikel 253 EG voorgeschreven motiveringsplicht is een vormvoorschrift dat losstaat van de verplichting om gegronde redenen aan te voeren.(16) De motiveringsplicht verzekert dat de door de beschikking geraakte partijen de rechtvaardigingsgronden daarvan begrijpen (en derhalve in staat zijn hun rechten te verdedigen). Hij stelt eveneens het Hof in staat om zijn toezicht effectief uit te oefenen.(17) Gronden die de auteur van de beschikking naderhand tracht aan te voeren voor de rechter, moeten derhalve in de beschikking zelf zijn terug te vinden.
26. In een staatssteunbeschikking moet de Commissie de redenen aangeven waarom zij heeft geconcludeerd dat de verstrekking van financiële bijstand staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG vormt. Daartoe moet zij aantonen dat de gestelde steun vier kenmerken bezit.
27. In de eerste plaats moet er sprake zijn geweest van een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. In de tweede plaats moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. In de derde plaats moet de maatregel de begunstigde een voordeel verschaffen en in de vierde plaats moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen.(18)
28. De rechtspraak heeft grenzen gesteld aan de omvang van de verplichting van de Commissie om aan te tonen dat er sprake is van het tweede en het vierde kenmerk. Derhalve behoeft de „Commissie [...] niet vast te stellen of sprake is van een werkelijke beïnvloeding van de handel tussen lidstaten en een daadwerkelijke vervalsing van de mededinging. Zij dient enkel te onderzoeken of die steunmaatregelen dat handelsverkeer ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging kunnen vervalsen.”(19) Onder het begrip „ongunstige beïnvloeding” van het handelsverkeer tussen de lidstaten dient ook te worden verstaan de mogelijkheid dat de steun een dergelijke invloed heeft.(20)
29. De juiste omvang van het motiveringsvereiste kan niet in abstracto worden omschreven. Zoals het Hof heeft overwogen in het arrest Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie:
„De aan de redengeving te stellen eisen moeten worden beoordeeld naargelang van de omstandigheden van het geval, waarbij met name in aanmerking zijn te nemen de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het mogelijk belang dat de adressaten [...] bij een verklaring kunnen hebben.
[...]
Ook al kan in sommige gevallen reeds uit de omstandigheden waaronder de steun werd verleend, duidelijk zijn dat die steun het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig zal beïnvloeden [...], van de Commissie mag toch minstens worden verwacht dat zij die omstandigheden in de motivering van haar beschikking uiteenzet.”(21)
30. In het arrest Sytraval(22) heeft het Hof verklaard dat het vaste rechtspraak is dat de motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de motivering niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.(23)
Primaire argument van de Commissie
31. De Commissie erkent dat het Gerecht van eerste aanleg de toepasselijke rechtspraak op juiste wijze heeft samengevat.(24) Zij stelt echter dat het Gerecht strengere bewijsvereisten heeft gehanteerd. Het Gerecht heeft weliswaar in beginsel erkend dat de Commissie enkel de voorzienbare gevolgen(25) van de gestelde steun(26) behoefde aan te tonen en dat het niet nodig was een werkelijke beïnvloeding aan te tonen(27), maar heeft vervolgens van de Commissie het bewijs verlangd dat er sprake was geweest van een werkelijke beïnvloeding van het handelsverkeer en de mededinging.(28) Derhalve heeft het Gerecht die rechtspraak verkeerd toegepast en ontbeert zijn arrest innerlijke consistentie.
32. Kan het argument van de Commissie in deze hogere voorziening slagen?
33. Het Gerecht heeft overwogen(29) dat de betrokken financiële bijstand was verstrekt ter ondersteuning van een exportprogramma dat erop was gericht om door te dringen in de markt van een derde land en van een (betrekkelijk) gering bedrag was. Daarom was het waarschijnlijk dat de gevolgen ervan voor het intracommunautaire handelsverkeer minder goed zouden zijn waar te nemen. Hiertegen kan mijns inziens niets worden ingebracht.
34. Het Gerecht, dat de gevolgen van dergelijke bijstand in plaats van de oorzaak of het doel ervan heeft onderzocht(30), heeft erkend dat een mogelijke beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer of een vervalsing van de mededinging niet kon worden uitgesloten.(31) Het Gerecht heeft hieraan echter toegevoegd dat in dergelijke omstandigheden op de Commissie de bijzondere plicht rustte om na te gaan of de gestelde steun de mededinging kon vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kon beïnvloeden, en in haar beschikking aan te geven op grond van welke specifieke overwegingen zij heeft geconcludeerd dat dergelijke gevolgen aannemelijk waren.(32)
35. Het Gerecht heeft verklaard dat de Commissie met louter principiële vaststellingen op zich niet kan voldoen aan haar verplichting om aan te tonen dat een gestelde steunmaatregel gevolgen kan hebben voor het intracommunautaire handelsverkeer en de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen.(33) Vervolgens heeft het de specifieke elementen onderzocht die door de Commissie in de litigieuze beschikking werden genoemd (te weten de verbeterde financiële situatie van Wam, de activiteit van die onderneming op de intracommunautaire markt en de vermeende onderlinge afhankelijkheid tussen de Europese markt en de markt van het Verre Oosten). Het heeft vastgesteld dat uit de verstrekte gegevens niet bleek dat er zich „potentieel” een dergelijk gevolg zou voordoen.(34) Het Gerecht heeft geconcludeerd(35) dat de Commissie niet had aangetoond waarom in de betrokken omstandigheden de leningen het handelsverkeer ongunstig konden beïnvloeden of de mededinging konden vervalsen of dreigen te vervalsen.
36. Het Gerecht heeft derhalve overwogen dat de litigieuze beschikking niet voldoende gegevens verstrekte om te voldoen aan de (zij het beperkte) verplichting om een mogelijk economisch gevolg aan te tonen. Aangezien de Commissie haar motiveringsplicht niet was nagekomen, diende de litigieuze beschikking nietig te worden verklaard.
37. De Commissie heeft in het kader van haar hogere voorziening niet aangetoond dat het Gerecht een essentieel onderdeel van de litigieuze beschikking over het hoofd had gezien of dat het eraan was voorbijgegaan dat de Commissie in werkelijkheid had uitgelegd waarom een beïnvloeding van het handelsverkeer en een vervalsing van de mededinging waarschijnlijk waren. In wezen verzoekt de Commissie het Hof zich aan te sluiten bij de nieuwe stelling dat, aangezien a priori niet kan worden uitgesloten dat de verstrekking van financiële bijstand gevolgen kan hebben voor het handelsverkeer en de mededinging, hieruit volgt dat is aangetoond dat de verstrekking van financiële bijstand dergelijke gevolgen heeft.
38. Ik kan het met deze stelling niet eens zijn. Dat conclusie Y in omstandigheid X niet kan worden uitgesloten, betekent dat indien de Commissie X aantoont, niets haar ervan weerhoudt om Y te concluderen. Het is een radicale sprong in de redenering om te stellen dat wanneer de Commissie X aantoont, conclusie Y automatisch daaruit volgt. Er zou ook sprake zijn van een versoepeling van de motiveringsplicht die ik onaanvaardbaar acht.
39. Ik ben het met het Gerecht eens dat louter principiële vaststellingen niet volstaan om te voldoen aan de motiveringsplicht. Daarvoor is meer nodig.
40. Ik wijs er met klem op dat ik daarmee niet bedoel dat de Commissie slechts aan de hand van een specifieke combinatie van economische analyse en bewijselementen kon concluderen dat er sprake was van „mogelijke” gevolgen voor het handelsverkeer en de mededinging. Haar discretionaire bevoegdheid als uitvoerend orgaan zou niet op die manier mogen worden beperkt. De omstandigheden verschillen van geval tot geval; bepaalde soorten bewijs kunnen schaars zijn, en de onderzoeksmiddelen van de Commissie zijn geenszins onbeperkt. De Commissie behoeft derhalve geen gedetailleerde economische analyse te maken en uitvoerig aan te tonen hoe een bestreden steunmaatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen of kan dreigen te vervalsen. Zij moet echter in grote lijnen uiteenzetten op grond van welke gegevens die conclusie plausibel is, met andere woorden aantonen dat beïnvloeding „waarschijnlijk” is.
41. Om het algemener te stellen: de Commissie dient aan te tonen dat de betrokken steun gevolgen kan hebben voor het handelsverkeer en de mededinging kan vervalsen of kan dreigen te vervalsen. Daartoe moet zij voldoende bewijs aandragen. Wat voldoende bewijs is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Aan het ene uiteinde van de schaal, waar reeds uit de omstandigheden waaronder de steun is betaald voortvloeit dat gevolgen voor het handelsverkeer en een verstoring van de mededinging waarschijnlijk zijn, behoeft de Commissie enkel die omstandigheden in de beschikking uiteen te zetten teneinde aan te tonen dat de steun voldoet aan de criteria van artikel 87, lid 1, EG. Aan het andere uiteinde van de schaal, waar uit de omstandigheden rondom de betaling van de steun niet noodzakelijkerwijs volgt dat dergelijke gevolgen waarschijnlijk zijn, zal de Commissie integendeel meer bewijs moeten aandragen om aan haar verplichting te voldoen.
42. Ik ben derhalve niet van mening dat het Gerecht van eerste aanleg een onjuist criterium heeft toegepast of dat zijn uitspraak innerlijk tegenstrijdig is.
43. Ik zal nu de specifieke aanvullende punten onderzoeken die de Commissie heeft opgeworpen.
Specifieke argumenten van de Commissie
Gevolg van de financiële steun voor Wam
44. Volstaat de vaststelling dat een onderneming zich in een „sterkere financiële situatie” bevindt, om aan te tonen dat de aan die onderneming verleende steun voldoet aan de voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG? Volgens het Gerecht is dat niet het geval.(36) De Commissie betwist die beoordeling met het argument dat aangezien geld fungibel is, de aan Wam als uitvoersteun verstrekte leningen de onderneming hebben bevrijd van kosten die zij anders normaliter zou moeten dragen. De leningen beantwoorden derhalve aan het criterium van het arrest Duitsland/Commissie(37)en de motivering in de litigieuze beschikking(38) is derhalve toereikend.
45. In het arrest Duitsland/Commissie overwoog het Hof: „[...] bedrijfssteun, dat wil zeggen steunmaatregelen die, zoals de uit [de betrokken maatregel] voortvloeiende steun, bedoeld zijn om een onderneming te bevrijden van de kosten die zij normaliter in het kader van haar lopend beheer of van haar normale activiteiten had moeten dragen, vervalst in beginsel de concurrentievoorwaarden”.(39)
46. Geruime tijd daarvoor had het Hof in het arrest Philip Morris/Commissie uiteengezet dat er sprake is van beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer wanneer financiële steun van een staat „de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt”.(40)
47. Uit de litigieuze beschikking blijkt inderdaad dat Wam geld van de Italiaanse autoriteiten had ontvangen. Het Gerecht was echter van oordeel dat de vermelding door de Commissie van de lening een algemene opmerking was, die erop was gericht om aan te tonen dat er sprake was geweest van een overdracht van staatsmiddelen aan de betrokken onderneming, wat voor Wam een „voordeel” betekende. Dit was evenwel geen specifieke vaststelling die rechtstreeks verband hield met het mogelijke gevolg voor het handelsverkeer en de mededinging. Het Gerecht merkte op (wellicht abrupt, maar terecht) dat een verbetering van de financiële situatie van de begunstigde onderneming inherent is aan elke staatssteun, met inbegrip van die welke niet voldoet aan de overige criteria van artikel 87, lid 1, EG. Derhalve overwoog het Gerecht(41) dat de verstrekte motivering niet volstond ten bewijze dat was voldaan aan de voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG.
48. Ik ben het hiermee eens.
49. In het arrest Duitsland/Commissie(42) verduidelijkt het Hof dat steunmaatregelen „die [...] bedoeld zijn om een onderneming te bevrijden van de kosten die zij normaliter in het kader van haar lopend beheer of van haar normale activiteiten had moeten dragen”, de concurrentievoorwaarden vervalsen. Om aan te tonen dat het om dergelijke steun gaat, moet de Commissie aangeven hoe de betwiste steun de begunstigde onderneming van deze kosten dient te bevrijden. Hiervoor moeten de kosten worden bepaald die „normaliter” moesten worden gedragen en moet een plausibel verband worden aangetoond tussen de verstrekking van de steun en de verlichting van de last van die kosten voor de betrokken onderneming. Anders kan niet worden geconcludeerd dat de gestelde steun „de situatie” van de „begunstigde onderneming” verbetert, dus een concurrentievoordeel verschaft ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen op de interne markt van de EU(43), zoals het arrest Philip Morris/Commissie vereist.
50. In casu was de steun die Wam ontving gelijk aan het bedrag dat zij had uitgegeven voor haar programma om door te dringen in markten buiten de Gemeenschap.(44) De Commissie stelt in haar redenering enkel dat de gesubsidieerde leningen afkomstig waren uit overheidsmiddelen en dat de financiële situatie van de begunstigde onderneming als gevolg daarvan was verbeterd. De Commissie tracht geen specifieker verband te leggen tussen de leningen en de werkzaamheden van Wam teneinde aan te tonen hoe in de omstandigheden van het onderhavige geval de leningen Wam konden bevrijden van kosten die zij normaliter moest dragen.(45) Anders dan in de beschikking die werd bestreden in de zaak Tubemeuse(46), ontbreekt hier informatie over de eerdere uitvoeractiviteiten of de toekomstige projecten van Wam.(47) De beschrijving van Wam door de Commissie als een „multinationale onderneming” voegt niets toe aan de analyse.
51. Derhalve ben ik het met het Gerecht eens dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de verstrekking van de leningen het intracommunautaire handelsverkeer ongunstig kon beïnvloeden of de mededinging vervalste of dreigde te vervalsen.
Bewijs van beïnvloeding van handelsverkeer door verwijzing naar intracommunautaire activiteit
52. Volgens de Commissie volstaat een verwijzing naar de deelneming van een onderneming aan de interne markt van de EU en gingen de punten van de litigieuze beschikking verder dan wat nodig was om te bewijzen dat was voldaan aan de voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG. Het Gerecht heeft daarom ten onrechte vastgesteld(48) dat haar verklaring dat Wam had deelgenomen aan het intracommunautaire handelsverkeer niet volstond ten bewijze van mogelijke beïnvloeding van het handelsverkeer of mogelijke vervalsing van de mededinging. De Commissie beroept zich hier specifiek op de verwijzing in de litigieuze beschikking naar de door Morton Machines Company ingediende klacht.
53. Over dit laatste punt kan ik kort zijn. Het feit dat bij de Commissie een klacht is ingediend, kan niet volstaan ten bewijze dat de mededinging waarschijnlijk zal worden vervalst. Een andere zienswijze zou aanzienlijke macht toekennen aan om het even welke concurrent van een onderneming die toevallig op de intracommunautaire markt actief is, welke macht zich uiteraard zou lenen voor misbruik.
54. Wat de kern van het argument van de Commissie betreft, schijnt het mij toe dat het Gerecht zich terdege ervan bewust was dat Wam een op de intracommunautaire markt actieve exporteur was en deel uitmaakte van een in de EU actieve multinational.(49) Wat het Gerecht heeft verklaard(50), is dat de punten 74 en 77 van de litigieuze beschikking louter de rechtsbeginselen in herinnering brengen die met name zijn neergelegd in het arrest Tubemeuse, en dat zulks, gelezen in samenhang met de algemene verklaring dat het „niet kan worden uitgesloten” dat er sprake is van beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer of de intracommunautaire mededinging, niet voldoet aan de vereisten van artikel 253 EG. Ik heb reeds uiteengezet(51) waarom dat volgens mij juridisch gezien een correcte vaststelling is.
55. De Commissie herinnert eraan dat het Hof in het arrest Italië/Commissie(52) heeft verklaard dat ook al neemt de begunstigde van de steun niet deel aan de intracommunautaire markt, het handelsverkeer en de mededinging desalniettemin toch ongunstig kunnen worden beïnvloed. In het arrest Tubemeuse(53) heeft het Hof overwogen dat zelfs in geval van „de minimis”-steun beïnvloeding van het handelsverkeer en de mededinging niet is uitgesloten.
56. In beide arresten wordt in wezen hetzelfde standpunt geformuleerd, zij het op enigszins verschillende wijze: in dergelijke omstandigheden kunnen een mogelijke beïnvloeding van het handelsverkeer en vervalsing van de mededinging niet worden uitgesloten. Zij bieden echter geen steun aan de – voor de redenering van de Commissie essentiële – stelling dat de Commissie voor het bewijs dat er sprake is van twee van de op grond van artikel 87, lid 1, EG vereiste kenmerken, ermee kan volstaan om aan te tonen dat beïnvloeding van het handelsverkeer en de mededinging niet kan worden uitgesloten.
57. De Commissie baseert zich ook op de verklaring van het Hof in het arrest Cassa di Risparmio di Firenze(54) dat in een geliberaliseerde economische sector verleende steun het handelsverkeer en de mededinging ongunstig kan beïnvloeden. Het Hof verwees aldaar naar het arrest Spanje/Commissie(55), waarin het overwoog dat de Commissie in haar beschikking voldoende gegevens had aangedragen ten bewijze van een mogelijke beïnvloeding van het handelsverkeer en de mededinging. Een van die gegevens was het feit dat de betrokken marktsector was geliberaliseerd. De liberalisering van de marktsector is derhalve op zich geen sluitend bewijs voor een mogelijke beïnvloeding van het handelsverkeer en een vervalsing of dreigende vervalsing van de mededinging.(56)
Onderzoek van de betrekking tussen de communautaire markt en de markt van het Verre Oosten
58. Volgens de Commissie heeft het Gerecht ten onrechte verlangd(57) dat zij een diepgaand onderzoek instelt naar de gevolgen van de leningen, gelet op de omstandigheid dat deze zijn verstrekt ter dekking van de kosten die Wam moest maken om op de markt van het Verre Oosten voet aan de grond te krijgen.
59. Voor een onderzoek van dit argument moet worden uitgegaan van punt 73 van het bestreden arrest. In antwoord op de door de Commissie ter terechtzitting gemaakte opmerking (namelijk dat Wam dankzij de leningen een sterkere positie innam jegens potentiële concurrenten op de intracommunautaire markt) stelde het Gerecht vast dat de litigieuze beschikking geen enkel bewijselement bevatte dat die stelling kon schragen. Hoewel de punten van de beschikking(58) aanwijzingen behelsden dat de lening de kosten dekte die Wam moest maken voor vestiging buiten de EU, ging het onderzoek niet zó ver dat kwam vast te staan dat Wam daardoor een sterkere positie innam op de markt van de EU.
60. Zo gezien heeft het Gerecht in punt 74 van het arrest dit standpunt in wezen kracht bijgezet. Het heeft overwogen dat „ook al behoefde de Commissie niet noodzakelijkerwijs [de onderlinge afhankelijkheid tussen de markt van de EU en de markt van het Verre Oosten] te onderzoeken”(59), de enkele vaststelling dat Wam deelnam aan het intracommunautaire handelsverkeer was onvoldoende bewijs van een mogelijke beïnvloeding van dat handelsverkeer of een vervalsing of dreigende vervalsing van de mededinging. Om die reden (aldus nog steeds het Gerecht) diende de Commissie een gedetailleerd onderzoek in te stellen naar de gevolgen van de steunmaatregelen, gelet op – in het bijzonder – het feit dat daarmee uitgaven werden gedekt die waren gedaan op de markt van het Verre Oosten alsmede, in voorkomend geval(60), de onderlinge afhankelijkheid tussen die markt en de markt van de EU.
61. Volgens mij zegt het Gerecht hier dat wanneer een betwiste steunmaatregel specifiek wordt toegekend ter dekking van uitgaven die zijn gedaan in een derde land in plaats van uitgaven die zijn gedaan in het intracommunautaire handelsverkeer, de Commissie een diepgaander onderzoek zal moeten verrichten om aan te tonen dat er desalniettemin sprake is van een mogelijk gevolg voor de markt van de EU. Volgens mij is dit geen onjuiste toepassing van de rechtspraak van het Hof.
62. Elke onzekerheid over wat het Gerecht hier heeft bedoeld, wordt – mijns inziens – weggenomen door de volgende volzin van dit punt van het arrest. Daarin heeft het Gerecht verklaard dat in punt 75 van de litigieuze beschikking weliswaar sprake is van de onderlinge afhankelijkheid van de markten waarop de ondernemingen uit de Gemeenschap actief zijn, maar dat – anders dan de beschikking waarom het ging in de zaak Tubemeuse – aldaar geen concreet bewijsmateriaal wordt aangedragen ter ondersteuning van de stelling dat (met toepassing van het „Tubemeuse-beginsel”) die onderlinge afhankelijkheid betekent dat de betwiste steunmaatregelen de mededinging binnen de Gemeenschap ongunstig kunnen beïnvloeden.
63. Volgens de Commissie kan een steunmaatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ook beïnvloeden wanneer de begunstigde zijn goederen grotendeels naar buiten de Gemeenschap exporteert, en heeft het Gerecht ten onrechte van haar verlangd dat zij verdere concrete gegevens aanvoert ten bewijze dat de markt van de EU en die van het Verre Oosten onderling afhankelijk waren.
64. Dit toont slechts nog eens aan dat het een fundamentele misvatting is dat met het bewijs dat een bepaalde conclusie „niet kan worden uitgesloten”, ook is aangetoond dat die conclusie „waarschijnlijk” is.(61) De in de zaak Tubemeuse bestreden beschikking verwees naar de mondiale marktvoorwaarden in de stalenbuizensector en maakte een toespeling op de langetermijnplannen van Tubemeuse. In die zaak was er derhalve sprake van gegevens ter ondersteuning van de conclusie van de Commissie dat de uitvoermarkt en de EU-markt onderling afhankelijk waren. In de onderhavige zaak ontbreken dergelijke gegevens.
65. Hieruit volgt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat het Gerecht van eerste aanleg met de nietigverklaring van de litigieuze beschikking is afgeweken van vaste rechtspraak.
Kosten
66. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Zowel Italië als Wam heeft geconcludeerd tot verwijzing van de Commissie in de kosten en moet mijns inziens in het gelijk worden gesteld. De Commissie dient derhalve de kosten van zowel de eerste aanleg als de hogere voorziening te dragen.
Conclusie
67. Ik geef het Hof derhalve in overweging:
– de door de Commissie ingestelde hogere voorziening af te wijzen, en
– de Commissie te verwijzen in de kosten van de eerste aanleg en de hogere voorziening.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Beschikking van de Commissie van 19 mei 2004 betreffende steunmaatregel nr. C 4/2003 (ex-NN 102/2002) die Italië ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van WAM SpA (PB 2006, L 63, blz. 11).
3 – In de litigieuze beschikking werd de onderneming aangeduid als „WAM SpA”. In het daaropvolgende geding werd gesproken van „Wam”. Ik zal het daarom in deze conclusie hebben over Wam.
4 – Zoals voorgeschreven door artikel 88, lid 3, EG.
5 – Arrest van 6 september 2006 (Jurispr. blz. II‑64). Van het arrest is een samenvatting gepubliceerd en het arrest zelf is enkel beschikbaar in het Frans en het Italiaans.
6 – L.29/07/81 nr. 394; GURI nr. 147 van 30/05/81 en nr. 206 van 29/07/81.
7 – Zie punt 32 van de litigieuze beschikking.
8 – Ongeveer 1,18 miljoen EUR.
9 – Ongeveer 700 000 EUR.
10 – Ongeveer 1 860 000 EUR. Dit cijfer is op 23 juli 2003 door Italië verstrekt; eerder (in een brief aan de Commissie van 16 mei 2002) had Italië verklaard dat een bedrag van 1 940 579 808 LIT, oftewel ongeveer 1 miljoen EUR, was geleend. Hierbij ging het om één van de daadwerkelijk aan Wam betaalde bedragen; er werden ook andere bedragen betaald, maar de exacte omvang daarvan blijkt niet duidelijk uit de tekst van de litigieuze beschikking.
11 – Zie de punten 3 en 4 van het bestreden arrest voor een nadere toelichting.
12 – Voetnoot in de litigieuze beschikking: Arrest van 21 maart 1990, België/Commissie (Tubemeuse) (142/87, Jurispr. 1990, blz. I‑959).
13 – Het Gerecht van eerste aanleg noemt gronden betreffende de besluitvormingsprocedure; schending van het recht van verweer, van het gewettigd vertrouwen en van de rechtszekerheid; de materieelrechtelijke kwesties of de steun onrechtmatig was op grond van artikel 88, lid 3, EG en of die steun het handelsverkeer ongunstig beïnvloedde en de mededinging vervalste; de gevolgen van het feit dat de betrokken steunmaatregelen verband hielden met de uitvoer; de toepassing van de „de minimis”-regel en de omvang van het bedrag aan steun dat was betaald en moest worden terugbetaald (punt 38 van het bestreden arrest).
14 – Zie artikel 225, lid 1, EG, artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie en beschikking van het Hof van 20 maart 1991, Turner/Commissie (C‑115/90 P, Jurispr. blz. I‑1423).
15 – Artikel 225, lid 1, tweede alinea, EG bepaalt: „Tegen de beslissingen die het Gerecht van eerste aanleg [...] geeft, kan een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld bij het Hof van Justitie, op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald.”
16 – Arresten van 13 maart 1985, Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie (gevoegde zaken 296/82 en 318/82, Jurispr. blz. 809, punt 19), en 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France (C‑367/95 P, Jurispr. blz. I‑1719, punt 67).
17 – Arrest van 4 juli 1963, Duitsland/Commissie (24/62, Jurispr. blz. 137, punt 11). Zie ook arrest Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie, aangehaald in voetnoot 16, punt 21.
18 – Arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, Jurispr. blz. I‑7747, punt 75).
19 – Arrest van 29 april 2004, Italië/Commissie (C‑372/97, Jurispr. blz. I‑3679, punt 44).
20 – Arrest van 15 december 2005, Italië/Commissie (C‑66/02, Jurispr. blz. I‑10901, punt 112).
21 – Aangehaald in voetnoot 16, punten 19 en 24. Zie ook arrest van 24 oktober 1996, Duitsland e.a./Commissie (gevoegde zaken C‑329/93, C‑62/95 en C‑63/95, Jurispr, blz. I‑5151, punt 52).
22 – Aangehaald in voetnoot 16, punt 63.
23 – Het Hof verwees hier naar het arrest Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie, aangehaald in voetnoot 16, punt 19, alsmede naar de arresten van 14 februari 1990, Delacre e.a./Commissie (C‑350/88, Jurispr. blz. I‑395, punten 15 en 16), en 29 februari 1996, België/Commissie (C‑56/93, Jurispr. blz. I‑723, punt 86).
24 – Punten 60 tot en met 62 en 64 van het bestreden arrest.
25 – In het Italiaans „prevedibili effetti”, in het Frans „effets prévisibles”.
26 – In punt 64 van het arrest heeft het Gerecht overwogen dat de Commissie noch behoefde aan te tonen dat er sprake was van werkelijke beïnvloeding door de steun, noch de betrokken markt behoefde af te bakenen, noch een echte economische analyse van de marktsituatie, de economische sector, de positie van de concurrenten en het intracommunautaire handelsverkeer behoefde te maken (op voorwaarde dat zij had uiteengezet op welke wijzen de steun gevolgen op die markt kon sorteren), noch de gevolgen van de leningen voor de prijzen van Wam behoefde te onderzoeken en die met de prijzen van de concurrenten behoefde te vergelijken noch de afzet van Wam in het Verenigd Koninkrijk behoefde te onderzoeken.
27 – Idem.
28 – Volgens de Commissie wordt deze onlogische verplichting opgelegd in de punt 72 (en in de volgende punten) van het bestreden arrest.
29 – Punt 63 van het bestreden arrest.
30 – Zoals het Hof voorschrijft in het arrest van 2 juli 1974, Italië/Commissie (173/73, Jurispr. blz. 709, punt 13).
31 – Arrest Tubemeuse, aangehaald in voetnoot 12, punt 43.
32 – Het Gerecht noemt hier het arrest van 15 juni 2000, Alzetta e.a./Commissie (gevoegde zaken T‑298/97, T‑312/97, T‑313/97, T‑315/97, T‑600/97 tot en met T‑607/97, T‑1/98, T‑3/98 tot en met T‑6/98 en T‑23/98, Jurispr. blz. II‑2319, punt 80), waarin (onder meer) wordt verwezen naar het arrest Tubemeuse.
33 – Zie punten 66, 70 en 72 van het bestreden arrest.
34 – In het Italiaans „sarebbe potenzialmente costituivo de tali effetti”, in het Frans „serait potentiellement constitutive de tels effets”.
35 – Punt 76 van het bestreden arrest.
36 – Punt 67 van het bestreden arrest.
37 – Arrest van 19 september 2000 (C‑156/98, Jurispr. blz. I‑6857).
38 – In punt 75.
39 – Punt 30: zie ook de in dat punt aangehaalde arresten van 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie, ‘Boussac Saint Frères’ (C‑301/87, Jurispr. blz. I‑307, punten 44 en 50), en 6 november 1990, Italië/Commissie (C‑86/89, Jurispr. blz. I‑3891, punt 18).
40 – Arrest van 17 september 1980 (730/79, Jurispr. blz. 2671, punt 11) (cursivering van mij).
41 – Punt 67 van het bestreden arrest.
42 – Arrest aangehaald in voetnoot 37, punt 30.
43 – Zie voorts het eerste deel van punt 72 van het arrest van het Gerecht, waar uitdrukkelijk wordt ingegaan op deze lacune in de redenering van de Commissie.
44 – Punten 34 en 37 (met betrekking tot de eerste lening) alsmede punten 62 en 64 (met betrekking tot de tweede lening) van de beschikking.
45 – Zij onderzoekt (bijvoorbeeld) niet of de beslissing van Wam tot uitvoering van het programma om in andere markten door te dringen, al dan niet afhankelijk was van de beschikbaarheid van de leningen. Derhalve kan (bijvoorbeeld) niet worden uitgemaakt of – gezien het argument dat „geld fungibel is” – de leningen Wam in staat stelden om middelen vrij te maken die zij anders had uitgegeven aan de bevordering van de uitvoer, ter ondersteuning van een beleid van lagere prijszetting op de markt van de EU, dan wel of het uitvoerbevorderingsprogramma zonder de leningen gewoonweg achterwege was gebleven.
46 – Aangehaald in voetnoot 12.
47 – Er is (bijvoorbeeld) niet aangevoerd dat de leningen Wam in staat stelden om een effectievere verkoop‑ en marketingcampagne te voeren op zowel de uitvoermarkten als de markt van de EU. Hoewel schaalvoordelen zeker tot de mogelijkheden behoren, wordt ook deze mogelijkheid in de litigieuze beschikking niet nader onderzocht.
48 – Punt 74 van het bestreden arrest.
49 – Zie punt 64 van het bestreden arrest, waar het Gerecht uitdrukkelijk verwees naar de afzet van Wam op de markt van het Verenigd Koninkrijk, en voorts punt 68, waar het Gerecht een samenvatting gaf van de gegevens die kunnen worden afgeleid uit de punten 76 en 78 van de litigieuze beschikking.
50 – Punt 66 van het bestreden arrest.
51 – Punten 37 tot en met 39 hierboven.
52 – Aangehaald in voetnoot 20, punt 117; zie eveneens arrest van 7 maart 2002, Italië/Commissie (C‑310/99, Jurispr. blz. I‑2289, punt 84).
53 – Aangehaald in voetnoot 12, punt 43. De Commissie noemde ook het in voetnoot 52 aangehaalde arrest Italië/Commissie, punt 86.
54 – Arrest van 10 januari 2006 (C‑222/04, Jurispr. blz. I‑289). De Commissie noemde ook het in voetnoot 20 aangehaalde arrest Italië/Commissie en het arrest van 15 december 2005, Unicredito Italiano (C‑148/04, Jurispr. blz. I‑11137).
55 – Arrest van 13 februari 2003 (C‑409/00, Jurispr. blz. I‑1487, punt 75).
56 – Zie punt 142 van het arrest Cassa di Risparmio di Firenze. De Franse versie daarvan luidt als volgt: „[L]a circonstance qu’un secteur économique a fait l’objet d’une libéralisation au niveau communautaire est de nature à caractériser une incidence réelle ou potentielle des aides sur la concurrence, ainsi que leur effet sur les échanges entre États Membres”. In de Engelse versie valt daarentegen te lezen: „[T]he fact that an economic sector has been liberalised may serve to determine that the aid has [a likely effect on trade and competition]” (cursivering van mij) [„de omstandigheid dat een sector van de economie op gemeenschapsniveau is geliberaliseerd, kan een werkelijke of potentiële weerslag van de steun op de mededinging alsmede het effect daarvan op het handelsverkeer tussen de lidstaten aan het licht brengen”] en het Italiaans (de procestaal) gebruikt „evidenzia un'incidenza”. Het lijkt mij dat de Franse tekst dubbelzinnig is en dat de Italiaanse en de Engelse versie het door het Hof in het arrest Spanje/Commissie geformuleerde beginsel getrouwer weergeven.
57 – Punt 74 van het bestreden arrest.
58 – Zie punten 34 en 37 (met betrekking tot de eerste lening) alsmede punten 62 en 64 (met betrekking tot de tweede lening) van de beschikking.
59 – Cursivering van mij.
60 – In het Italiaans „eventualemente”, in het Frans „le cas échéant” (cursivering van mij).
61 – Zie punt 38 hierboven.
Full & Egal Universal Law Academy