CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 28 februari 2008 (1)
Zaak C‑499/06
Halina Nerkowska
tegen
Zakład Ubezpieczeń Społecznych
[verzoek van de Sąd Okręgowy w Koszalinie (Polen) om een prejudiciële beslissing]
„Uitkering die door lidstaat aan slachtoffers van oorlogshandelingen en gevolgen daarvan wordt toegekend – Vereiste van woonplaats op nationaal grondgebied”
1. Het Hof is wederom verzocht zich uit te spreken over de vraag of aan de rechthebbenden op een door de wetgeving van een lidstaat voorziene sociale uitkering een woonplaatsvereiste mag worden gesteld. Struikelblok is het burgerschap van de Europese Unie, omdat de burgerlijke en sociale integratie die het Verdrag met de geleidelijke ontwikkeling van een status van burger van de Europese Unie beoogt te bevorderen(2), enkel de buitengrenzen van de Unie als perspectief heeft en dus vereist dat buiten het territoriale kader van de nationale gemeenschappen wordt gedacht.
2. In de onderhavige zaak wenst de Poolse Sąd Okręgowy w Koszalinie IV Wydział Pracy i Ubezpieczeń Społecznych (regionale rechter te Koszalin, IVe kamer arbeid en sociale zekerheid, Polen) door middel van een prejudiciële verwijzing van het Hof te vernemen hoe artikel 18 EG, volgens hetwelk de burgers van de Unie het recht hebben vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, moet worden uitgelegd. De verwijzende rechter vraagt zich af of die bepaling zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die voor de uitbetaling van een invaliditeitspensioen wegens arbeidsongeschiktheid in verband met verblijf in een ballingsoord vereist dat de rechthebbende op het grondgebied van de Republiek Polen woont.
I – Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3. Artikel 17 EG luidt:
„1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan.
2. De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld.”
4. Artikel 18, lid 1, EG bepaalt:
„Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.”
Nationale regeling
5. Kort samengevat zijn volgens de Poolse wet van 29 mei 1974 op de pensioenen van oorlogs‑ en militaire invaliden en hun gezinsleden, zoals gewijzigd bij artikel 12, lid 2, van de wet van 24 januari 1991 op de strijders en bepaalde personen die het slachtoffer zijn van repressies tijdens en na de oorlog, uitkeringsgerechtigd personen die invalide zijn geworden in verband met verblijf in gevangenis‑ of interneringskampen tijdens of na de oorlog.
6. Krachtens artikel 5 van de wet op de pensioenen van oorlogs‑ en militaire invaliden en hun gezinsleden, worden de door de wet voorziene uitkeringen aan de rechthebbende uitbetaald gedurende zijn verblijf op het grondgebied van de Republiek Polen, behoudens indien de wet of een internationaal verdrag anders bepaalt.
II – Hoofdgeding en prejudiciële vraag
7. De prejudiciële vraag is gerezen in een geding tussen H. Nerkowska en het socialezekerheidsorgaan, kantoor Koszalin.
8. Nerkowska is op 2 februari 1946 op het grondgebied van het huidige Wit-Rusland geboren. Toen ze drie jaar was, verloor zij haar ouders, die krachtens een gerechtelijke beslissing naar Siberië werden gedeporteerd. In april 1951 zijn de verzekerde en haar familie (broer en tante) zelf gedeporteerd naar de USSR. Daar heeft zij tot in januari 1957 in moeilijke omstandigheden geleefd. Pas na een periode van bijna zes jaar heeft zij toestemming gekregen om naar Polen terug te keren. Na in haar land te hebben gestudeerd en gewerkt, heeft zij zich in 1985 in Duitsland gevestigd.
9. Op verzoek van verzoekster in het hoofdgeding heeft het socialezekerheidsorgaan, kantoor Koszalin, haar bij beslissing van 4 oktober 2002 wegens haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in verband met haar verblijf in een ballingsoord recht op een invaliditeitspensioen verleend, maar het heeft de uitbetaling van de uit dien hoofde verschuldigde uitkeringen opgeschort omdat verzoekster in het hoofdgeding in het buitenland woonde. De opschorting van de uitbetaling van het invaliditeitspensioen is bij vonnis van 22 mei 2003 bevestigd.
10. Verzoekster in het hoofdgeding heeft in september 2006 een nieuwe aanvraag tot uitbetaling van de aan haar recht op een pensioen verbonden uitkeringen ingediend, met het betoog dat de Republiek Polen tot de Europese Unie was toegetreden en dus het gemeenschapsrecht in het Poolse recht had opgenomen. Bij beslissing van 14 september 2006 heeft het socialezekerheidsorgaan, kantoor Koszalin, echter opnieuw geweigerd te betalen omdat verzoekster in het hoofdgeding niet op het grondgebied van de Republiek Polen woonde.
11. Verzoekster in het hoofdgeding heeft daarop voor de verwijzende rechter de uitbetaling van haar invaliditeitspensioen gevorderd met het betoog dat, gelet op de toetreding van Polen tot de Europese Unie, haar huidige woonplaats geen reden kan zijn voor opschorting van de uitbetaling van de uitkeringen waarop zij recht heeft.
12. Van oordeel dat de uitkomst van het geding afhangt van de uitlegging van het gemeenschapsrecht, wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of het door artikel 18 EG aan het burgerschap van de Unie verbonden recht om vrij te reizen en te verblijven, in de weg staat aan de toepassing van nationale regelingen, zoals die welke in casu aan de orde is, die voor de uitbetaling van uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van een invaliditeitspensioen wegens arbeidsongeschiktheid in verband met verblijf in een ballingsoord, vereisen dat de rechthebbende op het nationale grondgebied woont.
III – Beoordeling
13. Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat partijen niet betwisten dat sociale uitkeringen zoals het in casu aan de orde zijnde invaliditeitspensioen voor door een verblijf in een ballingsoord veroorzaakte arbeidsongeschiktheid, niet vallen onder de communautaire instrumenten inzake de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, volgens welke het in beginsel verboden is, aan de begunstigde een woonplaatsvereiste te stellen. In het bijzonder verordening (EEG) nr. 1408/71, waarin het beginsel van de exporteerbaarheid van de socialezekerheidsuitkeringen is verankerd, sluit immers „regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan” uitdrukkelijk van zijn werkingssfeer uit.(3) De aan de orde zijnde invaliditeitsuitkering moet, gelet op het doel en de toekenningsvoorwaarden ervan, worden gezien als een uitkering aan slachtoffers van de gevolgen van de oorlog: los van de hoedanigheid van werknemer beoogt zij het tijdens de deportatie geleden leed te compenseren. Er is dus geen sprake van een tegenprestatie voor betaalde bijdragen, maar van een schadeloosstelling.(4)
14. Aangezien een pensioen zoals het thans aan de orde zijnde, geen socialezekerheidsuitkering is, zijn de lidstaten bevoegd om daarvoor de regeling vast te stellen, en met name om de voorwaarden voor de toekenning ervan te bepalen. Bij de uitoefening van deze nationale bevoegdheid moeten de lidstaten evenwel de bepalingen van het Verdrag eerbiedigen, in het bijzonder die betreffende de vrijheid van iedere burger van de Unie om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten.(5) Die vrijheid van verkeer en van verblijf is een fundamentele vrijheid(6), die de kern van het burgerschap van de Unie raakt.
15. Als Poolse heeft Nerkowska ingevolge artikel 17, lid 1, EG de status van burger van de Unie. Zij kan zich dus eventueel beroepen op de bij die status behorende rechten, ook ten opzichte van haar lidstaat van herkomst.(7)
16. Uiteraard heeft het burgerschap van de Unie, ook al is het „de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten”(8), niet tot doel de materiële werkingssfeer van het Verdrag uit te breiden tot interne situaties die geen enkele aanknoping met het gemeenschapsrecht hebben.(9) Tot de situaties die binnen de materiële werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen, behoren evenwel die welke betrekking hebben op de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, met name de in artikel 18 EG neergelegde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.(10) Bovendien heeft Nerkowska, door haar woonplaats in Duitsland te vestigen, gebruikgemaakt van haar recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van een andere lidstaat dan die waarvan zij staatsburger is, en het is juist wegens haar woonplaats dat de Poolse autoriteiten hebben geweigerd haar het invaliditeitspensioen uit te betalen waarop zij recht heeft. Aangezien de uitoefening van een door de communautaire rechtsorde toegekend recht de uitbetaling van een door de nationale wetgeving voorziene prestatie heeft beïnvloed, kan een dergelijke situatie niet worden beschouwd als een zuiver interne situatie en evenmin worden geacht geen enkele aanknoping met het gemeenschapsrecht te hebben.(11)
17. Nu artikel 18, lid 1, EG van toepassing is op een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, moet worden uitgemaakt of het zich verzet tegen een nationale regeling die voor de uitbetaling van een uitkering die wordt toegekend voor de tijdens een verblijf in een ballingsoord geleden schade, vereist dat de slachtoffers op het nationale grondgebied wonen.
18. Vanuit dit oogpunt is het vaste rechtspraak dat de door het Verdrag geboden rechten op het gebied van vrij verkeer hun volle werking niet kunnen ontplooien indien een staatsburger van een lidstaat ervan kan worden afgebracht, deze rechten uit te oefenen, door belemmeringen die voor zijn verblijf in de lidstaat van ontvangst worden opgeworpen door een regeling van zijn staat van herkomst die hem benadeelt wegens het enkele feit dat hij deze rechten heeft uitgeoefend.(12) Wanneer een burger van de Unie in de lidstaat waarvan hij staatsburger is, op die grond minder gunstig wordt behandeld dan het geval zou zijn indien hij deze rechten niet had uitgeoefend, is dus sprake van schending van het recht van vrij verkeer. In een dergelijk geval geniet de burger van de Unie in zijn lidstaat van herkomst niet dezelfde behandeling als burgers van deze staat die zich in dezelfde situatie bevinden, en wordt hij benadeeld wegens het enkele feit dat hij gebruik heeft gemaakt van zijn vrijheid om in een andere lidstaat te reizen en te verblijven.(13)
19. Een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voert een verschil in behandeling in tussen de Poolse slachtoffers van deportatie die in Polen wonen, en die welke van hun vrijheid van verkeer gebruik hebben gemaakt en hun woonplaats in een andere lidstaat hebben gevestigd. Door aan de uitbetaling van het invaliditeitspensioen wegens arbeidsongeschiktheid die is ontstaan door een verblijf in een ballingsoord, een vereiste van woonplaats op het nationale grondgebied te koppelen, benadeelt die nationale regeling bepaalde nationale burgers wegens het enkele feit dat zij van hun vrijheid van verkeer gebruik hebben gemaakt en hun woonplaats in een andere lidstaat hebben gevestigd. Daardoor kan zij die burgers ontmoedigen, dit te doen. Zij vormt derhalve een beperking van de vrijheden die iedere burger van de Unie op grond van artikel 18, lid 1, EG geniet.
20. Volgens vaste rechtspraak kan een dergelijke beperking „uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht slechts gerechtvaardigd zijn indien zij is gebaseerd op objectieve overwegingen van algemeen belang, die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen, en evenredig is aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel”, aangezien een „maatregel evenredig [is] wanneer hij geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken”.(14)
21. Met betrekking tot het bestaan van objectieve overwegingen van algemeen belang betogen de Poolse autoriteiten primair dat de aan de orde zijnde nationale regeling ziet op de toekenning van uitkeringen als vergoeding voor de schade en het leed die in het algemeen zijn veroorzaakt door de repressies tijdens en na de oorlog en in het bijzonder, wat verzoekster in het hoofdgeding betreft, door de repressies waartoe de deportatie naar Siberië heeft geleid. Hiermee tracht de Poolse samenleving blijk te geven van haar solidariteit met de slachtoffers. Gelet op deze doelstelling mag die solidariteitsverplichting worden beperkt tot de personen die door in Polen te wonen een voldoende mate van verbondenheid met de Poolse samenleving behouden.
22. Vaststaat dat de doelstelling, de solidariteit van een samenleving te beperken tot de personen die er voldoende geïntegreerd blijven, in bepaalde gevallen een objectieve overweging van algemeen belang kan zijn.(15) In de huidige stand van het gemeenschapsrecht kan een lidstaat voor de toekenning van bepaalde sociale uitkeringen vereisen dat er een band bestaat tussen de begunstigden en die staat. Die band kan evenwel niet steeds bestaan in een woonplaatsvereiste. De met dat oogmerk voorziene nationale maatregel moet immers geschikt zijn om het nagestreefde rechtmatige doel te bereiken en mag de vrijheid van verkeer van de burgers van de Unie niet verder beperken dan daartoe noodzakelijk is. In dit verband betogen de Poolse autoriteiten dat de uitkeringsgerechtigde aan de hand van het woonplaatsvereiste kan aantonen dat hij een band wenst te behouden met de samenleving die hem aldus blijk geeft van haar solidariteit.
23. Die argumentatie overtuigt niet. Een woonplaatsvereiste zoals de Poolse regeling dat invult, volgens hetwelk de woonplaats gedurende de gehele duur van de uitbetaling van de prestatie op het nationale grondgebied moet worden aangehouden, lijkt mij niet geschikt om het bestaan van een noodzakelijke band aan te tonen. Om nationale erkenning en solidariteit voor het geleden leed – waarvan de uitkeringen getuigen – te verdienen, volstaat het dat iemand wegens zijn nationaliteit en/of zijn woonplaats slachtoffer van repressies is geweest. De band die rechtvaardigt dat de samenleving haar solidariteit betoont, wordt gelegd doordat een persoon door zijn woonplaats en/of zijn nationaliteit op het tijdstip van de repressieve gebeurtenissen lid van die samenleving en in die hoedanigheid slachtoffer is. Ten aanzien van het rechtmatige doel van solidariteit onderscheidt niets een Pools slachtoffer van deportatie door het Sovjetregime dat nog op Pools grondgebied woont, van een ander Pools slachtoffer van deze deportatie dat thans in een andere lidstaat woont. Dit verschil in behandeling lijkt mij des te minder aanvaardbaar daar het burgerschap van de Unie de primaire hoedanigheid van de burgers van de lidstaten dient te zijn, waaraan een fundamentele vrijheid om in de Gemeenschap te reizen en te verblijven is verbonden. Bijgevolg kan een lidstaat in beginsel niet meer bepalen dat een solidariteitsverplichting enkel geldt indien er een band bestaat doordat een persoon, door op nationaal grondgebied te wonen, in de samenleving is geïntegreerd. Het burgerschap van de Unie moet de lidstaten ertoe aansporen, de legitieme band door integratie niet meer alleen in het enge kader van de nationale gemeenschap te zien, maar ook in het ruimere kader van de gemeenschap van de volkeren van de Unie.(16)
24. Ter rechtvaardiging van het vereiste dat de rechthebbende gedurende de gehele duur van de uitbetaling van de uitkering op nationaal grondgebied moet wonen, kunnen de Poolse autoriteiten zich niet beroepen op het arrest Tas‑Hagen en Tas, waarin ook aan de orde was of een woonplaatsvereiste als voorwaarde voor de toekenning van een uitkering aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan verenigbaar was met het gemeenschapsrecht. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat een woonplaatscriterium niet geschikt is ter bereiking van het doel, de solidariteitsverplichting te beperken, aangezien het, wanneer het uitsluitend is gekoppeld aan de datum van indiening van de uitkeringsaanvraag, voor in het buitenland wonende personen die in de samenleving van de lidstaat die de betrokken uitkering toekent, in alle opzichten in gelijke mate geïntegreerd zijn, uiteenlopende resultaten kan opleveren.(17) Die oplossing kan evenwel niet aldus worden uitgelegd dat een woonplaatsvereiste toelaatbaar is wanneer het over een langere periode geldt en een reëel verschil ten aanzien van de door de lidstaat gewenste mate van integratie aantoont. In de bijzondere context van uitkeringen aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan, kan de voorwaarde van woonplaats op nationaal grondgebied hoe dan ook slechts toelaatbaar zijn indien daarbij de datum van de schadelijke gebeurtenissen als uitgangspunt dient teneinde te bepalen of iemand een slachtoffer is waaraan de nationale gemeenschap haar solidariteit moet betonen.
25. De Poolse autoriteiten rechtvaardigen het woonplaatsvereiste ook door vermelding van de noodzaak, erop toe te zien dat de voorwaarden voor toekenning van het invaliditeitspensioen vervuld zijn en vervuld blijven. Het stelt de bevoegde medische diensten in staat de gezondheidstoestand van de aanvrager te constateren, het verband tussen de vastgestelde schade en de deportatie te leggen, de arbeidsongeschiktheid te beoordelen en, in het geval dat zij deze tijdelijk achten, de begunstigde nieuwe onderzoeken te doen ondergaan bij het verstrijken van de voorziene duur van de arbeidsongeschiktheid.
26. Hoewel de noodzaak om toezicht uit te oefenen op de voorwaarden voor de verkrijging van een sociale uitkering een objectieve overweging van algemeen belang is(18), gaat het vereiste van woonplaats op het nationale grondgebied gedurende de gehele duur van de uitbetaling van de uitkering duidelijk verder dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken. Diverse andere middelen die zijn afgestemd op het nagestreefde doel, maar de vrijheid van verkeer en verblijf van de burgers van de Unie minder beperken, zijn denkbaar. Het zou zeker volstaan om bijvoorbeeld de aanvrager te verplichten om zich tijdens het onderzoek van de aanvraag bij de bevoegde nationale diensten te melden met het oog op medische controle.
27. Ter rechtvaardiging van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde woonplaatsvereiste voeren de Poolse autoriteiten tot slot aan dat zij bevoegd zijn om het bedrag en de aard van de uitkeringen af te stemmen op de behoeften van de begunstigden op het gebied van gezondheid en levensomstandigheden. Naast een invaliditeitspensioen, waarvan het bedrag kan variëren om de begunstigde een bestaansminimum te waarborgen, zou de aan de orde zijnde nationale regeling immers ook voorzien in andere prestaties, zoals een tegemoetkoming in de kosten van vervoer, beroepsopleiding, bijzondere zorg, een gemotoriseerde rolstoel. Bijgevolg zou zonder het vereiste van woonplaats op Pools grondgebied het streven om de prestaties ter vergoeding van de wegens verblijf in een ballingsoord geleden schade af te stemmen op de situatie van de begunstigde, in het gedrang komen.
28. Met dit betoog verwijst de Republiek Polen impliciet naar de rechtspraak van het Hof volgens welke in afwijking van het beginsel van exporteerbaarheid van socialezekerheidsuitkeringen, een woonplaatsvereiste is toegestaan bij prestaties „die nauw verband houden met de sociale omgeving”.(19) Aan die oplossingen ligt de opvatting ten grondslag dat wanneer het bedrag en de aard van de prestatie afhankelijk zijn van de levensstandaard en de levensomstandigheden in de lidstaat die deze toekent, het voor de verkrijging ervan gestelde woonplaatsvereiste legitiem, passend en noodzakelijk is.(20)
29. Bij het in het hoofdgeding aan de orde zijnde invaliditeitspensioen lijkt mij evenwel geen sprake te zijn van dit soort prestaties die nauw met de sociale omgeving verband houden. De door de rechtspraak als zodanig aangemerkte prestaties zijn prestaties waarvan een wezenlijk toekenningscriterium de behoeftigheid van de betrokkene is, en die dus tot doel hebben, hem een bestaansminimum te waarborgen in de economische en sociale context van de lidstaat die deze prestaties toekent. Het invaliditeitspensioen in het hoofdgeding wordt toegekend om de door een verblijf in een ballingsoord veroorzaakte gezondheidsschade te vergoeden, los van de financiële situatie van de begunstigde. Het compenseert geleden leed. Dit is bevestigd door verweerster in het hoofdgeding, die in haar opmerkingen uitdrukkelijk heeft verklaard dat de toekenning van het pensioen waarop het hoofdgeding betrekking heeft, niet afhangt van een beoordeling van de persoonlijke behoeften van de begunstigde. Hoogstens kan het bedrag van dat pensioen worden afgestemd op de economische levensstandaard in Polen. Het is juist dat andere prestaties die op grond van de aan de orde zijnde nationale regeling kunnen worden toegekend, wellicht nauw verband houden met de sociale omgeving. Het evenredigheidsbeginsel zou echter worden geschonden indien zij een rechtvaardiging zouden kunnen zijn voor een algemeen vereiste van woonplaats gedurende de gehele duur van de toekenning van de prestatie, welke deze ook is. Het zou dus aan de nationale wetgever staan, voor de toepassing van het woonplaatscriterium onderscheid te maken naar de aard van de aan de orde zijnde prestaties. Hoe dan ook houdt het in het hoofdgeding aan de orde zijnde invaliditeitspensioen geen nauw verband met de sociale omgeving, zodat het niet gerechtvaardigd kan zijn, voor de uitbetaling ervan een woonplaatsvereiste te stellen.
IV – Conclusie
30. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof derhalve in overweging de prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
„Artikel 18 EG, volgens hetwelk de burgers van de Europese Unie vrij op het grondgebied van de lidstaten kunnen reizen en verblijven, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die voor de uitbetaling van een invaliditeitspensioen in verband met verblijf in een ballingsoord vereist dat de rechthebbende gedurende de gehele duur van de prestatie op het nationale grondgebied woont.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Zie hierover Azoulai, L., „Le rôle constitutionnel de la Cour de justice des Communautés européennes tel qu’il se dégage de sa jurisprudence”, in de Revue trimestrielle de droit européen te verschijnen artikel.
3 – Artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB L 28, blz. 1).
4 – Voor eenzelfde redenering waarbij ook de kwalificatie als socialezekerheidsuitkering wordt uitgesloten: voor prestaties aan krijgsgevangenen, zie arresten van 6 juli 1978, Directeur régional de la Sécurité sociale de Nancy (9/78, Jurispr. blz. 1661), en 16 september 2004, Baldinger (C‑386/02, Jurispr. blz. I‑8411); voor militaire invaliditeitspensioenen, zie arrest van 31 mei 1979, Even en RWP (207/78, Jurispr. blz. 2019); voor prestaties die zijn voorzien door een wetgeving die tot doel heeft verlichting te bieden in bepaalde situaties die zijn ontstaan door gebeurtenissen in verband met het nationaalsocialistische regime en de tweede wereldoorlog, zie arresten van 31 maart 1977, Fossi (79/76, Jurispr. blz. 667), en 22 februari 1979, Tinelli (144/78, Jurispr. blz. 757).
5 – Zie bijvoorbeeld arresten van 23 november 2000, Elsen (C‑135/99, Jurispr. blz. I‑10409, punt 33); 2 oktober 2003, Garcia Avello (C‑148/02, Jurispr. blz. I‑11613, punt 25); 15 maart 2005, Bidar (C‑209/03, Jurispr. blz. I‑2119, punt 33), en 26 oktober 2006, Tas‑Hagen en Tas (C‑192/05, Jurispr. blz. I‑10451, punt 22).
6 – Zoals het Hof uitdrukkelijk heeft verklaard (zie arrest van 11 juli 2002, D’Hoop, C‑224/98, Jurispr. blz. I‑6191, punt 29).
7 – Zie in die zin laatstelijk arrest van 23 oktober 2007, Morgan en Bucher (C‑11/06 en C‑12/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 22).
8 – Arresten van 20 september 2001, Grzelczyk (C‑184/99, Jurispr. blz. I‑6193, punt 31); 11 september 2007, Schwarz en Gootjes‑Schwarz (C‑76/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 86).
9 – Zie reeds aangehaalde arresten Tas‑Hagen en Tas (punt 23) en Garcia Avello (punt 26).
10 – Zie reeds aangehaalde arresten Garcia Avello (punt 24) en Schwarz en Gootjes‑Schwarz (punt 87).
11 – Voor een analoge redenering zie reeds aangehaald arrest Tas‑Hagen en Tas (punten 24‑28) en arrest van 12 juli 2005, Schempp (C‑403/03, Jurispr. blz. I‑6421, punten 20‑25).
12 – Zie reeds aangehaald arrest Schwarz en Gootjes‑Schwarz (punt 89) en de daar vermelde rechtspraak.
13 – Daardoor wordt dus afbreuk gedaan aan de status van burger van de Unie (zie bijvoorbeeld reeds aangehaald arrest D’Hoop, punten 28 en 30).
14 – Reeds aangehaald arrest Morgan en Bucher (punt 33) en de daar vermelde rechtspraak.
15 – Zie reeds aangehaald arrest Tas‑Hagen en Tas (punt 35). Zie ook met betrekking tot uitkeringen voor studenten, reeds aangehaalde arresten D’Hoop (punt 38) en Bidar (punt 57). En met betrekking tot uitkeringen voor werkzoekenden, arresten van 23 maart 2004, Collins (C‑138/02, Jurispr. blz. I‑2703, punt 67), en 15 september 2005, Ioannidis (C‑258/04, Jurispr. blz. I‑8275, punt 30).
16 – Zie in dezelfde zin conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Habelt e.a. (arrest van 18 december 2007, C‑396/05, C‑419/05 en C‑450/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 82‑84).
17 – Reeds aangehaald arrest (punten 37‑39).
18 – Zie in die zin, met betrekking tot een werkloosheidsuitkering, arrest van 18 juli 2006, De Cuyper (C‑406/04, Jurispr. blz. I‑6947, punt 41).
19 – Zie arresten van 27 september 1988, Lenoir (313/86, Jurispr. blz. 5391, punt 16); 4 november 1997, Snares (C‑20/96, Jurispr. blz. I‑6057, punt 42); 31 mei 2001, Leclere en Deaconescu (C‑43/99, Jurispr. blz. I‑4265, punt 32), en 6 juli 2006, Kersbergen‑Lap en Dams‑Schipper (C‑154/05, Jurispr. blz. I‑6249, punt 33), en arrest Habelt e.a., reeds aangehaald (punt 81).
20 – Zie conclusie van advocaat-generaal Léger in de reeds aangehaalde zaak Snares (punten 85‑88).
Full & Egal Universal Law Academy