CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 3 april 2008 (1)
Zaak C‑521/06 P
Athinaïki Techniki AE
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Klacht tegen steun die Helleense Republiek zou hebben verleend aan consortium van Hyatt Regency – Terzijdelegging – Voor beroep vatbare handeling”
1. In de onderhavige zaak wordt het Hof verzocht de rechten van klagers in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun nader te preciseren.
2. Het gaat om de vraag, of de terzijdelegging door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van een klacht betreffende een met het EG-Verdrag onverenigbare steunmaatregel, op grond dat zij niet beschikt over voldoende informatie om een standpunt in te nemen over het bestaan van deze steunmaatregel of de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, noch om een formele onderzoeksprocedure in te leiden, een beschikking vormt waartegen de klager beroep kan instellen.
3. In de beschikking van 26 september 2006, Athinaïki Techniki/Commissie(2), heeft het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, overeenkomstig het standpunt van de Commissie, geoordeeld dat een dergelijk besluit tot terzijdelegging geen beschikking vormt en het hiertegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit standpunt wordt in het kader van de onderhavige hogere voorziening door Athinaïki Techniki AE(3) aangevochten.
4. In deze conclusie zal ik betogen dat de door Athinaïki Techniki ingestelde hogere voorziening mijns inziens gegrond is, en dat een dergelijke terzijdelegging van een klacht betreffende vermeende staatssteun een voor beroep vatbare handeling vormt.
5. Het onderzoek van het tweede middel dat door de Commissie tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring is aangevoerd en dat is ontleend aan te late instelling van het beroep, brengt mij er tevens toe de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te onderzoeken die voorzien in de mogelijkheid om zich tot deze rechterlijke instantie te wenden middels verzending van het verzoekschrift per telefax, alsmede de draagwijdte te preciseren van de voorwaarde dat de versie van het per telefax verzonden verzoekschrift moet overeenstemmen met het binnen tien dagen ter griffie neer te leggen origineel.
I – Rechtskader inzake staatssteun
6. Achtereenvolgens zal ik de relevante bepalingen van het Verdrag en van verordening (EG) nr. 659/1999(4), die de uitoefening van de bij het Verdrag aan de Commissie toegekende bevoegdheden heeft gecodificeerd, uiteenzetten, alsook de hoofdlijnen van de rechtspraak inzake, enerzijds, de verplichtingen van de Commissie wanneer zij een klacht ontvangt waarin nationale maatregelen als met het Verdrag strijdige staatssteun worden aangemerkt en, anderzijds, de rechten van klagers.
A – Verdrag
7. Volgens artikel 87 EG zijn steunmaatregelen van de lidstaten, of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de intracommunautaire mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen, in beginsel verboden, behoudens de in de leden 2 en 3 van dit artikel opgesomde afwijkingen.(5)
8. Teneinde de uitvoering van deze bepalingen te garanderen en het recht van ingrijpen van de lidstaten te verenigen met de waarborg van een onvervalste mededinging binnen de Europese Unie, voorziet het Verdrag in een procedure van toezicht op en voorafgaande goedkeuring van staatssteun, waarin een centrale rol is weggelegd voor de Commissie.
9. Aldus staat het, overeenkomstig artikel 88, lid 1, EG, aan de Commissie om, tezamen met de lidstaten, de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek te onderwerpen en de dienstige maatregelen voor te stellen welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist.
10. Artikel 88, lid 2, eerste alinea, EG belast de Commissie tevens met de taak de verenigbaarheid van steunmaatregelen met artikel 87 EG te beoordelen en, wanneer een steunmaatregel niet verenigbaar is, te bepalen dat de betrokken lidstaat deze moet opheffen. Artikel 88, lid 2, eerste alinea, EG bepaalt namelijk dat „[i]ndien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 87 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, [...] zij [bepaalt] dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn”.
11. Artikel 88, lid 3, EG ten slotte verplicht de lidstaten hun voornemens tot invoering of wijziging van steunmaatregelen aan te melden bij de Commissie, en verbiedt hun deze voornemens tot uitvoering te brengen totdat de Commissie een beslissing heeft bereikt overeenkomstig artikel 88, lid 2, eerste alinea, EG.
12. De onderzoeksprocedure van artikel 88 EG is aldus uitgelegd dat zij twee fasen kan omvatten, namelijk een eerste onderzoek, en, in voorkomend geval, indien de Commissie twijfelt of de voorgenomen steunmaatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of van oordeel is dat deze steunmaatregel daarmee onverenigbaar is, een diepgaander onderzoek, dat haar in staat moet stellen zich volledig te informeren over alle gegevens van de zaak. Daartoe dient de Commissie overeenkomstig artikel 88, lid 2, EG de belanghebbenden uit te nodigen hun opmerkingen te maken.(6)
B – Verordening nr. 659/1999
13. Verordening nr. 659/1999 heeft de uitoefening door de Commissie van de haar bij artikel 88 EG toegekende bevoegdheden gecodificeerd. Volgens de tweede overweging van de considerans van deze verordening, is zij opgesteld in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof.
14. Ingevolge deze verordening dient in beginsel elk voornemen om nieuwe steun te verlenen door de betrokken lidstaat bij de Commissie te worden aangemeld. Deze lidstaat moet de Commissie alle informatie verstrekken die nodig is om een beschikking te geven over dit voornemen.(7)
15. De verschillende beschikkingen die de Commissie kan geven, worden opgesomd in de artikelen 4 en 7 van voornoemde verordening.
16. In artikel 4 van verordening nr. 659/1999 worden de beschikkingen genoemd die kunnen worden gegeven na de fase van het „eerste onderzoek” van de aanmelding. De Commissie heeft drie mogelijkheden. Zij kan beschikken dat de aangemelde maatregel geen steunmaatregel vormt, of dat deze een steunmaatregel vormt die verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt (beschikking om geen bezwaar te maken). Ook kan zij beschikken dat de aangemelde maatregel twijfel doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, en de formele onderzoeksprocedure inleiden (beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure).
17. Deze beschikkingen moeten worden gegeven binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag volgend op die van de aanmelding van het voornemen, wanneer deze aanmelding als volledig wordt beschouwd. Indien de Commissie van mening is dat de aanmelding onvolledig is, verzoekt zij de betrokken lidstaat om alle nodige aanvullende informatie.(8)
18. Indien de Commissie heeft besloten de formele onderzoeksprocedure in te leiden, dient zij overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 659/1999 de lidstaat en andere belanghebbenden uit te nodigen hun opmerkingen mede te delen binnen de door haar vast te stellen termijn.
19. De „belanghebbende” wordt in artikel 1, sub h, van deze verordening gedefinieerd als: „een lidstaat en een persoon, onderneming of ondernemersvereniging waarvan de belangen door de toekenning van steun kunnen worden getroffen, in het bijzonder de begunstigde van de steun, concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen”.
20. Na de formele onderzoeksprocedure moet de Commissie overeenkomstig artikel 7 van voornoemde verordening een beschikking geven waarin zij vaststelt ofwel dat de aangemelde maatregel geen steunmaatregel vormt, ofwel dat deze maatregel een steunmaatregel vormt die verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, ofwel dat het gaat om een steunmaatregel die daarmee onverenigbaar is.
21. In de artikelen 10 tot en met 15 van verordening nr. 659/1999 is tevens de procedure neergelegd die de Commissie dient te volgen wanneer een steunmaatregel onrechtmatig is. Een steunmaatregel is onrechtmatig wanneer hij door de betrokken lidstaat in strijd met het bepaalde in artikel 88, lid 3, EG zonder voorafgaande aanmelding bij de Commissie tot uitvoering is gebracht.(9)
22. Artikel 10, lid 1, van deze verordening bepaalt:
„Indien de Commissie, uit welke bron ook, over informatie beschikt met betrekking tot beweerdelijk onrechtmatige steun, onderwerpt zij die informatie onverwijld aan een onderzoek.”
23. Artikel 13, lid 1, van de genoemde verordening bepaalt:
„Het onderzoek naar mogelijke onrechtmatige steun resulteert in een beschikking overeenkomstig artikel 4 [...]. In geval van een beschikking tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure wordt de procedure afgesloten bij een beschikking overeenkomstig artikel 7. [...]”
24. Artikel 20 van verordening nr. 659/1999 heeft specifiek betrekking op de rechten van de belanghebbenden. Volgens lid 1 van dit artikel kan elke belanghebbende opmerkingen indienen naar aanleiding van een beschikking van de Commissie om een formele onderzoeksprocedure in te leiden. Voorts bepaalt dit lid dat elke belanghebbende die opmerkingen heeft ingediend en elke ontvanger van individuele steun een afschrift van de door de Commissie na afloop van deze procedure gegeven beschikking krijgt toegezonden.
25. Het onderhavige geding spitst zich toe op artikel 20, lid 2, van voornoemde verordening. Deze bepaling luidt als volgt:
„Elke belanghebbende kan de Commissie in kennis stellen van beweerdelijk onrechtmatige steun en van beweerd misbruik van steun. Indien de Commissie op basis van de informatie waarover zij beschikt meent dat er onvoldoende gronden zijn om in de zaak een standpunt in te nemen, stelt zij de belanghebbende daarvan op de hoogte. Indien de Commissie een beschikking geeft in een geval dat betrekking heeft op het onderwerp van de verstrekte informatie, zendt zij de belanghebbende een afschrift van die beschikking.”
26. Vervolgens bepaalt artikel 20, lid 3, van de genoemde verordening dat elke belanghebbende desgewenst een afschrift van de krachtens de artikelen 4 en 7 ervan gegeven beschikkingen kan ontvangen.
27. Bovendien worden volgens artikel 25 van verordening nr. 659/1999 de overeenkomstig deze verordening gegeven beschikkingen tot de betrokken lidstaat gericht.
C – Rechtspraak inzake, enerzijds, de verplichtingen van de Commissie wanneer zij een klacht ontvangt tegen vermeende staatssteun en, anderzijds, de rechten van klagers
28. Toen verordening nr. 659/1999 nog niet was vastgesteld of nog niet van toepassing was, werden de verplichtingen van de Commissie wanneer zij een klacht ontving waarin een nationale maatregel als met het Verdrag strijdige staatssteun werd aangemerkt en de rechten van klagers in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun door de rechtspraak afgeleid uit de artikelen 87 EG en 88 EG.
29. Aangezien voornoemde verordening, die is vastgesteld voor de toepassing van deze verdragsartikelen, de draagwijdte hiervan niet kan beperken(10) en de bestaande rechtspraak overneemt door deze te codificeren, is zij derhalve relevant voor de uitlegging van deze bepalingen.
1. Verplichtingen van de Commissie
30. De verplichtingen die op de Commissie rusten wanneer zij een klacht ontvangt tegen vermeende staatssteun, vinden hun rechtvaardiging in de volgende twee elementen. Zij vloeien enerzijds voort uit het feit dat deze instelling – wanneer ik de door artikel 88, lid 2, derde alinea, EG aan de Raad van de Europese Unie toegekende bevoegdheden buiten beschouwing laat – over een exclusieve bevoegdheid beschikt wanneer zij moet beoordelen of een steunmaatregel verenigbaar is met het Verdrag. Anderzijds berusten zij op het principiële verbod van staatssteun. Op grond van deze exclusieve bevoegdheid en dit principiële verbod is de Commissie verplicht om ervoor te zorgen dat geen met het Verdrag strijdige steun wordt verleend of gehandhaafd.(11)
31. Wanneer aan de Commissie een klacht wordt voorgelegd, heeft de rechtspraak aan de behandeling hiervan de volgende consequenties op het materiële en op het temporele vlak verbonden.
32. Op het materiële vlak staat het aan de Commissie om allereerst de klacht zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken.(12) Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat de Commissie ook andere dan de uitdrukkelijk door de klager aangevoerde elementen feitelijk en rechtens dient te onderzoeken.(13)
33. Aan de andere kant is de Commissie in dat stadium van de procedure niet verplicht de klager of de andere „belanghebbenden” in de zin van artikel 88, lid 2, EG te horen. Aan die verplichting is zij enkel onderworpen in het kader van de formele onderzoeksprocedure.(14)
34. Vervolgens is de Commissie, indien zij besluit dat de in de klacht gewraakte maatregel geen steun vormt, gehouden voldoende duidelijk uiteen te zetten waarom de in de klacht aangevoerde informatie feitelijk en rechtens ontoereikend was om een dergelijke steun aan te tonen.(15) Ditzelfde motiveringsvereiste moet logischerwijs worden gesteld indien de Commissie van oordeel is dat de gewraakte maatregel een met de gemeenschappelijke markt verenigbare steunmaatregel vormt.
35. Bovendien rust op de Commissie, wanneer zij na de fase van het eerste onderzoek tot de overtuiging is gekomen dat de gewraakte maatregel een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel vormt, of indien zij op ernstige problemen stuit om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van deze steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt, dezelfde verplichting om de formele onderzoeksprocedure in te leiden als wanneer de betrokken maatregel door de desbetreffende lidstaat bij haar is aangemeld.(16)
36. Op het temporele vlak heeft het Gerecht uit de exclusieve bevoegdheid van de Commissie en het principiële verbod van staatssteun eveneens afgeleid dat deze instelling, wanneer zij een klacht ontvangt, het eerste onderzoek van de in die klacht gewraakte overheidsmaatregelen niet eindeloos kan laten voortduren. Volgens het Gerecht is zij gehouden om dit eerste onderzoek binnen een redelijke termijn af te ronden.(17)
37. Of deze termijn redelijk is, moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, en in het bijzonder met inachtneming van de context ervan, de ingewikkeldheid van de zaak en de verschillende fasen van de procedure.(18)
2. Rechten van de klager
38. De rechtspraak inzake de rechten van klagers in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun berust op de premisse dat de beschikkingen die de Commissie in dit kader geeft, tot de betrokken lidstaten zijn gericht, ook wanneer deze beschikkingen zijn gegeven na klachten waarin een maatregel als een met het Verdrag strijdige steunmaatregel wordt aangemerkt.(19)
39. Eveneens herinner ik eraan dat overeenkomstig artikel 230, vierde alinea, EG, een natuurlijke of rechtspersoon enkel beroep kan instellen tegen een tot een andere persoon gerichte beschikking, wanneer die beschikking hem rechtstreeks en individueel raakt.
40. De rechten van klagers in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun, zoals deze in de rechtspraak zijn gepreciseerd, hangen af, enerzijds, van de vraag of deze klagers de hoedanigheid bezitten van „belanghebbende” in de zin van artikel 88, lid 2, EG, en, anderzijds, van het voorwerp van hun beroep.
41. Wat om te beginnen het begrip „belanghebbende” in de zin van deze bepaling betreft, dit is ruim omschreven en omvat de personen, ondernemingen of ondernemersverenigingen die eventueel door de verlening van de steun in hun belangen worden geraakt, dat wil zeggen met name de concurrerende ondernemingen, en de beroepsorganisaties.(20) Deze definitie is overgenomen in artikel 1, sub h, van verordening nr. 659/1999.
42. Hieruit volgt dat aan elke onderneming die zich op een – zelfs potentiële – concurrentieverhouding beroept, de hoedanigheid van „belanghebbende” in de zin van artikel 88, lid 2, EG, kan worden toegekend.
43. Wat vervolgens het recht betreft van deze belanghebbenden om beroep in te stellen, dit berust op de procedurele rechten die hun bij deze bepaling zijn toegekend. Overeenkomstig voornoemde bepaling is de Commissie, wanneer zij de formele onderzoeksprocedure inleidt, en slechts in die fase, verplicht hen uit te nodigen hun opmerkingen te maken.(21)
44. De rechtspraak heeft hieruit afgeleid dat wanneer de Commissie, zonder deze procedure te hebben ingeleid, van mening is dat de door de klager gewraakte maatregel geen steunmaatregel vormt, of een steunmaatregel vormt die met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is, deze klager, wanneer hij een „belanghebbende” persoon is in de zin van artikel 88, lid 2, EG, het recht heeft om die beschikking voor de gemeenschapsrechter te betwisten.(22)
45. Het Hof heeft evenwel gepreciseerd dat dit beroep enkel de eerbiediging van de in die bepaling bedoelde procedurele rechten tot voorwerp kan hebben, hetgeen wil zeggen dat het beroep moet zijn gericht tegen het niet-inleiden van de formele onderzoeksprocedure.(23)
46. Hieruit volgt dat de hoedanigheid van „belanghebbende” in de zin van artikel 88, lid 2, EG, de conclusie wettigt dat de klager, voor zover hij opkomt tegen het niet-inleiden van de formele onderzoeksprocedure, door de bestreden beschikking rechtstreeks en individueel wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
47. Indien de klager daarentegen opkomt tegen de gegrondheid van de beschikking waarbij de steun als zodanig is beoordeeld, of tegen een aan het einde van de formele onderzoeksprocedure vastgestelde beschikking, bevindt hij zich in dezelfde situatie als elke particulier die wil opkomen tegen een niet tot hem gerichte beschikking. De ontvankelijkheid van zijn beroep is dus onderworpen aan de voorwaarde dat hij aantoont dat hij door die beschikking wordt geraakt in de zin van de sinds het arrest Plaumann/Commissie(24) ontwikkelde rechtspraak, dat wil zeggen dat die beschikking hem treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert.(25)
48. Volgens de rechtspraak kan dit met name het geval zijn wanneer de marktpositie van de klager merkbaar wordt aangetast door de steun waarop de betrokken beschikking betrekking heeft.(26) Het feit dat iemand een potentiële concurrent is en de hoedanigheid heeft van „belanghebbende” in de zin van artikel 88, lid 2, EG, volstaat dus niet om hem een beroepsrecht toe te kennen waarmee hij voor de gemeenschapsrechter de gegrondheid van de beschikking waarbij de steun is beoordeeld als zodanig kan betwisten.(27)
49. Ten slotte heeft het Gerecht in voormeld arrest Air One/Commissie, de rechten van een „belanghebbende” klager in de zin van artikel 88, lid 2, EG uitgebreid tot een actie op grond van artikel 232 EG, door het door deze klager tegen de Commissie ingestelde beroep wegens nalaten ontvankelijk te verklaren wanneer de Commissie heeft nagelaten een beschikking te geven naar aanleiding van zijn klacht.(28)
50. Het Gerecht heeft het argument van de Commissie volgens hetwelk Air One had moeten aantonen dat haar concurrentiepositie aanzienlijk werd aangetast door de in haar klacht bedoelde maatregel, terzijde geschoven.
51. Het heeft de ontvankelijkheid van het door Air One ingestelde beroep wegens nalaten afgeleid uit het feit dat deze in haar hoedanigheid van concurrent van de begunstigde van de gewraakte steunmaatregelen, op de luchtroutes naar enkele Italiaanse steden, belanghebbende is in de zin van artikel 88, lid 2, EG, en dus gerechtigd is om, ter bescherming van haar procedurele rechten, op te komen tegen een beschikking die de Commissie heeft gegeven zonder de formele onderzoeksprocedure in te leiden.(29)
II – Aan het geding ten grondslag liggende feiten
52. De aan het geding ten grondslag liggende feiten zijn in de bestreden beschikking als volgt uiteengezet:
„1 In oktober 2001 hebben de Griekse autoriteiten een procedure ingeleid voor het plaatsen van een overheidsopdracht met als doel het overdragen van 49 % van het kapitaal van het casino Mont Parnès. Twee kandidaten concurreerden met elkaar, te weten het consortium Casino Attikis en Hyatt Consortium. Na een beweerdelijk gebrekkige procedure, werd de opdracht gegund aan Hyatt Consortium.
2 Egnatia SA, lid van het consortium Casino Attikis, die na een fusie is opgevolgd door [Athinaïki Techniki], heeft klachten ingediend bij de diensten van het Directoraat-generaal (DG) ‚Interne markt’ en bij het DG ‚Mededinging’ van de Commissie. Het eerste DG werd gevraagd zich uit te spreken over de regelmatigheid van de litigieuze procedure in het licht van het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten, terwijl bij het tweede DG een klacht werd ingediend betreffende staatssteun die in het kader van diezelfde procedure aan Hyatt Consortium zou zijn verleend.
3 Bij brief van 15 juli 2003 heeft het DG ‚Mededinging’ [Athinaïki Techniki] gewezen op haar besluitvormingspraktijk volgens welke de overdracht van een publiek goed in het kader van een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht geen staatssteun vormt wanneer deze procedure transparant en niet-discriminerend is verlopen. Bijgevolg heeft dit DG haar meegedeeld dat zij geen uitspraak zou doen voordat het DG ‚Interne markt’ het onderzoek van de procedure voor het plaatsen van de betrokken overheidsopdracht zou hebben afgerond.
4 Bij e-mail van 28 augustus 2003, heeft de vertegenwoordiger van [Athinaïki Techniki] in wezen gepreciseerd dat de klacht inzake het bestaan van staatssteun betrekking had op andere factoren dan de procedure voor het plaatsen van de overheidsopdracht, en dat de diensten van het DG ‚Mededinging’ derhalve niet hoefden te wachten op de conclusies van het DG ‚Interne markt’.
5 Bij brief van 16 september 2003 hebben de diensten van het DG ‚Mededinging’ de inhoud van de brief van 15 juli 2003 herhaald, en [Athinaïki Techniki] desalniettemin verzocht aan hen aanvullende informatie te verstrekken over elke andere eventuele steunmaatregel die geen verband hield met de aanbesteding van het casino.
6 Bij brieven van 22 januari en 4 augustus 2004 hebben de diensten van het DG ‚Interne markt’ aan [Athinaïki Techniki] meegedeeld dat zij niet voornemens waren het onderzoek van de twee klachten die hun waren toegezonden, voort te zetten.
7 Bij brief van 2 december 2004 [...] heeft het DG ‚Mededinging’ aan [Athinaïki Techniki] te kennen gegeven dat de Commissie hem bij brief van 16 september 2003 had meegedeeld dat ‚er op grond van de informatie waarover zij beschikt[e], niet voldoende redenen [waren] om het onderzoek van deze zaak voort te zetten’. In de brief [van 2 december 2004] werd tevens gepreciseerd dat ‚aangezien er geen aanvullende informatie [was] die de voortzetting van het onderzoek rechtvaardigde, de Commissie de zaak op 2 juni 2004 administratief terzijde [had] gelegd’.”
III – Beroep voor het Gerecht en bestreden beschikking
53. Op 11 februari 2005 heeft Athinaïki Techniki per telefax een kopie van het verzoekschrift aan de griffie van het Gerecht doen toekomen. Op 18 februari 2005 is het ondertekende origineel van het verzoekschrift bij deze griffie neergelegd.
54. In dit inleidend verzoekschrift heeft Athinaïki Techniki nietigverklaring van het besluit van de Commissie om de klacht terzijde te leggen en verwijzing van de Commissie in de kosten gevorderd. Tot staving van haar beroep heeft zij twee middelen aangevoerd, ontleend aan, ten eerste, schending van de verplichting van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure in te leiden en, ten tweede, schending van artikel 87, lid 1, EG. Athinaïki Techniki heeft zich tevens binnen het kader van elk van deze middelen beroepen op een motiveringsgebrek.
55. Bij brief van 1 maart 2005 heeft de griffier van het Gerecht Athinaïki Techniki meegedeeld dat hij had vastgesteld dat de op 11 februari 2005 per telefax verzonden versie van het verzoekschrift geen volledig identieke kopie was van het op 18 februari 2005 neergelegde ondertekende origineel, en dat als datum voor de neerlegging van dit document derhalve die van de indiening van dit origineel in aanmerking moest worden genomen.
56. Bij brief van 16 maart 2005 heeft de vertegenwoordiger van Athinaïki Techniki aan de griffier van het Gerecht uitgelegd dat bij het verzenden van het verzoekschrift per telefax de laatste bladzijde ervan beschadigd was geraakt, zodat hij deze had moeten vervangen, doch dat hij de inhoud ervan niet had gewijzigd.
57. Bij afzonderlijke akte, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 21 april 2005, heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
58. Bij beschikking van 8 september 2005 heeft het Gerecht Athens Resort Casino AE Symmetochon(30) toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.
59. Tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid werpt de Commissie twee middelen op. Het eerste is ontleend aan de te late neerlegging van het verzoekschrift en het tweede aan het feit dat de brief van 2 december 2004 niet vatbaar voor beroep zou zijn en aan het niet-bestaan van een beschikking.
60. Het Gerecht heeft in de bestreden beschikking enkel dit tweede middel onderzocht. Het heeft dit middel om de volgende redenen gegrond verklaard.
61. Het Gerecht heeft artikel 20, lid 2, eerste en tweede volzin, van verordening nr. 659/1999 aangehaald. Het heeft eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG slechts zijn te beschouwen, maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.
62. Het heeft aangegeven dat op grond van artikel 25 van deze verordening de beschikkingen die de Commissie op het gebied van staatssteun vaststelt, ook wanneer zij zijn gegeven naar aanleiding van een klacht inzake beweerdelijk met het Verdrag strijdige steun, tot de lidstaten zijn gericht, en dat een eventueel beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld tegen de tot de lidstaat gerichte beschikking, en niet tegen de brief aan de klager.
63. Vervolgens heeft het Gerecht geoordeeld:
„29 In casu heeft de bestreden brief, die enkel was gericht tot [Athinaïki Techniki], haar overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 659/1999 ervan op de hoogte gesteld dat de Commissie op basis van de informatie waarover zij beschikte, van mening was dat er onvoldoende gronden waren om zich uit te spreken over de zaak die in de klacht aan haar was voorgelegd. In [die brief], heeft de Commissie vervolgens verklaard dat, aangezien zij geen aanvullende informatie had ontvangen die de voortzetting van het onderzoek rechtvaardigde, zij de klacht van Athinaïki Techniki op 2 juni 2004 administratief terzijde had gelegd. De Commissie heeft dus geen definitief standpunt ingenomen ten aanzien van de kwalificatie en de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van de maatregel waarop de klacht van Athinaïki Techniki betrekking heeft.
30 Hieruit volgt dat de bestreden brief geen beschikking vormt in de zin van artikel 25 van verordening nr. 659/1999 en dat deze geen rechtsgevolg in het leven roept. Deze brief is dus niet vatbaar voor beroep in de zin van artikel 230 EG.”
64. Vervolgens heeft het Gerecht het argument van Athinaïki Techniki afgewezen volgens hetwelk het feit dat een brief waarin een klacht wordt afgewezen niet vatbaar voor beroep is, tot gevolg heeft dat burgers de toegang tot de gemeenschapsrechter wordt ontzegd. Het heeft uiteengezet, in de eerste plaats, dat de klager aanvullende informatie kan verstrekken teneinde zijn klacht te staven en dat, wanneer deze informatie toereikend is, de Commissie gehouden is om een standpunt in te nemen over de betrokken maatregel in de vorm van een voor beroep vatbare handeling. In de tweede plaats heeft het Gerecht betoogd dat de klager ook de mogelijkheid heeft om krachtens artikel 232, derde alinea, EG een beroep wegens nalaten in te stellen.
65. Ten slotte heeft het Gerecht geantwoord op het betoog volgens hetwelk een in een procedure inzake de toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG verzonden brief waarbij een klacht terzijde wordt gelegd, het karakter heeft van een beschikking. Het heeft te kennen gegeven dat, in tegenstelling tot de regels die voor die procedure gelden, verordening nr. 659/1999 aan klagers geen enkel procedureel recht heeft toegekend vóór de inleiding van de formele onderzoeksprocedure.
66. Het Gerecht heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard en Athinaïki Techniki in de kosten verwezen.
IV – Hogere voorziening
A – Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
67. Bij verzoekschrift van 18 december 2006, neergelegd ter griffie op 21 december 2006, heeft Athinaïki Techniki hogere voorziening ingesteld tegen de bestreden beschikking.
68. De Commissie en Athens Resort Casino, interveniënte, hebben op respectievelijk 5 februari en 15 maart 2007 hun memories van antwoord ingediend.
69. Geen van partijen heeft om een terechtzitting verzocht.
70. Bij brieven van 15 oktober 2007 heeft het Hof partijen uitgenodigd schriftelijk hun standpunt te bepalen betreffende de relevantie voor de beslechting van het geding van:
– de in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France ontwikkelde beginselen;
– de regels die van toepassing zijn in geval van afwijzing van de klacht in het kader van de procedures inzake de toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG, alsmede de regels op het gebied van antidumping.
71. Rekwirante, de Commissie en Athens Resort Casino hebben hun antwoorden op respectievelijk 21, 5 en 20 november 2007 aan het Hof doen toekomen.
72. Rekwirante verzoekt het Hof de bestreden beschikking te vernietigen, haar in eerste aanleg ingediende vorderingen toe te wijzen en de Commissie en interveniënte te verwijzen in de kosten.
73. De Commissie en Athens Resort Casino concluderen tot ongegrondverklaring van de hogere voorziening en verwijzing van rekwirante in de kosten.
B – Middelen en argumenten van partijen
74. Rekwirante stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het, in de punten 29 en 30 van de bestreden beschikking, heeft vastgesteld dat de terzijdelegging van de klacht door de Commissie geen beschikking vormt.
75. Zij zet uiteen dat op het gebied van staatssteun de Commissie een beschikking geeft wanneer zij een definitief en gemotiveerd standpunt inneemt ten aanzien van de kwalificatie van de gewraakte maatregel.
76. Aangaande het definitieve karakter van de terzijdelegging van een klacht, betoogt Athinaïki Techniki dat de aan de klager geboden mogelijkheid om nieuwe informatie te verstrekken hieraan geen afbreuk doet.
77. Zij wijst erop dat, wat de motivering betreft, de litigieuze terzijdelegging in haar context moet worden bezien. In casu heeft de Commissie de klacht terzijde gelegd op basis van de argumentatie dat bij de gunning van een overheidsopdracht geen enkele staatssteun wordt toegekend wanneer de betrokken procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht transparant en niet-discriminerend is. De beknoptheid van de brief van de Commissie van 2 december 2004 is dus weloverwogen, aangezien, wanneer de Commissie deze argumentatie hierin zou hebben opgenomen, het evident zou zijn geweest dat de terzijdelegging van de klacht het karakter van een beschikking heeft. De analyse van het Gerecht is dus louter formalistisch, doordat zij zich richt op de bewoordingen van voornoemde brief, zonder rekening te houden met de strekking ervan of met de context van de zaak.
78. De Commissie betwist deze argumentatie. Zij betoogt dat de brief van 2 december 2004 enkel een mededeling aan Athinaïki Techniki bevat overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 659/1999. Zij verklaart dat in deze mededeling was voorzien om te voorkomen dat gebruik zou moeten worden gemaakt van het mechanisme van het geven van een beschikking zonder dat serieuze en onderbouwde gegevens voorhanden waren.
79. De Commissie zet bovendien uiteen dat krachtens artikel 25 van verordening nr. 659/1999 de beschikkingen op het gebied van staatssteun tot de lidstaten zijn gericht, en dat het deze beschikkingen zijn die eventueel door „belanghebbenden” in de zin van artikel 88, lid 2, EG kunnen worden aangevochten, en niet de brief waarin zij van de inhoud ervan op de hoogte worden gesteld.
80. De Commissie betoogt voorts dat het onderscheid tussen handelingen die beschikkingen zijn en informatieve brieven ook voorkomt in de rechtspraak, zowel op het gebied van staatssteun als op dat van mededinging.
81. Zij merkt bovendien op dat de brief van 2 december 2004 is ondertekend door een ambtenaar van de instelling, en niet door een van haar leden, en dat deze brief niet de redenen voor terzijdelegging van de klacht uiteenzet.
82. Volgens de Commissie betoogt rekwirante in feite dat de betrokken lidstaat de toepasselijke regels inzake overheidsopdrachten niet in acht heeft genomen, en strekt het beroep ertoe om het feit te omzeilen dat een particulier niet kan opkomen tegen de weigering om tegen een lidstaat beroep wegens niet-nakoming in te stellen.
83. Ook Athens Resort Casino betoogt, om dezelfde redenen als uiteengezet door de Commissie, dat de brief van 2 december 2004 geen voor beroep vatbare handeling vormt.
84. Voorts betoogt zij dat het verzoekschrift van Athinaïki Techniki voor het Gerecht niet-ontvankelijk is, daar het origineel ervan pas op 18 februari 2005 ter griffie is ingekomen.
85. In antwoord op de door het Hof gestelde vraag, hebben alle partijen uiteengezet dat de in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France ontwikkelde beginselen relevant zijn voor het onderhavige geding.
86. Rekwirante heeft hieraan toegevoegd dat zij overeenkomstig deze beginselen als „belanghebbende” in de zin van artikel 88, lid 2, EG moet worden aangemerkt, alsmede als rechtstreeks en individueel geraakt, aangezien haar marktpositie door de in haar klacht gewraakte steunmaatregel aanzienlijk werd aangetast.
87. Zij heeft er ook op gewezen dat een klager in geval van terzijdelegging van zijn klacht in het kader van de procedure inzake de toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG, alsmede op het gebied van antidumping, recht heeft op een gemotiveerde beschikking. Rekwirante heeft betoogd dat dit recht a fortiori moet worden toegekend waar het gaat om staatssteun, aangezien de Commissie op dat gebied over een exclusieve bevoegdheid beschikt en de inleiding van een formele onderzoeksprocedure niet afhangt van een beoordeling van de opportuniteit.
88. Van haar kant heeft de Commissie uit de in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France ontwikkelde beginselen afgeleid dat de terzijdelegging van een klacht geen beschikking is.
89. Ook heeft zij betoogd dat de rechten van klagers in het kader van de procedure inzake de toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG, alsmede op het gebied van antidumping, niet kunnen worden aangevoerd in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun, aangezien elk gebied zijn eigen regels kent. Zij wees in dit verband op het arrest van 22 februari 2005, Commissie/max.mobil(31), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de bij verordening nr. 17 van de Raad(32) aan de klager verleende rechten niet van toepassing waren op artikel 86 EG.(33)
90. De Commissie beklemtoonde dat het feit dat de afwijzing van klachten in het kader van de artikelen 81 EG en 82 EG een beschikking is, door de rechtspraak is afgeleid uit de verordeningen die de procedure op dit gebied codificeren.(34) Verordening nr. 659/1999 bevat geen vergelijkbare bepalingen. Deze verordening voorziet niet in een rechtspositie voor klagers en bepaalt dat alle beschikkingen zijn gericht tot de lidstaat die de betrokken maatregel heeft vastgesteld.
91. De Commissie heeft aangegeven dat haar standpunt evenzeer geldt voor de toepasselijke regels op het gebied van antidumping.
92. Athens Resort Casino heeft dezelfde antwoorden verstrekt als de Commissie.
C – Beoordeling
93. Vooraf moet worden opgemerkt, dat, in tegenstelling tot hetgeen volgt uit de bestreden beschikking, rekwirante het Gerecht niet heeft verzocht om nietigverklaring van de brief van 2 december 2004, maar om nietigverklaring van de terzijdelegging van haar klacht door de Commissie, van welke terzijdelegging de Commissie rekwirante middels voornoemde brief op de hoogte had gesteld.
94. Het door rekwirante voor het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring betreft dus niet de brief van 2 december 2004 als zodanig, die inderdaad zoals de Commissie heeft beklemtoond een louter informatief karakter heeft, maar de terzijdelegging van de klacht op 2 juni 2004.
95. Met rekwirante ben ik van mening dat deze terzijdelegging een voor beroep vatbare handeling vormt. Ik baseer deze mening op de volgende drie punten, te weten, in de eerste plaats, de inhoud van artikel 20 van verordening nr. 659/1999, gelezen in de context van de andere bepalingen ervan, in de tweede plaats, de definitie die in de rechtspraak van het begrip voor beroep vatbare handeling is gegeven en, in derde plaats, de rechtspraak inzake de rechten van klagers in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun.
1. Artikel 20 en andere relevante bepalingen van verordening nr. 659/1999
96. Artikel 20, lid 2, van verordening nr. 659/1999 bepaalt:
„Elke belanghebbende kan de Commissie in kennis stellen van beweerdelijk onrechtmatige steun en van beweerd misbruik van steun. Indien de Commissie op basis van de informatie waarover zij beschikt meent dat er onvoldoende gronden zijn om in de zaak een standpunt in te nemen, stelt zij de belanghebbende daarvan op de hoogte. Indien de Commissie een beschikking geeft in een geval dat betrekking heeft op het onderwerp van de verstrekte informatie, zendt zij de belanghebbende een afschrift van die beschikking.”
97. Ik geef toe dat deze bepaling niet in dezelfde bewoordingen is geformuleerd als die welke van toepassing zijn op de behandeling van een klacht in het kader van de artikelen 81 EG en 82 EG, zoals artikel 7 van verordening nr. 773/2004.(35) Ook staat vast dat verordening nr. 659/1999 niet voorziet in bijzondere rechten voor klagers als zodanig, maar enkel wanneer zij belanghebbenden zijn. Voorts lijkt onbetwistbaar dat de regels inzake de rechten van klagers die worden genoemd in de verordeningen die voorzien in de toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG, zoals verordening nr. 773/2004, als zodanig niet kunnen worden toegepast op de procedure voor het toezicht op staatssteun, welke het voorwerp vormt van een speciale codificatie.
98. Toch meen ik dat deze factoren niet volstaan om aan te tonen dat artikel 20, lid 2, van verordening nr. 659/1999 enkel aldus kan worden uitgelegd, dat de terzijdelegging van een klacht betreffende staatssteun geen beschikking vormt en slechts aan de klager ter kennis hoeft te worden gebracht, zoals de Commissie en interveniënte betogen.
99. Mijns inziens moeten de bewoordingen van artikel 20, lid 2, van deze verordening en het ontbreken van rechten van klagers in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun namelijk worden begrepen in het licht van het feit dat deze procedure, anders dan de procedure inzake de toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG, bestaat in een dialoog tussen de Commissie en de betrokken lidstaat.
100. Zoals ik heb aangegeven is, zelfs wanneer de Commissie een beschikking geeft naar aanleiding van een klacht tegen een niet bij haar aangemelde steunmaatregel, deze beschikking gericht tot de lidstaat die de in de klacht bedoelde maatregel heeft vastgesteld, en niet tot de klager zelf.
101. Gelet op het voorgaande, kan artikel 20, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 659/1999 derhalve aldus worden begrepen, dat indien de Commissie op basis van de informatie waarover zij beschikt meent dat er onvoldoende gronden zijn om een formele onderzoeksprocedure in te leiden, zij de klager daarvan op de hoogte moet stellen, zodat deze, in voorkomend geval, aanvullende gegevens kan verschaffen. Vervolgens moet de Commissie, wanneer zij een klacht terzijde legt, overeenkomstig artikel 20, lid, 2, derde volzin, van voornoemde verordening, met het oog op een goed bestuur, de klager een afschrift van de beschikking zenden, aangezien deze niet tot de klager is gericht.
102. Bovendien lijkt deze uitlegging van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 659/1999 in overeenstemming te zijn met de door de Commissie in de onderhavige zaak gevolgde handelwijze.
103. Volgens de uiteenzetting van de feiten in de bestreden beschikking heeft de Commissie Athinaïki Techniki namelijk bij brief van 16 september 2003 meegedeeld dat er op basis van de informatie waarover zij beschikte niet voldoende redenen waren om het onderzoek van deze zaak voort te zetten, en heeft zij Athinaïki Techniki verzocht haar aanvullende informatie te verstrekken over elke andere eventuele steunmaatregel, die geen verband hield met de aanbesteding van het casino. Daar deze informatie uitbleef, heeft zij vervolgens klaagster bij brief van 2 december 2004 ervan in kennis gesteld dat zij, bij het ontbreken van aanvullende informatie die voortzetting van het onderzoek kon rechtvaardigen, de zaak op 2 juni 2004 administratief terzijde had gelegd.
104. In deze fase van het onderzoek lijkt artikel 20, lid 2, van verordening nr. 659/1999 derhalve aldus te kunnen worden uitgelegd dat de Commissie gerechtigd is om een klacht tegen een onrechtmatige steunmaatregel terzijde te leggen indien zij niet beschikt over voldoende informatie om een standpunt in te nemen. Mijns inziens kan op basis van die bepaling evenwel niet worden geconcludeerd dat deze terzijdelegging geen beschikking is.
105. Integendeel, de andere relevante bepalingen van verordening nr. 659/1999 maken eerder aannemelijk dat deze terzijdelegging wel het karakter heeft van een beschikking.
106. Aldus is om te beginnen in artikel 10, lid 1, van deze verordening aan de Commissie de verplichting opgelegd om een klacht die haar in kennis stelt van onrechtmatige steun onverwijld aan een onderzoek te onderwerpen. Deze bepaling neemt derhalve de rechtspraak over volgens welke de Commissie de klacht zorgvuldig en onpartijdig moet onderzoeken. Zoals gezegd, kan deze verplichting meebrengen dat de Commissie ook andere dan de uitdrukkelijk door de klager aangevoerde elementen feitelijk en rechtens dient te onderzoeken.
107. Verder bepaalt artikel 13, lid 1, van voornoemde verordening dat het onderzoek naar mogelijke onrechtmatige steun resulteert in een beschikking overeenkomstig artikel 4, leden 2, 3 of 4, van diezelfde verordening.
108. Hoewel deze twee bepalingen niet het geval regelen waarin een klacht terzijde wordt gelegd, is het volkomen logisch dat deze regeling in artikel 4 van verordening nr. 659/1999 ontbreekt, omdat laatstgenoemd artikel de beschikkingen opsomt die kunnen worden gegeven na een aanmelding door een lidstaat. De aanmelding van een steunmaatregel en de procedure voor het toezicht op staatssteun waarin verordening nr. 659/1999 voorziet, hebben namelijk tot doel de betrokken lidstaat en belanghebbende ondernemingen in staat te stellen te vernemen of de voorgenomen maatregel al dan niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en tot uitvoering kan worden gebracht. Bijgevolg moet deze aanmelding noodzakelijkerwijs worden gevolgd door een beschikking van de Commissie waarin wordt vastgesteld dat de aangemelde maatregel hetzij geen steun vormt, hetzij een steunmaatregel vormt die verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, hetzij twijfels oproept omtrent deze verenigbaarheid en het noodzakelijk maakt een formele onderzoeksprocedure in te leiden.
109. De Commissie kan de aanmelding van een lidstaat derhalve niet terzijde leggen. Indien deze aanmelding onvolledig is, bepaalt artikel 5 van verordening nr. 659/1999 dat de Commissie de betrokken lidstaat om alle nodige aanvullende informatie moet verzoeken en dat, indien deze informatie niet wordt verstrekt, voornoemde aanmelding wordt geacht te zijn ingetrokken.
110. Een klacht tegen een onrechtmatige steunmaatregel moet daarentegen terzijde kunnen worden gelegd wanneer de Commissie niet beschikt over de nodige gegevens om een standpunt in te nemen door middel van een van de in artikel 4 van verordening nr. 659/1999 opgesomde beschikkingen, aangezien de klager zich niet in dezelfde situatie bevindt als een lidstaat die een steunmaatregel aanmeldt.
111. Hoewel artikel 4 van deze verordening, waarnaar wordt verwezen door artikel 13, lid 1, ervan, geen betrekking heeft op het geval van terzijdelegging van een klacht, neemt dit niet weg dat genoemd artikel 4 en artikel 10, lid 1, van verordening nr. 659/1999 mijn inziens bevestigen dat deze terzijdelegging het karakter van een beschikking heeft, doordat zij bepalen dat elke klacht tegen beweerdelijk onrechtmatige steun zorgvuldig moet worden onderzocht en dat dit onderzoek moet resulteren in een beschikking.
112. Dit standpunt wordt naar mijn mening bevestigd door de definitie die van het begrip voor beroep vatbare handeling is gegeven in de rechtspraak.
2. Begrip voor beroep vatbare handeling in de rechtspraak
113. Volgens vaste rechtspraak zijn slechts als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG te beschouwen, maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten.(36)
114. Vaste rechtspraak is tevens dat, om vast te stellen of een bestreden handeling dergelijke gevolgen in het leven roept, moet worden gekeken naar de wezenlijke inhoud ervan.(37)
115. In het arrest van 16 juni 1994, SFEI e.a./Commissie(38), heeft het Hof zich op het standpunt gesteld dat de terzijdelegging van een op artikel 82 EG gebaseerde klacht een voor beroep vatbare handeling vormt, en wel op de volgende gronden. In de eerste plaats stelt een instelling die bevoegd is om inbreuken vast te stellen en daarvoor een sanctie op te leggen, en bij wie particulieren een klacht kunnen indienen, zoals de Commissie in het kader van het mededingingsrecht, noodzakelijkerwijs een handeling met rechtsgevolgen vast wanneer zij het op die klacht ingestelde onderzoek beëindigt. In de tweede plaats kan het terzijde leggen van een klacht niet als een prealabele of voorbereidende handeling worden aangemerkt. Anders dan een mededeling, die tot doel heeft de betrokken ondernemingen in staat te stellen hun standpunt over de punten van bezwaar van de Commissie kenbaar te maken, en die geen definitief standpunt van de Commissie inhoudt, vormt de terzijdelegging van een klacht immers het eindstadium van de procedure: zij wordt niet gevolgd door enige handeling waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld.(39)
116. Deze gronden kunnen mijns inziens zonder meer op de terzijdelegging van een klacht in het kader van de procedure inzake staatssteun worden toegepast.
117. Zo kan om te beginnen in het kader van deze procedure aan de Commissie een klacht worden voorgelegd door een particulier, en is zij bevoegd een inbreuk vast te stellen en daarvoor een sanctie op te leggen indien blijkt dat de gewraakte maatregel inderdaad met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun vormt.
118. Vervolgens stelt de Commissie, wanneer zij een klacht over vermeende staatssteun terzijde legt, noodzakelijkerwijs een handeling met rechtsgevolgen vast, in die zin dat deze terzijdelegging de procedure van het eerste onderzoek, die zij naar aanleiding van deze klacht moest inleiden, beëindigt, overeenkomstig de rechtspraak en artikel 10 van verordening nr. 659/1999.
119. Ten slotte blijkt duidelijk dat de terzijdelegging van een klacht tegen vermeende staatssteun, zoals die welke is ingediend door rekwirante, het eindstadium vormt van het eerste onderzoek dat naar aanleiding van deze klacht was ingeleid. Deze terzijdelegging wordt, net als die van een op artikel 82 EG gebaseerde klacht, niet gevolgd door enige andere handeling waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld.
120. Het feit dat deze terzijdelegging opnieuw kan worden onderzocht wanneer rekwirante nieuwe gegevens overlegt, kan aan dit standpunt niet afdoen, aangezien bij het ontbreken van deze gegevens het eerste onderzoek daadwerkelijk wordt afgesloten.
121. Gelet op de gronden waarop het Hof heeft erkend dat de terzijdelegging van een op artikel 82 EG gebaseerde klacht een voor beroep vatbare handeling is, verdient de terzijdelegging van een klacht tegen vermeende staatssteun mijns inziens dezelfde kwalificatie.
122. Dit standpunt lijkt mij te meer gerechtvaardigd, daar de Commissie op het gebied van staatssteun over een exclusieve bevoegdheid beschikt en deze steun in beginsel verboden is. Zoals gezegd, is in de rechtspraak hieruit afgeleid dat deze instelling verplicht is om elke klacht zorgvuldig te onderzoeken en een formele onderzoeksprocedure dient in te leiden indien de gewraakte maatregel een steunmaatregel blijkt te zijn die strijdig met de gemeenschappelijke markt is of zou kunnen zijn. Ik zei reeds, dat deze verplichtingen moeten waarborgen dat geen met het Verdrag strijdige steunmaatregel tot uitvoering kan worden gebracht.
123. Hieruit volgt dat de Commissie, wanneer zij ervoor kiest een klacht terzijde te leggen, noodzakelijkerwijs heeft geoordeeld dat er geen reden was om een formele onderzoeksprocedure in te leiden, noch om een van de twee andere in artikel 4 van verordening nr. 659/1999 bedoelde beschikkingen te geven.
124. Overigens kan op het feit dat deze terzijdelegging, met voorbijgaan van de voorschriften van artikel 27 van deze verordening, niet is geformaliseerd in een aan de betrokken lidstaat gezonden beschikking, geen beroep worden gedaan om voornoemde terzijdelegging het karakter van een beschikking te ontzeggen. Deze kwalificatie mag uitsluitend afhangen van de wezenlijke inhoud van de onderzochte handeling en niet van de inachtneming door de Commissie van de verplichtingen inzake de kennisgeving ervan.
125. Ten slotte ben ik van mening dat de erkenning dat de terzijdelegging van een klacht tegen vermeende staatssteun een beschikking vormt, ook in overeenstemming is met de rechtspraak inzake de rechten van klagers in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun.
3. Rechtspraak inzake de rechten van klagers in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun
126. Ik heb reeds uiteengezet dat wanneer de Commissie, zonder de formele onderzoeksprocedure te hebben ingeleid, van mening is dat de door de klager gewraakte maatregel geen steunmaatregel vormt, of dat deze een steunmaatregel vormt die met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is, deze klager, wanneer hij een „belanghebbende” persoon is in de zin van artikel 88, lid 2, EG, het recht heeft om die beschikking voor de gemeenschapsrechter te betwisten teneinde zijn procedurele rechten te verdedigen.(40) Dit beroepsrecht, ontwikkeld in de arresten Cook/Commissie(41) en Matra/Commissie(42), is sindsdien steeds bevestigd.
127. Derhalve heeft het Hof, door deze beroepsmogelijkheid te openen, gewild dat de door artikel 88, lid 2, EG gewaarborgde procedurele rechten bijzondere bescherming genieten en aan rechterlijk toezicht worden onderworpen. Door aldus de toegang tot de gemeenschapsrechter uit te breiden, heeft het Hof tevens het toezicht versterkt op de daadwerkelijke toepassing van het recht inzake staatssteun, door een – zelfs potentiële – concurrent van de begunstigde van de litigieuze maatregel toe te staan op te komen tegen de beoordeling van de Commissie volgens welke de verenigbaarheid van deze maatregel met het Verdrag geen ernstige problemen opleverde.
128. Het effect van deze rechtspraak zou aanzienlijk worden verminderd wanneer de klager niet tevens gerechtigd zou zijn op te komen tegen de terzijdelegging van zijn klacht middels een beroep tot nietigverklaring.
129. Een dergelijke terzijdelegging heeft voor de klager immers gevolgen die vergelijkbaar zijn met die van een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat de litigieuze maatregel een met de gemeenschappelijke markt verenigbare steunmaatregel is, of dat deze maatregel geen steunmaatregel vormt. Zij maakt het mogelijk de uitvoering van deze maatregel voort te zetten of de gevolgen ervan te handhaven zonder dat de klager zijn opmerkingen heeft kunnen meedelen aan de Commissie.
130. De samenhang van het door de rechtspraak ontwikkelde stelsel van bescherming van procedurele rechten vereist derhalve mijns inziens dat de klager ook kan opkomen tegen de beoordeling van de Commissie volgens welke zij niet beschikt over voldoende gegevens om een formele onderzoeksprocedure in te leiden. Bovendien is het belang van het rechterlijk toezicht op de daadwerkelijke toepassing van het gemeenschapsrecht in die situatie niet minder dan wanneer de Commissie een beschikking vaststelt aangaande de kwalificatie van de maatregel of de verenigbaarheid ervan met het Verdrag.
131. Ik leid hieruit af dat de terzijdelegging van een klacht, net als de beschikkingen die worden gegeven krachtens artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 659/1999, als een voor beroep vatbare handeling moet worden aangemerkt om de klager de mogelijkheid te geven de hem bij artikel 88, lid 2, EG verleende procedurele rechten te doen eerbiedigen.
132. Tegen deze analyse in heeft het Gerecht in de bestreden beschikking geoordeeld dat het feit dat deze terzijdelegging niet vatbaar zou zijn voor beroep, de burgers niet de mogelijkheid van toegang tot de gemeenschapsrechter kan ontnemen, aangezien de klager aanvullende informatie kan verstrekken teneinde zijn klacht te staven. Het heeft uiteengezet dat wanneer deze informatie toereikend is, de Commissie gehouden is een standpunt in te nemen over de betrokken overheidsmaatregel middels een beschikking in de zin van artikel 4 van verordening nr. 659/1999, en de klager aldus de mogelijkheid wordt geboden overeenkomstig artikel 230, vierde alinea, EG een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Het Gerecht heeft er bovendien op gewezen dat de klager ook de mogelijkheid heeft om krachtens artikel 232, derde alinea, EG een beroep wegens nalaten in te stellen.(43)
133. Deze analyse overtuigt mij niet. De aan de klager geboden mogelijkheid om de Commissie aanvullende informatie te verstrekken, en de verzekering dat deze vervolgens verplicht is een beschikking te geven wanneer deze informatie toereikend is, bieden geen gelijkwaardige bescherming, aangezien de vraag die in de onderhavige zaak wordt onderzocht nu juist draait om het rechterlijk toezicht op de beoordeling van de Commissie of de informatie waarover zij beschikt, al dan niet toereikend is.
134. De bescherming van de procedurele rechten van de klager, wanneer de Commissie heeft besloten zijn klacht terzijde te leggen, is ook niet aan de orde in een beroep wegens nalaten.
135. Zoals ik heb aangegeven moet de Commissie, wanneer haar een klacht wordt voorgelegd, in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun het recht worden toegekend deze terzijde te leggen indien zij meent niet over voldoende informatie te beschikken om een andere in artikel 4 van verordening nr. 659/1999 bedoelde beschikking te geven, al wordt naar deze mogelijkheid niet uitdrukkelijk verwezen.
136. De terzijdelegging van een klacht vormt dus een standpuntbepaling die een definitief einde maakt aan de procedure waarin die klacht is onderzocht.
137. In die omstandigheden is een beroep wegens nalaten geen passende beroepsmogelijkheid tegen deze terzijdelegging. Binnen het stelsel van beroepsmogelijkheden waarin het gemeenschapsrecht voorziet, is het beroep wegens nalaten de aangewezen mogelijkheid om het nalaten van een gemeenschapsinstelling in rechte te doen vaststellen, wanneer dit nalaten in strijd is met het Verdrag.(44) Aangezien ik ervan uitga dat de terzijdelegging van een klacht een in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun toelaatbare standpuntbepaling vormt, is een beroep wegens nalaten tegen deze terzijdelegging niet-ontvankelijk.(45) Met andere woorden, het Gerecht kon niet tegelijkertijd besluiten dat de terzijdelegging van een klacht een standpuntbepaling overeenkomstig verordening nr. 659/1999 vormt, én betogen dat een dergelijke terzijdelegging een nalaten vormt waartegen kan worden opgekomen met een beroep wegens nalaten.
138. In dit verband merk ik op dat in de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Air One/Commissie heeft geleid, de klacht niet terzijde was gelegd en het onderzoek ervan nog lopende was. De Commissie had de klacht naar de Italiaanse autoriteiten gezonden en hun een termijn gesteld om erop te antwoorden. Die termijn was nog niet verstreken toen Air One deze instelling formeel verzocht op basis van artikel 232 EG een standpunt te bepalen.
139. Gelet op een en ander ben ik van mening dat de terzijdelegging door de Commissie van de door rekwirante ingediende klacht een voor beroep vatbare handeling vormt. De door rekwirante ingestelde hogere voorziening is dus gegrond, zodat de bestreden beschikking moet worden vernietigd.
V – Gevolgen van de vernietiging
140. Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
141. De Commissie heeft tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het door Athinaïki Techniki ingestelde beroep tot nietigverklaring een tweede middel aangevoerd, ontleend aan de te late indiening van het verzoekschrift.
142. Mijns inziens beschikt het Hof over alle nodige gegevens om uitspraak te doen op dit middel.
A – Argumenten van partijen
143. De Commissie herinnert eraan dat de griffie van het Gerecht in haar brief van 1 maart 2005 aan rekwirante heeft meegedeeld dat als datum voor de neerlegging van het verzoekschrift die van de indiening van het origineel in aanmerking moest worden genomen, te weten 18 februari 2005, aangezien het exemplaar dat op 11 februari 2005 per telefax was ingediend geen identieke kopie was van dit origineel, zoals de vergelijking van de op elk van deze documenten aangebrachte handtekeningen aantoont.
144. De Commissie, ondersteund door Athens Resort Casino, leidt hieruit af dat het beroep is ingesteld na het verstrijken van de termijn van twee maanden en tien dagen, aangezien deze termijn is ingegaan op de dag van ontvangst van de brief van 2 december 2004, dat wil zeggen uiterlijk op 6 december 2004.
145. Voorts voeren de Commissie en Athens Resort Casino aan dat rekwirante impliciet heeft erkend haar beroep te hebben ingesteld na het verstrijken van de termijn, doordat zij de griffie bij brief van 16 maart 2005 heeft verzocht de op 11 februari 2005 per telefax ter griffie ingekomen versie van het verzoekschrift in aanmerking te nemen.
146. Rekwirante betwist dat haar beroep te laat is ingesteld, op grond dat volgens de rechtspraak de partij die aanvoert dat het verzoekschrift te laat is ingediend, moet bewijzen op welke datum kennis is gegeven van de bestreden handeling. De Commissie heeft volgens haar in de onderhavige zaak niet aangetoond op welke datum de bestreden handeling ter kennis is gebracht.
B – Beoordeling
147. Anders dan de Commissie, geloof ik niet dat het beroep van rekwirante niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond dat het zou zijn ingesteld na het verstrijken van de gestelde termijn. Ik baseer dit standpunt op de volgende overwegingen.
148. Vaststaat dat op grond van artikel 230, vijfde alinea, EG, het beroep tot nietigverklaring van een particulier tegen een niet tot hem gerichte beschikking moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving ervan aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen. Bovendien worden krachtens artikel 102, lid 2, van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht de procestermijnen verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen.
149. Aangezien het besluit waarbij de Commissie haar klacht terzijde heeft gelegd niet is bekendgemaakt of ter kennis is gebracht van Athinaïki Techniki, doch slechts aan laatstgenoemde is meegedeeld bij de brief van 2 december 2004, gaat het om de vraag of het beroep tot nietigverklaring is ingesteld binnen de termijn van twee maanden en tien dagen te rekenen vanaf de ontvangst van die brief.
150. De Commissie baseert haar betoog op de volgende twee punten, te weten, in de eerste plaats, dat de ontvangst van de brief van 2 december 2004 – die de beroepstermijn deed ingaan – heeft plaatsgevonden uiterlijk op 6 december 2004 en, in de tweede plaats, dat het beroep pas is ingesteld op 18 februari 2005, aangezien de verzending van het verzoekschrift per telefax op 11 februari 2005 niet in aanmerking kan worden genomen.
151. Ik ben van mening dat geen van deze twee punten kan worden gevolgd.
152. Ten eerste moet de op 11 februari 2005 per telefax ter griffie van het Gerecht ingekomen versie van het verzoekschrift in aanmerking worden genomen om de datum van het beroep te bepalen.
153. Er zij aan herinnerd dat overeenkomstig artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie een zaak bij de gemeenschapsrechter aanhangig moet worden gemaakt door middel van een verzoekschrift, dat aan de griffier wordt toegezonden, verschillende inlichtingen dient te bevatten en vergezeld moet gaan van verscheidene documenten.
154. Krachtens artikel 43, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt het origineel van elk processtuk ondertekend door de gemachtigde of de advocaat van de partij. Lid 3 van ditzelfde artikel bepaalt dat voor de berekening van de procestermijnen slechts de dag van neerlegging ter griffie van het Gerecht geldt.
155. Artikel 43, lid 6, van genoemd Reglement voor de procesvoering voorziet in de mogelijkheid het verzoekschrift door middel van andere technische communicatiemiddelen aan deze griffie toe te zenden. Het bepaalt:
„Onverminderd het bepaalde in de leden 1 tot en met 5, wordt de dag waarop een kopie van het ondertekende origineel van een processtuk [...] per telefax of door middel van enig ander technisch communicatiemiddel waarover het Gerecht beschikt, ter griffie binnenkomt, voor de berekening van de procestermijnen in aanmerking genomen, mits het ondertekende origineel van het stuk, vergezeld van de bijlagen en afschriften bedoeld in lid 1, tweede alinea, uiterlijk tien dagen later ter griffie wordt neergelegd. Artikel 102, lid 2, is niet van toepassing op deze termijn van tien dagen.”
156. Artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt dus dat de ontvangst per telefax door de griffie van het Gerecht van de kopie van het verzoekschrift wordt gelijkgesteld met de indiening van het origineel van het verzoekschrift, mits dit origineel binnen tien dagen daadwerkelijk aldaar wordt neergelegd.
157. De eerbiediging van deze voorwaarde impliceert bovendien logischerwijs dat de per telefax aan de griffie van het Gerecht verzonden versie een eensluidende kopie is van het later ingediende origineel. Het is dus van belang dat de per telefax verzonden versie de fotografische weergave is van de originele versie, en niet een document dat dezelfde inhoud in een andere vorm weergeeft.
158. Deze vereisten worden zeer duidelijk uiteengezet in de praktische aanwijzingen voor de partijen.(46) Zo wordt in punt I, A, leden 2 en 3, van deze aanwijzingen bepaalt:
„In geval van indiening per e-mail wordt alleen een gescande kopie van het ondertekende origineel aanvaard. Een zuiver elektronisch bestand of een bestand met een elektronische handtekening of een per computer gecreëerde facsimilehandtekening voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering. [...]
[...]
Bij de beoordeling of een termijn in acht is genomen, wordt de indiening van een stuk per telefax of e-mail slechts in aanmerking genomen indien het ondertekende origineel uiterlijk tien dagen later ter griffie wordt neergelegd zoals in artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering wordt bepaald. Het ondertekende origineel moet na de indiening van de kopie onverwijld worden verzonden zonder dat daaraan enige, zelfs geringe, correctie of wijziging is aangebracht. Ingeval het ondertekende origineel afwijkt van de eerder ingediende kopie, wordt alleen de datum van neerlegging van het ondertekende origineel in aanmerking genomen.”
159. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de instructies voor de griffier van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen(47) staat het aan de griffier van het Gerecht erop toe te zien dat deze vereisten worden geëerbiedigd.
160. De griffier van het Gerecht heeft zich in de onderhavige zaak op het standpunt gesteld dat de op 11 februari 2005 per telefax ter griffie van het Gerecht ingekomen versie van het verzoekschrift geen identieke kopie was van het op 18 februari 2005 neergelegde origineel, daar de handtekening op de laatste bladzijde van die versie niet op exact dezelfde plaats stond als de handtekening op het origineel.
161. De advocaat van rekwirante heeft bij schrijven van 16 maart 2005 uitgelegd dat dit verschil was te wijten aan het feit dat de laatste bladzijde van het origineel tijdens het faxen beschadigd was geraakt, zodat hij deze had moeten vervangen. Vaststaat dat de op 11 februari 2005 ontvangen versie van het verzoekschrift geen ander verschil met het origineel vertoont dan de verschuiving van de plaats van de handtekening van de advocaat op de laatste bladzijde ervan.
162. Anders dan de Commissie en Athens Resort Casino, ben ik van mening dat de uit artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voortvloeiende voorwaarde inzake de overeenstemming van de per telefax verzonden versie met het ter griffie van het Gerecht neergelegde origineel van het verzoekschrift, moet worden geacht te zijn vervuld.
163. De strekking van deze voorwaarde moet mijns inziens worden beoordeeld op grond van haar twee doelstellingen, die liggen op het inhoudelijke en op het formele vlak.
164. Op het inhoudelijke vlak heeft deze voorwaarde tot doel te waarborgen dat de in artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geboden mogelijkheid om zich tot de gemeenschapsrechter te wenden met een van de nieuwe communicatiemiddelen, niet afdoet aan het dwingende karakter van de procedurele termijnen, noch aan de vereisten van rechtszekerheid en van gelijkheid tussen de justitiabelen, welke door deze termijnen moeten worden verzekerd. Het staat immers vast dat deze termijnen, alsmede de strikte toepassing ervan, tot doel hebben de rechtszekerheid te waarborgen en elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden.(48)
165. Artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft dus tot doel de verzoeker in staat te stellen zijn verzoekschrift per telefax naar de griffie van het Gerecht te verzenden binnen de termijn van twee maanden en tien dagen, zonder dat deze mogelijkheid ertoe leidt dat hem feitelijk een extra termijn wordt verleend om zijn verzoekschrift in enigerlei opzicht te verbeteren of te wijzigen.
166. Op het formele vlak heeft de voorwaarde inzake de overeenstemming van de per telefax verzonden versie met het ter griffie van het Gerecht neergelegde origineel van het verzoekschrift tot doel deze griffie in staat te stellen om, wanneer het origineel van het verzoekschrift aan haar is overgelegd, middels een snel en eenvoudig onderzoek na te gaan of dit origineel volledig overeenstemt met de per telefax verzonden versie, zonder de inhoud van beide versies grondig te moeten onderzoeken.
167. Ik geloof evenwel niet dat in de onderhavige zaak de enkele verschuiving van de handtekening op de per telefax verzonden versie ten opzichte van de handtekening op het ter griffie van het Gerecht neergelegde origineel, de twee doelstellingen van deze voorwaarde in gevaar brengt.
168. Ten eerste heeft dit verschil geen betrekking op de inhoud van het binnen de beroepstermijn verzonden verzoekschrift. Evenmin gaat het om een wijziging van de getypte inhoud van het document die aanleiding had kunnen geven tot twijfel omtrent de overeenstemming van de twee voorliggende versies, en die de griffie van het Gerecht had kunnen verplichten dit document grondig, bladzijde voor bladzijde, te onderzoeken. De enkele verschuiving van de plaats van de handtekening op de laatste bladzijde van het origineel van het verzoekschrift was niet van dien aard dat zij twijfel wierp op het gehele verzoekschrift.
169. In die omstandigheden ben ik van mening dat rekwirante artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet heeft geschonden, en dat de versie van het verzoekschrift die op 11 februari 2005 per fax werd verzonden in aanmerking moet worden genomen om de datum van het beroep te bepalen. Derhalve is dit beroep ingesteld binnen de termijn van twee maanden en tien dagen na 2 december 2004, zodat het ontvankelijk is, ongeacht op welke datum rekwirante de op die dag gedateerde brief van de Commissie heeft ontvangen.
170. Ten tweede ben ik van mening dat het aanvangstijdstip van de beroepstermijn van twee maanden en tien dagen niet kan worden bepaald op uiterlijk 6 december 2004, zoals de Commissie betoogt.
171. Volgens de rechtspraak is het aan de partij die aanvoert dat het beroep te laat is ingesteld, om het bewijs te leveren van de datum waarop de termijn is beginnen te lopen.(49) Uit de rechtspraak volgt tevens dat wanneer het niet mogelijk is om met zekerheid te bepalen op welke datum de verzoeker kennis heeft gekregen van de exacte inhoud en overwegingen van de door hem bestreden handeling, omdat deze handeling niet is bekendgemaakt of betekend, dient te worden aangenomen dat de beroepstermijn uiterlijk op de dag waarop de verzoeker aantoonbaar deze kennis had, is ingegaan.(50)
172. Zoals gezegd, is de brief van 2 december 2004 waarbij rekwirante in kennis werd gesteld van de terzijdelegging van haar klacht niet aangetekend en tegen ontvangstbewijs aan haar toegezonden. De datum waarop zij deze brief daadwerkelijk heeft ontvangen is onbekend, en lijkt moeilijk precies te kunnen worden afgeleid uit de brief die rekwirante op 16 maart 2005 aan de griffier van het Gerecht heeft gezonden.
173. Op die grond is het door Athinaïki Techniki ingestelde beroep tot nietigverklaring ontvankelijk, zelfs indien wordt aangenomen dat de datum van instelling van het beroep moet worden bepaald op 18 februari 2005.
174. Gelet op deze overwegingen ben ik van mening dat de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
175. Tevens geef ik het Hof in overweging de zaak te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak over de vordering van Athinaïki Techniki strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 2 juni 2004 tot terzijdelegging van haar klacht, en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.(51)
VI – Conclusie
176. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging:
– de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 26 september 2006, Athinaïki Techniki/Commissie (T‑94/05), te vernietigen;
– de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond te verklaren;
– de zaak te verwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen voor een uitspraak over de vordering van Athinaïki Techniki AE strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 2 juni 2004 tot terzijdelegging van haar klacht;
– de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – T‑94/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „bestreden beschikking”.
3 – Hierna: „Athinaïki Techniki” of „rekwirante”.
4 – Verordening van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1).
5 – In artikel 87, lid 2, EG worden de steunmaatregelen opgesomd die zonder meer verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Het gaat om steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze toegepast worden zonder onderscheid naar de oorsprong van de producten, steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen, alsmede steunmaatregelen aan bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland ter compensatie van de door de deling van Duitsland berokkende economische nadelen. In artikel 87, lid 3, EG worden de steunmaatregelen genoemd die als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd. Het betreft met name steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst en steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen.
6 – Arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France (C‑367/95 P, Jurispr. blz. I‑1719, punten 36 en 38).
7 – Artikel 2.
8 – Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 659/1999.
9 – Artikel 1, sub f, van verordening nr. 659/1999.
10 – Zie in die zin arrest van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C‑182/03 en C‑217/03, Jurispr. blz. I‑5479, punt 72).
11 – Arresten van 15 juli 1964, Costa (6/64, Jurispr. blz. 1203, 1221), alsmede België en Forum 187/Commissie, reeds aangehaald (punten 73 en 74).
12 – Arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France, reeds aangehaald (punt 62).
13 – Idem.
14 – Arrest van 13 december 2005, Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum (C‑78/03 P, Jurispr. blz. I‑10737, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
15 – Arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France, reeds aangehaald (punt 64).
16 – Ibidem (punt 39).
17 – Arrest van 10 mei 2006, Air One/Commissie (T‑395/04, Jurispr. blz. II‑1343, punt 61).
18 – Idem.
19 – Arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France, reeds aangehaald (punt 45).
20 – Arrest Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum, reeds aangehaald (punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 – Ibidem (punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 – Reeds aangehaalde arresten Commissie/Sytraval en Brink’s France (punt 40), alsmede Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum (punt 35).
23 – Arrest Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum, reeds aangehaald (punt 35).
24 – Arrest van 15 juli 1963 (25/62, Jurispr. blz. 207).
25 – Ibidem, punt 223. Zie ook arrest Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum, reeds aangehaald (punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In de punten 104 tot en met 112 van mijn conclusie in de gevoegde zaken Duitsland e.a./Kronofrance (C‑75/05 P en C‑80/05 P, thans aanhangig bij het Hof), heb ik aangegeven het niet eens te zijn met deze beperking van het beroepsrecht van belanghebbenden. Deze beperking maakt de bescherming van procedurele rechten tot een doel op zich, terwijl zij volgens mij enkel de sleutel zou moeten zijn die toegang geeft tot de gemeenschapsrechter voor een toezicht op de verenigbaarheid van de gewraakte maatregel met de verdragsregels inzake staatssteun.
26 – Arrest Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum, reeds aangehaald (punt 37).
27 – Zie, voor een recente toepassing, arrest van 22 november 2007, Sniace/Commissie (C‑260/05 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 53 en 54).
28 – Air One SpA (hierna: „Air One”), een luchtvaartmaatschappij die regelmatige vervoerdiensten verricht tussen Italiaanse steden, heeft de Commissie bij brief van 22 december 2003 een klacht toegestuurd betreffende steun die de Italiaanse autoriteiten onrechtmatig zouden hebben verleend aan luchtvaartmaatschappij Ryanair. Na een briefwisseling heeft Air One in de loop van juni 2004 de Commissie formeel verzocht een standpunt te bepalen betreffende haar klacht. Op 5 oktober 2004 heeft zij een beroep wegens nalaten ingesteld.
29 – Arrest Air One/Commissie, reeds aangehaald (punten 30 en 34).
30 – Hierna: „Athens Resort Casino”.
31 – C‑141/02 P, Jurispr. blz. I‑1283, punten 69‑72.
32 – Verordening van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204).
33 – Arrest Commissie/max.mobil, reeds aangehaald (punt 71).
34 – Zij verwijst naar artikel 6 van verordening (EG) nr. 2842/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen [81] en [82] van het EG-Verdrag (PB L 354, blz. 18). Zij beklemtoont dat deze rechten thans zijn vastgelegd in artikel 7 van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag (PB L 123, blz. 18), dat bepaalt:
„1. Wanneer de Commissie op grond van de gegevens waarover zij beschikt, van mening is dat er onvoldoende gronden zijn om aan een klacht gevolg te geven, deelt zij de klager haar redenen hiervoor mee en stelt zij een termijn vast waarbinnen de klager schriftelijk zijn standpunt kenbaar kan maken. De Commissie is niet verplicht rekening te houden met aanvullende schriftelijke opmerkingen die zij na het verstrijken van die termijn ontvangt.
2. Indien de klager zijn standpunt binnen de door de Commissie vastgestelde termijn kenbaar maakt en de schriftelijke opmerkingen van de klager niet tot een andere beoordeling van de klacht leiden, wijst de Commissie de klacht bij beschikking af.
3. Indien de klager zijn standpunt niet kenbaar maakt binnen de door de Commissie vastgestelde termijn, wordt de klacht geacht te zijn ingetrokken.”
35 – Ik herinner eraan dat dit artikel uitdrukkelijk bepaalt, dat wanneer de Commissie van mening is dat er onvoldoende gronden zijn om aan een klacht gevolg te geven, zij dit aan de klager meedeelt en een termijn vaststelt waarbinnen de klager zijn standpunt kenbaar kan maken. Wanneer de klager dit vervolgens binnen de vastgestelde termijn doet, en zijn opmerkingen niet tot een andere beoordeling van de klacht leiden, wijst de Commissie de klacht bij beschikking af.
36 – Arrest van 22 juni 2000, Nederland/Commissie (C‑147/96, Jurispr. blz. I‑4723, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie voor een recente toepassing, beschikking van 21 juni 2007, Finland/Commissie (C‑163/06 P, Jurispr. blz. I‑5127, punt 40).
37 – Arrest Nederland/Commissie, reeds aangehaald (punt 27).
38 – C‑39/93 P, Jurispr. blz. I‑2681.
39 – Punten 27 en 28.
40 – Reeds aangehaalde arresten Commissie/Sytraval en Brink’s France (punt 40) en Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum (punt 35).
41 – Arrest van 19 mei 1993 (C‑198/91, Jurispr. blz. I‑2487).
42 – Arrest van 15 juni 1993 (C‑225/91, Jurispr. blz. I‑3203).
43 – Punt 31 van de bestreden beschikking.
44 – Arrest van 24 november 1992, Buckl e.a./Commissie (C‑15/91 en C‑108/91, Jurispr. blz. I‑6061, punt 14).
45 – Zie in die zin arrest van 18 oktober 1979, GEMA/Commissie (125/78, Jurispr. blz. 3173, punt 21).
46 – PB 2007, L 232, blz. 7. Deze aanwijzingen kunnen ook worden geraadpleegd op de internetsite .
47 – PB 2007, L 232, blz. 1. Deze instructies kunnen ook worden geraadpleegd op de internetsite .
48 – Zie met name beschikking van 8 november 2007, België/Commissie (C‑242/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 – Arrest Hof van 11 mei 1989, Maurissen en Union syndicale/Rekenkamer (193/87 en 194/87, Jurispr. blz. 1045, punt 46), en beschikking Gerecht van 13 april 2000, GAL Penisola Sorrentina/Commissie (T‑263/97, Jurispr. blz. II‑2041, punt 47).
50 – Arrest van 10 januari 2002, Plant e.a./Commissie en South Wales Small Mines (C‑480/99 P, Jurispr. blz. I‑265, punt 49).
51 – Zie, met betrekking tot de kosten, arrest van 15 mei 2003, Pitsiorlas/Raad en ECB (C‑193/01 P, Jurispr. blz. I‑4837).
Full & Egal Universal Law Academy