ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
van 29 november 2007
Zaak C‑8/06 P
Anna Herrero Romeu
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Ambtenaren – Bezoldiging – Ontheemdingstoelage – Voorwaarde van artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut – Begrip ‚diensten, verricht voor een andere staat’”
Betreft: Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 2005, Herrero Romeu/Commissie (T‑298/02, JurAmbt. blz. I‑A‑295 en II‑1349), en strekkende tot vernietiging van dat arrest.
Beslissing: De hogere voorziening wordt afgewezen.
Samenvatting
1. Hogere voorziening – Middelen – Nieuw betoog – Ontvankelijkheid – Grenzen
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 58; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 113, lid 2)
2. Ambtenaren – Bezoldiging – Ontheemdingstoelage – Voorwaarden voor toekenning
(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 4, lid 1, sub a)
1. Uit artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie juncto artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat het in het kader van een hogere voorziening de rekwirant vrijstaat, elk relevant argument aan te voeren onder het enkele voorbehoud dat in hogere voorziening het voorwerp van het geding voor het Gerecht niet wordt gewijzigd.
2. Ook al verschilt de verdeling van de bevoegdheden op intrastatelijk niveau naargelang van de institutionele structuur van elke staat, in het internationaal publiekrecht moet die staat worden aangemerkt als één subject. Gelet hierop, is vereist dat de staat bij de andere staten en de internationale organisaties wordt vertegenwoordigd door een systeem van één diplomatieke vertegenwoordiging, die op internationaal niveau de uniciteit van de betrokken staat weerspiegelt.
Om ervan te kunnen uitgaan dat de betrokken ambtenaar diensten heeft verricht voor „een andere staat”, is weliswaar niet essentieel dat hij door de centrale administratie van die andere staat is tewerkgesteld, doch zijn functionele integratie in de Permanente Vertegenwoordiging van die staat vormt een beslissend element.
Er moet immers van worden uitgegaan dat zowel de personeelsleden die diensten voor de staat verrichten via de centrale administratie van die staat, als zij die diensten verrichten voor een autonome gemeenschap via de administratie van die gemeenschap, in een situatie van ontheemding verkeren in de zin van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut, op voorwaarde evenwel dat zij formeel zijn opgenomen in de Permanente Vertegenwoordiging van die staat.
Voor de uitlegging van de uitdrukking „diensten, verricht voor een andere staat” in artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut moet dus als enig relevant feit worden aangemerkt, de omstandigheid dat de diensten binnen een Permanente Vertegenwoordiging van een staat zijn verricht. Diensten verricht voor de regeringen van de staatkundige onderdelen van staten kunnen daarom niet worden aangemerkt als diensten verricht voor een staat, indien de betrokkene niet formeel was opgenomen in de Permanente Vertegenwoordiging van de staat.
Full & Egal Universal Law Academy