Zaak C‑80/06
Carp Snc di L. Moleri e V. Corsi
tegen
Ecorad Srl
(verzoek van het Tribunale ordinario di Novara om een prejudiciële beslissing)
„Richtlijn 89/106/EG – Producten bestemd voor bouw – Procedure voor conformiteitsverklaring – Beschikking 1999/93/EG van Commissie – Horizontale rechtstreekse werking – Daarvan uitgesloten”
Samenvatting van het arrest
Harmonisatie van wetgevingen – Producten bestemd voor bouw – Richtlijn 89/106
(Art. 249 EG; richtlijn 89/106 van de Raad, art. 13, lid 4; beschikking 1999/93 van de Commissie, art. 2‑4 en bijlagen II en III)
Een particulier kan zich in het kader van een contractuele aansprakelijkheidsvordering tegen een andere particulier niet beroepen op schending door laatstgenoemde van de artikelen 2 en 3 van alsmede van de bijlagen II en III bij beschikking 1999/93 betreffende de procedure voor de conformiteitsverklaring van voor de bouw bestemde producten overeenkomstig artikel 20, lid 2, van richtlijn 89/106 voor deuren, ramen, luiken, blinden, poorten en bijbehorend hang‑ en sluitwerk.
Beschikking 1999/93 is immers vastgesteld op basis van artikel 13, lid 4, van richtlijn 89/106 en is gericht tot de lidstaten. Zij vormt een handeling met een algemene strekking die het soort procedure preciseert voor de conformiteitsverklaring die respectievelijk geldt voor deuren, ramen, luiken, blinden, poorten en bijbehorend hang‑ en sluitwerk en belast het Europees Comité voor Normalisatie/het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (CEN/Cenelec) met het specificeren van de inhoud ervan in de relevante geharmoniseerde normen, die vervolgens moeten worden omgezet door de normalisatie-instellingen van elke lidstaat. Overeenkomstig artikel 249 EG is beschikking 1999/93 dus alleen verbindend voor de lidstaten, die op grond van artikel 4 van die beschikking de enige adressaten ervan zijn.
(cf. punten 21‑22 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
7 juni 2007 (*)
„Richtlijn 89/106/EG – Voor bouw bestemde producten – Procedure voor conformiteitsverklaring – Beschikking 1999/93/EG van Commissie – Horizontale rechtstreekse werking – Daarvan uitgesloten”
In zaak C‑80/06,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunale ordinario di Novara (Italië) bij beslissing van 5 januari 2006, ingekomen bij het Hof op 10 februari 2006, in de procedure
Carp Snc di L. Moleri e V. Corsi
tegen
Ecorad Srl,
in tegenwoordigheid van:
Associazione Nazionale Artigiani Legno e Arredamento,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J.‑N. Cunha Rodrigues, U. Lõhmus, A. Ó Caoimh en P. Lindh (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 januari 2007,
gelet op de opmerkingen van:
– Carp Snc di L. Moleri e V. Corsi en Associazione Nazionale Artigiani Legno e Arredamento, vertegenwoordigd door F. Capelli en M. Ughetta, avvocati,
– Ecorad Srl, vertegenwoordigd door E. Adobati, avvocato,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Recchia en D. Lawunmi als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 maart 2007,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging, de inroepbaarheid en de geldigheid van de artikelen 2 en 3 alsmede van de bijlagen II en III van beschikking 1999/93/EG van de Commissie van 25 januari 1999 betreffende de procedure voor de conformiteitsverklaring van voor de bouw bestemde producten overeenkomstig artikel 20, lid 2, van richtlijn 89/106/EEG van de Raad voor deuren, ramen, luiken, blinden, poorten en bijbehorend hang‑ en sluitwerk (PB L 29, blz. 51).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap Carp Snc di L. Moleri en V. Corsi (hierna: „Carp”) en Ecorad Srl (hierna: „Ecorad”) ter zake van de uitvoering van een verkoopovereenkomst van deuren die zijn voorzien van een zogenoemde paniekstang.
Toepasselijke bepalingen
Richtlijn 89/106/EEG
3 Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten (PB 1989, L 40, blz. 12), zoals gewijzigd bij richtlijn 93/68/EEG van de Raad van 22 juli 1993 (PB L 220, blz. 1; hierna: „richtlijn 89/106”), beoogt onder meer de belemmeringen in het vrije verkeer van voor de bouw bestemde producten uit de weg te ruimen. Volgens artikel 1, lid 1, van de richtlijn is zij van toepassing op voor de bouw bestemde producten, voor zover de fundamentele voorschriften voor bouwwerken overeenkomstig artikel 3, lid 1, daarmee in verband staan.
4 Artikel 4, lid 2, van richtlijn 89/106 bepaalt dat de lidstaten ervan uitgaan dat de producten geschikt zijn voor gebruik wanneer zij van zodanige aard zijn dat de werken waarin zij worden gebruikt aan die fundamentele voorschriften kunnen voldoen, indien deze producten voorzien zijn van de CE-markering. Deze markering geeft aan dat de producten in overeenstemming zijn met hetzij de nationale normen waarin de geharmoniseerde normen zijn omgezet, hetzij met een Europese technische goedkeuring of met de in artikel 4, lid 3, bedoelde nationale technische specificaties, voor zover er geen geharmoniseerde specificaties bestaan.
5 Artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 89/106 bepaalt dat de lidstaten het vrije verkeer, het in de handel brengen en het gebruik van producten die in overeenstemming zijn met de richtlijn, op hun grondgebied niet mogen belemmeren.
6 Volgens artikel 13, lid 1, van richtlijn 89/106 is de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde verantwoordelijk voor de verklaring dat een product voldoet aan de voorschriften van een technische specificatie in de zin van artikel 4 van die richtlijn. Artikel 13, lid 2, bepaalt dat van producten waarvoor een conformiteitsverklaring is afgegeven, wordt aangenomen dat zij conform de technische specificaties zijn. De conformiteit wordt vastgesteld door onderzoek of via andere bewijzen op basis van de technische specificaties overeenkomstig bijlage III.
7 Artikel 13, leden 3 en 4, van richtlijn 89/106 luidt:
„3. Voorwaarde voor de conformiteitsverklaring van een product is:
a) dat de fabrikant in de fabriek een productiecontrolesysteem heeft dat moet waarborgen dat de productie conform de desbetreffende technische specificaties is, of
b) dat voor bepaalde in de desbetreffende technische specificaties aangegeven producten, naast het productiecontrolesysteem in de fabriek, bij de beoordeling en bewaking van de productiecontrole of van het product zelf een ter zake erkende certificatie-instantie wordt ingeschakeld.
4. De keuze van de in lid 3 bedoelde procedure wordt voor een bepaald product of een bepaalde familie van producten door de Commissie, na raadpleging van het Permanent Comité, overeenkomstig de in bijlage III genoemde bijzonderheden, gespecificeerd, afhankelijk van:
a) het belang van het product ten opzichte van de fundamentele voorschriften, inzonderheid wat betreft gezondheid en veiligheid,
b) de aard van het product,
c) de invloed van de veranderlijkheid van de eigenschappen van het product op de bruikbaarheid ervan,
d) de mate waarin bij de fabricage van het product gebreken mogelijk zijn.
In ieder geval wordt de minst kostbare veiligheidsconforme procedure gekozen.
De aldus gekozen procedure wordt in de mandaten en in de specificaties of in de bekendmaking ervan genoemd.”
8 Artikel 14 van richtlijn 89/106 bepaalt:
„1. Met inachtneming van bijlage III worden de omschreven procedures afgesloten met
a) in het geval van artikel 13, lid 3, sub a: de opstelling van een conformiteitsverklaring voor een product door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, of
b) in het geval van artikel 13, lid 3, sub b: de afgifte door een erkende certificatie-instantie van een conformiteitscertificaat voor een systeem van productiecontrole en ‑bewaking of voor het product zelf.
De nadere bepalingen voor de afwikkeling van de procedures voor de conformverklaring zijn in bijlage III opgenomen.
2. De conformiteitsverklaring van de fabrikant of het conformiteitscertificaat geeft de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde het recht de overeenkomstige CE-markering op het product zelf, op een daaraan bevestigd label, op de verpakking of op de begeleidende handelsdocumenten aan te brengen. Het model van de CE-markering en de regels voor het gebruik ervan bij de onderscheiden procedures van conformiteitsverklaring zijn opgenomen in bijlage III.”
Beschikking 1999/93
9 De Commissie heeft beschikking 1999/93 vastgesteld teneinde de procedures te preciseren voor de conformiteitsverklaring van deuren, ramen, luiken, blinden, poorten en bijbehorend hang‑ en sluitwerk.
10 Op grond van artikel 1 van deze beschikking worden de in bijlage I bij de beschikking genoemde producten en families van producten onderworpen aan een procedure voor de conformiteitsverklaring die berust op een productiecontrolesysteem in de fabriek waarvoor de fabrikant als enige verantwoordelijk is. Artikel 2 van deze beschikking bepaalt dat de conformiteit van de in bijlage II genoemde producten niet alleen wordt vastgesteld aan de hand van dit productiecontrolesysteem, maar tevens aan de hand van een procedure waarin bij de beoordeling en de bewaking van de productiecontrole of van het product zelf een erkende certificatie-instantie wordt ingeschakeld.
11 Bijlage II bij beschikking 1999/93 betreft de volgende producten:
„Deuren en poorten (met of zonder hang‑ en sluitwerk):
– voor gebruik in brand/rookcompartimenten en nooduitgangen.
[...]
Hang‑ en sluitwerk voor deuren en poorten:
– voor gebruik in brand/rookcompartimenten en nooduitgangen.”
12 Volgens artikel 3 van beschikking 1999/93 wordt de procedure voor de conformiteitsverklaring overeenkomstig bijlage III bij die beschikking vermeld in de mandaten voor geharmoniseerde normen. Deze bijlage III geeft het Europees Comité voor Normalisatie/het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (CEN/Cenelec) het mandaat om in de desbetreffende geharmoniseerde normen de systemen van verklaring van overeenstemming te vermelden. Voor deuren, poorten en hang‑ en sluitwerk bestemd voor gebruik in brand/rookcompartimenten en nooduitgangen stelt bijlage III bij beschikking 1999/93 de procedure voor de conformiteitsverklaring verplicht, door een erkende certificatie-instantie, bedoeld in punt 2, sub i, van bijlage III bij richtlijn 89/106.
13 Vaststaat dat er ten tijde van de feiten van het hoofdgeding nog geen geharmoniseerde norm bestond voor buitendeuren die van een paniekstang kunnen worden voorzien.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14 In april 2005 heeft Ecorad bij Carp een bestelling geplaatst voor de levering en de installatie van drie buitendeuren voorzien van een paniekstang. Nadat de eerste deur was geplaatst, heeft Ecorad zich in mei 2005 op het standpunt gesteld dat deze deur niet in overeenstemming was met de communautaire regeling, daar Carp niet beschikte over een conformiteitsverklaring opgesteld door een in beschikking 1999/93 bedoelde erkende certificatie-instantie (of „certificatiesysteem nr. 1”). Ecorad weigerde derhalve haar contractuele verplichtingen na te komen.
15 Carp heeft daarop beroep ingesteld bij het Tribunale ordinario di Novara met het oog op de vergoeding van haar schade. In het kader van dit geding stelt Ecorad dat het gekochte niet aan de communautaire regeling voldoet en dat Carp de bepalingen van beschikking 1999/93 heeft geschonden.
16 In zijn verwijzingsbeslissing oordeelt het Tribunale ordinario di Novara dat voor de beslechting van het geding de uitlegging van beschikking 1999/93 nodig is en vraagt het zich af of de beschikking, zo deze rechtstreeks van toepassing is, geldig is.
17 Daarop heeft het Tribunale ordinario di Novara de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moeten de artikelen 2 en 3 alsmede de bijlagen II en III van beschikking 1999/93/EG aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat deuren die van paniekstangen moeten worden voorzien, kunnen worden gebouwd door ondernemers (fabrikanten van vergrendelingen) die niet voldoen aan de vereisten van het systeem van conformiteitsverklaring nr. 1?
2) Zijn, in het geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, de voorschriften van de artikelen 2 en 3 alsmede van de bijlagen II en III van beschikking 1999/93/EG, ongeacht of door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) technische normen zijn vastgesteld, rechtens bindend vanaf de datum van de inwerkingtreding van die beschikking wat betreft het soort procedure van conformiteitsverklaring dat in acht moet worden genomen door vervaardigers (fabrikanten van vergrendelingen) van deuren die van paniekstangen moeten worden voorzien?
3) Moeten de artikelen 2 en 3 alsmede de bijlagen II en III van beschikking 1999/93/EG als ongeldig worden beschouwd wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel, voor zover zij alle producenten verplichten om de procedure van conformiteitsverklaring nr. 1 in acht te nemen om aan deuren voorzien van paniekstangen de CE-markering te kunnen verlenen (waarbij het CEN wordt belast met de vaststelling van de betrokken technische normen)?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
18 Het onderzoek van de eerste en de derde vraag, betreffende de uitlegging respectievelijk de geldigheid van beschikking 1999/93, veronderstelt een eerdere bevestigende beantwoording van de tweede vraag, waarmee de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of deze beschikking rechtens bindende gevolgen heeft. Allereerst moet evenwel worden onderzocht of deze beschikking in een geding tussen particulieren kan worden ingeroepen.
19 Carp is op dit punt van mening dat beschikking 1999/93 thans geen rechtens bindende gevolgen voor haar heeft, aangezien zij niet de adressaat van die beschikking is. Ecorad stelt daarentegen dat zij gerechtigd is in het hoofdgeding een beroep op die beschikking te doen.
20 Zonder dat het nodig is eerst de geldigheid van beschikking 1999/93 te onderzoeken, zij er in dit verband aan herinnerd dat een richtlijn volgens vaste rechtspraak uit zichzelf aan particulieren geen verplichtingen kan opleggen en dat een bepaling van een richtlijn als zodanig niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen. Hieruit volgt dat zelfs een duidelijke, nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke bepaling van een richtlijn die tot doel heeft particulieren rechten te verlenen of hun verplichtingen op te leggen, niet als zodanig kan worden toegepast in gedingen tussen uitsluitend particulieren (arresten van 26 februari 1986, Marshall, 152/84, Jurispr. blz. 723, punt 48; 14 juli 1994, Faccini Dori, C‑91/92, Jurispr. blz. I‑3325, punt 20; 7 maart 1996, El Corte Inglés, C‑192/94, Jurispr. blz. I‑1281, punten 16 en 17; 7 januari 2004, Wells, C‑201/02, Jurispr. blz. I‑723, punt 56, en 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, Jurispr. blz. I‑8835, punten 108 en 109).
21 Beschikking 1999/93 is vastgesteld op basis van artikel 13, lid 4, van richtlijn 89/106 en is gericht tot de lidstaten. Zij vormt een handeling met een algemene strekking die het soort procedure preciseert voor de conformiteitsverklaring die respectievelijk geldt voor deuren, ramen, luiken, blinden, poorten en bijbehorend hang‑ en sluitwerk en belast het CEN/Cenelec met het specificeren van de inhoud ervan in de relevante geharmoniseerde normen die vervolgens moeten worden omgezet door de normalisatie-instellingen van elke lidstaat. Overeenkomstig artikel 249 EG is beschikking 1999/93 dus alleen verbindend voor de lidstaten, die op grond van artikel 4 van die beschikking de enige adressaten ervan zijn. Onder deze omstandigheden zijn de overwegingen die ten grondslag liggen aan de rechtspraak die in het voorgaande punt met betrekking tot richtlijnen in herinnering is gebracht, mutatis mutandis van toepassing op de mogelijkheid om tegenover een particulier een beroep op die beschikking te doen.
22 Derhalve moet op de tweede vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord dat een particulier zich in het kader van een contractuele aansprakelijkheidsvordering tegen een andere particulier niet kan beroepen op schending door deze laatste van de bepalingen van de artikelen 2 en 3 alsmede van de bijlagen II en III van beschikking 1999/93.
23 Gelet op dit antwoord, behoeven de eerste en de derde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
24 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
In het kader van een contractuele aansprakelijkheidsvordering tegen een andere particulier kan een particulier zich niet beroepen op schending door eerstgenoemde van de bepalingen van de artikelen 2 en 3 alsmede van de bijlagen II en III van beschikking 1999/93/EG van de Commissie van 25 januari 1999 betreffende de procedure voor de conformiteitsverklaring van voor de bouw bestemde producten overeenkomstig artikel 20, lid 2, van richtlijn 89/106/EEG van de Raad voor deuren, ramen, luiken, blinden, poorten en bijbehorend hang‑ en sluitwerk.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy