Zaak C‑96/06
Viamex Agrar Handels GmbH
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
(verzoek van het Finanzgericht Hamburg om een prejudiciële beslissing)
„Verordening (EG) nr. 615/98 – Richtlijn 91/628/EEG – Restituties bij uitvoer – Weigering – Niet-naleving van richtlijn 91/628/EEG – Welzijn van dieren aangetast – Bewijslast – Ontbreken van bewijs”
Conclusie van advocaat-generaal P. Mengozzi van 15 november 2007
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 maart 2008
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer – Voorwaarden voor toekenning
(Verordening nr. 615/98 van de Commissie, art. 4 en 5, leden 2 en 3; richtlijn 91/628 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29)
2. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer
(Verordening nr. 615/98 van de Commissie, art. 5, lid 3; richtlijn 91/628 van de Raad zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29)
1. Niettegenstaande de documenten die de exporteur heeft overgelegd overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening nr. 615/98 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan, kan de bevoegde autoriteit krachtens artikel 5, lid 3, van deze verordening van oordeel zijn dat richtlijn 91/628 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29, niet is nageleefd. Zij kan echter alleen tot deze conclusie komen op grond van de in artikel 5 van verordening nr. 615/98 bedoelde documenten, de in artikel 4 van deze verordening bedoelde verslagen inzake de gezondheid van de dieren of enig ander objectief gegeven dat verband houdt met het welzijn van de dieren en waardoor de door de exporteur overgelegde documenten in twijfel worden getrokken, waarbij deze laatste in voorkomend geval dient aan te tonen in welk opzicht de gegevens die de bevoegde autoriteit aandraagt voor de conclusie dat richtlijn 91/628 niet is nageleefd, niet ter zake dienend zijn.
(cf. punten 36, 39-42, 44, dictum 1)
2. De bevoegde autoriteit kan krachtens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan, de uitvoerrestitutie weigeren wegens niet-naleving van de bepalingen van richtlijn 91/628 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29, met betrekking tot de gezondheid van dieren, ook al kan niet op basis van enig gegeven worden vastgesteld dat het welzijn van de vervoerde dieren in het concrete geval is aangetast.
De communautaire wetgever heeft zich namelijk op basis van wetenschappelijke en diergeneeskundige studies en evaluaties inzake de toepassing van de communautaire wetgeving op het gebied van dierenbescherming op het standpunt gesteld dat het welzijn van dieren in gevaar wordt gebracht en niet meer kan worden gewaarborgd zodra de bepalingen van richtlijn 91/628 inzake de gezondheid van dieren niet meer worden nageleefd. Een dergelijke benadering lijkt overigens volledig te worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat het in de praktijk voor de bevoegde autoriteit niet altijd mogelijk is om vast te stellen dat de dieren in het concrete geval hebben geleden of gewond zijn geraakt wegens de niet-naleving van die bepalingen.
(cf. punten 48‑49, 52, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
13 maart 2008 (*)
„Verordening (EG) nr. 615/98 – Richtlijn 91/628/EEG – Uitvoerrestituties – Weigering – Niet-naleving van richtlijn 91/628/EEG – Welzijn van dieren aangetast – Bewijslast – Ontbreken van bewijs”
In zaak C‑96/06,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) bij beslissing van 23 januari 2006, ingekomen bij het Hof op 17 februari 2006, in de procedure
Viamex Agrar Handels GmbH
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues, J. Klučka (rapporteur), A. Ó Caoimh en P. Lindh, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: B. Fülöp, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 maart 2007,
gelet op de opmerkingen van:
– Viamex Agrar Handels GmbH, vertegenwoordigd door W. Schedl, Rechtsanwalt,
– het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, vertegenwoordigd door G. Seber als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Erlbacher als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 november 2007,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 615/98 van de Commissie van 18 maart 1998 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan (PB L 82, blz. 19).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Viamex Agrar Handels GmbH (hierna: „Viamex”) en het Hauptzollamt Hamburg‑Jonas (hierna: „Hauptzollamt”) betreffende restituties bij de uitvoer van levende runderen naar Libanon.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 615/98
3 Volgens artikel 13, lid 9, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2634/97 van de Raad van 18 december 1997 (PB L 356, blz. 13), wordt de restitutie bij uitvoer van levende dieren slechts uitbetaald wanneer is voldaan aan de voorschriften van de Gemeenschap inzake het welzijn van dieren en meer in het bijzonder inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer.
4 Verordening nr. 615/98 bevat nadere uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2634/97.
5 Artikel 1 van verordening nr. 615/98 bepaalt dat de betaling van de restituties bij uitvoer van levende runderen afhankelijk wordt gesteld van de naleving, tijdens het vervoer van de dieren tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming, van richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG (PB L 340, blz. 17), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29/EG van de Raad van 29 juni 1995 (PB L 148, blz. 52; hierna: „richtlijn 91/628”), en van de genoemde verordening.
6 Volgens artikel 2 van deze verordening worden de dieren gecontroleerd bij het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap. Een officiële dierenarts moet nagaan of en certificeren dat de dieren geschikt zijn voor de geplande reis overeenkomstig richtlijn 91/628, dat het vervoermiddel waarmee de dieren het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten, in overeenstemming is met die richtlijn en dat de nodige maatregelen zijn genomen om de dieren tijdens de reis overeenkomstig die richtlijn te verzorgen.
7 Artikel 2, lid 3, van voornoemde verordening bepaalt:
„Indien de dierenarts op de plaats van uitgang ervan overtuigd is dat de in lid 2 genoemde voorwaarden zijn vervuld, certificeert hij dit door de vermelding:
[...]
– Bevindingen bij controle overeenkomstig artikel 2 van verordening (EG) nr. 615/98 bevredigend
– [...]
alsmede een stempel en zijn handtekening aan te brengen op het document dat het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap bewijst, hetzij in vak J van het controle-exemplaar T 5, hetzij op de meest passende plaats van het nationale document. In voorkomend geval vermeldt de officiële dierenarts:
– hoeveel dieren niet langer geschikt waren voor de geplande reis en om die reden uit de verzonden partij zijn verwijderd,
– en/of
– de in artikel 3, lid 3, bedoelde aantekening.”
8 Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 615/98 luidt als volgt:
„De voor de controle verantwoordelijke persoon moet een verslag opstellen waarin wordt vermeld:
– hoeveel levende dieren uit het vervoermiddel zijn gelost;
– hoeveel van de in het voorgaande streepje bedoelde dieren in een zodanige fysieke en/of gezondheidstoestand verkeren dat de conclusie is gewettigd dat de communautaire voorschriften inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer niet zijn nageleefd;
– of de levende dieren wel of niet onder quarantaine zijn geplaatst.”
9 Artikel 5, lid 1, van deze verordening bepaalt:
„1. Uiterlijk bij de indiening van de aangifte ten uitvoer verstrekt de exporteur de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, alle nodige gegevens over de reis.
Terzelfder tijd, of uiterlijk zodra hij daarvan kennis heeft gekregen, stelt de exporteur de bevoegde autoriteit in kennis van elke mogelijke wijziging met betrekking tot het vervoermiddel.”
10 Op grond van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 615/98 moet de aanvraag om betaling van de uitvoerrestituties worden aangevuld met het bewijs dat artikel 1 van deze verordening in acht is genomen, en wordt dit bewijs geleverd door het overleggen van het controle-exemplaar T5 en het controleverslag van een controlerende firma, tezamen met het veterinaire certificaat.
11 Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 bepaalt evenwel dat de uitvoerrestitutie niet wordt betaald voor dieren die tijdens het vervoer zijn overleden of waarvoor de bevoegde autoriteit, op grond van de in artikel 5, lid 2, van deze verordening bedoelde documenten, de verslagen over de in artikel 4 van deze verordening bedoelde controles en/of welke andere gegevens ook over de naleving van artikel 1 van deze verordening waarover zij beschikt, van oordeel is dat richtlijn 91/628 niet is nageleefd.
12 Artikel 5, lid 6, van verordening nr. 615/98 luidt als volgt:
„Indien door omstandigheden waarvoor de exporteur geen schuld treft, de in artikel 3, lid 1, bedoelde controle niet kon worden verricht, kan de bevoegde autoriteit op een met redenen omkleed verzoek van de exporteur andere documenten aanvaarden die haar de overtuiging geven dat de conclusie is gewettigd dat richtlijn [91/628] is nageleefd.”
Richtlijn 91/628
13 Volgens artikel 5, lid 1, sub b en c, van richtlijn 91/628 zien de lidstaten erop toe dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die dieren vervoert met winstoogmerk, voor het vervoer van de in deze richtlijn bedoelde dieren gebruikmaakt van vervoermiddelen die het mogelijk maken aan de eisen van de bijlage bij deze richtlijn te voldoen, en de dieren niet vervoert of doet vervoeren onder zodanige omstandigheden dat zij worden blootgesteld aan letsels of onnodig lijden.
14 Ingevolge punt 17 van die bijlage moet de inrichting van de schepen zodanig zijn dat de dieren kunnen worden vervoerd zonder dat zij worden blootgesteld aan verwondingen of onnodig lijden.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15 Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft Viamex op 8 maart 1999 bij het Hauptzollamt Kiel aangifte gedaan van de uitvoer van 35 levende runderen naar Libanon met het schip Al Haijj Moustafa II (hierna: „schip”), en het Hauptzollamt op die grond verzocht om betaling van een uitvoerrestitutie.
16 Bij beslissing van 1 februari 2001 heeft het Hauptzollamt dit verzoek afgewezen op grond dat het schip ten tijde van het vervoer voorkwam op een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen opgestelde zwarte lijst van schepen die voor het vervoer van levend vee ongeschikt werden geacht (hierna: „zwarte lijst”). Tijdens een op 18 en 19 februari 1997 aan boord van het schip verrichte controle hebben de diensten van het Voedsel‑ en Veterinair Bureau van de Commissie zich namelijk op het standpunt gesteld dat dit schip ernstige gebreken vertoonde en niet voldeed aan de vereisten van richtlijn 91/628.
17 Het Voedsel‑ en Veterinair Bureau speelt een belangrijke rol bij de tenuitvoerlegging en de toepassing van de gemeenschapswetgeving inzake de voedselveiligheid, de gezondheid van planten alsmede de gezondheid en het welzijn van dieren.
18 Het heeft met name tot taak, aan de hand van inspecties in de lidstaten en van beoordelingen doeltreffende controlesystemen op het gebied van de veiligheid en de kwaliteit van levensmiddelen en op diergeneeskundig en fytosanitair gebied te bevorderen, en na te gaan of de desbetreffende voorschriften van de communautaire regelgeving zijn nageleefd binnen de Europese Unie en in de derde landen die naar de Unie exporteren. Tevens heeft het tot taak, bij te dragen aan de communautaire beleidsvorming op deze gebieden.
19 Bij de controle die de diensten van dit bureau op het schip hebben verricht, is gebleken dat de loopplanken, de toegang tot de gangen en de stallingen zich in een dusdanige staat bevonden dat de dieren zich hieraan kunnen verwonden en voorts dat zij niet aldus waren ingericht dat de dieren niet kunnen ontsnappen. Bovendien waren deze loopplanken, de toegang tot de gangen en de stallingen versleten en roestig en bevonden zij zich in een toestand waarin ze moeilijk konden worden gereinigd en ontsmet.
20 Dienaangaande blijkt uit het dossier dat Viamex bij haar uitvoerrestitutieaanvraag enerzijds een op 16 oktober 1997 gedateerde schriftelijke verklaring van de kapitein van het schip heeft gevoegd, waarin gewag werd gemaakt van reparatiewerkzaamheden en die was medeondertekend door het hoofd van de grensdierenartsen in Koper (Slovenië), alsmede een op 22 september 1998 gedateerd verslag van het bureau van averijdeskundigen Kähler & Prinz AG.
21 Het schip is echter pas op 24 januari 2000 van de zwarte lijst verwijderd, nadat een verificatie was verricht in november 1999, hetzij bijna acht maanden na de uitvoer die in het hoofdgeding aan de orde is.
22 Bij beschikking van 18 mei 2001 heeft het Hauptzollamt het door Viamex tegen de beslissing van 1 februari 2001 aangetekende bezwaar afgewezen.
23 Viamex heeft tegen deze afwijzingsbeschikking beroep ingesteld op grond dat noch enige bepaling inzake restituties, noch enige bepaling van richtlijn 91/628 vereist dat een schip moet zijn goedgekeurd voor het vervoer van levend vee.
24 Het Hauptzollamt onderstreept van zijn kant dat het volgens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 voor het weigeren van het recht op restitutie volstaat dat de bevoegde autoriteit over gegevens beschikt op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat richtlijn 91/628 niet is nageleefd. Het is dus van mening dat deze bepaling de bevoegde autoriteit niet verplicht om het bewijs te leveren van de niet-naleving van deze richtlijn.
25 Hoe dan ook, het Hauptzollamt wijst erop dat het op 3 december 1999 een actualisering van de zwarte lijst heeft ontvangen volgens welke het schip eens te meer niet voldeed aan de voorwaarden van richtlijn 91/628.
26 Deze actualisering heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een inspectie in november 1999 door beambten van het Britse ministerie van Landbouw, Visserij en Voeding. Uit de controle door de Britse autoriteiten bleek met name dat het schip slechts voorlopig en alleen voor het vervoer van schapen was goedgekeurd. Wegens het verschil in grootte tussen een schaap en een rund kan uit de geschiktheid van het schip voor het vervoer van schapen niet worden geconcludeerd dat het schip tevens runderen kon vervoeren.
27 Gelet op deze informatie was het Hauptzollamt dan ook van mening dat richtlijn 91/628 tijdens het in het hoofdgeding aan de orde zijnde vervoer niet kon zijn nageleefd en dat aan de in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 gestelde voorwaarden voor weigering van de uitvoerrestitutie was voldaan.
28 Van oordeel dat de beslechting van het geding afhing van de uitlegging van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98, heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Houdt artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 een uitsluiting in, zodat met betrekking tot de voorwaarden van dit voorschrift een substantiërings‑ en bewijsplicht op het Hauptzollamt rust?
2) Zo ja: is voor de conclusie in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 dat de richtlijn inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer niet is nageleefd, het bewijs vereist dat richtlijn 91/628/EEG in het concrete geval is geschonden, of voldoet de autoriteit reeds aan haar substantiërings‑ en bewijsplicht wanneer zij omstandigheden aanvoert en bewijst, die in hun geheel beschouwd met grote waarschijnlijkheid erop wijzen dat de richtlijn inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer (ook) met betrekking tot de aan de orde zijnde uitvoer niet is nageleefd?
3) Ongeacht het antwoord op de eerste en de tweede vraag: mag de autoriteit krachtens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 een exporteur de uitvoerrestitutie (volledig) weigeren, wanneer er met betrekking tot de aan de orde zijnde uitvoer geen aanwijzingen zijn dat de (eventuele) schending van richtlijn 91/628/EEG het welzijn van de dieren tijdens het vervoer heeft aangetast?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
29 Met de eerste en de tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in een situatie waarin de exporteur alle krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 615/98 vereiste documenten heeft overgelegd, het aan hem staat of aan de bevoegde autoriteit om aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 3. Indien de bewijslast rust op de bevoegde autoriteit, wenst de verwijzende rechter te vernemen op welke gegevens deze autoriteit zich kan baseren om van oordeel te zijn dat richtlijn 91/628 niet is nageleefd, en of het volstaat dat zij gewag maakt van deze gegevens dan wel het bewijs moet leveren dat deze richtlijn in het concrete geval is geschonden.
30 Volgens vaste rechtspraak moet de exporteur, aangezien het stelsel van uitvoerrestituties berust op facultatieve verklaringen, de relevante gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op restitutie en de bepaling van het bedrag ervan, wanneer hij uit eigen beweging heeft besloten een beroep op dat stelsel te doen. Het Hof heeft met betrekking tot verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1) en het in deze verordening neergelegde sanctiestelsel, reeds geoordeeld dat bij een communautaire steunregeling aan de toekenning van de steun noodzakelijk de voorwaarde wordt verbonden dat de rechthebbende alle waarborgen van eerlijkheid en betrouwbaarheid biedt (zie in die zin arresten van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C‑210/00, Jurispr. blz. I‑6453, punt 41, en 1 december 2005, Fleisch-Winter, C‑309/04, Jurispr. blz. I‑10349, punt 31).
31 Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat een exporteur door de aangifte van een product in het kader van de procedure voor uitvoerrestituties laat doorschemeren dat dit product alle voor deze restitutie noodzakelijke voorwaarden vervult. Voor het geval dat de aangifte door de bevoegde autoriteit in twijfel zou worden getrokken, staat het aan de exporteur om volgens de bewijsregels van het nationale recht aan te tonen dat deze voorwaarden wel degelijk zijn vervuld (zie in die zin arrest Fleisch-Winter, reeds aangehaald, punten 32 en 35).
32 Een dergelijk stelsel is aan de orde in het kader van het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan, en het staat aan de exporteur om overeenkomstig artikel 5, leden 1 en 2, van verordening nr. 615/98 aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de uitvoerrestitutie.
33 Hiertoe dient de exporteur uiterlijk bij de indiening van de aangifte ten uitvoer aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de aangifte wordt aanvaard, alle nodige gegevens over de reis te verstrekken. Verder moet hij voor betaling van de uitvoerrestitutie bewijzen dat artikel 1 van verordening nr. 615/98 en dus ook richtlijn 91/628 in acht zijn genomen, door de in de artikelen 2, lid 3, en 3, lid 2, van deze verordening bedoelde documenten over te leggen. Bovendien kan de exporteur op grond van artikel 5, lid 6, van deze verordening onder bepaalde voorwaarden andere documenten aanleveren die bevestigen dat richtlijn 91/628 is nageleefd.
34 Zoals blijkt uit het doel van de artikelen 3 en 5 van verordening nr. 615/98, vormt de overlegging van deze documenten door de exporteur echter niet een onweerlegbaar bewijs dat artikel 1 van deze verordening en richtlijn 91/628 zijn nageleefd. Dit bewijs lijkt immers slechts voldoende voor zover de bevoegde autoriteit niet beschikt over gegevens op grond waarvan zij van oordeel kan zijn dat deze richtlijn niet is nageleefd.
35 Deze uitlegging wordt bevestigd door de bewoordingen van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98, volgens welke de bevoegde autoriteit de uitvoerrestitutie niet hoeft te betalen voor dieren waarvoor zij, op grond van de in artikel 5, lid 2, bedoelde documenten, de verslagen over de in artikel 4 bedoelde controles en/of welke andere gegevens ook over de naleving van artikel 1 waarover zij beschikt, van oordeel is dat richtlijn 91/628 niet is nageleefd.
36 De bevoegde autoriteit kan dus oordelen dat de exporteur, niettegenstaande de door de hem overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening nr. 615/98 overgelegde documenten, noch artikel 1 van deze verordening noch richtlijn 91/628 heeft nageleefd, mits met name is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 3, van deze verordening.
37 Gelet op het feit dat het op grond van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 615/98 aan de exporteur staat om het bewijs te leveren dat artikel 1 van deze verordening is nageleefd, is de bevoegde autoriteit verplicht om deze bewijsstukken en welke andere gegevens ook waarover zij beschikt, te analyseren teneinde te concluderen of richtlijn 91/628 al dan niet is nageleefd, en te beslissen of de uitvoerrestitutie al dan niet moet worden toegekend.
38 Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 kan echter niet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit de bewijsstukken die de exporteur bij zijn aanvraag om uitvoerrestitutie heeft gevoegd, op arbitraire wijze in twijfel kan trekken. Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat de beoordelingsmarge waarover de bevoegde autoriteit beschikt, niet onbegrensd is, aangezien zij door artikel 5 van verordening nr. 615/98 wordt afgebakend (zie in die zin arrest van 17 januari 2008, Viamex Agrar Handel en ZVK, C‑37/06 en C‑58/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 39). Deze beoordelingsmarge lijkt met name begrensd wat betreft de aard en de bewijskracht van de gegevens waarop deze autoriteit zich beroept.
39 Wat in de eerste plaats de aard van deze gegevens betreft, heeft het Hof met name geoordeeld dat de bevoegde autoriteit slechts op grond van de in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 615/98 bedoelde documenten inzake de gezondheid van de dieren, de in artikel 4 van deze verordening bedoelde controleverslagen en/of welke andere met het dierenwelzijn verband houdende gegevens ook waarover zij beschikt met betrekking tot de naleving van artikel 1 van die verordening, kan besluiten dat richtlijn 91/628 niet is nageleefd (zie arrest Viamex Agrar Handel en ZVK, reeds aangehaald, punten 39‑41).
40 Wat in de tweede plaats de bewijskracht betreft van de gegevens waarmee rekening kan worden gehouden, dient te worden geoordeeld dat de bevoegde autoriteit niet kan volstaan met een beroep op loutere veronderstellingen of twijfels over de naleving van richtlijn 91/628, om de door de exporteur overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening nr. 615/98 aangedragen bewijsstukken in twijfel te trekken. Een dergelijke uitlegging zou aan dit artikel 5, lid 2, elke nuttige werking ontnemen en voor exporteurs tot rechtsonzekerheid leiden met betrekking tot de voorwaarden voor betaling van de uitvoerrestitutie.
41 De bevoegde autoriteit dient zich derhalve overeenkomstig artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 te baseren op objectieve en concrete gegevens over het welzijn van de dieren, op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de door de exporteur bij zijn aanvraag om uitvoerrestitutie gevoegde documenten niet kunnen bewijzen dat richtlijn 91/628 bij het vervoer is nageleefd, waarbij in voorkomend geval de exporteur dient aan te tonen in welk opzicht de bewijselementen die door de bevoegde autoriteit zijn aangedragen voor de conclusie dat verordening nr. 615/98 en richtlijn 91/628 niet zijn nageleefd, niet ter zake dienend zijn (zie, mutatis mutandis, arrest Fleisch‑Winter, reeds aangehaald, punt 35).
42 In elk geval is de bevoegde autoriteit gehouden, haar beslissing te motiveren door de redenen aan te geven waarom zij heeft geoordeeld dat op basis van de door de exporteur overgelegde bewijsstukken niet kan worden geconcludeerd dat richtlijn 91/628 is nageleefd. Hiertoe dient deze autoriteit met name de bij haar ingediende documenten objectief te beoordelen en aan te tonen dat zij over deugdelijke gegevens beschikt ten bewijze dat de bij de uitvoerrestitutieaanvraag gevoegde documenten niet het bewijs leveren van de naleving van de relevante bepalingen van richtlijn 91/628. Een dergelijke gemotiveerde beslissing is voor de exporteur met name absoluut noodzakelijk om beroep te kunnen instellen tegen de beschikking houdende volledige of gedeeltelijke afwijzing van zijn aanvraag om uitvoerrestitutie.
43 Het staat aan de verwijzende rechter om in het hoofdgeding na te gaan of in het licht van onder meer de door Viamex bij haar uitvoerrestitutieaanvraag gevoegde documenten en de in de punten 16, 21 en 25 van dit arrest bedoelde zwarte lijst, het schip ten tijde van het vervoer van de dieren in overeenstemming was met richtlijn 91/628.
44 Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat de bevoegde autoriteit, niettegenstaande de door de exporteur overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening nr. 615/98 overgelegde documenten, krachtens artikel 5, lid 3, van deze verordening van oordeel kan zijn dat richtlijn 91/628 niet is nageleefd. Zij kan echter alleen tot deze conclusie komen op grond van de in artikel 5 van verordening nr. 615/98 bedoelde documenten, de in artikel 4 van deze verordening bedoelde verslagen inzake de gezondheid van de dieren of welk ander objectief gegeven ook dat verband houdt met het welzijn van die dieren en waardoor de door de exporteur overgelegde documenten in twijfel worden getrokken, waarbij deze laatste in voorkomend geval dient aan te tonen in welk opzicht de gegevens die de bevoegde autoriteit aandraagt voor de conclusie dat richtlijn 91/628 niet is nageleefd, niet ter zake dienend zijn.
Derde vraag
45 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bevoegde autoriteit krachtens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 de uitvoerrestitutie kan weigeren ofschoon niet op basis van enig gegeven concreet kan worden vastgesteld dat het welzijn van de vervoerde dieren is aangetast door de niet-naleving van richtlijn 91/628.
46 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, gelet op de bewoordingen van de artikelen 1 en 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 en op het doel van die verordening, de naleving van de bepalingen van richtlijn 91/628 inzake de gezondheid van dieren een voorwaarde is voor de betaling van de uitvoerrestituties (zie arrest Viamex Agrar Handel en ZVK, reeds aangehaald, punt 37).
47 Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt voorts duidelijk uit de bewoordingen van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98, dat de communautaire wetgever de betaling van de uitvoerrestituties afhankelijk heeft gesteld van de naleving van richtlijn 91/628, los van elke vaststelling van concrete schade voor de dieren tijdens het vervoer ervan.
48 Er blijkt namelijk dat de communautaire wetgever op basis van wetenschappelijke en diergeneeskundige studies en evaluaties inzake de toepassing van de communautaire wetgeving op het gebied van dierenbescherming, zich op het standpunt heeft gesteld dat het welzijn van dieren in gevaar kan worden gebracht en niet meer kan worden gewaarborgd zodra de bepalingen van richtlijn 91/628 inzake de gezondheid van dieren niet meer worden nageleefd.
49 Een dergelijke benadering lijkt overigens volledig te worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat het in de praktijk voor de bevoegde autoriteit niet altijd mogelijk is om vast te stellen dat de dieren in het concrete geval hebben geleden of gewond zijn geraakt wegens de niet-naleving van die bepalingen.
50 In deze omstandigheden mag een bevoegde autoriteit de uitvoerrestitutie weigeren wanneer zij vaststelt dat de inrichting van een schip met name in strijd met punt 17 van de bijlage bij richtlijn 91/628 zodanig was, dat de dieren niet konden worden vervoerd zonder dat zij werden blootgesteld aan verwondingen of onnodig lijden.
51 Het staat aan de bevoegde autoriteit om te beoordelen of de inbreuk op een bepaling van richtlijn 91/628 gevolgen heeft gehad voor het welzijn van de dieren, of een dergelijke inbreuk eventueel kan worden verholpen, en of zij moet leiden tot het verlies, de verlaging of het behoud van de uitvoerrestitutie. Het staat eveneens aan die autoriteit om te beslissen of de uitvoerrestitutie moet worden verlaagd naar rata van het aantal dieren dat volgens haar geleden kan hebben ten gevolge van de niet-naleving van richtlijn 91/628, dan wel of de betaling van deze restitutie achterwege dient te blijven omdat de niet-naleving van een bepaling van deze richtlijn onvermijdelijk gevolgen heeft gehad voor het welzijn van alle dieren (zie arrest Viamex Agrar Handel en ZVK, reeds aangehaald, punt 44).
52 Derhalve moet op de derde vraag worden geantwoord dat de bevoegde autoriteit krachtens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 de uitvoerrestitutie kan weigeren wegens niet-naleving van de bepalingen van richtlijn 91/628 met betrekking tot de gezondheid van dieren, ofschoon niet op basis van enig gegeven kan worden vastgesteld dat het welzijn van de vervoerde dieren in het concrete geval is aangetast.
Kosten
53 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) Niettegenstaande de documenten die de exporteur heeft overgelegd overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 615/98 van de Commissie van 18 maart 1998 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan, kan de bevoegde autoriteit krachtens artikel 5, lid 3, van deze verordening van oordeel zijn dat richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29/EG van de Raad van 29 juni 1995, niet is nageleefd. Zij kan echter alleen tot deze conclusie komen op grond van de in artikel 5 van verordening nr. 615/98 bedoelde documenten, de in artikel 4 van deze verordening bedoelde verslagen inzake de gezondheid van de dieren of welk ander objectief gegeven ook dat verband houdt met het welzijn van de dieren en waardoor de door de exporteur overgelegde documenten in twijfel worden getrokken, waarbij deze laatste in voorkomend geval dient aan te tonen in welk opzicht de gegevens die de bevoegde autoriteit aandraagt voor de conclusie dat richtlijn 91/628, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29, niet is nageleefd, niet ter zake dienend zijn.
2) De bevoegde autoriteit kan krachtens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 de uitvoerrestitutie weigeren wegens niet-naleving van de bepalingen van richtlijn 91/628, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29, met betrekking tot de gezondheid van dieren, ofschoon niet op basis van enig gegeven kan worden vastgesteld dat het welzijn van de vervoerde dieren in het concrete geval is aangetast.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy