Zaak C‑125/06 P
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Infront WM AG
„Hogere voorziening – Richtlijn 89/552/EEG – Televisie-uitzendingen – Beroep tot nietigverklaring – Artikel 230, vierde alinea, EG – Begrip beschikking die natuurlijke of rechtspersoon ‚rechtstreeks en individueel’ raakt”
Conclusie van advocaat-generaal Y. Bot van 18 oktober 2006
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 13 maart 2008
Samenvatting van het arrest
1. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken
(Art. 230, vierde alinea, EG; richtlijn 89/552 van de Raad, art. 3 bis)
2. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken
(Art. 230, vierde alinea, EG)
1. Maatregelen ter regulering van de uitoefening van de exclusieve televisie-uitzendrechten voor evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving, die zijn genomen door een lidstaat en zijn goedgekeurd bij een beschikking van de Commissie houdende vaststelling dat die maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, leggen aan de televisie-omroeporganisaties een aantal beperkingen op. Voor zover deze beperkingen verband houden met de voorwaarden waaronder deze organisaties de televisie-uitzendrechten voor aangewezen evenementen verwerven van de houder van de exclusieve televisie-uitzendrechten, hebben de door deze lidstaat genomen maatregelen en de beschikking waarbij zij zijn goedgekeurd, tot gevolg dat aan de rechten van een vennootschap die televisie-uitzendrechten bezit, nieuwe beperkingen worden verbonden die niet bestonden op het moment dat deze die uitzendrechten heeft verworven, en die de uitoefening van deze rechten moeilijker maken. Een dergelijke beschikking van de Commissie tast de rechtspositie van de houder van deze rechten dus rechtstreeks aan. Voorts vloeit de aantasting van de positie van deze houder slechts voort uit het vereiste dat het door deze maatregelen en door die beschikking bepaalde resultaat moet worden bereikt, en beschikken de nationale autoriteiten niet over een beoordelingsmarge bij de tenuitvoerlegging hiervan waardoor deze positie kan worden aangetast.
(cf. punten 50‑52, 59, 62-63)
2. Degenen die niet adressaat van een beschikking zijn, kunnen slechts stellen individueel te worden geraakt, indien deze beschikking hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat. Wanneer de beschikking een groep personen raakt die op het tijdstip waarop deze handeling werd vastgesteld, waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd op basis van specifieke kenmerken van de leden van deze groep, kunnen die personen door deze handeling individueel zijn geraakt voor zover zij deel uitmaken van een beperkte kring van marktdeelnemers. Dit kan met name het geval zijn wanneer de beschikking de rechten die de particulier vóór de vaststelling ervan heeft verworven, aantast.
(cf. punten 70‑72)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
13 maart 2008 (*)
„Hogere voorziening – Richtlijn 89/552/EEG – Televisie-uitzendingen – Beroep tot nietigverklaring – Artikel 230, vierde alinea, EG – Begrip beschikking die natuurlijke of rechtspersoon ‚rechtstreeks en individueel’ raakt”
In zaak C‑125/06 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 28 februari 2006,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks en M. Huttunen als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
andere partijen bij de procedure:
Infront WM AG, voorheen FWC Medien AG, thans KirchMedia WM AG, gevestigd te Zug (Zwitserland), vertegenwoordigd door M. Garcia, solicitor,
verzoekster in eerste aanleg,
Franse Republiek,
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
Europees Parlement,
Raad van de Europese Unie,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, G. Arestis, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász en J. Malenovský (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 oktober 2007,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 15 december 2005, Infront WM/Commissie (T‑33/01, Jurispr. blz. II‑5897; hierna: „bestreden arrest”), waarbij de beschikking van de Commissie die was vervat in haar brief aan het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van 28 juli 2000 (hierna: „litigieuze handeling”) is nietig verklaard.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
2 Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB L 298, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 (PB L 202, blz. 60; hierna: „richtlijn 89/552”), beoogt de vrijheid van ontvangst en van doorgifte van televisie-uitzendingen in de Europese Gemeenschap te bevorderen door te voorzien in minimumvoorschriften, waarbij de lidstaten ervoor moeten zorgen dat deze door de omroeporganisaties die onder hun bevoegdheid vallen, worden nageleefd.
3 De achttiende en de negentiende overweging van de considerans van richtlijn 97/36 luiden als volgt:
„18) [...] het [is] van essentieel belang [...] dat de lidstaten maatregelen kunnen nemen om het recht op informatie te beschermen en de brede toegang van het publiek te garanderen tot televisie-uitzendingen van nationale en niet-nationale evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving, zoals de Olympische Spelen, het Wereldkampioenschap voetbal en het Europees kampioenschap voetbal; [...] daartoe [behouden] de lidstaten het recht [...] om met het gemeenschapsrecht verenigbare maatregelen te nemen ter regulering van de uitoefening door omroeporganisaties die onder hun bevoegdheid vallen, van de exclusieve uitzendrechten voor dergelijke evenementen;
19) [...] het [is] noodzakelijk [...] in een communautair kader regelingen te treffen teneinde potentiële rechtsonzekerheid en marktverstoringen te vermijden en het vrije verkeer van televisiediensten in overeenstemming te brengen met de noodzaak om te voorkomen dat nationale maatregelen ter bescherming van een legitiem algemeen belang kunnen worden ontweken”.
4 Volgens artikel 1, sub b, van richtlijn 89/552 wordt onder „omroeporganisatie” verstaan de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de samenstelling van schema’s van televisieprogramma’s en die deze programma’s uitzendt of laat uitzenden door derden.
5 Artikel 3 bis van richtlijn 89/552, dat is ingevoegd bij richtlijn 97/36, luidt als volgt:
„1. Iedere lidstaat kan in overeenstemming met het gemeenschapsrecht maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat onder zijn bevoegdheid vallende omroeporganisaties evenementen die door die lidstaat van aanzienlijk belang voor de samenleving worden geacht, niet op een exclusieve basis zodanig uitzenden dat een belangrijk deel van het publiek in die lidstaat dergelijke evenementen niet via rechtstreekse of uitgestelde verslaggeving op de kosteloze televisie kan volgen. In dat geval stelt de betrokken lidstaat een lijst van aangewezen nationale of niet-nationale evenementen op die hij van aanzienlijk belang voor de samenleving acht. De lidstaat doet dit te gepasten tijde op duidelijke en transparante wijze. Daarbij bepaalt de betrokken lidstaat tevens of deze evenementen via volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel, waar nodig of passend om objectieve redenen van openbaar belang, via volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving beschikbaar moeten zijn.
2. De lidstaten stellen de Commissie terstond in kennis van alle maatregelen die zij krachtens lid 1 nemen of hebben genomen. Binnen een periode van drie maanden na de kennisgeving vergewist de Commissie zich ervan dat dergelijke maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en stelt zij de andere lidstaten ervan in kennis. Zij wint advies in bij het krachtens artikel 23 bis ingestelde comité. Zij maakt de genomen maatregelen onverwijld bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en publiceert ten minste eenmaal per jaar de geconsolideerde lijst van door de lidstaten getroffen maatregelen.
3. De lidstaten dragen er met passende middelen in het kader van hun wetgeving zorg voor dat onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties de door deze organisaties na de datum van bekendmaking van deze richtlijn verworven exclusieve rechten niet zodanig uitoefenen dat een belangrijk deel van het publiek in een andere lidstaat evenementen die door die andere lidstaat overeenkomstig de voorgaande leden zijn aangewezen, niet op de kosteloze televisie kan volgen via volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel, waar nodig of passend om objectieve redenen van openbaar belang, via volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving, zoals door die andere lidstaat overeenkomstig lid 1 is bepaald.”
Nationale regeling
6 De artikelen 98 en 101, die deel uitmaken van deel IV van de omroepwet van 1996 (Broadcasting Act 1996), zoals gewijzigd bij de televisieomroepregeling van 2000 (The Television Broadcasting Regulations 2000; hierna: „omroepregeling”), bepalen:
„98. Categorie diensten
1) Voor de toepassing van dit deel worden de televisieprogrammadiensten en de [EER]-satellietdiensten als volgt in twee categorieën verdeeld:
a) televisieprogrammadiensten en EER-satellietdiensten die momenteel aan de vereisten voldoen, en
b) alle andere televisieprogrammadiensten en EER-satellietdiensten.
2) In het kader van dit artikel zijn de ‚vereisten’ waaraan een dienst moet voldoen, de volgende:
a) voor de ontvangst van de dienst hoeft niet te worden betaald, en
b) de dienst kan door ten minste 95 % van de bevolking van het Verenigd Koninkrijk worden ontvangen.
[...]
101. Beperkingen met betrekking tot televisie-uitzendingen van op de lijst voorkomende evenementen
1) Een leverancier van televisieprogramma’s die een dienst van een van de twee in artikel 98, lid 1, gedefinieerde categorieën verstrekt (‚de eerste dienst’) voor uitzending op het gehele grondgebied van het Verenigd Koninkrijk of op een deel daarvan, mag in het kader van die dienst niet zonder voorafgaande toestemming van de [onafhankelijke commissie voor televisie (hierna: „ITC”)] een op de lijst voorkomend evenement of een deel daarvan rechtstreeks uitzenden, tenzij:
a) een andere leverancier van televisieprogramma’s die een dienst van de andere in dat lid gedefinieerde categorie verstrekt (‚de tweede dienst’), het recht heeft verworven om hierbij tevens het volledige evenement of hetzelfde deel van het evenement rechtstreeks uit te zenden, en
b) het zendgebied van de tweede dienst dat van de eerste dienst geheel of grotendeels omvat.
[...]”
7 De Commissie is van deze bepalingen in kennis gesteld overeenkomstig artikel 3 bis, lid 2, van richtlijn 89/552 en zij zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 2000, C 328, blz. 2).
8 De factoren waarmee rekening moet worden gehouden voor het geven van de in voornoemd artikel 101, lid 1, bedoelde toestemming, worden genoemd in de Regeling voor de onafhankelijke commissie voor televisie voor sport‑ en andere in de lijst opgenomen evenementen (Independent Television Commission Code on Sports and other Listed Events), zoals gewijzigd.
Voorgeschiedenis van het geding
9 De aan het geding ten grondslag liggende feiten, zoals uiteengezet in de punten 7 tot en met 22 van het bestreden arrest, kunnen worden samengevat als volgt.
10 Infront WM AG (hierna: „Infront”), voorheen FWC Medien AG en thans KirchMedia WM AG, houdt zich bezig met de verwerving en het beheer van alsmede de handel in televisie-uitzendrechten voor sportevenementen. Zij koopt deze rechten gewoonlijk van de organisator van het betrokken sportevenement en verkoopt vervolgens de aldus verworven rechten aan omroeporganisaties.
11 Op 10 september 1996 heeft haar moedervennootschap een overeenkomst gesloten met de Fédération internationale de football association (FIFA) betreffende de verkoop van exclusieve televisie-uitzendrechten voor de wedstrijden van de eindronden van het FIFA-Wereldkampioenschap 2002 en 2006. Deze moedervennootschap heeft met name de exclusieve televisie-uitzendrechten voor deze evenementen verworven voor de staten van het Europese continent. Later zijn deze rechten verkocht aan Infront.
12 Bij brieven van 25 september 1998 en 5 mei 2000 heeft het Verenigd Koninkrijk de Commissie, overeenkomstig artikel 3 bis, lid 2, van richtlijn 89/552, in kennis gesteld van de krachtens lid 1 van dit artikel genomen maatregelen.
13 Op 28 juli 2000 heeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal „Onderwijs en cultuur” van de Commissie de litigieuze handeling tot het Verenigd Koninkrijk gericht en daarin het volgende verklaard:
„Bij brief van 5 mei 2000, ingekomen bij de Commissie op 11 mei 2000, heeft de permanente vertegenwoordiging van het [Verenigd Koninkrijk] bij de Europese Unie de Commissie in kennis gesteld van een samenstel van nationale maatregelen met betrekking tot het uitzenden op televisie van evenementen van nationaal belang in het Verenigd Koninkrijk. [...]
Ik heb de eer u mee te delen dat de [...] Commissie, na onderzoek of de vastgestelde maatregelen overeenstemmen met richtlijn [89/552] en gelet op de beschikbare feitelijke gegevens met betrekking tot het audiovisuele landschap in het Verenigd Koninkrijk, niet van plan is de maatregelen waarvan uw autoriteiten ons in kennis hebben gesteld, te betwisten.
De Commissie zal overeenkomstig artikel 3 bis, lid 2, van richtlijn [89/552] de maatregelen waarvan zij in kennis is gesteld bekendmaken in het [Publicatieblad].”
14 De Commissie heeft deze maatregelen op 18 november 2000 bekendgemaakt in het Publicatieblad. Zij omvatten de artikelen 98 en 101 van deel IV van de omroepwet, alsmede de lijst van de door het Verenigd Koninkrijk aangewezen evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving (hierna: „aangewezen evenementen”). Een van deze evenementen is de eindronde van het FIFA-Wereldkampioenschap.
15 Tijdens het onderzoek van deze maatregelen door de Commissie heeft Infront haar twee brieven gestuurd waarin zij betoogde dat de lijst van aangewezen evenementen niet kon worden goedgekeurd wegens de onverenigbaarheid ervan met zowel artikel 3 bis van richtlijn 89/552 als andere bepalingen van gemeenschapsrecht.
16 Vervolgens heeft Infront de Commissie bij brief van 7 december 2000 verzocht om haar te bevestigen dat de Commissie het onderzoek uit hoofde van artikel 3 bis, lid 2, van richtlijn 89/552 met betrekking tot de lijst van aangewezen evenementen had beëindigd, en om haar te informeren over de uitkomst van dit onderzoek, met inbegrip van eventuele maatregelen die de Commissie in deze context had genomen. De Commissie heeft Infront geantwoord dat deze procedure was afgerond en dat de lijst van aangewezen evenementen verenigbaar met de richtlijn werd geacht.
17 Bijgevolg heeft Infront bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van de litigieuze handeling ingesteld.
18 De Commissie heeft een niet-ontvankelijkheidsexceptie opgeworpen. Zij stelde dat de litigieuze handeling niet krachtens artikel 3 bis, lid 2, van richtlijn 89/552 was vastgesteld en dat Infront door de litigieuze handeling rechtstreeks noch individueel werd geraakt.
Bestreden arrest
19 Het Gerecht heeft bij het bestreden arrest de niet-ontvankelijkheidsexceptie verworpen en het beroep ontvankelijk verklaard.
20 Het heeft in de eerste plaats overwogen dat de litigieuze handeling de afsluiting vormt van de procedure van artikel 3 bis, lid 2, van richtlijn 89/552, volgens welke procedure de Commissie moet onderzoeken of de krachtens lid 1 van dit artikel genomen nationale maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht. Door de bekendmaking in het Publicatieblad van die door de Commissie goedgekeurde maatregelen kunnen de andere lidstaten hiervan kennis nemen en derhalve de verplichtingen nakomen die op hen rusten krachtens artikel 3 bis, lid 3, van deze richtlijn in het kader van het door deze laatstgenoemde bepaling ingevoerde mechanisme van wederzijdse erkenning van deze maatregelen.
21 De litigieuze handeling sorteert volgens het Gerecht dus rechtsgevolgen voor de lidstaten voor zover daarin wordt verklaard dat de betrokken nationale maatregelen in het Publicatieblad zullen worden bekendgemaakt, aangezien deze bekendmaking tot gevolg heeft dat het in artikel 3 bis, lid 3, van richtlijn 89/552 voorziene mechanisme van wederzijdse erkenning in werking treedt. Zij vormt dus een beschikking in de zin van artikel 249 EG, ofschoon artikel 3 bis van die richtlijn het niet expliciet heeft over de vaststelling van een „beschikking” door de Commissie.
22 In de tweede plaats heeft het Gerecht onderzocht of Infront rechtstreeks wordt geraakt door deze handeling. Het heeft herinnerd aan de rechtspraak dat een particulier slechts rechtstreeks wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG wanneer de litigieuze communautaire handeling rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en de uitvoering ervan zuiver automatisch is en alleen op grond van de communautaire regeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (zie arrest van 5 mei 1998, Dreyfus/Commissie, C‑386/96 P, Jurispr. blz. I‑2309, punt 43, en de aangehaalde rechtspraak).
23 Het Gerecht heeft allereerst geoordeeld dat wanneer Infront haar televisie-uitzendrechten aan een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroeporganisatie verkoopt voor televisie-uitzending in die lidstaat, de door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk genomen maatregelen vanuit juridisch oogpunt reeds los van de litigieuze handeling bestaan. Voor zover de meegedeelde maatregelen op de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroeporganisaties van toepassing zijn krachtens de in die lidstaat geldende omroepwet en niet krachtens de litigieuze handeling, wordt Infront niet rechtstreeks geraakt.
24 Daarentegen kan alleen de litigieuze handeling waarbij de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de door het Verenigd Koninkrijk meegedeelde maatregelen wordt vastgesteld en waarin wordt bepaald dat deze maatregelen zullen worden bekendgemaakt in het Publicatieblad, het door artikel 3 bis, lid 3, van richtlijn 89/552 ingevoerde mechanisme van wederzijdse erkenning in werking doen treden. Die handeling valideert deze maatregelen derhalve alleen met het oog op de erkenning ervan door de andere lidstaten.
25 Bovendien heeft het Gerecht vastgesteld dat, aangezien deze wederzijdse erkenning van krachtens artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 89/552 genomen maatregelen afhankelijk is van de goedkeuring ervan door de Commissie en de daaropvolgende bekendmaking ervan in het Publicatieblad, de litigieuze handeling aan de lidstaten vanaf het moment van deze bekendmaking geen beoordelingsvrijheid laat in het kader van de nakoming van hun verplichtingen. Hoewel de nadere regels voor de controle die de nationale autoriteiten in het kader van het door artikel 3 bis, lid 3, van richtlijn 89/552 ingevoerde mechanisme van de wederzijdse erkenning moeten verrichten, door elke lidstaat worden vastgesteld in het kader van zijn wetgeving ter omzetting van deze bepaling, moeten deze autoriteiten zich in elk geval ervan vergewissen dat de onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties de voorwaarden voor uitzending van de evenementen die zijn aangewezen in de door de Commissie goedgekeurde en in het Publicatieblad bekendgemaakte nationale maatregelen, naleven.
26 Het Gerecht is derhalve tot de conclusie gekomen dat Infront rechtstreeks wordt geraakt door de litigieuze handeling, voor zover deze het mechanisme van erkenning door de andere lidstaten van de door het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 89/552 genomen maatregelen in werking heeft doen treden.
27 In de derde plaats heeft het Gerecht geoordeeld dat Infront door voornoemde handeling tevens individueel wordt geraakt. Zij wordt door deze handeling geraakt uit hoofde van een bijzondere hoedanigheid, te weten die van houdster van de exclusieve uitzendrechten voor een van de aangewezen evenementen. Hoewel de door de Commissie goedgekeurde en in het Publicatieblad bekendgemaakte nationale maatregelen niet uitdrukkelijk betrekking hebben op Infront in haar hoedanigheid van makelaar in de betrokken televisie-uitzendrechten, vormen zij voor Infront niettemin een belemmering van de vrije beschikking over haar rechten, doordat zij de verkoop ervan als exclusief recht aan een in een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroeporganisatie die dit evenement in deze laatste staat wenst uit te zenden, aan voorwaarden bindt.
28 Bovendien is van belang dat Infront, ofschoon de litigieuze handeling de rechtsgeldigheid van de met de FIFA gesloten overeenkomsten niet aantast, het alleenrecht op de betrokken televisie-uitzendrechten heeft verworven voordat artikel 3 bis van richtlijn 89/552 in werking is getreden en, a fortiori, voordat de litigieuze handeling is vastgesteld.
29 Ten gronde heeft het Gerecht de litigieuze handeling nietig verklaard wegens onbevoegdheid, overwegende dat sprake was van een beschikking in de zin van artikel 249 EG. Het college van leden van de Commissie was namelijk niet geraadpleegd en de directeur-generaal die deze handeling had ondertekend, was daartoe door dit college niet specifiek gemachtigd.
Conclusies van partijen
30 Met haar hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof:
– het bestreden arrest te vernietigen;
– de zaak zelf af te doen door het bij het Gerecht ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, en
– Infront te verwijzen in de kosten van de Commissie in eerste aanleg en in hogere voorziening.
31 Infront verzoekt het Hof:
– de hogere voorziening af te wijzen; of
– de zaak te verwijzen naar het Gerecht voor een arrest dat in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof, en
– de Commissie te veroordelen in haar eigen kosten en de kosten van Infront van beide instanties.
Hogere voorziening
32 Ingevolge artikel 230, vierde alinea, EG, kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.
33 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie twee middelen aan, die zijn ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot deze twee laatste voorwaarden.
Voorafgaande opmerkingen
34 Alvorens deze middelen te onderzoeken, moeten de gevolgen en de strekking van artikel 3 bis van richtlijn 89/552 en van de litigieuze handeling worden gepreciseerd.
35 Volgens artikel 3 bis, lid 1, van deze richtlijn kan iedere lidstaat in overeenstemming met het gemeenschapsrecht maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat onder zijn bevoegdheid vallende omroeporganisaties de evenementen die hij van aanzienlijk belang voor de samenleving acht, niet op een exclusieve basis zodanig uitzenden dat een belangrijk deel van het publiek deze niet via rechtstreekse of uitgestelde verslaggeving op de kosteloze televisie kan volgen. Hiertoe stelt de betrokken lidstaat een lijst van dergelijke evenementen op.
36 Volgens artikel 3 bis, lid 2, van deze richtlijn dient de Commissie zich ervan te vergewissen of deze maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en deze bekend te maken in het Publicatieblad. Artikel 3 bis, lid 3, voert een mechanisme van wederzijdse erkenning in volgens hetwelk de andere lidstaten erop moeten toezien dat onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties zich niet onttrekken aan de maatregelen die een andere lidstaat heeft genomen krachtens artikel 3 bis, lid 1, en die door de Commissie zijn goedgekeurd en in het Publicatieblad bekend zijn gemaakt.
37 Dit wordt tevens genoemd in de negentiende overweging van de considerans van richtlijn 97/36, uit de bewoordingen waarvan volgt dat artikel 3 bis van richtlijn 89/552 beoogt te voorkomen dat nationale maatregelen ter bescherming van een legitiem algemeen belang kunnen worden ontweken.
38 De Commissie heeft krachtens deze regelgeving het Verenigd Koninkrijk bij de litigieuze handeling laten weten dat zij de maatregelen waarvan deze lidstaat haar in kennis had gesteld, had goedgekeurd en dat deze maatregelen vervolgens in het Publicatieblad zouden worden bekendgemaakt. Deze handeling vormde derhalve, zoals het Gerecht heeft vastgesteld, de afsluiting van de onderzoeksprocedure waartoe de Commissie was gehouden krachtens artikel 3 bis, lid 2, van richtlijn 89/552. Door de bekendmaking van die maatregelen in het Publicatieblad hebben de andere lidstaten daarvan kennis kunnen nemen en de verplichtingen kunnen nakomen die krachtens artikel 3 bis, lid 3, van deze richtlijn op hen rusten.
39 De litigieuze handeling heeft derhalve het in artikel 3 bis, lid 3, van richtlijn 89/552 bedoelde mechanisme van wederzijdse erkenning in werking doen treden en daarmee de verplichting geactiveerd voor de overige lidstaten om zich ervan te vergewissen dat de onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties zich niet onttrekken aan de maatregelen die het Verenigd Koninkrijk heeft genomen krachtens artikel 3 bis, lid 1.
40 In het licht van deze overwegingen moeten de door de Commissie aangevoerde middelen worden onderzocht.
Eerste middel: onjuiste opvatting van de voorwaarde inzake het rechtstreekse belang
Argumenten van partijen
41 De Commissie beroept zich op een onjuiste toepassing door het Gerecht van de in punt 22 van dit arrest genoemde rechtspraak, waarin de voorwaarde met betrekking tot het in artikel 230, vierde alinea, EG bedoelde rechtstreekse belang nader is omschreven.
42 Allereerst heeft de litigieuze handeling geen gevolgen voor Infronts rechtspositie. Zij verplicht de andere lidstaten dan het Verenigd Koninkrijk ertoe, er zorg voor te dragen dat de onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties niet een belangrijk deel van het publiek in deze lidstaat de mogelijkheid onthouden om bepaalde aangewezen evenementen op een „kosteloze” televisiezender te volgen. Hiertoe worden dus enkel aan dergelijke organisaties rechtsplichten opgelegd.
43 Gesteld dat een in een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk gevestigde, op het gebied van betaaltelevisie actieve onderneming eventueel een bod wil doen ter verkrijging van de betrokken exclusieve televisie-uitzendrechten, dan zouden de haar opgelegde juridische beperkingen haar hiervan kunnen weerhouden. Infront zou bijgevolg minder potentiële bieders hebben en zich waarschijnlijk in een minder gunstige commerciële positie bevinden dan zij zich had voorgesteld, niet wegens een wijziging van haar rechtspositie, maar uitsluitend wegens het feit dat zij niet de koper kon vinden waarop zij had gehoopt. Zij ondervindt derhalve de indirecte economische gevolgen van de litigieuze handeling, terwijl haar rechtspositie ongewijzigd blijft.
44 Voorts zijn zelfs deze economische gevolgen volledig onzeker, omdat er geen in een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroeporganisatie is die bereid zou zijn om het aanzienlijke bedrag te betalen dat Infront vraagt voor het recht van uitzending in het Verenigd Koninkrijk van de aangewezen evenementen waarvoor zij de exclusieve televisie-uitzendrechten bezit. Het Gerecht had Infront moeten vragen aan te tonen dat een dergelijke feitelijke situatie plausibel en economische schade als gevolg van de litigieuze handeling waarschijnlijk was. Door uit te gaan van een onjuiste bewijslastverdeling heeft het tevens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
45 Ten slotte heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de lidstaten geen beoordelingsvrijheid hebben bij de uitvoering van de verplichtingen van artikel 3 bis, lid 3, van richtlijn 82/552. Het is juist dat de lijst van evenementen die van aanzienlijk belang voor de samenleving worden geacht, en de wijze van televisie-uitzending ervan worden bepaald door de aanmeldende lidstaat en daarmee door de beschikking van de Commissie krachtens artikel 3 bis, lid 2. In hoeverre een dergelijk evenement zal worden uitgezonden, hangt in de praktijk echter overeenkomstig de belangen van deze lidstaat sterk af van de door elke lidstaat krachtens artikel 3 bis, lid 3, vastgestelde wetgeving en besluitvormingsstructuur. Volgens deze bepaling moet de aan de lidstaten toevertrouwde taak worden volbracht „met passende middelen in het kader van hun wetgeving”. De resultaten in elke lidstaat kunnen echter zeer verschillend zijn naargelang van de in elk afzonderlijk geval gevolgde benadering. In deze omstandigheden, aldus de Commissie, vooronderstelt de uitvoering van de litigieuze handeling door de andere lidstaten dan het Verenigd Koninkrijk een aanzienlijke beoordelingsmarge.
46 Volgens Infront heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de litigieuze handeling haar rechtstreeks raakt.
Beoordeling door het Hof
47 Volgens vaste rechtspraak wordt een natuurlijke of rechtspersoon door een beschikking slechts rechtstreeks geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, als de bestreden communautaire maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de communautaire regeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (zie met name arrest Dreyfus/Commissie, reeds aangehaald, punt 43; arresten van 29 juni 2004, Front national/Parlement, C‑486/01 P, Jurispr. blz. I‑6289, punt 34, en 2 mei 2006, Regione Siciliana/Commissie, C‑417/04 P, Jurispr. blz. I‑3881, punt 28).
48 In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de litigieuze handeling rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van Infront.
49 Uit de artikelen 98 en 101 van de omroepwet blijkt dat een omroeporganisatie die een aangewezen evenement exclusief en rechtstreeks wil uitzenden, toestemming van de ITC moet krijgen voor uitzending op het gehele grondgebied van het Verenigd Koninkrijk of op een deel daarvan. Volgens de Regeling voor de onafhankelijke commissie voor televisie met betrekking tot sport‑ en andere in de lijst opgenomen evenementen, zoals gewijzigd, zijn de factoren waarvan deze toestemming afhankelijk is, in wezen dat de verkoop van de televisie-uitzendrechten in een advertentie publiekelijk is aangekondigd en dat de omroeporganisaties daadwerkelijk de mogelijkheid hebben gehad om deze rechten tegen redelijke en billijke voorwaarden te kopen.
50 Zoals in de punten 35 tot en met 39 van dit arrest is vastgesteld, dienen de andere lidstaten dan het Verenigd Koninkrijk op grond van de litigieuze handeling zich ervan te vergewissen dat de onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties zich niet onttrekken aan de door deze lidstaat krachtens artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 89/552 genomen maatregelen en derhalve dat deze omroeporganisaties de aangewezen evenementen niet uitzenden in weerwil van de in deze maatregelen vervatte vereisten. Hieruit volgt dat deze staten ervoor moeten zorgen dat deze organisaties deze evenementen niet exclusief en rechtstreeks uitzenden voor het publiek in het Verenigd Koninkrijk wanneer zij de televisie-uitzendrechten voor deze evenementen hebben verworven door middel van een koop waarbij op de in het voorgaande punt genoemde criteria geen acht is geslagen.
51 De door het Verenigd Koninkrijk genomen en bij de litigieuze handeling goedgekeurde maatregelen leggen aan voornoemde omroeporganisaties dus een aantal beperkingen op wanneer zij voornemens zijn aangewezen evenementen ten aanzien waarvan Infront exclusieve rechten heeft verworven, uit te zenden.
52 Voor zover deze beperkingen verband houden met de voorwaarden waaronder deze organisaties van Infront de televisie-uitzendrechten voor aangewezen evenementen verwerven, hebben de door het Verenigd Koninkrijk genomen maatregelen en de litigieuze handeling tot gevolg dat aan de rechten die deze vennootschap bezit, nieuwe beperkingen worden verbonden die niet bestonden op het moment dat zij deze uitzendrechten heeft verworven, en die de uitoefening van deze rechten moeilijker maken. De litigieuze handeling tast de rechtspositie van Infront dus rechtstreeks aan.
53 Volgens de Commissie is echter niet aangetoond dat dergelijke gevolgen voor de rechtspositie van Infront daadwerkelijk bestaan, omdat er geen omroeporganisaties in andere lidstaten dan het Verenigd Koninkrijk bestaan die, bij ontbreken van de litigieuze handeling, geïnteresseerd zouden zijn in de aankoop van de door Infront gehouden televisie-uitzendrechten en die door de vaststelling van deze handeling belet of ontmoedigd zouden worden deze rechten te verwerven. Bovendien heeft het Gerecht de bewijslast op dit punt omgekeerd.
54 Vastgesteld moet worden dat de communautaire wetgever artikel 3 bis, lid 3, van richtlijn 89/552 juist heeft opgenomen, omdat er situaties kunnen bestaan waarin omroeporganisaties die onder de bevoegdheid van een lidstaat vallen, exclusieve rechten kopen voor de televisie-uitzending van een evenement dat door een andere lidstaat van aanzienlijk belang voor de samenleving wordt geacht, en dit evenement voor het publiek van laatstgenoemde lidstaat uitzenden op een wijze waardoor een belangrijk deel van dit publiek het niet kan volgen.
55 Het Gerecht heeft zich hierover uitgesproken in de punten 148 en 149 van het bestreden arrest. Enerzijds maakte het gewag van een aantal gevallen van grensoverschrijdende uitzendingen van evenementen die van aanzienlijk belang voor de samenleving werden geacht, waarin de omroeporganisaties op die manier hebben gehandeld. Anderzijds heeft het overwogen dat de Commissie haar stellingen dat het specifieke karakter van de televisiemarkt in het Verenigd Koninkrijk in casu dergelijke situaties uitsluit, niet had onderbouwd. Gelet hierop heeft het Gerecht geconcludeerd dat de rechten voor televisie-uitzending in deze lidstaat van de eindronde van het FIFA-wereldkampioenschap niet per se zouden zijn verworven door in deze zelfde lidstaat gevestigde omroeporganisaties.
56 Daarmee heeft het Gerecht de bewijslast van partijen niet omgekeerd. Het heeft de feiten die waren aangedragen ten bewijze dat grensoverschrijdende uitzendingen van aangewezen evenementen daadwerkelijk plaatsvinden, zelfstandig beoordeeld. In dit verband staat het het Gerecht vrij om in aanmerking te nemen dat een partij geen gegevens tot staving van zijn eigen stellingen aandraagt (zie arrest van 18 juli 2006, Rossi/BHIM, C‑214/05 P, Jurispr. blz. I‑7057, punt 23).
57 Bovendien is het vaste rechtspraak dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en dat het Gerecht dus bij uitsluiting bevoegd is om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de bewijselementen te beoordelen. De beoordeling van deze feiten en bewijselementen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening (zie arrest van 19 september 2002, DKV/BHIM, C‑104/00 P, Jurispr. blz. I‑7561, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Een onjuiste opvatting van de feiten is voor het Hof niet ingeroepen. In deze omstandigheden staat het niet aan het Hof om na te gaan of het Gerecht op goede gronden heeft geconcludeerd dat niet is bewezen dat de betrokken televisie-uitzendrechten per se door in het Verenigd Koninkrijk gevestigde omroeporganisaties zouden zijn verworven.
59 In de tweede plaats moet worden onderzocht of de litigieuze handeling aan de nationale autoriteiten die met de uitvoering ervan zijn belast, een beoordelingsbevoegdheid laat, of dat deze uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de communautaire regeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld.
60 Stellig hebben de nationale autoriteiten enige beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van artikel 3 bis, lid 3, van richtlijn 89/552 en de litigieuze handeling. Om de hieruit voortvloeiende verplichtingen na te komen, kunnen zij passende controlemechanismen in het leven roepen.
61 Niettemin dienen zij ervoor te zorgen dat de betrokken omroeporganisaties zich niet onttrekken aan de door een andere lidstaat krachtens artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 89/552 genomen maatregelen en dat zij hun exclusieve rechten zodanig uitoefenen dat het relevante publiek de evenementen die van aanzienlijk belang voor de samenleving worden geacht, kan volgen volgens de door die andere lidstaat genomen maatregelen.
62 Aldus moeten de nationale autoriteiten, zoals het Gerecht terecht heeft opgemerkt in punt 146 van het bestreden arrest, zich ervan vergewissen dat de onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties de voorwaarden voor televisie-uitzending van de betrokken evenementen naleven zoals deze door een andere lidstaat in zijn door de Commissie goedgekeurde en in het Publicatieblad bekendgemaakte maatregelen zijn vastgelegd. Deze laatste maatregelen, en in casu dus de litigieuze handeling, bepalen het te bereiken resultaat. Wat dit resultaat betreft, beschikken de nationale autoriteiten dus niet over een beoordelingsmarge.
63 De aantasting van de rechtspositie van de omroeporganisaties en van Infront vloeit voort uit het vereiste dat dit resultaat moet worden bereikt.
64 Gelet op de voorgaande overwegingen dient het eerste middel ongegrond te worden verklaard.
Tweede middel: onjuiste opvatting van de voorwaarde inzake het individuele belang
Argumenten van partijen
65 Volgens de Commissie heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat Infront door de litigieuze handeling rechtstreeks werd geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG en de rechtspraak van het Hof.
66 De benadering van het Gerecht leidt ertoe dat alle houders van televisie-uitzendrechten waarop de door het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 3 bis, lid 1, van richtlijn 89/552 genomen maatregelen van invloed zijn, worden geacht individueel te zijn geraakt door deze maatregelen, zulks niettegenstaande hun grote aantal. Evenals alle andere houders van dergelijke rechten wordt Infront door de litigieuze handeling slechts geraakt in haar objectieve hoedanigheid van makelaar in de betrokken televisie-uitzendrechten voor sportevenementen die deze rechten heeft gekocht voor een van de aangewezen evenementen.
67 De houders van televisie-uitzendrechten zoals Infront ondervinden bovendien slechts de economische gevolgen van de bij de litigieuze handeling goedgekeurde nationale maatregelen. Een onderneming kan echter niet individueel worden geraakt door een wettelijk voorschrift enkel en alleen omdat het zijn economische activiteit aantast, temeer daar dergelijke gevolgen onder het normale bedrijfsrisico vallen.
68 De litigieuze handeling raakt Infront dus niet uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert, aldus de Commissie.
69 Volgens Infront heeft het Gerecht op juiste wijze de gegevens onderkend die haar van andere personen onderscheiden, te weten dat zij exclusieve televisie-uitzendrechten bezit voor een evenement dat voorkomt op de lijst van aangewezen evenementen, dat deze rechten zijn verworven voordat deze lijst werd opgesteld en door de Commissie werd goedgekeurd, en dat deze goedkeuring ernstige schade toebrengt aan de exploitatie van deze rechten door Infront, aangezien zij hiervoor geen exclusieve licentie kan verlenen.
Beoordeling door het Hof
70 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen degenen die niet adressaat van een beschikking zijn, slechts stellen individueel te worden geraakt, indien deze beschikking hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (zie met name arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205, 232, en 13 december 2005, Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum, C‑78/03 P, Jurispr. blz. I‑10737, punt 33).
71 Tevens volgt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer de beschikking een groep personen raakt die op het tijdstip waarop deze handeling werd vastgesteld waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd op basis van specifieke kenmerken van de leden van deze groep, deze personen door deze handeling individueel kunnen zijn geraakt voor zover zij deel uitmaken van een beperkte kring van marktdeelnemers (zie arresten van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punt 31, en 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C‑182/03 en C‑217/03, Jurispr. blz. I‑5479, punt 60).
72 Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 99 en 100 van zijn conclusie, kan dit met name het geval zijn wanneer de beschikking de rechten die de particulier vóór de vaststelling ervan heeft verworven, aantast (zie met name arrest van 1 juli 1965, Toepfer en Getreide-Import Gesellschaft/Commissie, 106/63 en 107/63, Jurispr. blz. 508, 516).
73 Infront bezat exclusieve televisie-uitzendrechten voor de eindronde van het FIFA-wereldkampioenschap 2002 en 2006, een van de evenementen die voorkomen op de lijst van aangewezen evenementen waarvan de Commissie in kennis is gesteld en die bij de litigieuze handeling is goedgekeurd.
74 Bovendien staat vast dat Infront deze exclusieve rechten heeft verworven voordat de litigieuze handeling werd vastgesteld en dat er op dat moment slechts zes ondernemingen waren die aanzienlijk hadden geïnvesteerd in de verwerving van de televisie-uitzendrechten voor de op die lijst voorkomende evenementen.
75 Hieruit volgt dat Infront volstrekt identificeerbaar was op het tijdstip waarop de litigieuze handeling is vastgesteld.
76 Ten slotte volgt uit de punten 51 en 52 van dit arrest dat de litigieuze handeling de leden van de uit de zes eerdergenoemde ondernemingen bestaande groep, waarvan Infront deel uitmaakt, heeft geraakt uit hoofde van een bijzondere hoedanigheid, te weten die van houder van de exclusieve televisie-uitzendrechten voor de aangewezen evenementen.
77 In deze omstandigheden heeft het Gerecht terecht geconcludeerd dat Infront individueel werd geraakt door de litigieuze handeling.
78 Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard en de hogere voorziening derhalve in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
79 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van Infront worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy