Zaak C‑314/06
Société Pipeline Méditerranée et Rhône (SPMR)
tegen
Administration des douanes et droits indirects
en
Direction nationale du renseignement et des enquêtes douanières (DNRED)
[verzoek van de Cour de cassation (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 92/12/EEG – Accijns – Minerale oliën – Verliezen – Vrijstelling van rechten – Overmacht”
Conclusie van advocaat-generaal J. Kokott van 18 juli 2007
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 18 december 2007
Samenvatting van het arrest
1. Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Accijns – Richtlijn 92/12 – Overmacht in zin van artikel 14, lid 1 – Begrip
(Richtlijn 92/12 van de Raad, art. 14, lid 1)
2. Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Accijns – Richtlijn 92/12 – „Verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten” in zin van artikel 14, lid 1 – Begrip
(Richtlijn 92/12 van de Raad, art. 14, lid 1)
1. Het begrip „overmacht” in de zin van artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74, ziet op abnormale en onvoorziene omstandigheden die zich buiten toedoen van de erkende entrepothouder hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. De voorwaarde dat de omstandigheden zich buiten toedoen van de erkende entrepothouder hebben voorgedaan, heeft niet alleen betrekking op omstandigheden die zich buiten hem hebben voorgedaan in materiële of fysieke zin, maar ziet ook op omstandigheden die objectief lijken te ontsnappen aan de controle van de erkende entrepothouder of buiten de verantwoordelijkheidssfeer van deze laatste zijn gesitueerd.
(cf. punten 31, 33, 40, dictum 1)
2. Het verlies van een deel van de uit een oliepijpleiding gelopen olieproducten dat is te wijten aan de vloeibare toestand van deze producten en aan de eigenschappen van de bodem waarin zij terecht zijn gekomen, waardoor dit deel niet kon worden teruggewonnen, kan niet worden beschouwd als „verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten” in de zin van artikel 14, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 92/12 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74. Volgens de bewoordingen van dat artikel is dit immers alleen van toepassing op aan de aard van de producten inherente verliezen die zich hebben voorgedaan in het kader van bepaalde limitatief genoemde handelingen, waaronder transport. Terwijl het begrip verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten, betrekking kan hebben op zogenoemde „technische” verliezen, kan het niet worden uitgebreid tot verliezen die aan een ongeval te wijten zijn. Aangezien de vrijstelling voor dergelijke natuurlijke verliezen niet dezelfde is als die welke in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12 is bepaald voor verliezen die te wijten zijn aan toevallige omstandigheden en aan gevallen van overmacht, kan de eerste vrijstelling bovendien niet zo ruim worden uitgelegd dat zij situaties dekt waarin niet is voldaan aan de voorwaarden om voor de laatste vrijstelling in aanmerking te komen.
(cf. punten 42‑44, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
18 december 2007 (*)
„Richtlijn 92/12/EEG – Accijns – Minerale oliën – Verliezen – Vrijstelling van rechten – Overmacht”
In zaak C‑314/06,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) bij beslissing van 11 juli 2006, ingekomen bij het Hof op 20 juli 2006, in de procedure
Société Pipeline Méditerranée et Rhône (SPMR)
tegen
Administration des douanes et droits indirects
Direction nationale du renseignement et des enquêtes douanières (DNRED),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans (rapporteur), kamerpresident, L. Bay Larsen, K. Schiemann, P. Kūris en C. Toader, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: M.‑A. Gaudissart, eenheidshoofd,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 juni 2007,
gelet op de opmerkingen van:
– Société Pipeline Méditerranée et Rhône (SPMR), vertegenwoordigd door H. Hazan, avocat,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en J.-Ch. Gracia als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door G. Albenzio, avvocato dello Stato,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door E. Ośniecka-Tamecka als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.‑P. Keppenne en W. Mölls als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 juli 2007,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 14, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB L 76, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994 (PB L 365, blz. 46; hierna: „richtlijn 92/12”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap Société Pipeline Méditerranée et Rhône (SPMR) (hierna: „SPMR”) enerzijds en de Administration des douanes et droits indirects (hierna: „administratie”) en de Direction nationale du renseignement et des enquêtes douanières (DNRED) anderzijds, over door de administratie van SPMR gevorderde accijns op koolwaterstoffen die uit een oliepijpleiding waren gelopen waarin die producten onder schorsing van accijns circuleerden, zulks ingevolge lekkage en vervolgens door het barsten van die oliepijpleiding.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsrecht
3 Volgens de eerste overweging van de considerans van richtlijn 92/12 „[impliceren] de totstandbrenging en de werking van de interne markt het vrije verkeer van goederen, ook van accijnsgoederen”. De vierde overweging van die richtlijn voegt toe dat „om de totstandbrenging en de werking van de interne markt te waarborgen, de verschuldigdheid van de accijnzen in alle lidstaten gelijk moet worden geregeld”.
4 Zoals artikel 1, lid 1, van richtlijn 92/12 preciseert, „behelst [deze richtlijn] de regeling van de producten onderworpen aan accijnzen en andere indirecte belastingen die direct of indirect worden geheven op het verbruik van die producten, met uitzondering van de belasting over de toegevoegde waarde en de door de Europese Gemeenschappen vastgestelde belastingen”.
5 Artikel 3, lid 1, van die richtlijn bepaalt:
„Deze richtlijn is op communautair niveau van toepassing op de volgende producten zoals die zijn omschreven in de desbetreffende richtlijnen:
– minerale oliën,
[...]”
6 Luidens artikel 4 van die richtlijn wordt daarin verstaan onder:
„a) erkend entrepothouder: de natuurlijke of rechtspersoon die door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat gemachtigd is om bij de bedrijfsuitoefening accijnsproducten onder schorsing van accijns in een belastingentrepot te produceren, te verwerken, voorhanden te hebben, te ontvangen en te verzenden;
b) belastingentrepot: iedere plaats waar de erkende entrepothouder bij de bedrijfsuitoefening, accijnsproducten onder schorsing van accijns produceert, verwerkt, voorhanden heeft, ontvangt of verzendt, zulks onder bepaalde voorwaarden die zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar dit belastingentrepot gelegen is;
c) schorsingsregeling: belastingregeling die geldt voor de productie, de verwerking, het voorhanden hebben en het verkeer van producten onder schorsing van accijns;
[...]”
7 Artikel 5 van richtlijn 92/12 bepaalt:
„1. De in artikel 3, lid 1, genoemde producten worden aan accijns onderworpen bij de productie ervan op het grondgebied van de Gemeenschap als omschreven in artikel 2 of bij de invoer ervan in dit grondgebied.
Als ‚invoer van een accijnsproduct’ wordt beschouwd, de binnenkomst van dat product in de Gemeenschap [...]
Wanneer dat product bij binnenkomst in de Gemeenschap onder een communautaire douaneregeling wordt geplaatst, wordt de invoer van dat product evenwel geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop het aan de communautaire douaneregeling wordt onttrokken.
2. Onverminderd de nationale en communautaire bepalingen inzake douaneregelingen worden accijnsproducten:
– van herkomst uit of met als bestemming derde landen [...], wanneer zij onder een van de douaneschorsingsregelingen worden geplaatst die zijn genoemd in artikel 84, lid 1, [sub] a, van verordening (EEG) nr. 2913/92 [...], dan wel in een vrije zone of in een vrij entrepot worden ondergebracht;
[...]
geacht zich onder schorsing van accijns te bevinden.
[...]”
8 Artikel 6, lid 1, van die richtlijn bepaalt:
„De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van de tekorten die krachtens artikel [14], lid 3, aan accijnzen moeten worden onderworpen.
Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt beschouwd:
a) iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling;
[...]”
9 In artikel 12 van bedoelde richtlijn is bepaald:
„Voor de opening en het beheer van belastingentrepots is een vergunning van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vereist.”
10 Artikel 13 van richtlijn 92/12 luidt:
„De erkend entrepothouder moet
a) zo nodig een zekerheid inzake productie, verwerking en voorhanden hebben stellen, alsmede een zekerheid inzake verkeer, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 15, lid 3,
[...]
b) voldoen aan de verplichtingen die zijn vastgesteld door de lidstaat op wiens grondgebied het belastingentrepot zich bevindt;
[...]
e) controle of inventarisatie toelaten.
[...]”
11 Artikel 14 van die richtlijn luidt:
„1. De erkend entrepothouder wordt vrijgesteld voor de onder de schorsingsregeling opgetreden en aan toevallige omstandigheden of aan gevallen van overmacht te wijten verliezen die door de autoriteiten van elke lidstaat zijn geconstateerd. Tevens wordt hij onder de schorsingsregeling vrijgesteld voor de verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten tijdens het productie‑ en verwerkingsproces, de opslag en het vervoer. Elke lidstaat stelt de voorwaarden vast waaronder deze vrijstellingen worden toegekend. De vrijstellingen gelden ook voor de in artikel 1[6] bedoelde bedrijven tijdens het vervoer van de producten onder de schorsingsregeling.
[...]
3. Onverminderd artikel 20 wordt, in geval van andere tekorten dan de in lid 1 bedoelde verliezen en in geval van verliezen waarvoor de in lid 1 bedoelde vrijstellingen niet worden toegekend, de accijns geheven volgens de tarieven die in de betrokken lidstaat van kracht zijn op het ogenblik waarop de verliezen, die naar behoren moeten zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteiten, zich hebben voorgedaan of, in voorkomend geval, op het ogenblik van de vaststelling van de tekorten.
[...]”
12 Artikel 15, lid 3, van bedoelde richtlijn bepaalt:
„De aan het intracommunautaire verkeer verbonden risico’s worden gedekt door de zekerheid die overeenkomstig artikel 13 is gesteld door de erkende entrepothouder van verzending [...]
Worden minerale oliën binnen de Gemeenschap vervoerd over zee of door pijpleidingen, dan kunnen de lidstaten de erkende entrepothouders van verzending ontheffen van de verplichting overeenkomstig de eerste alinea een zekerheid te stellen.
[...]”
Nationaal recht
13 Artikel 158 C van de Code des douanes (Frans douanewetboek), waarbij artikel 14, lid 1, van richtlijn 92/12 in Frans recht wordt omgezet, luidt:
„De verliezen van in een belastingentrepot voor olieproducten opgeslagen producten zijn niet aan de belasting onderworpen, wanneer bij de administratie wordt aangetoond:
1. dat zij het gevolg zijn van toeval of overmacht;
2. of dat zij inherent zijn aan de aard van de producten. Bij besluit van de minister van Begroting kan voor elk product en voor elke wijze van vervoer worden voorzien in een vaste beperking van de verliezen waarvoor een vrijstelling mag gelden.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14 SPMR, erkend entrepothouder, exploiteert een oliepijpleiding waarin koolwaterstoffen onder schorsing van accijns circuleren met als bestemming Zwitserland. Na lekkage en vervolgens op 1 januari 1997 het barsten van die oliepijpleiding te hebben vastgesteld, heeft SPMR op basis van artikel 158 C van de Code des douanes verzocht om vrijstelling van de door de administratie gevorderde accijns op de 795 201 l olieproducten die verloren zouden zijn gegaan. Van mening dat niet was voldaan aan de voorwaarden om zich op overmacht te kunnen beroepen, heeft de administratie de vordering van de accijns op de verloren gegane hoeveelheden gehandhaafd, en alleen de met de uit de bodem teruggewonnen vervuilende stoffen overeenstemmende hoeveelheden afgetrokken.
15 De administratie heeft SPMR voor het Tribunal d’instance de Neuilly-sur-Seine gedagvaard tot betaling. Dat Tribunal heeft die vordering evenwel verjaard verklaard.
16 In hoger beroep heeft de Cour d’appel de Versailles bij arresten van 17 december 2002 en 23 maart 2004 het in eerste aanleg gewezen vonnis vernietigd. De Cour heeft geoordeeld dat de vordering van de administratie ontvankelijk was en dat SPMR zich niet kon beroepen op overmacht, een begrip dat wordt gekenmerkt door het bestaan van onvoorzienbare, niet te vermijden omstandigheden die onafhankelijk zijn van de wil van de erkende entrepothouder.
17 SPMR heeft tegen die arresten cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation. Zij verweet de rechter in hoger beroep met name, te hebben beslist dat zij zich niet kon beroepen op „toeval” of „overmacht” in de zin van artikel 158 C van de Code des douanes en bijgevolg te hebben verklaard dat zij gehouden was, de rechten en heffingen over de verloren gegane olieproducten te betalen. In dit verband heeft zij twee middelen aangevoerd ter onderbouwing van haar cassatieberoep.
18 In de eerste plaats heeft SPMR betoogd dat de Cour d’appel, door te eisen dat het verlies van olieproducten het gevolg is van onvoorzienbare omstandigheden die onafhankelijk zijn van SPMR’s wil, en door te weigeren om na te gaan of het voor SPMR onmogelijk kon zijn geweest om de lekkage en het barsten van de oliepijpleiding die deze verliezen hebben veroorzaakt, te vermijden, artikel 158 C van de Code des douanes heeft geschonden. SPMR heeft daarentegen aangevoerd dat de enkele onvermijdelijkheid kenmerkend is voor „toeval” of „overmacht” in de zin van die bepaling.
19 In de tweede plaats heeft SPMR betoogd dat zij ook voor de in artikel 158 C bepaalde vrijstelling in aanmerking kon komen omdat de verliezen van door de beschadigde oliepijpleiding getransporteerde olieproducten inherent waren aan de vloeibare toestand van de olieproducten. Dat de administratie heeft aanvaard om de uit de bodem teruggewonnen vervuilende stoffen niet te belasten, impliceert, gezien die vloeibare toestand, dat de vervuilende stoffen die niet konden worden teruggewonnen wegens de eigenschappen van de bodem, evenmin worden belast.
20 Na te hebben opgemerkt dat de Code des douanes richtlijn 92/12 in Frans recht omzet, en na te hebben verwezen naar de rechtspraak van het Hof volgens welke het begrip overmacht op de verschillende toepassingsgebieden van het gemeenschapsrecht niet eenzelfde inhoud heeft en de betekenis ervan moet worden bepaald naargelang van het wettelijke kader waarin het bestemd is effect te sorteren, heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moet onder het begrip overmacht, in geval van onder de schorsingsregeling opgetreden verliezen, in de zin van artikel 14, lid 1, van richtlijn 92/12 [...], worden verstaan onvoorzienbare, niet te vermijden omstandigheden die onafhankelijk zijn van de wil van de erkende entrepothouder die zich op deze omstandigheden beroept ten behoeve van zijn vrijstellingsverzoek, of volstaat het dat deze omstandigheden voor de erkende entrepothouder onvermijdbaar waren?
2) Kan het verlies van een deel van de uit een oliepijpleiding gelopen producten – dat is te wijten aan de vloeibare toestand van deze producten en aan de eigenschappen van de bodem waarop zij terecht zijn gekomen – waardoor dit deel niet kon worden teruggewonnen en met accijns werd belast, als inherent aan de aard van de producten in de zin van artikel 14, lid 1, van richtlijn 92/12 worden beschouwd?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag, betreffende het begrip „overmacht” in de zin van artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12
21 De begrippen van de communautaire rechtsorde moeten in beginsel niet aan de hand van een of meer nationale rechtsstelsels worden gedefinieerd, tenzij zulks uitdrukkelijk is bepaald (zie arresten van 14 januari 1982, Corman, 64/81, Jurispr. blz. 13, punt 8; 2 april 1998, EMU Tabac e.a., C‑296/95, Jurispr. blz. I‑1605, punt 30, en 22 mei 2003, Commissie/Duitsland, C‑103/01, Jurispr. blz. I‑5369, punt 33). Artikel 14, lid 1, derde volzin, van richtlijn 92/12 bepaalt dat elke lidstaat de voorwaarden vaststelt waaronder de in de eerste volzin van dat artikel bepaalde vrijstellingen worden verleend, maar die verwijzing naar het nationale recht heeft geen betrekking op de inhoud of de draagwijdte van het begrip „overmacht” in de zin van die eerste volzin.
22 Volgens de vierde overweging van de considerans van richtlijn 92/12 moet de verschuldigdheid van de accijns immers in alle lidstaten gelijk worden geregeld om de totstandbrenging en de werking van de interne markt te waarborgen. Aangezien de inhoud van het begrip overmacht een factor is die in voorkomend geval een rol kan spelen bij de bepaling van de verschuldigdheid van de accijns, heeft dit begrip noodzakelijkerwijs een zelfstandig karakter en de eenvormige uitlegging ervan moet in alle lidstaten worden gewaarborgd.
23 Volgens vaste rechtspraak, ontwikkeld in diverse contexten, bijvoorbeeld inzake de landbouwregelgeving of inzake de in artikel 45 van het Statuut van het Hof van Justitie neergelegde regeling betreffende de beroepstermijnen, is onder „overmacht” op het gebied van de landbouwverordeningen niet alleen te verstaan de volstrekte onmogelijkheid, maar ook abnormale en onvoorziene omstandigheden die zich buiten toedoen van de ondernemer hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden (zie in die zin arresten van 15 december 1994, Bayer/Commissie, C‑195/91 P, Jurispr. blz. I‑5619, punt 31, en 17 oktober 2002, Parras Medina, C‑208/01, Jurispr. blz. I‑8955, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Hieruit volgt dat, zoals het Hof reeds heeft gepreciseerd, het begrip overmacht een objectief element omvat dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden buiten toedoen van de ondernemer, en een subjectief element dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen (zie in die zin arrest Bayer/Commissie, reeds aangehaald, punt 32, en beschikking van 18 januari 2005, Zuazaga Meabe/BHIM, C‑325/03 P, Jurispr. blz. I‑403, punt 25).
25 Het is echter ook vaste rechtspraak dat de betekenis van het begrip overmacht moet worden bepaald naargelang van het wettelijke kader waarin het effect moet sorteren, aangezien het niet op alle toepassingsgebieden van het gemeenschapsrecht dezelfde inhoud heeft (zie arresten van 13 oktober 1993, An Bord Bainne Co-operative en Compagnie Inter-Agra, C‑124/92, Jurispr. blz. I‑5061, punt 10, en 29 september 1998, First City Trading e.a., C‑263/97, Jurispr. blz. I‑5537, punt 41).
26 Bijgevolg moet worden onderzocht of, wat het begrip „overmacht” in de zin van artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12 betreft, de opzet en het doel van deze richtlijn vereisen dat de voorwaarden voor overmacht zoals deze uit de in punt 23 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof voortvloeien, in het bijzonder worden uitgelegd en toegepast.
27 In dit verband volgt uit de eerste en de vierde overweging van de considerans van richtlijn 92/12 dat deze de totstandbrenging en de werking van de interne markt voor accijnsgoederen beoogt te waarborgen en daartoe een algemene regeling invoert waarbij de verschuldigdheid van de accijns in alle lidstaten gelijk moet worden geregeld.
28 Krachtens artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/12 worden de in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn genoemde producten, waaronder minerale oliën, aan accijns onderworpen bij de productie ervan op het grondgebied van de Gemeenschap of bij de invoer ervan in dit grondgebied. Terwijl het belastbare feit van de accijns de productie op of de invoer in dat grondgebied van de betrokken producten is, wordt die belasting volgens artikel 6, lid 1, van die richtlijn pas verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van de tekorten die krachtens artikel 14, lid 3, van diezelfde richtlijn aan accijns moeten worden onderworpen. Wordt ook beschouwd als uitslag tot verbruik volgens artikel 6, lid 1, iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling.
29 Artikel 14, lid 3, van richtlijn 92/12 bepaalt dat onverminderd artikel 20 van die richtlijn, in geval van andere tekorten dan de in artikel 14, lid 1, bedoelde verliezen en in geval van verliezen waarvoor de in lid 1 bedoelde vrijstellingen niet worden toegekend, de accijns wordt geheven volgens de tarieven die in de betrokken lidstaat van kracht zijn op het ogenblik waarop de verliezen, die naar behoren moeten zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteiten, zich hebben voorgedaan of, in voorkomend geval, op het ogenblik van de vaststelling van de tekorten.
30 Uit de gecombineerde lezing van alle in de twee voorgaande punten van het onderhavige arrest vermelde bepalingen volgt dat minerale oliën louter wegens hun productie op of hun invoer in het grondgebied van de Gemeenschap aan accijns worden onderworpen en dat accijns in beginsel ook verschuldigd is bij tekorten en verliezen waarvoor de bevoegde autoriteiten geen vrijstelling hebben verleend. De in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12 bepaalde vrijstelling voor verliezen die te wijten zijn aan overmacht, is een afwijking op deze algemene regel, die dus, zoals de advocaat-generaal in punt 43 van haar conclusie heeft opgemerkt, strikt moet worden uitgelegd.
31 De – in punt 23 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte – uitlegging die het Hof in andere sectoren van het gemeenschapsrecht aan het begrip overmacht heeft gegeven, moet dus ook toepassing vinden in het kader van artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12. Een erkende entrepothouder kan dus slechts in aanmerking komen voor de in dat artikel bepaalde vrijstelling indien hij aantoont dat sprake is van abnormale en onvoorziene omstandigheden die zich buiten toedoen van de ondernemer hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden.
32 In dit verband moet evenwel in aanmerking worden genomen dat, zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft betoogd, de toepassing van die voorwaarden in de context van artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12 er niet toe mag leiden dat op de erkende entrepothouder een absolute aansprakelijkheid rust voor de verliezen van producten waarvoor een schorsingsregeling geldt.
33 In het bijzonder heeft de voorwaarde dat de omstandigheden waarin die verliezen hebben plaatsgevonden, zich buiten toedoen van de erkende entrepothouder hebben voorgedaan, niet enkel betrekking op omstandigheden die zich buiten hem hebben voorgedaan in materiële of fysieke zin. Die voorwaarde moet veeleer aldus worden uitgelegd dat zij betrekking heeft op omstandigheden die objectief lijken te ontsnappen aan de controle van de erkende entrepothouder of buiten de verantwoordelijkheidssfeer van deze laatste zijn gesitueerd (zie met betrekking tot laatstgenoemd aspect, naar analogie, arrest van 5 februari 1987, Denkavit, 145/85, Jurispr. blz. 565, punt 16).
34 Met betrekking tot de omstandigheden van de hoofdzaak blijkt uit het aan het Hof voorgelegde dossier dat SPMR bij de nationale rechterlijke instanties heeft aangevoerd dat de lekkage die de betrokken oliepijpleiding heeft aangetast, en vervolgens het barsten van deze leiding, die de oorzaak waren van de verliezen waarvoor deze vennootschap aanspraak maakt op een vrijstelling, zijn toe te schrijven aan spanningscorrosie die niet bekend was ten tijde van de feiten en dus niet kon worden opgespoord met de destijds beschikbare technische middelen.
35 Ook al is voor technische defecten van een installatie in beginsel degene die deze installatie exploiteert aansprakelijk, kan niet worden uitgesloten dat het intreden van corrosie zoals in het voorgaande punt van het onderhavige arrest is beschreven, kan worden geacht een „geval van overmacht” te zijn in de zin van artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12, voor zover het intreden ervan op geen enkele wijze kon worden voorzien, rekening houdend met de stand van de in die tijd beschikbare technologische kennis, zodat de erkende entrepothouder daarop geen controle kon uitoefenen. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of die voorwaarden in het hoofdgeding zijn vervuld.
36 Met betrekking tot de voorwaarde dat de erkende entrepothouder blijk moet hebben gegeven van de vereiste zorgvuldigheid, hebben SPMR en de Commissie betoogd dat die voorwaarde is vervuld wanneer vaststaat dat de betrokken ondernemer zich naar de toepasselijke technische regelgeving heeft gevoegd.
37 Hoewel de naleving van de technische voorschriften inzake de kwaliteit, de bouw, het onderhoud en de exploitatie van een oliepijpleiding kan worden geacht een noodzakelijke voorwaarde te zijn voor de vaststelling van het bestaan van een zorgvuldige handelwijze, is die naleving op zich niet beslissend. Voldoende zorgvuldigheid veronderstelt immers ook nog een onafgebroken actieve handelwijze, die is gericht op de identificatie en de evaluatie van de potentiële risico’s, alsmede het vermogen om passende en doeltreffende maatregelen te nemen om het intreden van die risico’s te voorkomen.
38 Bovendien zijn noch de omstandigheid dat krachtens artikel 12 van richtlijn 92/12 voor de opening en het beheer van belastingentrepots, zoals een oliepijpleiding in omstandigheden zoals die in de hoofdzaak, een vergunning van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten is vereist, noch de omstandigheid dat een erkende entrepothouder de in artikel 13 van deze richtlijn opgesomde verplichtingen moet nakomen, met name de verplichting om controle toe te laten, noch de omstandigheid dat uit artikel 15, lid 3, tweede alinea, van die richtlijn, betreffende de mogelijkheid om voor het transport van minerale oliën door leidingen, vrijstelling te verlenen van de verplichting om een zekerheid te stellen om de aan het intracommunautaire verkeer verbonden risico’s te dekken, kan worden afgeleid dat de gemeenschapswetgever het transport via oliepijpleidingen veilig vindt, relevante factoren om te bepalen of is voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van een geval van overmacht. Zoals de advocaat-generaal in de punten 46 en 47 van haar conclusie heeft benadrukt, hebben de erkenning van de erkende entrepothouder alsmede de controles waaraan deze is onderworpen, zoals voorzien in artikel 13, immers enkel tot doel, te waarborgen dat deze entrepothouder de voor de schorsingsregeling vereiste mate van betrouwbaarheid heeft, en maakt de toekenning van een vergunning voor de opening en het beheer van een belastingentrepot door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, deze niet medeverantwoordelijk voor de accijns op de producten die verloren zijn gegaan door een technisch gebrek van het erkende vervoermiddel.
39 Tot slot kan niet worden betoogd dat voor de verloren gegane producten geen accijns verschuldigd is op grond dat deze nooit zijn uitgeslagen tot verbruik zoals in artikel 6, lid 1, van richtlijn 92/12 vereist voor het verschuldigd zijn van de belasting. Zoals in punt 30 van het onderhavige arrest is uiteengezet, zijn minerale oliën immers louter wegens hun productie op of hun invoer in het grondgebied van de Gemeenschap aan accijns onderworpen en is accijns in beginsel ook verschuldigd bij tekorten en verliezen waarvoor de bevoegde autoriteiten geen vrijstelling hebben verleend. Bijgevolg is de uitslag tot verbruik niet bepalend voor het ontstaan van de belastingschuld.
40 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat het begrip „overmacht” in de zin van artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12 betrekking heeft op abnormale en onvoorziene omstandigheden die zich buiten toedoen van de erkende entrepothouder hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. De voorwaarde dat de omstandigheden zich buiten toedoen van de erkende entrepothouder hebben voorgedaan, heeft niet alleen betrekking op omstandigheden die zich buiten hem hebben voorgedaan in materiële of fysieke zin, maar ook op omstandigheden die objectief lijken te ontsnappen aan de controle van de erkende entrepothouder of buiten de verantwoordelijkheidssfeer van deze laatste zijn gesitueerd.
Tweede vraag, betreffende het begrip „verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten” in de zin van artikel 14, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 92/12
41 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het verlies van een deel van de uit een oliepijpleiding gelopen olieproducten dat is te wijten aan de vloeibare toestand van die producten en aan de eigenschappen van de bodem waarin zij terecht zijn gekomen, waardoor dit deel niet kon worden teruggewonnen, kan worden beschouwd als „verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten” in de zin van artikel 14, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 92/12.
42 Volgens de bewoordingen van dat artikel is het enkel van toepassing op aan de aard van de producten inherente verliezen die zich hebben voorgedaan in het kader van bepaalde limitatief genoemde handelingen, waaronder transport. Terwijl het begrip verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten ook betrekking kan hebben op, zoals de Italiaanse regering heeft opgemerkt, „technische” verliezen, kan het niet worden uitgebreid tot verliezen die aan een ongeval te wijten zijn.
43 Aangezien de vrijstelling voor dergelijke natuurlijke verliezen niet dezelfde is als die welke in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12 is bepaald voor verliezen die te wijten zijn aan toevallige omstandigheden en aan gevallen van overmacht, kan de eerste vrijstelling bovendien niet zo ruim worden uitgelegd dat zij situaties dekt waarin niet is voldaan aan de voorwaarden om voor de tweede vrijstelling in aanmerking te komen.
44 Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het verlies van een deel van de uit een oliepijpleiding gelopen olieproducten dat is te wijten aan de vloeibare toestand van deze producten en aan de eigenschappen van de bodem waarin zij terecht zijn gekomen, waardoor dit deel niet kon worden teruggewonnen, niet kan worden beschouwd als „verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten” in de zin van artikel 14, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 92/12.
Kosten
45 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Het begrip „overmacht” in de zin van artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994, heeft betrekking op abnormale en onvoorziene omstandigheden die zich buiten toedoen van de erkende entrepothouder hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. De voorwaarde dat de omstandigheden zich buiten toedoen van de erkende entrepothouder hebben voorgedaan, heeft niet alleen betrekking op omstandigheden die zich buiten hem hebben voorgedaan in materiële of fysieke zin, maar ook op omstandigheden die objectief lijken te ontsnappen aan de controle van de erkende entrepothouder of buiten de verantwoordelijkheidssfeer van deze laatste zijn gesitueerd.
2) Het verlies van een deel van de uit een oliepijpleiding gelopen olieproducten dat is te wijten aan de vloeibare toestand van deze producten en aan de eigenschappen van de bodem waarin zij terecht zijn gekomen, waardoor dit deel niet kon worden teruggewonnen, kan niet worden beschouwd als „verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten” in de zin van artikel 14, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 92/12, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy