Gevoegde zaken C‑334/06 tot en met C‑336/06
Matthias Zerche e.a.
tegen
Landkreis Mittweida en Landkreis Mittlerer Erzgebirgskreis
(verzoeken van het Verwaltungsgericht Chemnitz om een prejudiciële beslissing)
„Richtlijn 91/439/EEG – Onderlinge erkenning van rijbewijzen – Intrekking van rijbewijs in lidstaat wegens rijden onder invloed van drugs of alcohol – Nieuw rijbewijs afgegeven in andere lidstaat – Weigering van erkenning van rijbevoegdheid in eerste lidstaat – Verblijfsvoorwaarde van richtlijn 91/439/EEG niet vervuld”
Samenvatting van het arrest
Vervoer – Wegvervoer – Rijbewijs – Richtlijn 91/439
(Richtlijn 91/439 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003, art. 1, lid 2, 7, lid 1, en 8, leden 2 en 4)
De artikelen 1, lid 2, 7, lid 1, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 betreffende het rijbewijs, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat weigert om op zijn grondgebied de rijbevoegdheid te erkennen die voortvloeit uit een rijbewijs dat later, maar niet binnen een aan de betrokkene opgelegde verbodstermijn om een nieuw rijbewijs te verkrijgen, is afgegeven door een andere lidstaat, en derhalve de geldigheid van dat rijbewijs, zolang de houder ervan niet voldoet aan de in deze eerste lidstaat gestelde eisen voor de afgifte van een nieuw rijbewijs na de intrekking van een eerder rijbewijs, waaronder een onderzoek van zijn rijgeschiktheid waaruit blijkt dat de redenen voor de intrekking niet langer bestaan.
In dezelfde omstandigheden verzetten deze bepalingen zich er niet tegen dat een lidstaat weigert op zijn grondgebied de rijbevoegdheid te erkennen die voortvloeit uit een later door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, wanneer op basis van de vermeldingen op het rijbewijs of van andere onbetwistbare inlichtingen afkomstig van de lidstaat van afgifte, vaststaat dat ten tijde van de afgifte van dit rijbewijs de houder ervan, wiens vorig rijbewijs op het grondgebied van de eerste lidstaat was ingetrokken, niet zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van de lidstaat van afgifte had.
(cf. punt 70 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
26 juni 2008 (*)
„Richtlijn 91/439/EEG – Onderlinge erkenning van rijbewijzen – Intrekking van rijbewijs in lidstaat wegens rijden onder invloed van drugs of alcohol – In andere lidstaat afgegeven nieuw rijbewijs – Weigering van erkenning van rijbevoegdheid in eerste lidstaat – Verblijfplaats niet in overeenstemming met richtlijn 91/439/EEG”
In de gevoegde zaken C‑334/06 tot en met C‑336/06,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgericht Chemnitz (Duitsland) bij beslissingen van 20, 17 en 31 juli 2006, ingekomen bij het Hof op 3 augustus 2006, in de procedures
Matthias Zerche (C‑334/06)
Manfred Seuke (C 336/06)
tegen
Landkreis Mittweida,
en
Steffen Schubert (C‑335/06)
tegen
Landkreis Mittlerer Erzgebirgskreis,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas (rapporteur), kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues, J. Klučka, A. Ó Caoimh en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: B. Fülöp, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 september 2007,
gelet op de opmerkingen van:
– S. Schubert, vertegenwoordigd door G. Zimmermann, Rechtsanwalt,
– M. Seuke, vertegenwoordigd door Th. Rehm, Rechtsanwalt,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en C. Schulze-Bahr als gemachtigden,
– de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes en M. Ribes als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Braun en N. Yerrell als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 februari 2008,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PB L 237, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 (PB L 284, blz. 1; hierna: „richtlijn 91/439”).
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van drie gedingen, tussen M. Zerche (zaak C‑334/06) en M. Seuke (zaak C‑336/06) en de Landkreis Mittweida enerzijds en S. Schubert (zaak C‑335/06) en de Landkreis Mittlerer Erzgebirgskreis anderzijds, over de weigering van de Bondsrepubliek Duitsland om de rijbewijzen te erkennen die Zerche, Seuke en Schubert na de administratieve intrekking van hun Duits rijbewijs wegens dronkenschap hebben verkregen in de Tsjechische Republiek.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 De eerste overweging van de considerans van richtlijn 91/439, waarbij de Eerste richtlijn (80/1263/EEG) van de Raad van 4 december 1980 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs (PB L 375, blz. 1) vanaf 1 juli 1996 is ingetrokken, luidt:
„Overwegende dat het, ter uitvoering van het gemeenschappelijk vervoerbeleid en om bij te dragen tot de verhoging van de veiligheid van het wegverkeer en om het verkeer te vergemakkelijken van personen die zich vestigen in een andere lidstaat dan die waar zij een rijexamen hebben afgelegd, wenselijk is dat er een nationaal rijbewijs van Europees model bestaat dat door de lidstaten onderling wordt erkend en waarvoor er geen verplichting tot inwisseling bestaat.”
4 De vierde overweging van de considerans van deze richtlijn luidt:
„Overwegende dat om aan de eisen inzake de veiligheid van het wegverkeer te voldoen minimumvoorwaarden moeten worden vastgesteld voor de afgifte van het rijbewijs.”
5 De laatste overweging van de considerans van richtlijn 91/439 luidt:
„Overwegende dat de lidstaten [...] om redenen die verband houden met de veiligheid van het wegverkeer of met het wegverkeer als zodanig, hun nationale bepalingen die betrekking hebben op de intrekking, schorsing en nietigverklaring van het rijbewijs, kunnen toepassen op iedere houder van een rijbewijs die zijn gewone verblijfplaats op hun grondgebied heeft verworven.”
6 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:
„1. De lidstaten stellen het nationale rijbewijs op volgens het in bijlage I of I bis bedoelde Europese model en overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn. [...]
2. De door de lidstaten afgegeven rijbewijzen worden onderling erkend.
3. Wanneer de houder van een geldig rijbewijs zijn gewone verblijfplaats verwerft in een andere lidstaat dan die welke het rijbewijs heeft afgegeven, kan het gastland zijn nationale bepalingen inzake de geldigheidsduur van het rijbewijs, medisch onderzoek en belastingen toepassen op de houder van het rijbewijs en de in verband met de administratie noodzakelijke vermeldingen op het rijbewijs aanbrengen.”
7 Volgens artikel 7, lid 1, van richtlijn 91/439 is de afgifte van het rijbewijs aan de volgende voorwaarden onderworpen:
„a) de aanvrager moet overeenkomstig het bepaalde in bijlage II met goed gevolg een examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag en een theoretisch examen ondergaan, alsmede voldoen aan de medische normen van bijlage III;
b) de aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven.”
8 Volgens punt 14 van bijlage III bij deze richtlijn („Minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig”) vormt alcoholgebruik een groot gevaar voor de verkeersveiligheid. Gezien de ernst van het probleem, dient de medicus grote waakzaamheid aan de dag te leggen. Punt 14.1, eerste alinea, van deze bijlage luidt: „Rijbewijzen mogen niet worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder aan alcohol verslaafd is of niet kan afzien van alcoholgebruik wanneer hij aan het verkeer deelneemt.” De tweede alinea van punt 14.1 luidt: „Rijbewijzen mogen worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder aan alcohol verslaafd is geweest, na een periode van bewezen onthouding en onder voorbehoud van een officieel medisch advies en geregelde medische controle.”
9 Uit punt 5 van deze bijlage volgt dat de lidstaten voor de afgifte of verlenging van een rijbewijs strengere normen voor de medische keuring kunnen vaststellen dan de in deze bijlage vervatte normen.
10 Artikel 7, lid 5, van richtlijn 91/439 luidt:
„Eenieder kan slechts houder zijn van één enkel door een lidstaat afgegeven rijbewijs.”
11 Artikel 8 van deze richtlijn bepaalt:
„[...]
2. Onder voorbehoud van de naleving van het territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen, kan de lidstaat van gewone verblijfplaats op de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen toepassen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid en daartoe zo nodig overgaan tot inwisseling van dat rijbewijs.
[...]
4. Een lidstaat kan, wanneer op zijn grondgebied tegen een persoon een van de in lid 2 bedoelde maatregelen is getroffen, weigeren de geldigheid van een door een andere lidstaat aan deze persoon verstrekt rijbewijs te erkennen.
[...]”
12 Volgens artikel 9, eerste alinea, wordt onder „gewone verblijfplaats” verstaan „de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont”.
13 Artikel 12, lid 3, van richtlijn 91/439 bepaalt:
„De lidstaten verlenen elkaar assistentie bij de toepassing van deze richtlijn en wisselen zo nodig informatie uit over de rijbewijzen die bij hen zijn ingeschreven.”
Nationale regeling
Regeling inzake de erkenning van door andere lidstaten afgegeven rijbewijzen
14 § 28, leden 1, 4 en 5, van de verordening inzake de toelating van personen tot het wegverkeer (verordening inzake rijbewijzen) [Verordnung über die Zulassung von Personen zum Straßenverkehr (Fahrerlaubnis-Verordnung)] van 18 augustus 1998 (BGBl. 1998 I, blz. 2214; hierna: „FeV”) bepaalt:
„(1) De houders van een geldig rijbewijs van de [Europese Unie] of van de [Europese Economische Ruimte (hierna: „EER”)] die hun gewone verblijfplaats in de zin van § 7, leden 1 of 2, in Duitsland hebben, mogen – binnen de in de leden 2 tot en met 4 gestelde beperkingen – in Duitsland motorrijtuigen besturen voor zover zij over de rechten daartoe beschikken. De aan de buitenlandse rijbewijzen verbonden voorwaarden worden ook in Duitsland nageleefd. De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing op die rijbewijzen, tenzij anders is bepaald.
[...]
(4) De in lid 1 bedoelde toelating geldt niet voor de houders van een rijbewijs van de [Unie] of de EER,
[...]
3. wier rijbewijs in Duitsland tijdelijk of definitief door een rechterlijke instantie of bij een onmiddellijk uitvoerbare of definitieve maatregel van een administratieve instantie is ingetrokken, aan wie het rijbewijs is geweigerd bij een definitieve beschikking of wier rijbewijs niet is ingetrokken op de enkele grond dat zij er intussen afstand van hebben gedaan,
[...]
(5) Het recht om na een van de in lid 4, punten 3 en 4, bedoelde maatregelen in Duitsland gebruik te maken van een rijbewijs van de [Unie] of de EER wordt toegekend op verzoek, wanneer de redenen voor de intrekking of het verbod om de rijbevoegdheid te herkrijgen niet langer bestaan. [...]”
Regeling inzake de intrekking van het rijbewijs
15 Volgens § 69 van het strafwetboek (Strafgesetzbuch) trekt de strafrechter het rijbewijs in wanneer uit de feiten van de zaak blijkt dat de betrokkene ongeschikt is om motorrijtuigen te besturen. Krachtens § 69a van dit wetboek mag gedurende een periode van zes maanden tot vijf jaar geen nieuw rijbewijs worden afgegeven (verbodstermijn); in bepaalde omstandigheden kan zelfs een levenslang verbod worden opgelegd.
16 Krachtens § 46 FeV, die uitvoering geeft aan § 3 van de wet op het wegverkeer (Straßenverkehrsgesetz), moet de instantie die het rijbewijs afgeeft het rijbewijs intrekken, wanneer de houder ervan ongeschikt blijkt om motorrijtuigen te besturen. Overeenkomstig § 46, lid 5, vervalt de rijbevoegdheid met de intrekking van het rijbewijs. Met de intrekking van een buitenlands rijbewijs vervalt de rijbevoegdheid op het nationale grondgebied.
Regeling inzake rijgeschiktheid
17 § 11 FeV („Geschiktheid”) bepaalt:
„(1) Aanvragers van een rijbewijs moeten voldoen aan de daartoe noodzakelijke lichamelijke en geestelijke vereisten. Daaraan is in het bijzonder niet voldaan in geval van ziekten of tekortkomingen in de zin van bijlage 4 of bijlage 5, waardoor de geschiktheid of de beperkte geschiktheid [om motorrijtuigen te besturen] is uitgesloten. [...]
(2) Wanneer blijkt van feiten op grond waarvan de lichamelijke en geestelijke rijgeschiktheid van de aanvrager van een rijbewijs kan worden betwijfeld, kan de instantie die het rijbewijs afgeeft, ter voorbereiding van besluiten tot afgifte of verlenging van het rijbewijs of tot oplegging van beperkingen of voorwaarden de betrokkene gelasten een medisch rapport over te leggen. [...]
(3) De overlegging van een rapport van een officieel erkende instantie ter controle van de rijgeschiktheid (medisch-psychologisch rapport) kan worden gelast teneinde de twijfel aan de rijgeschiktheid in de zin van lid 2 weg te nemen, [met name]
[...]
4. bij ernstige of herhaalde verkeersovertredingen of bij een strafbaar feit dat in verband staat met het verkeer of met de rijgeschiktheid [...]
of
5. bij de nieuwe afgifte van het rijbewijs,
[...]
b) wanneer het rijbewijs is ingetrokken op een van de in punt 4 bedoelde gronden.
[...]
(8) Indien de betrokkene weigert zich te laten onderzoeken of het verlangde rapport niet tijdig meedeelt aan de instantie die het rijbewijs afgeeft, kan de instantie in haar besluit concluderen tot de ongeschiktheid van de betrokkene. [...]”
18 Krachtens § 13 FeV („Geschiktheid bij alcoholproblemen”) mag de bevoegde instantie in bepaalde omstandigheden ter voorbereiding van besluiten tot afgifte of verlenging van een rijbewijs of tot oplegging van beperkingen of voorwaarden met betrekking tot de rijbevoegdheid, de overlegging van een medisch-psychologisch rapport gelasten. Dat is met name het geval wanneer een medisch getuigschrift of bepaalde feiten wijzen op alcoholmisbruik of wanneer herhaaldelijk verkeersovertredingen zijn begaan onder invloed van alcohol.
19 Volgens § 20, lid 1, FeV gelden voor de afgifte van een nieuw rijbewijs na intrekking de bepalingen voor de eerste afgifte van een rijbewijs. Volgens § 20, lid 2, FeV kan de bevoegde instantie afzien van een nieuw rijexamen wanneer niets erop wijst dat de aanvrager niet meer beschikt over de daarvoor vereiste kennis en vaardigheid, maar een dergelijk besluit laat volgens lid 3 van deze paragraaf de verplichting tot overlegging van een medisch-psychologisch rapport in de zin van § 11, lid 3, eerste alinea, punt 5, FeV onverlet.
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C‑334/06
20 Zerche was houder van een rijbewijs van de Duitse Democratische Republiek voor verschillende categorieën van voertuigen. Dit rijbewijs is op 31 augustus 1999 verlengd in de vorm van een beveiligd rijbewijs in bankkaartformaat.
21 Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 10 januari 2003 veroordeelde het Amtsgericht Hainichen Zerche tot een geldboete wegens dronken rijden; de feiten dateerden van 28 november 2002. Zijn rijbevoegdheid en zijn rijbewijs werden ingetrokken met een verbod om gedurende 12 maanden, namelijk tot 9 april 2004, een nieuw rijbewijs aan te vragen.
22 Vanaf 10 februari 2004 vroeg Zerche een nieuw rijbewijs van categorie B aan. Daar hij geen deskundigenrapport tot bewijs van zijn rijgeschiktheid kon overleggen, trok hij zijn aanvraag ten slotte in.
23 Op 4 maart 2005 kreeg Zerche in Ostrov (Tsjechische Republiek) een nieuw rijbewijs van categorie B. Dit vermeldt als woonplaats van de houder Mittweida (Duitsland), waar Zerche sinds 18 januari 1996 verblijft.
24 De Landkreis Mittweida, die kennis had gekregen van de afgifte van dat rijbewijs, gelastte Zerche bij brief van 12 april 2005 om een deskundigenrapport over zijn rijgeschiktheid over te leggen. Toen daaraan geen gevolg werd gegeven, ontzegde de Landkreis Zerche bij besluit van 19 juli 2005 het recht om in Duitsland zijn Tsjechisch rijbewijs te gebruiken.
25 Bij bericht van 21 juli 2005 liet de Tsjechische minister van Verkeer weten dat het Tsjechische rijbewijs van Zerche geldig is. Laatstgenoemde werd vóór de afgifte van dit rijbewijs medisch onderzocht in de Tsjechische Republiek. Voorts zou hij door de ondertekening van de rijbewijsaanvraag zijn rijgeschiktheid hebben bevestigd. Een medisch-psychologisch deskundigenrapport was evenwel niet opgesteld.
26 Zerche heeft tegen de afwijzing van zijn bezwaar tegen de vervallenverklaring van 19 juli 2005 beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Chemnitz, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld:
„Moet artikel 1, lid 2, juncto artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn [91/439] aldus worden uitgelegd dat een lidstaat op zijn grondgebied mag weigeren de rijbevoegdheid op basis van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen, wanneer [het vorige rijbewijs] van de houder [...] tevoren [in de eerste lidstaat] is ingetrokken of [nietig is verklaard], de verbodstermijn voor de hernieuwde verlening van de rijbevoegdheid [...], die samen met deze maatregel [van intrekking of nietigverklaring] is bepaald, was afgelopen voordat het [nieuwe] rijbewijs in een andere lidstaat werd afgegeven, en op basis van objectieve aanknopingspunten (geen woonplaats in de lidstaat van afgifte van het [nieuwe] rijbewijs, en afwijzing van de aanvraag tot hernieuwde verlening van de rijbevoegdheid [in de eerste lidstaat]) moet worden aangenomen dat de verkrijging van de [...] EU-rijbevoegdheid [in de tweede lidstaat] enkel ertoe diende om de [in de eerste lidstaat geldende] strenge materiële vereisten van de procedure tot herkrijging van het rijbewijs, in het bijzonder het medisch-psychologisch advies, te omzeilen?”
Zaak C‑335/06
27 Schubert was sinds 1982 houder van een rijbewijs van de Duitse Democratische Republiek voor verschillende categorieën van motorrijtuigen, dat op 7 juli 1992 is verlengd.
28 Bij in kracht van gewijsde gegane beschikking van 23 mei 2002 veroordeelde het Amtsgericht Marienberg Schubert tot een geldboete wegens dronken rijden. Zijn rijbevoegdheid en zijn rijbewijs werden ingetrokken met een verbod om gedurende 20 maanden, namelijk tot 22 januari 2004, een nieuw rijbewijs aan te vragen.
29 Op 21 oktober 2003 vroeg Schubert een nieuw rijbewijs aan. Daar hij geen deskundigenrapport tot bewijs van zijn rijgeschiktheid kon overleggen, trok hij deze aanvraag op 6 september 2004 evenwel in.
30 Op 31 januari 2005 kreeg Schubert in Sokolov (Tsjechische Republiek) een nieuw rijbewijs van categorie B. Dit vermeldt als woonplaats van de houder Olbernhau (Duitsland), waar Schubert sinds 1 oktober 1998 verblijft.
31 Naar aanleiding van een wegcontrole in Olbernhau op 26 april 2005 gelastte de Landkreis Mittlerer Erzgebirgskreis Schubert bij brief van 3 mei 2005 om een deskundigenrapport over zijn rijgeschiktheid over te leggen. Toen daaraan geen gevolg werd gegeven, ontzegde de Landkreis Mittlerer Erzgebirgskreis Schubert bij besluit van 9 augustus 2005 het recht om in Duitsland zijn Tsjechisch rijbewijs te gebruiken.
32 Na de afwijzing van zijn bezwaar tegen dit besluit heeft Schubert beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Chemnitz, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen heeft gesteld:
„1) Mag een lidstaat op grond van artikel 1, lid 2, en artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn [91/439] van de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs verlangen dat hij de nationale autoriteiten [van deze eerste lidstaat] verzoekt het recht te erkennen om [op het grondgebied ervan] gebruik te maken van die rijbevoegdheid, wanneer de rijbevoegdheid [waarover deze houder beschikte] [...] tevoren [in deze eerste lidstaat] is ingetrokken of deze hem anderszins is ontzegd?
2) Zo neen, moet artikel 1, lid 2, juncto artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn [91/439] aldus worden uitgelegd dat een lidstaat op zijn grondgebied mag weigeren de rijbevoegdheid op basis van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen, wanneer [het vorige rijbewijs] van de houder [...] tevoren [in de eerste lidstaat] is ingetrokken of deze hem anderszins is ontzegd, de verbodstermijn voor de hernieuwde verlening van de rijbevoegdheid [...], die samen met deze maatregel [van intrekking of ontzegging] is bepaald, was afgelopen voordat het [nieuwe] rijbewijs in een andere lidstaat werd afgegeven, en op basis van objectieve aanknopingspunten (geen woonplaats in de lidstaat van afgifte van het [nieuwe] rijbewijs, en afwijzing van de aanvraag tot hernieuwde verlening van de rijbevoegdheid [in de eerste lidstaat]) moet worden aangenomen dat de verkrijging van de [...] EU-rijbevoegdheid [in de tweede lidstaat] enkel ertoe diende om de [in de eerste lidstaat geldende] strenge materiële vereisten van de procedure tot herkrijging van het rijbewijs, in het bijzonder het medisch-psychologisch advies, te omzeilen?”
Zaak C‑336/06
33 Seuke was houder van een oud rijbewijs van categorie 3.
34 Bij uitvoerbare strafrechtelijke beschikking van 4 september 2003 veroordeelde het Amtsgericht Amberg hem tot een geldboete wegens dronken rijden. Zijn rijbevoegdheid en zijn rijbewijs werden ingetrokken met een verbod om gedurende tien maanden een nieuw rijbewijs aan te vragen.
35 Nadat Seuke een nieuw rijbewijs had aangevraagd, verzocht de bevoegde instantie hem op 15 maart 2004 om een medisch-psychologisch deskundigenrapport tot bewijs van zijn rijgeschiktheid over te leggen. Daaraan heeft hij niet voldaan en zijn aanvraag is bij besluit van 27 juli 2004 afgewezen.
36 Op 5 november 2004, toen de door het Amtsgericht Amberg opgelegde verbodstermijn was verstreken, kreeg Seuke, die volgens de verwijzingsbeschikking sinds 19 augustus 1980 onafgebroken in Duitsland verblijft, in Ostrov (Tsjechische Republiek) een nieuw rijbewijs van categorie B.
37 De Landkreis Mittweida, die kennis had gekregen van de afgifte van dat rijbewijs, gelastte Seuke op 28 november 2005 om een deskundigenrapport over zijn rijgeschiktheid over te leggen. Toen Seuke daaraan geen gevolg gaf, ontzegde de Landkreis Mittweida hem bij besluit van 22 maart 2006 het recht om in Duitsland zijn Tsjechisch rijbewijs te gebruiken.
38 Na de afwijzing van zijn bezwaar tegen dit besluit heeft Seuke beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Chemnitz, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof twee prejudiciële vragen heeft gesteld:
„1) Mag een lidstaat op grond van artikel 1, lid 2, en artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn [91/439] van de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs verlangen dat hij de nationale autoriteiten [van deze eerste lidstaat] verzoekt het recht te erkennen om [op het grondgebied ervan] gebruik te maken van die rijbevoegdheid, wanneer de rijbevoegdheid [waarover deze houder beschikte] [...] tevoren [in deze eerste lidstaat] is ingetrokken of deze hem anderszins is ontzegd?
2) Zo neen, moet artikel 1, lid 2, juncto artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn [91/439] aldus worden uitgelegd dat een lidstaat op zijn grondgebied mag weigeren de rijbevoegdheid op basis van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen, wanneer [het vorige rijbewijs] van de houder [...] tevoren [in de eerste lidstaat] is ingetrokken of deze hem anderszins is ontzegd, de verbodstermijn voor de hernieuwde verlening van de rijbevoegdheid [...], die samen met deze maatregel [van intrekking of ontzegging] is bepaald, was afgelopen voordat het [nieuwe] rijbewijs in een andere lidstaat werd afgegeven, en op basis van objectieve aanknopingspunten (geen woonplaats in de lidstaat van afgifte van het [nieuwe] rijbewijs, en afwijzing van de aanvraag tot hernieuwde verlening van de rijbevoegdheid [in de eerste lidstaat]) moet worden aangenomen dat de verkrijging van de [...] EU-rijbevoegdheid [in de tweede lidstaat] enkel ertoe diende om de [in de eerste lidstaat geldende] strenge materiële vereisten van de procedure tot herkrijging van het rijbewijs, in het bijzonder het medisch-psychologisch advies, te omzeilen?”
Procesverloop voor het Hof
39 Bij beschikking van de president van het Hof van 10 oktober 2006 zijn de zaken C‑334/06 tot en met C‑336/06 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest.
40 Het Hof heeft de Tsjechische regering op 1 augustus 2007 een aantal schriftelijke vragen gesteld over de rechtsregels van de Tsjechische Republiek met betrekking tot de controle van de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub a en b, van richtlijn 91/439 en de mogelijkheid om een rijbewijs af te geven met vermelding van een verblijfplaats van de houder in een andere lidstaat, enerzijds, en over de criteria om te bepalen of iemand in deze lidstaat verblijft en het bestaan van controle op het daadwerkelijke verblijf, anderzijds.
41 Bij op 31 augustus 2007 ter griffie van het Hof ingekomen faxbericht heeft de Tsjechische regering op deze vragen geantwoord dat de bij richtlijn 91/439 gestelde voorwaarde inzake gewone verblijfplaats eerst vanaf 1 juli 2006 in de Tsjechische rechtsorde is ingevoerd. Tot dan kon volgens de Tsjechische regeling een rijbewijs worden afgegeven aan iemand die niet permanent of tijdelijk in de Tsjechische Republiek verbleef.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
42 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het Hof in het kader van de bij artikel 234 EG ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof tot taak heeft de nationale rechter een nuttig antwoord voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding te geven. Daartoe dient het Hof de hem voorgelegde vraag in voorkomend geval te herformuleren. Ook heeft het Hof tot taak, alle gemeenschapsrechtelijke bepalingen uit te leggen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van bij de nationale rechterlijke instanties aanhangige gedingen, ook wanneer die bepalingen niet uitdrukkelijk worden genoemd in de door die rechterlijke instanties gestelde vragen (arresten van 18 maart 1993, Viessmann, C‑280/91, Jurispr. blz. I‑971, punt 17; 11 december 1997, Immobiliare SIF, C‑42/96, Jurispr. blz. I‑7089, punt 28, en 8 maart 2007, Campina, C‑45/06, Jurispr. blz. I‑2089, punten 30 en 31).
43 Gelet op de feiten die aan de hoofdgedingen ten grondslag liggen en op de inhoud van de bij het Hof ingediende opmerkingen moeten de in casu gestelde vragen worden onderzocht met inachtneming van artikel 7, lid 1, sub a en b, van richtlijn 91/439. Voor zover de verwijzende rechter dit niet heeft gedaan, dient de draagwijdte van de prejudiciële vragen voor een nuttig en zo volledig mogelijk antwoord dus in die zin te worden uitgebreid.
44 Met de vraag in zaak C‑334/06 en met de tweede vraag in de zaken C‑335/06 en C‑336/06 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 1, lid 2, 7, lid 1, sub a en b, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat (gastland) weigert om op zijn grondgebied de rijbevoegdheid te erkennen die voortvloeit uit een in een andere lidstaat (afgiftestaat) afgegeven rijbewijs, en dus de geldigheid van dit rijbewijs, wanneer de betrokkene, wiens vorig rijbewijs in de eerste lidstaat is ingetrokken wegens dronken rijden, dit nieuwe rijbewijs niet heeft verkregen binnen een verbodstermijn om een nieuw rijbewijs aan te vragen, maar met miskenning van de verblijfsvoorwaarde of de geschiktheidsvoorwaarden die het gastland in dit opzicht oplegt met het oog op de verkeersveiligheid.
45 Deze vragen moeten worden onderzocht samen met de eerste vraag in de zaken C‑335/06 en C‑336/06, die er in wezen toe strekt uit te maken of een lidstaat van een houder van een door een andere lidstaat afgegeven nieuw rijbewijs kan verlangen dat hij, alvorens er gebruik van te maken, om erkenning verzoekt van het recht om dit rijbewijs in het gastland te gebruiken, wanneer zijn vorig rijbewijs in deze laatste lidstaat is ingetrokken of nietig verklaard.
46 Blijkens de eerste overweging van de considerans van richtlijn 91/439 is het in artikel 1, lid 2, van deze richtlijn gestelde algemene beginsel van onderlinge erkenning van de door de lidstaten afgegeven rijbewijzen met name vastgesteld om het verkeer te vergemakkelijken van personen die zich vestigen in een andere lidstaat dan die waar zij rijexamen hebben afgelegd (arrest van 29 april 2004, Kapper, C‑476/01, Jurispr. blz. I‑5205, punt 71).
47 Volgens vaste rechtspraak voorziet dit artikel 1, lid 2, in de onderlinge erkenning van door andere lidstaten afgegeven rijbewijzen zonder enige formaliteit. Deze bepaling legt de lidstaten een duidelijke en onvoorwaardelijke verplichting op zonder beoordelingsmarge voor de lidstaten over de tot nakoming daarvan te nemen maatregelen (zie in die zin arresten van 29 oktober 1998, Awoyemi, C‑230/97, Jurispr. blz. I‑6781, punten 41 en 43, en 10 juli 2003, Commissie/Nederland, C‑246/00, Jurispr. blz. I‑7485, punten 60 en 61; arrest Kapper, reeds aangehaald, punt 45; beschikkingen van 6 april 2006, Halbritter, C‑227/05, punt 25, en 28 september 2006, Kremer, C‑340/05, punt 27).
48 Daaruit volgt dat het gastland voor de erkenning van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs geen enkele voorafgaande formaliteit kan opleggen. Het is dus in strijd met het beginsel van onderlinge erkenning om de houder van een in een lidstaat afgegeven rijbewijs te verplichten om erkenning te verzoeken van dit in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs (zie in die zin arrest Commissie/Nederland, punten 60 e.v.).
49 Het staat aan de afgiftestaat na te gaan of is voldaan aan de door het gemeenschapsrecht opgelegde minimumvoorwaarden, met name die inzake verblijf en rijgeschiktheid, en dus of de afgifte van een rijbewijs – in voorkomend geval van een nieuw rijbewijs – gerechtvaardigd is.
50 Wanneer de autoriteiten van een lidstaat een rijbewijs overeenkomstig artikel 1, lid 1, van richtlijn 91/439 hebben afgegeven, mogen de andere lidstaten dus niet nagaan of is voldaan aan de bij deze richtlijn gestelde afgiftevoorwaarden (zie in die zin beschikkingen Halbritter, punt 34, en Kremer, punt 27). Het bezit van een door een lidstaat afgegeven rijbewijs moet namelijk als het bewijs worden beschouwd dat de houder van dit rijbewijs op de dag van de afgifte ervan voldeed aan deze voorwaarden (zie in die zin arrest Commissie/Nederland, punt 75; beschikking van 11 december 2003, Da Silva Carvalho, C‑408/02, punt 21, en arrest Kapper, punt 46). Dat een lidstaat overeenkomstig punt 5 van bijlage III bij deze richtlijn voor iedere afgifte van een rijbewijs een strenger medisch onderzoek kan verlangen dan die welke in deze bijlage zijn vermeld, laat de verplichting van deze lidstaat om de overeenkomstig de richtlijn door de andere lidstaten afgegeven rijbewijzen te erkennen, dus onverlet.
51 Daaruit volgt in de eerste plaats dat een gastland dat de afgifte van een rijbewijs, met name na intrekking van een vorig rijbewijs, onderwerpt aan strengere nationale voorwaarden, niet kan weigeren een later door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen op de enkele grond dat de houder van dit nieuwe rijbewijs het heeft verkregen krachtens een nationale regeling die niet dezelfde eisen stelt als dit gastland.
52 In de tweede plaats verbiedt het beginsel van onderlinge erkenning dat een gastland een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs weigert te erkennen op grond dat volgens de van het gastland afkomstige informatie de houder van dit rijbewijs op de dag van de afgifte niet voldeed aan de voorwaarden voor de verkrijging ervan (zie in die zin beschikking Da Silva Carvalho, punt 22, en arrest Kapper, punt 47).
53 Aangezien richtlijn 91/439 aan de afgiftestaat een exclusieve bevoegdheid toekent om na te gaan of de door hem afgegeven rijbewijzen de bij deze richtlijn gestelde voorwaarden eerbiedigen, staat het namelijk uitsluitend aan deze lidstaat de passende maatregelen te treffen voor de rijbewijzen waarvan later blijkt dat de houders deze voorwaarden niet vervulden (zie in die zin beschikking Da Silva Carvalho, punt 23, en arrest Kapper, punt 48).
54 Een gastland dat ernstige redenen heeft om te twijfelen aan de regelmatigheid van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, dient dit aan deze laatste mee te delen in het kader van de onderlinge assistentie en informatie-uitwisseling in de zin van artikel 12, lid 3, van richtlijn 91/439. Ingeval de afgiftestaat niet de passende maatregelen neemt, kan het gastland tegen deze lidstaat een procedure op grond van artikel 227 EG instellen, om het Hof een niet-nakoming van de krachtens richtlijn 91/439 op hem rustende verplichtingen te laten vaststellen (zie in die zin beschikking Da Silva Carvalho, punt 23, en arrest Kapper, punt 48).
55 Stellig kunnen de lidstaten op grond van artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 – blijkens de laatste overweging van de considerans – om redenen van verkeersveiligheid in bepaalde omstandigheden hun nationale bepalingen inzake beperking, schorsing, intrekking en nietigverklaring van het rijbewijs toepassen op iedere houder van een rijbewijs die zijn gewone verblijfplaats op hun grondgebied heeft.
56 Er dient evenwel aan te worden herinnerd dat deze uit artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 voortvloeiende bevoegdheid slechts kan worden uitgeoefend wegens een gedraging van de betrokkene na de verkrijging van het door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs (zie in die zin beschikkingen Halbritter, punt 38, en Kremer, punt 35).
57 Verder vormt artikel 8, lid 4, eerste alinea, op grond waarvan een lidstaat kan weigeren de geldigheid te erkennen van een rijbewijs dat in een andere lidstaat is verkregen door iemand wiens rijbewijs op het grondgebied van de eerste lidstaat is beperkt, geschorst, ingetrokken of nietig verklaard, een afwijking van het algemene beginsel van onderlinge erkenning van rijbewijzen, zodat het eng moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest Kapper, punten 70 en 72, en beschikkingen Halbritter, punt 35, en Kremer, punt 28).
58 Dienaangaande moet meteen worden benadrukt dat een lidstaat op grond van deze bepaling onder bepaalde voorwaarden weliswaar kan weigeren de geldigheid van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen, maar dat daaruit, anders dan de Duitse regering stelt, nog niet volgt dat de eerste lidstaat het recht om gebruik te maken van een door de tweede lidstaat afgegeven rijbewijs afhankelijk kan stellen van een voorafgaande positieve toelating (zie in die zin beschikking Kremer, punt 37).
59 Aangezien een lidstaat bij de afgifte van een rijbewijs de minimumvoorwaarden van richtlijn 91/439, waaronder die van bijlage III inzake rijgeschiktheid, in acht moet nemen, zou het namelijk in strijd zijn met de verplichting van onderlinge erkenning zonder formaliteiten om artikel 8, lid 4, eerste alinea, van deze richtlijn aldus uit te leggen dat eenieder die houder is geweest van een rijbewijs dat in een lidstaat is ingetrokken of nietig verklaard, in het algemeen kan worden verplicht om zich tot de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat te wenden teneinde de toelating te verkrijgen om gebruik te maken van de rijbevoegdheid op basis van het later in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs.
60 Evenmin kan een lidstaat deze bepaling aanvoeren om aan iemand, wiens door deze lidstaat afgegeven rijbewijs is ingetrokken of nietig verklaard, eindeloos te weigeren de geldigheid te erkennen van een hem later door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs (zie in die zin arrest Kapper, punt 76, en beschikkingen Halbritter, punt 27, en Kremer, punt 29). Het zou namelijk ingaan tegen het beginsel van onderlinge erkenning van rijbewijzen, dat de hoeksteen van het bij richtlijn 91/439 vastgestelde stelsel vormt, indien werd aanvaard dat een lidstaat zich op basis van zijn nationale bepalingen eindeloos kan verzetten tegen de erkenning van de geldigheid van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs (arrest Kapper, punt 77, en beschikkingen Halbritter, punt 28, en Kremer, punt 30).
61 Meer bepaald was het Hof in punt 38 van de beschikking Kremer van oordeel dat wanneer iemands rijbewijs op het grondgebied van een lidstaat is ingetrokken zonder dat hem een tijdelijk verbod is opgelegd om een nieuw rijbewijs te verkrijgen, artikel 1, lid 2, juncto artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 eraan in de weg staat dat deze lidstaat weigert om op zijn grondgebied de rijbevoegdheid te erkennen die voortvloeit uit een later in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs en derhalve ook de geldigheid van dat rijbewijs, zolang de houder ervan niet voldoet aan de in deze eerste lidstaat gestelde eisen voor de afgifte van een nieuw rijbewijs na die intrekking, waaronder een onderzoek van zijn rijgeschiktheid, waaruit blijkt dat de redenen voor de intrekking niet langer bestaan.
62 Uit het voorgaande volgt daarentegen dat de artikelen 1, lid 2, en 8, lid 4, van richtlijn 91/439 zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat aan iemand wiens rijbewijs op zijn grondgebied is ingetrokken met een verbodstermijn om een nieuw rijbewijs te verkrijgen, weigert om een gedurende deze verbodstermijn door een andere lidstaat afgegeven nieuw rijbewijs te erkennen.
63 Zo ook kan de lidstaat van gewone verblijfplaats gelet op artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 weliswaar niet weigeren het in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen op de enkele grond dat tegen de houder van dit rijbewijs tevoren een maatregel van intrekking van een vorig rijbewijs in de lidstaat van gewone verblijfplaats is genomen, maar krachtens deze bepaling kan deze lidstaat, zoals in de punten 55 en 56 van dit arrest in herinnering is gebracht, onder voorbehoud van de naleving van het beginsel van de territorialiteit van de strafrechtelijke en politiële bepalingen, het nieuwe rijbewijs beperken, schorsen, intrekken of nietig verklaren, wanneer het gedrag van de houder na de afgifte ervan dit naar het nationaal recht van het gastland rechtvaardigt.
64 Ter beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter dient vervolgens in het bijzonder te worden ingegaan op de toepassing van het hierboven in herinnering gebrachte beginsel van onderlinge erkenning, wanneer vaststaat dat het nieuwe rijbewijs is afgegeven met miskenning van de bij richtlijn 91/439 gestelde verblijfsvoorwaarde.
65 Dienaangaande blijkt uit de vierde overweging van de considerans van deze richtlijn dat tot de eisen inzake de veiligheid van het wegverkeer de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub a en b, behoren krachtens hetwelk voor de afgifte van een rijbewijs moet worden voldaan aan eisen van rijgeschiktheid en verblijfplaats.
66 Zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen in haar opmerkingen stelt, draagt de verblijfsvoorwaarde bij gebreke van een volledige harmonisatie van de regelingen van de lidstaten inzake de afgifte van rijbewijzen met name bij tot de bestrijding van het „rijbewijstoerisme”. Zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is deze voorwaarde ook essentieel voor de controle op de naleving van de rijgeschiktheidsvoorwaarde.
67 In artikel 7, lid 5, van richtlijn 91/439, volgens hetwelk eenieder slechts houder kan zijn van één enkel door een lidstaat afgegeven rijbewijs, is namelijk het beginsel van het enkele rijbewijs neergelegd. Als voorafgaande voorwaarde die het mogelijk maakt na te gaan of een aanvrager voldoet aan de andere door deze richtlijn gestelde voorwaarden, komt aan de verblijfsvoorwaarde, die bepalend is voor de afgiftestaat, dus een bijzondere betekenis toe in vergelijking met de overige voorwaarden van deze richtlijn.
68 De niet-naleving van de verblijfsvoorwaarde in het geval van iemand wiens rijbevoegdheid is beperkt, geschorst, ingetrokken of nietig verklaard in de zin van artikel 8, lid 4, van richtlijn 91/439, zou de verkeersveiligheid dus in gevaar kunnen brengen.
69 Daaruit volgt dat wanneer niet op basis van inlichtingen die afkomstig zijn van het gastland, maar op basis van vermeldingen op het rijbewijs zelf of van andere onbetwistbare inlichtingen afkomstig van de afgiftestaat, kan worden vastgesteld dat ten tijde van de afgifte van dit rijbewijs niet was voldaan aan de bij artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 91/439 gestelde verblijfsvoorwaarde, het gastland op het grondgebied waarvan tegen de houder van dit rijbewijs een maatregel van intrekking van een vorig rijbewijs is genomen, kan weigeren de rijbevoegdheid te erkennen die voortvloeit uit een rijbewijs dat later, maar niet binnen een verbodstermijn om een nieuw rijbewijs te verkrijgen, is afgegeven door een andere lidstaat.
70 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 1, lid 2, 7, lid 1, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat weigert om in omstandigheden als die van de hoofdgedingen, op zijn grondgebied de rijbevoegdheid te erkennen die voortvloeit uit een rijbewijs dat later, maar niet binnen een aan de betrokkene opgelegde verbodstermijn om een nieuw rijbewijs te verkrijgen, is afgegeven door een andere lidstaat, en derhalve de geldigheid van dat rijbewijs, zolang de houder ervan niet voldoet aan de in deze eerste lidstaat gestelde eisen voor de afgifte van een nieuw rijbewijs na de intrekking van een vorig rijbewijs, waaronder een onderzoek van zijn rijgeschiktheid, waaruit blijkt dat de redenen voor de intrekking niet langer bestaan. In dezelfde omstandigheden verzetten deze bepalingen zich er niet tegen dat een lidstaat weigert op zijn grondgebied de rijbevoegdheid te erkennen die voortvloeit uit een later door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, wanneer op basis van de vermeldingen op het rijbewijs of van andere onbetwistbare inlichtingen afkomstig van de afgiftestaat, vaststaat dat ten tijde van de afgifte van dit rijbewijs de houder ervan, wiens vorig rijbewijs op het grondgebied van de eerste lidstaat is ingetrokken, niet zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van de afgiftestaat had.
Kosten
71 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 1, lid 2, 7, lid 1, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat weigert om in omstandigheden als die van de hoofdgedingen, op zijn grondgebied de rijbevoegdheid te erkennen die voortvloeit uit een rijbewijs dat later, maar niet binnen een aan de betrokkene opgelegde verbodstermijn om een nieuw rijbewijs te verkrijgen, is afgegeven door een andere lidstaat, en derhalve de geldigheid van dat rijbewijs, zolang de houder ervan niet voldoet aan de in deze eerste lidstaat gestelde eisen voor de afgifte van een nieuw rijbewijs na de intrekking van een vorig rijbewijs, waaronder een onderzoek van zijn rijgeschiktheid, waaruit blijkt dat de redenen voor de intrekking niet langer bestaan.
In dezelfde omstandigheden verzetten deze bepalingen zich er niet tegen dat een lidstaat weigert op zijn grondgebied de rijbevoegdheid te erkennen die voortvloeit uit een later door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, wanneer op basis van de vermeldingen op het rijbewijs of van andere onbetwistbare inlichtingen afkomstig van de afgiftestaat, vaststaat dat ten tijde van de afgifte van dit rijbewijs de houder ervan, wiens vorig rijbewijs op het grondgebied van de eerste lidstaat is ingetrokken, niet zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van de afgiftestaat had.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy