ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
25 oktober 2007 (*)
„Hogere voorziening – Beroep tot schadevergoeding – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Melk – Extra heffing – Referentiehoeveelheid – Producenten die verbintenis tot niet-levering zijn aangegaan – SLOM 1983-producenten – Niet-hervatten van productie na afloop van niet-leveringsverbintenis”
In zaak C‑344/06 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 8 augustus 2006,
J. C. Blom, vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk en S. Molin, advocaten,
rekwirant,
andere partijen bij de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A.‑M. Colaert als gemachtigde,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn en M. van Heezik als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerders in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, G. Arestis, E. Juhász, J. Malenovský en T. von Danwitz (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Blom verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 30 mei 2006, Blom e.a./Raad en Commissie (T‑87/94, Jurispr. blz. II‑1385; hierna: „bestreden arrest”), waarbij is verworpen zijn beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid op grond van de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG), strekkende tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden omdat hij vanaf 1 april 1984 geen melk heeft kunnen leveren.
Toepasselijke bepalingen
Melkquotaregeling
2 Verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB L 131, blz. 1) voorzag in de toekenning van een niet-leveringspremie aan producenten die zich ertoe verbonden geen melk of zuivelproducten in de handel te brengen gedurende een niet-leveringsperiode van vijf jaar.
3 Bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 10), en bij verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13), aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB L 132, blz. 11), werd met ingang van 1 april 1984 een extra heffing ingesteld op de hoeveelheden melk die werden geleverd boven een bepaalde referentiehoeveelheid, die voor elke producent binnen de grenzen van een aan elke lidstaat gegarandeerde totale hoeveelheid werd bepaald (hierna: „melkquotaregeling”). De van de extra heffing vrijgestelde referentiehoeveelheid was gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die in het referentiejaar door een producent was geleverd. Het referentiejaar voor het Koninkrijk der Nederlanden was 1983.
4 De producenten die ingevolge een uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis geen melk hadden geleverd gedurende het referentiejaar, in casu het jaar 1983, waren uitgesloten van de toekenning van een referentiehoeveelheid.
5 Bij arresten van 28 april 1988, Mulder (120/86, Jurispr. blz. 2321; hierna: „arrest Mulder I”), en Von Deetzen (170/86, Jurispr. blz. 2355), verklaarde het Hof verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij verordening nr. 1371/84, ongeldig voor zover zij niet voorzag in de toekenning van een referentiehoeveelheid aan producenten die, ter uitvoering van een op grond van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis, gedurende het door de betrokken lidstaat gekozen referentiejaar geen melk hadden geleverd.
6 Naar aanleiding van de reeds aangehaalde arresten Mulder I en Von Deetzen stelde de Raad op 20 maart 1989 verordening (EEG) nr. 764/89 tot wijziging van verordening nr. 857/84 (PB L 84, blz. 2) vast. Met de invoeging van artikel 3 bis in verordening nr. 857/84 wilde hij het mogelijk maken dat aan de in die arresten bedoelde categorie producenten een specifieke referentiehoeveelheid werd toegekend van 60 % van hun productie in de loop van de twaalf maanden voorafgaande aan hun uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane niet-leveringsverbintenis. De producenten die niet-leveringsverbintenissen waren aangegaan en die ingevolge verordening nr. 764/89 een zogenoemde „specifieke” referentiehoeveelheid hebben ontvangen, worden doorgaans „SLOM I-producenten” genoemd.
7 Bij arrest van 11 december 1990, Spagl (C‑189/89, Jurispr. blz. I‑4539), verklaarde het Hof artikel 3 bis, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 857/84, zoals ingevoegd bij verordening nr. 764/89, ongeldig, voor zover producenten wier niet-leveringsperiode, ter uitvoering van een uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis, vóór 31 december 1983 of in voorkomend geval vóór 30 september 1983 ten einde liep, werden uitgesloten van de toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid op grond van die bepaling. Die producenten, wier niet-leveringsperiode vóór die data was afgelopen, worden doorgaans „SLOM 1983-producenten” genoemd.
8 Naar aanleiding van het reeds aangehaalde arrest Spagl stelde de Raad op 13 juni 1991 verordening (EEG) nr. 1639/91 tot wijziging van verordening nr. 857/84 (PB L 150, blz. 35) vast, waarbij de door het Hof ongeldig verklaarde voorwaarden, die met name betrekking hadden op het tijdstip waarop de niet-leveringsverbintenis afliep, werden geschrapt, zodat aan de betrokken producenten, onder wie de SLOM 1983-producenten, een specifieke referentiehoeveelheid kon worden toegekend.
De vergoedingsregeling
9 Bij interlocutoir arrest van 19 mei 1992, Mulder e.a./Raad en Commissie (C‑104/89 en C‑37/90, Jurispr. blz. I‑3061; hierna: „arrest Mulder II”), verklaarde het Hof de Europese Gemeenschap aansprakelijk voor de schade die sommige melkproducenten hadden geleden doordat zij verbintenissen uit hoofde van verordening nr. 1078/77 waren aangegaan en vervolgens ten gevolge van de toepassing van verordening nr. 857/84 geen melk in de handel hadden kunnen brengen. Het Hof verzocht partijen de bedragen die moesten worden betaald, in gemeen overleg vast te stellen.
10 Naar aanleiding van het arrest Mulder II hebben de Raad en de Commissie op 5 augustus 1992 mededeling 92/C 198/04 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 198, blz. 4). In die mededeling gaven zij te kennen dat zij met het oog op de volledige uitvoering van dat arrest voornemens waren om de praktische bepalingen voor de schadeloosstelling van de betrokken producenten vast te stellen. In afwachting daarvan gingen de instellingen jegens iedere producent die voldeed aan de voorwaarden van het arrest Mulder II de verbintenis aan om geen beroep te doen op de in artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie voorziene verjaring.
11 Volgens de mededeling was die verbintenis evenwel gekoppeld aan de voorwaarde dat het recht op schadevergoeding nog niet was verjaard op 5 augustus 1992, de datum van bekendmaking van de mededeling, of op de datum waarop de producent zich tot een van voornoemde instellingen had gewend.
12 Vervolgens stelde de Raad de hierboven bedoelde praktische bepalingen vast bij verordening (EEG) nr. 2187/93 van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelproducten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen (PB L 196, blz. 6). Deze verordening voorzag in een voorstel aan producenten aan wie een definitieve referentiehoeveelheid was toegewezen, voor forfaitaire vergoeding van de schade die zij hadden geleden in het kader van de toepassing van de in het arrest Mulder II bedoelde regeling (hierna: „vergoedingsvoorstel”).
13 Op basis van verordening (EG) nr. 2330/98 van de Raad van 22 oktober 1998 inzake een vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk en zuivelproducten die tijdelijk in de uitoefening van hun activiteit zijn beperkt (PB L 291, blz. 4), heeft de Commissie na het arrest van het Gerecht van 9 december 1997, Quiller en Heusmann/Raad en Commissie (T‑195/94 en T‑202/94, Jurispr. blz. II‑2247), een nieuw voorstel voor forfaitaire vergoeding van de geleden schade gedaan.
14 In de twee verordeningen betreffende de vergoeding, te weten de verordeningen nrs. 2187/93 en 2330/98, is een clausule opgenomen waarin het heet: „wanneer het voorstel niet binnen twee maanden na de ontvangst ervan wordt aangenomen, zijn de betrokken instellingen van de Gemeenschap er niet meer door gebonden” (artikel 14, derde alinea, van verordening nr. 2187/93) en: „wordt het voorstel niet binnen de vastgestelde termijn aangenomen dan is het niet langer bindend voor de Raad en de Commissie” (artikel 13, lid 3, derde alinea, van verordening nr. 2330/98).
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
15 De feiten die ten grondslag liggen aan het door Blom bij het Gerecht ingestelde beroep worden in de punten 31 tot en met 37 van het bestreden arrest als volgt weergegeven:
„31 Verzoeker J. C. Blom, een melkproducent in Nederland, is op 1 oktober 1978 in het kader van verordening nr. 1078/77 een verbintenis tot niet-levering aangegaan die op 1 oktober 1983 is verstreken.
32 Verzoeker heeft noch bij het verstrijken van zijn verbintenis noch vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 de melkproductie hervat.
33 Na de vaststelling van verordening nr. 1639/91 heeft verzoeker de Nederlandse autoriteiten verzocht om toekenning van een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid, die hem met ingang van 15 juni 1991 is toegekend en vervolgens in een definitieve specifieke referentiehoeveelheid is omgezet.
34 Op grond van verordening nr. 2187/93 is verzoeker door de Nederlandse autoriteiten namens de Gemeenschap een vergoedingsvoorstel gedaan van 114 778,61 NLG.
35 Van mening dat de schade per kilogram te laag was geraamd en gezien het feit dat het voorstel niet in compenserende rente, althans niet in compensatie voor geldontwaarding, voor de periode tot en met 19 mei 1992 voorzag, heeft verzoeker het vergoedingsvoorstel uit hoofde van verordening nr. 2187/93 afgewezen.
36 Verzoeker is geen schadevergoeding voorgesteld in het kader van verordening nr. 2330/98.
37 Nadat in de tweede helft van 2000 overleg was gevoerd tussen vertegenwoordigers van de SLOM-producenten en vertegenwoordigers van de Commissie, is overeenstemming bereikt over de bedragen waarop de SLOM 1983-producenten, waaronder verzoeker, als schadevergoeding aanspraak zouden kunnen maken, indien de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens die groep kwam vast te staan.”
Procesverloop voor het Gerecht en het bestreden arrest
16 Bij op 25 februari 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben Blom en achttien andere verzoekers krachtens de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap ingesteld tegen de Raad van de Europese Gemeenschappen en de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna tezamen: „instellingen”).
17 Uit de punten 38 tot en met 54 van het bestreden arrest blijkt dat dit beroep in de loop van de procedure voor het Gerecht met andere beroepen is gevoegd en dat 13 verzoekers uit eerstbedoeld beroep afstand van instantie hebben gedaan.
18 Blijkens punt 45 van het bestreden arrest hebben de partijen tijdens een informele bijeenkomst op 17 januari 2002, voor het geval dat het Hof de arresten van het Gerecht van 31 januari 2001, Bouma/Raad en Commissie (T‑533/93, Jurispr. blz. II‑203), en Beusmans/Raad en Commissie (T‑73/94, Jurispr. blz. II‑223), mocht bekrachtigen, het beroep van Blom in de zaak T‑87/94 gekozen als proefprocedure in de categorie van de SLOM 1983-producenten aan wie een vergoedingsvoorstel uit hoofde van verordening nr. 2187/93 was gedaan, dat door hen was afgewezen om redenen verband houdende met de methode voor de raming van de schade en het door de instellingen gedane beroep op verjaring. Naderhand heeft het Hof de hogere voorzieningen tegen de hierboven bedoelde arresten afgewezen bij arrest van 29 april 2004, Bouma en Beusmans/Raad en Commissie (C‑162/01 P en C‑163/01 P, Jurispr. blz. I‑4509; hierna: „arrest Bouma en Beusmans”).
19 In zijn verzoekschrift voor het Gerecht heeft Blom geconcludeerd tot veroordeling van de Gemeenschap tot betaling van een bedrag groot 68 896,57 EUR, te vermeerderen met rente ad 8 % per jaar over de periode vanaf 19 mei 1992 tot de dag van betaling, en tot verwijzing in de kosten van het geding.
20 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen en Blom verwezen in de kosten.
21 Het Gerecht heeft die beslissing gemotiveerd door in de punten 102 tot en met 109 van het bestreden arrest te wijzen op de algemene voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap op grond van artikel 288, tweede alinea, EG, en op de voorwaarden waaraan specifiek voor de situatie van de SLOM 1983-producenten moet zijn voldaan om te hunner aanzien een dergelijke aansprakelijkheid te doen ontstaan.
22 Op de grondslag dat de aansprakelijkheid van de Gemeenschap, die geldt ten aanzien van elke SLOM-producent, op schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen is gebaseerd, heeft het Gerecht in de punten 108 en 109 van het bestreden arrest gepreciseerd dat een melkproducent, indien hij zijn voornemen om de melkproductie na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis te hervatten, niet kenbaar heeft gemaakt, niet kan stellen een gewettigd vertrouwen erin te hebben gehad, dat hij de melkproductie op elk willekeurig moment in de toekomst kon hervatten.
23 Betreffende de situatie van Blom was het Gerecht in punt 110 van het bestreden arrest van oordeel dat, aangezien hij de melkproductie niet had hervat tussen de datum van verstrijken van zijn niet-leveringsverbintenis, 1 oktober 1983, en die van inwerkingtreding van de melkquotaregeling, 1 april 1984, Blom slechts een schadevergoeding kon vorderen indien hij aantoonde dat hij voornemens was geweest die productie na afloop van bedoelde verbintenis te hervatten en dat hij dit niet had kunnen doen vanwege de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84. In de punten 111 tot en met 115 van bedoeld arrest was het Gerecht echter van oordeel dat een dergelijk bewijs niet was geleverd.
24 In punt 115 van het bestreden arrest heeft het Gerecht met name geoordeeld dat het eventuele voornemen van Blom om de melkproductie na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis te hervatten, niet op enig objectief gegeven steunde, doch slechts op zijn eigen verklaringen. In punt 119 van het arrest merkte het Gerecht op dat het feit dat Blom nadien een definitieve referentiehoeveelheid had verkregen, op zichzelf nog niet bewees dat hij bij het verstrijken van zijn niet-leveringsverbintenis voornemens was om de melkproductie te hervatten.
25 In de punten 120 tot en met 128 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het argument van Blom afgewezen, volgens hetwelk verordening nr. 2187/93 de uitdrukking was van een expliciete erkenning door de Gemeenschap van haar aansprakelijkheid jegens de op grond van het arrest Mulder II voor schadevergoeding in aanmerking komende melkproducenten die op grond van verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91 een definitieve referentiehoeveelheid hadden verkregen en uit hoofde van verordening nr. 2187/93 een individueel vergoedingsvoorstel hadden ontvangen. In punt 124 van het arrest wees het Gerecht inzonderheid het argument af, dat het feit dat verzoeker uit hoofde van die laatste verordening een vergoedingsvoorstel had ontvangen, bewees dat was voldaan aan de voorwaarden om de Gemeenschap jegens hem aansprakelijk te kunnen houden.
Conclusies van partijen
26 Blom concludeert dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest, zoals gerectificeerd bij beschikking van het Gerecht van 30 mei 2006 (T‑87/94 REC) te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, zijn verzoek in eerste aanleg alsnog toe te wijzen;
– althans subsidiair de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht ter verdere afdoening, en
– de instellingen te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.
27 De instellingen concluderen dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening ongegrond te verklaren, en
– rekwirant te verwijzen in de kosten.
De hogere voorziening
28 Tot staving van zijn hogere voorziening voert Blom drie middelen aan.
29 Deze middelen zijn (in de volgorde waarin ze zijn aangevoerd) als volgt samen te vatten. Het eerste middel is ontleend aan schending door het Gerecht van zijn motiveringsplicht door in het bestreden arrest essentiële onderdelen van het pleidooi van Blom te negeren. Het tweede middel is ontleend aan miskenning door het Gerecht van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke erkenning van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens rekwirant. Het derde middel is gebaseerd op een onjuiste beoordeling door het Gerecht van het causale verband tussen de door Blom geleden schade en de onrechtmatige gedraging van de Gemeenschap.
30 Met zijn eerste twee middelen verwijt Blom het Gerecht dat het in de punten 120 tot en met 128 van het bestreden arrest voorbij is gegaan aan de aansprakelijkheid van de Gemeenschap en aan zijn recht op schadevergoeding, die in wezen zijn gebaseerd op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen. Met zijn derde middel verwijt hij het Gerecht dat het, in het kader van de in artikel 288, tweede alinea, EG neergelegde niet-contractuele aansprakelijkheid, een onjuist criterium heeft toegepast bij de beoordeling van het causale verband tussen de geleden schade en de onrechtmatige gedraging van de Gemeenschap, en meer bepaald, dat het heeft verlangd dat het bewijs werd geleverd van zijn voornemen om na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis de melkproductie te hervatten.
31 De hogere voorziening van Blom berust dus op twee verschillende grondslagen. Enerzijds verzoekt hij om een vergoeding, waarbij hij zich in wezen baseert op het feit dat het Gerecht zijn gewettigd vertrouwen zou hebben geschonden en geen rekening zou hebben gehouden met de aansprakelijkheid van de Gemeenschap. Anderzijds voert hij, net zoals de verzoekers in de zaken waarin het arrest Bouma en Beusmans is gewezen, aan, dat de Gemeenschap aansprakelijk is op grond van artikel 288, tweede alinea, EG.
32 Er zij aan herinnerd dat het Hof in zijn arrest Bouma en Beusmans de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap reeds heeft onderzocht ten aanzien van de SLOM 1983-producenten die, anders dan Blom, geen vergoedingsvoorstel uit hoofde van verordening nr. 2187/93 hadden ontvangen en evenmin een definitieve specifieke referentiehoeveelheid hadden verkregen. Aangezien Blom zich met zijn derde middel verzet tegen de toepassing van die rechtspraak op de SLOM 1983-producenten waaraan op grond van verordening nr. 1639/91 een definitieve referentiehoeveelheid was toegewezen, dient dit derde middel, betreffende de niet-contractuele aansprakelijkheid, als eerste te worden behandeld.
Derde middel: onjuiste beoordeling van het causale verband
33 Met dit middel betoogt Blom dat het Gerecht een onjuiste invulling en toepassing heeft gegeven aan het vereiste van een causaal verband tussen de geleden schade en de onrechtmatige gedraging van de Gemeenschap. Hij betwist de overwegingen in de punten 102 tot en met 115 van het bestreden arrest en meer bepaald de in punt 108 vermelde voorwaarde, op grond waarvan hij, in 2005, had moeten aantonen dat hij zijn voornemen duidelijk kenbaar had gemaakt door na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis in 1983/1984 de productie te hervatten of voorbereidingen daartoe te treffen. Door dit vereiste te formuleren jegens SLOM 1983-producenten met een definitieve referentiehoeveelheid, heeft het Gerecht de draagwijdte van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen geschonden en een onjuiste invulling gegeven aan het causaliteitsvereiste.
34 Volgens Blom is het Gerecht daarmee volledig voorbijgegaan aan het feit dat de situatie van SLOM 1983-producenten met een definitieve referentiehoeveelheid wezenlijk verschillend is van die van SLOM 1983-producenten zonder een dergelijke referentiehoeveelheid.
35 Dit middel bestaat uit drie verschillende onderdelen. Deze zijn ontleend aan verwarring tussen de onrechtmatigheid van het handelen van de Gemeenschap en het causale verband, onjuiste uitlegging van het arrest Spagl alsmede schending door het Gerecht van het wettelijk vermoeden dat enerzijds voortvloeit uit verordening nr. 1639/91 en anderzijds uit het arrest Mulder II en de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in de zaak waarin dat laatste arrest is gewezen, en irrelevantie van bepaalde door het Gerecht aangedragen omstandigheden.
Eerste onderdeel van het derde middel: verwarring tussen de onrechtmatigheid van het handelen van de Gemeenschap en het causale verband
– Betoog van Blom
36 Blom stelt dat het Gerecht in de punten 107 tot en met 109 van het bestreden arrest de beoordeling van de onrechtmatigheid van het handelen van de Gemeenschap heeft verward met de beoordeling van de causaliteit tussen dit onrechtmatige handelen en de geleden schade. Het Gerecht gaf aldus zijn eigen opvattingen over de vraag onder welke omstandigheden verordening nr. 857/84 geacht kan worden onrechtmatig te zijn jegens SLOM 1983-producenten. Volgens Blom stelt het Gerecht in wezen dat die verordening niet kan worden geacht ongeldig te zijn jegens bedoelde producenten in het algemeen, doch enkel ten aanzien van diegenen die precies bewijs aandragen van hun voornemen om de melkproductie te hervatten na afloop van hun niet-leveringsverbintenis. Niettemin luidde de conclusie van het Gerecht in punt 129 van het arrest, dat Blom niet had aangetoond dat er een causaal verband bestond tussen verordening nr. 857/84 en de gestelde schade.
– Beoordeling door het Hof
37 Betreffende de vermeende verwarring zij in de eerste plaats eraan herinnerd dat zowel de onrechtmatigheid van het handelen van de Gemeenschap als het causale verband tussen dit onrechtmatige handelen en de geleden schade in wezen berust op een schending van het gewettigd vertrouwen van de melkproducenten die een niet-leveringsverbintenis waren aangegaan uit hoofde van verordening nr. 1078/77, dat zij na afloop van hun verbintenis opnieuw melk zouden kunnen produceren. Zoals in wezen uit de in de punten 105 en 106 van het bestreden arrest samengevatte rechtspraak blijkt, mochten die producenten immers erop vertrouwen dat zij de melkproductie zouden kunnen hervatten na afloop van de niet-leveringsverbintenis die zij op grond van verordening nr. 1078/77 waren aangegaan.
38 Aangezien deze gewettigde verwachting werd geschonden door de extra-heffingsregeling, welke die producenten uitsloot van de toekenning van quota, heeft het Hof (de verschillende versies van) verordening nr. 857/84 ongeldig verklaard (zie met name arrest Mulder I, punt 24). Voor zover dergelijke producenten is verhinderd de melkproductie te hervatten, kan de onrechtmatigheid naar aanleiding waarvan de verordeningen die aan de basis lagen van de situatie van de SLOM-producenten, ongeldig zijn verklaard, voor hen een recht op schadevergoeding doen ontstaan.
39 Aldus heeft het Gerecht in de punten 108 en 109 van het bestreden arrest een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de producenten die na afloop van bedoelde verbintenis geen melk meer mochten produceren als gevolg van de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84, hoewel zij weer met die productie waren begonnen of althans maatregelen hadden getroffen waaruit duidelijk bleek dat zij voornemens waren dit te doen, en anderzijds de producenten die niet hebben bewezen dat zij een dergelijk voornemen kenbaar hebben gemaakt, en dus niet hebben aangetoond dat de niet-hervatting van hun melkproductie aan die verordening was toe te schrijven.
40 Het Gerecht heeft Blom bij de tweede categorie producenten ingedeeld, nadat het enerzijds had vastgesteld dat hij de melkproductie niet had hervat tussen de datum waarop zijn niet-leveringsverbintenis verstreek, 1 oktober 1983, en de datum waarop de melkquotaregeling in werking trad, 1 april 1984 (punt 110 van het bestreden arrest), en anderzijds dat hij niet zoals vereist had aangetoond, dat hij voornemens was die productie na afloop van die verbintenis te hervatten en als gevolg van de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 niet in staat was dit te doen (punten 110‑115 van het bestreden arrest).
41 Bijgevolg heeft het Gerecht, waar het heeft gesteld dat de uitsluiting van Blom van de toekenning van een melkquotum na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis in 1983 slechts onrechtmatig kon zijn, en er slechts een vergoeding vanwege de onrechtmatigheid van zijn uitsluiting kon worden toegekend, wanneer het voornemen om de melkproductie te hervatten op de datum van verstrijken van zijn niet-leveringsverbintenis in 1983 kenbaar was gemaakt, de onrechtmatigheid van het handelen van de Gemeenschap niet verward met het causale verband tussen dat onrechtmatige handelen en de geleden schade.
42 Wat nog de stelling van Blom betreft, dat het Gerecht ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat, indien de oorspronkelijke versie van verordening nr. 857/84 niet onwettig was geweest en hij op grond daarvan rechtstreeks een referentiehoeveelheid had kunnen verkrijgen, hij onbetwistbaar de melkproductie zou hebben hervat zodra zijn niet-leveringsverbintenis was verstreken, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de verzoeker moet aantonen dat aan de verschillende voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap is voldaan (zie met name arresten van 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, C‑362/95 P, Jurispr. blz. I‑4775, punt 31, en Bouma en Beusmans, punt 100).
43 In punt 110 van het bestreden arrest heeft het Gerecht derhalve terecht van Blom, die de melkproductie na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis niet had hervat, verlangd dat hij het bewijs zou leveren dat hij zijn voornemen om die productie na afloop van bedoelde verbintenis te hervatten kenbaar had gemaakt en als gevolg van de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 niet in staat was dit te doen.
44 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het derde middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het derde middel: onjuiste uitlegging van het reeds aangehaalde arrest Spagl alsmede schending door het Gerecht van het wettelijke vermoeden dat enerzijds voortvloeit uit verordening nr. 1639/91 en anderzijds uit het arrest Mulder II en de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in de zaak waarin dat laatste arrest is gewezen
– Betoog van Blom
45 Met dit onderdeel van het derde middel betoogt Blom in wezen dat de kring van SLOM 1983-producenten jegens wie het vertrouwensbeginsel is geschonden in de zin van het reeds aangehaalde arrest Spagl voor het eerst is gepreciseerd in verordening nr. 1639/91.
46 Blom leidt uit de verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91 (hierna tezamen: „reparatieverordeningen”), en uit verordening nr. 2187/93 af, dat vaststaat dat alle SLOM 1983-producenten die op grond van die verordeningen een definitieve referentiehoeveelheid hebben verkregen, te allen tijde hun bedrijf in stand hebben gehouden en hun voornemen om de melkproductie na afloop van hun niet-leveringsverbintenis te hervatten, niet hadden opgegeven. Volgens hem schept het voldoen aan de voorwaarden van verordening nr. 1639/91 derhalve een wettelijk vermoeden dat een SLOM 1983-producent aan wie een definitieve specifieke referentiehoeveelheid is toegewezen wel degelijk het voornemen had om de melkproductie te hervatten, tenzij de instellingen het tegendeel kunnen aantonen.
47 Onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest Mulder II voegt Blom hier nog aan toe dat het vereiste causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging van de Gemeenschap en de schade die een SLOM 1983-producent stelt te hebben geleden, aanwezig wordt geacht in al die gevallen waarin die producent op grond van een van de reparatieverordeningen een definitieve referentiehoeveelheid werd toegekend. Volgens Blom heeft het Hof op dit punt op geen enkele manier afstand genomen van de overwegingen van de advocaat-generaal met betrekking tot het vereiste causaal verband.
– Beoordeling door het Hof
48 In punt 72 van het arrest Bouma en Beusmans heeft het Hof geoordeeld dat de voorwaarden waaronder een SLOM 1983-producent schadevergoeding kan vorderen, enkel kunnen voortvloeien uit de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan de voorschriften op dit gebied. Weliswaar wijzigt verordening nr. 1639/91 artikel 3 bis van verordening nr. 857/84, zoals ingevoegd bij verordening nr. 764/89, betreffende de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid, maar zij stelt niet vast onder welke voorwaarden een dergelijke producent schadevergoeding kan vorderen op grond van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag.
49 Hieruit volgt dat de voorwaarden die bij de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid gelden om te verzekeren dat die hoeveelheid daadwerkelijk voor de productie van het aldus toegekende melkquotum wordt gebruikt, geen gevolgen kunnen hebben voor de voorwaarden voor de vergoeding van SLOM 1983-producenten. Hieruit volgt eveneens, zoals de Raad en de Commissie in hun memories hebben benadrukt, dat het Gerecht geen onjuiste uitlegging heeft gegeven aan het reeds aangehaalde arrest Spagl waar het zich niet op die verordening heeft gebaseerd om te bepalen welke producenten een vergoeding konden vorderen.
50 Aangaande de uitlegging van het arrest Mulder II tegen de achtergrond van de conclusie in de zaak waarin dat arrest is gewezen, zij eraan herinnerd dat het Hof in punt 89 van het arrest Bouma en Beusmans reeds heeft geoordeeld dat voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap is vereist dat de producenten hun voornemen om de melkproductie na afloop van hun niet-leveringsverbintenis te hervatten, duidelijk kenbaar hebben gemaakt.
51 Anders dan Blom stelt, heeft het Hof in het arrest Mulder II geen verband gelegd tussen de voorlopige of de definitieve toekenning van specifieke referentiehoeveelheden op grond van een van de reparatieverordeningen, en het voornemen om de melkproductie te hervatten na afloop van de niet-leveringsverbintenis. Evenmin heeft het Hof het bestaan erkend van een of ander vermoeden waarmee het bewijs van het voornemen om de melkproductie te hervatten dan wel deze definitief stop te zetten gemakkelijker kan worden geleverd.
52 In punt 88 van het arrest Bouma en Beusmans bracht het Hof in herinnering dat het uit de in de tweede volzin van punt 23 van het arrest Mulder II vermelde handelwijze van de producenten in de zaak die aanleiding gaf tot dat arrest, had afgeleid dat zij hun voornemen om hun activiteiten als melkproducent te hervatten naar behoren kenbaar hadden gemaakt. In de zaken waarin die arresten waren gewezen, hadden de verzoekers nog vóór het verstrijken van hun niet-leveringsverbintenis een verzoek om toekenning van een referentiehoeveelheid uit hoofde van de melkquotaregeling ingediend en het voornemen geuit om de melklevering te hervatten uiterlijk onmiddellijk na het verkrijgen van een specifieke referentiehoeveelheid uit hoofde van verordening nr. 764/89.
53 Uit de arresten Mulder II, enerzijds, en Bouma en Beusmans, anderzijds, blijkt dus, anders dan Blom stelt, dat het Hof verlangt dat SLOM 1983-producenten hun voornemen om de melkproductie na afloop van hun niet-leveringsverbintenis te hervatten naar behoren kenbaar hebben gemaakt.
54 Uit het voorgaande volgt dat de argumenten inzake de in verordening nr. 1639/91 vastgestelde voorwaarden voor de definitieve toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid, falen. Mitsdien heeft het Gerecht op goede gronden verlangd dat een SLOM 1983-producent die in de situatie van Blom verkeert, bij het verstrijken van zijn uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis het voornemen om de melkproductie te hervatten kenbaar moest hebben gemaakt door opnieuw met die productie te beginnen of althans door, in navolging van de SLOM-producenten wier niet-leveringsverbintenis in 1984 was verstreken, maatregelen daartoe te treffen.
Derde onderdeel van het derde middel: irrelevantie van bepaalde door het Gerecht aangedragen omstandigheden
– Betoog van Blom
55 De vaststelling van het Gerecht in punt 111 van het bestreden arrest, dat Blom zich niet in verbinding zou hebben gesteld met de nationale autoriteiten om in 1984, bij de inwerkingtreding van de melkquotaregeling, een referentiehoeveelheid te verkrijgen, getuigt van een volledige miskenning van de juridische context waarin producenten in de positie van Blom zich bevonden. Blom betoogt meer bepaald dat de gemeenschapswetgeving de mogelijkheid uitsloot voor SLOM 1983-producenten om op dat tijdstip een referentiehoeveelheid te verkrijgen. Het al dan niet opnemen van contact met de nationale overheid kon daaraan niets veranderen.
56 Bovendien miskent het Gerecht de bewijslastverdeling waar het vaststelt dat Blom geen andere stappen heeft ondernomen waaruit kon blijken dat hij voornemens was de melkproductie te hervatten na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis.
– Beoordeling door het Hof
57 Deze grief is ontvankelijk voor zover zij niet gaat over de vaststelling van de feiten, of beter gezegd, over het onderzoek of bepaalde feiten onjuist zijn vastgesteld, hetgeen in het kader van een hogere voorziening niet door het Hof kan worden getoetst (zie in die zin arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punten 47‑49; 29 april 2004, Parlement/Ripa di Meana e.a., C‑470/00 P, Jurispr. blz. I‑4167, punt 40, en 3 maart 2005, Biegi Nahrungsmittel en Commonfood/Commissie, C‑499/03 P, Jurispr. blz. I‑1751, punten 43 en 44), maar over de juridische beoordeling van de daaraan te verbinden gevolgen (arrest van 9 december 2004, Commissie/Greencore, C‑123/03 P, Jurispr. blz. I‑11647, punt 36).
58 Uit artikel 225 EG en artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie blijkt immers dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Volgens vaste rechtspraak is bijgevolg alleen het Gerecht bevoegd de feiten vast te stellen, tenzij uit de overgelegde stukken blijkt dat zijn bevindingen materieel onjuist zijn, en deze vervolgens te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van de voorgelegde gegevens (zie met name arrest Parlement/Ripa di Meana e.a., reeds aangehaald, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 Voor het overige moet de grief ongegrond worden verklaard, aangezien de vaststelling van het Gerecht in punt 111 van het bestreden arrest niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Ongeacht het feit dat het opnemen van contact met de nationale autoriteiten of andere stappen waaruit zijn voornemen kan blijken om na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis de melkproductie te hervatten, geen resultaat zouden hebben gehad, zou Blom daarmee, net zoals de verzoekers in de zaken die aanleiding gaven tot het arrest Mulder II, zijn voornemen om de activiteit van melkproducent te hervatten naar behoren kenbaar hebben gemaakt, zoals het Hof in punt 88 van het arrest Bouma en Beusmans heeft opgemerkt.
60 Zou de grief inzake de bewijslastverdeling ontvankelijk zijn (zie in die zin arrest van 25 januari 2007, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, C‑403/04 P en C‑405/04 P, Jurispr. blz. I-729, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak), dan zou hij echter ongegrond zijn. Het bewijs dat is voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergoeding berust immers bij degene die om de toekenning ervan verzoekt (zie arrest Bouman en Beusmans, punt 100).
61 Bijgevolg moet ook het derde onderdeel van het derde middel worden afgewezen.
62 Uit een en ander volgt dat het derde middel van Blom tot staving van zijn hogere voorziening ongegrond moet worden verklaard.
Eerste middel: schending van de motiveringsplicht
Betoog van partijen
63 Met dit middel, dat uit twee onderdelen bestaat, verwijt Blom het Gerecht in wezen dat het bestreden arrest een ernstig motiveringsgebrek vertoont, omdat daarin niet is ingegaan op de ten pleidooie aangevoerde argumenten en de bij die gelegenheid overgelegde documenten.
64 Tot staving van het eerste onderdeel van dit middel voert Blom aan dat het Gerecht ten onrechte overwoog dat hij had gesteld dat de instellingen de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens SLOM 1983-producenten enkel in verordening nr. 2187/93 hadden erkend, terwijl hij eveneens had gesteld dat die aansprakelijkheid ook buiten die verordening om was erkend. In punt 73 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zijn stellingen onjuist weergegeven.
65 Met het tweede onderdeel van het eerste middel verwijt Blom het Gerecht dat het de belangrijkste in zijn pleidooi aangehaalde documenten, waaruit de expliciete erkenning van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap blijkt, heeft genegeerd. Hij verwijst enerzijds naar de memorie van de Raad van 27 oktober 1993 in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 27 januari 2000, Mulder e.a./Raad en Commissie (C‑104/89 en C‑37/90, Jurispr. blz. I‑203), en anderzijds naar het standpunt van de instellingen in de zaak waarin de beschikking van de president van het Gerecht van 1 februari 1994, Jones e.a./Raad en Commissie (T‑278/93 R, T‑555/93 R, T‑280/93 R en T‑541/93 R, Jurispr. blz. II‑11; hierna: „beschikking Jones e.a.”), is gewezen.
66 De instellingen hebben nog vóór het verstrijken van de in verordening nr. 2187/93 vastgestelde termijn voor de aanvaarding van het voorstel ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens SLOM 1983-producenten met een specifieke referentiehoeveelheid erkend, ook in die gevallen waarin de betreffende SLOM-producenten het vergoedingsvoorstel niet hadden aanvaard.
67 Om verschillende redenen van procedurele aard verzoekt de Raad het Hof de pleitnota en de daarin opgenomen verwijzing naar de memorie van de Raad van 27 oktober 1993 in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Mulder e.a./Raad en Commissie, uit de onderhavige procedure te weren. Voor het overige is de Raad van mening dat het middel faalt.
Beoordeling door het Hof
68 Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, blijkt uit punt 73 van het bestreden arrest noch uit de punten 74 tot en met 78 daarvan dat het Gerecht de argumenten van Blom onjuist heeft weergegeven. Die punten vatten immers de argumenten samen die verband houden met de handelwijze van de instellingen en de rechtspraak van het Hof, met name ná de vaststelling van verordening nr. 2187/93, en houden dus, in overeenstemming met de eisen van Blom, rekening met andere gedragingen en handelingen van die instellingen dan die verordening.
69 Bijgevolg faalt het eerste onderdeel van het eerste middel.
70 Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, te weten dat er in het bestreden arrest geen rekening is gehouden met onderdelen van het pleidooi van Blom, zij eraan herinnerd dat de op het Gerecht rustende verplichting om zijn beslissingen te motiveren niet inhoudt dat het op elk argument van een partij in detail moet antwoorden (zie arrest van 11 september 2003, België/Commissie, C‑197/99 P, Jurispr. blz. I‑8461, punt 81).
71 In casu moet worden opgemerkt dat de betrokken onderdelen van het pleidooi verband houden met vaststellingen of standpunten van de instellingen aangaande de bij verordening nr. 2187/93 ingevoerde collectieve regeling.
72 In deze omstandigheden moeten die onderdelen worden beschouwd als de loutere uitwerking van het schriftelijke betoog van Blom, volgens hetwelk bedoelde verordening een erkenning inhield van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens hem, waarop het Gerecht in de punten 120 tot en met 128 van het bestreden arrest impliciet is ingegaan door de afwijzing van dat schriftelijke betoog, en mogen zij niet worden opgevat als een afzonderlijk middel dat grond zou hebben opgeleverd voor een specifiek antwoord in het bestreden arrest.
73 Bijgevolg moet ook het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
74 Mitsdien moet het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.
Tweede middel: miskenning van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke erkenning van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap
Voorafgaande opmerkingen van Blom
75 Met zijn tweede middel baseert Blom zijn recht op een vergoeding in wezen op de handelwijze en de opstelling van de instellingen, die volgens hem de aansprakelijkheid van de Gemeenschap hebben erkend en een situatie hebben geschapen die een gewettigd vertrouwen kon wekken, op grond waarvan hij kon verwachten zelfs buiten het kader van verordening nr. 2187/93 te worden vergoed.
76 Blom verwijt het Gerecht dat het in de punten 120 tot en met 128 van het bestreden arrest het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen dat de instellingen bij de SLOM 1983-producenten hebben gewekt, ernstig heeft geschonden. Zij hadden de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens deze producenten met een definitieve specifieke referentiehoeveelheid immers meermaals uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk erkend.
77 Blom verwijt het Gerecht inzonderheid dat het zijn aanspraken van de hand heeft gewezen op de primaire grond dat de ontvangst van een collectief vergoedingsvoorstel uit hoofde van verordening nr. 2187/93 geen uitdrukkelijke erkenning van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap inhield, en dat, door het afwijzen van het vergoedingsvoorstel dat hem werd gedaan, Blom zich buiten het kader van die verordening heeft geplaatst en dus moet aantonen dat aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap was voldaan.
78 Tot staving van dit middel voert hij twee argumenten aan, namelijk dat hij, in zijn hoedanigheid van SLOM 1983-producent met een definitieve specifieke referentiehoeveelheid, zowel op basis van verordening nr. 2187/93 zelf als van de handelwijze van de instellingen erop mocht vertrouwen dat hij vergoed zou worden.
Beoordeling door het Hof
79 Volgens vaste rechtspraak kan op het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen een beroep worden gedaan door iedere marktdeelnemer bij wie een instelling gegronde verwachtingen heeft gewekt (arresten van 15 juli 2004, Di Lenardo en Dilexport, C‑37/02 en C‑38/02, Jurispr. blz. I‑6911, punt 70, en 7 juni 2005, VEMW e.a., C‑17/03, Jurispr. blz. I‑4983, punt 74).
80 Een beroep op dit beginsel is slechts mogelijk voor zover de Gemeenschap zelf eerst een situatie heeft geschapen die een gewettigd vertrouwen kan wekken (zie arrest van 10 januari 1992, Kühn, C‑177/90, Jurispr. blz. I‑35, punt 14).
81 In het licht van deze rechtspraak moeten de aanspraken van Blom worden onderzocht.
Eerste onderdeel van het tweede middel
– Betoog van Blom
82 Met het eerste onderdeel van zijn tweede middel voert Blom aan dat het Gerecht in punt 122 van het bestreden arrest zowel de ontstaansgeschiedenis van verordening nr. 2187/93 en de daaruit voortvloeiende strekking ervan, als de bewoordingen van die verordening miskent. Dienaangaande stelt hij eveneens dat het Gerecht onbegrijpelijke en rechtens onaanvaardbare gevolgen verbindt aan het feit dat hij het vergoedingsvoorstel dat hem werd gedaan, niet heeft aanvaard.
83 In de eerste plaats weerlegt Blom de uitlegging van het Gerecht voor zover het tot de slotsom komt dat het doel van verordening nr. 2187/93, namelijk te komen tot een collectieve regeling, eraan in de weg staat dat hij een beroep doet op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen. Onder verwijzing naar de toelichting bij het voorstel van de Commissie van 13 mei 1993 voor een verordening (EEG) van de Raad inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelproducten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen (PB C 157, blz. 11; hierna: „verordeningsvoorstel”), stelt hij dat het vergoedingsvoorstel niet bepaalde dat bij een afwijzing ervan de aansprakelijkheid van de Gemeenschap opnieuw ter discussie zou kunnen worden gesteld. Volgens Blom impliceert het niet aanvaarden van een dergelijk voorstel alleen dat de betrokken producent de hoogte van zijn schade moet aantonen.
84 In de tweede plaats bekritiseert Blom de vaststelling van het Gerecht, eveneens in punt 122 van het bestreden arrest, dat, overeenkomstig de laatste overweging van de considerans en artikel 14, derde alinea, van verordening nr. 2187/93, in geval van afwijzing van het vergoedingsvoorstel „de op de Gemeenschap rustende schadevergoedingsplicht van geval tot geval door een rechterlijke instantie [moest] worden vastgesteld”. Volgens Blom volgt uit de tekst van die verordening, en met name uit de eerste twee artikelen ervan, daarentegen dat de instellingen de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens de producenten die uit hoofde van de reparatieverordeningen over een definitieve referentiehoeveelheid beschikken, hebben erkend. De aard van die verordening als zijnde een collectieve regeling kan niet afdoen aan een dergelijke erkenning.
– Beoordeling door het Hof
85 Wat het doel van verordening nr. 2187/93 betreft, zij opgemerkt dat noch in punt 122 van het bestreden arrest noch in de toelichting bij het verordeningsvoorstel een standpunt is ingenomen over de rechtsgrondslag van een andere vergoeding dan die waarin bedoelde verordening voorziet, en evenmin meer in het bijzonder over de mogelijkheid van een vergoeding op de grondslag van gewettigd vertrouwen.
86 Buiten de context ervan gelezen kan de verklaring op bladzijde 4 van de toelichting bij het verordeningsvoorstel, dat „indien de producent dit bedrag niet aanvaardt, [hij] geen andere keuze heeft dan voor het Hof te bewijzen dat zijn schade hoger is dan het geboden bedrag, met alle kosten en risico’s vandien en met het gevolg dat hij langer op betaling zal moeten wachten”, inderdaad worden opgevat in de zin die Blom daaraan geeft. Daarbij zou echter zowel aan de context als aan het doel van die verklaring worden voorbijgegaan. Zij is immers opgenomen in een aan de Raad gericht document van de Commissie, dat bedoeld is om de aard van het verordeningsvoorstel toe te lichten, waarbij de betrokken verklaring enkel beoogt nader te bepalen wat de onmiddellijke gevolgen van de afwijzing van een vergoedingsvoorstel zijn. Gelezen in samenhang met het volledige verordeningsvoorstel kan de verklaring slechts in die zin worden opgevat dat daarmee wordt beoogd te wijzen op de mogelijke nadelen voor een producent die de hoogte van zijn schade door de gemeenschapsrechter laat vaststellen.
87 Betreffende in de tweede plaats het onderzoek „van geval tot geval” van de rechten van een melkproducent die een vergoedingsvoorstel heeft afgewezen, zij enerzijds opgemerkt dat deze vaststelling van het Gerecht niet onjuist is, en dat anderzijds dit argument faalt aangezien een schadevordering, ook al is deze gebaseerd op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen vanwege de door de Gemeenschap erkende aansprakelijkheid, vereist dat per geval wordt onderzocht of de SLOM 1983-producent die voor de rechter een dergelijk recht doet gelden, gerechtigd is een beroep te doen op dat beginsel.
88 Het argument van Blom, dat de erkenning van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap blijkt uit de tekst van verordening nr. 2187/93 en, met name uit de eerste twee artikelen ervan, moet aldus worden opgevat dat hij uit die verordening een algemene aansprakelijkheidserkenning afleidt, op grond waarvan hij kon verwachten zelfs buiten het kader van die verordening te worden vergoed.
89 Een dergelijk argument kan evenwel niet slagen. De bewoordingen van verordening nr. 2187/93 kunnen niet aldus worden opgevat dat zij een situatie vermogen te scheppen die bij de producent een gewettigd vertrouwen kan wekken. In overeenstemming met het laatste zinsdeel van de vijfde overweging van de considerans van die verordening en artikel 1 ervan, wordt een vergoeding uit hoofde van die verordening slechts onder welbepaalde voorwaarden toegekend, aangezien zowel de voorwaarden voor de toekenning van de vergoeding als de criteria voor de berekening van het bedrag ervan in die verordening zijn vastgesteld. Deze voorwaarden staan eraan in de weg dat uit bedoelde bewoordingen een algemene erkenning van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap die het kader van die voorwaarden overschrijdt, wordt afgeleid.
90 Een dergelijke uitlegging vindt steun in de duidelijke en precieze bewoordingen van artikel 14 van verordening nr. 2187/93, bevestigd bij artikel 13 van verordening nr. 2330/98, waarin een dergelijke erkenning van aansprakelijkheid uitdrukkelijk wordt uitgesloten. Hieruit volgt inzonderheid dat de specifieke voorwaarden voor een vergoeding uit hoofde van die verordeningen de instellingen niet binden buiten het daarbij vastgestelde kader.
91 Deze uitlegging van verordening nr. 2187/93 wordt bevestigd door het doel van die verordening, namelijk het mogelijk te maken de SLOM 1983-producenten forfaitair te vergoeden door de vaststelling van abstracte maar toch precieze regels voor de berekening van de forfaitaire schadevergoedingsbedragen. Gelet op de bewoordingen van die verordening kon Blom, na afwijzing van het hem op grond daarvan gedane vergoedingsvoorstel, dus niet verwachten een vergoeding te krijgen waarvan nog slechts het bedrag moest worden bepaald.
92 In die omstandigheden kan verordening nr. 2187/93 niet worden beschouwd als een handeling waarmee de instellingen de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens de SLOM 1983-producenten met een definitieve referentiehoeveelheid uit hoofde van een van de reparatieverordeningen, onvoorwaardelijk hebben erkend. Verordening nr. 2187/93 schept dus geen gewettigd vertrouwen op grond waarvan deze categorie producenten gerechtigd was te verwachten een vergoeding te krijgen zonder te voldoen aan de voorwaarden van die verordening, waaronder de aanvaarding van het vergoedingsvoorstel en inzonderheid de aanvaarding van het voorgestelde bedrag. Blom kan dus niet aanvoeren dat hij zijn gewettigd vertrouwen in die verordening had gesteld om buiten het daarbij vastgestelde kader te worden vergoed.
93 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door verordening nr. 2330/98, waarnaar Blom tot staving van zijn betoog verwijst. Volgens de vijfde overweging van de considerans ervan gaat deze verordening immers zoveel mogelijk uit van de bij verordening nr. 2187/93 vastgestelde regeling. Blom voert in dit verband echter geen enkel element aan op grond waarvan zijn rechten anders kunnen worden beoordeeld in het kader van verordening nr. 2330/98 dan in het kader van verordening nr. 2187/93.
94 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het Gerecht in punt 126 van het bestreden arrest geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het heeft geoordeeld dat verordening nr. 2187/93 geen situatie heeft geschapen die een gewettigd vertrouwen kon wekken op grond waarvan Blom, in zijn hoedanigheid van SLOM 1983-producent met een definitieve specifieke referentiehoeveelheid, mocht verwachten een vergoeding te ontvangen nadat hij het vergoedingsvoorstel dat hem werd gedaan, had afgewezen.
95 Aangezien de tot staving ervan aangevoerde argumenten geen doel treffen dan wel ongegrond zijn, moet het eerste onderdeel van het tweede middel dus worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het tweede middel
– Betoog van Blom
96 Met het tweede onderdeel van het tweede middel verwijt Blom het Gerecht dat het, door geen rekening te houden met de opstelling van de instellingen, het motiveringsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden. Blom betwist inzonderheid de overwegingen van het Gerecht, in de punten 123 tot en met 127 van het bestreden arrest, betreffende het vergoedingsvoorstel uit hoofde van verordening nr. 2187/93. Hij betoogt dat het Gerecht ten onrechte voorbij is gegaan aan de juridische relevantie van enerzijds de consistente opstelling van de instellingen jegens de SLOM 1983‑producenten met een definitieve referentiehoeveelheid en het standpunt dat zij hebben verdedigd in de verschillende procedures, waaronder die welke buiten de context van verordening nr. 2187/93 werden afgewikkeld, en, anderzijds van de rol van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen in de betrekking tussen die instellingen en bedoelde producenten.
97 Tot staving van dit onderdeel van het tweede middel steunt Blom zowel op verklaringen van de instellingen tijdens de onderhandelingen over het vergoedingsvoorstel in het kader van de collectieve regeling (hierna: „onderhandelingen betreffende het vergoedingsvoorstel”) als op de gedragslijn die zij tot in het jaar 2000 consistent hebben gevolgd. De instellingen hebben een rechtstreeks verband gelegd tussen het recht op een definitieve referentiehoeveelheid en het recht op vergoeding. Nimmer hebben zij gesuggereerd dat de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens de SLOM 1983‑producenten met een definitieve referentiehoeveelheid afhankelijk zou kunnen zijn van het bewijs dat de betrokken producent na afloop van diens niet-leveringsverbintenis concrete maatregelen had genomen om de melkproductie zo snel mogelijk te hervatten.
98 Wat in de eerste plaats de houding van de instellingen tijdens de onderhandelingen betreffende het vergoedingsvoorstel betreft, bekritiseert Blom de beoordeling door het Gerecht, in de punten 123 tot en met 126 van het bestreden arrest, van het vergoedingsvoorstel dat de instellingen hem op grond van verordening nr. 2187/93 hebben gedaan, en van de afwijzing van dat voorstel. Hij betoogt in wezen dat het in het licht van de handelwijze van de instellingen tijdens die onderhandelingen niet is uitgesloten dat dit voorstel een erkenning van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap inhoudt, dat de instellingen daarop niet kunnen terugkomen nadat zij een dergelijk voorstel hebben gedaan, en dat een na de afwijzing van het voorstel ingesteld beroep in rechte slechts de hoogte van de te betalen vergoeding betreft.
99 Wat in de tweede plaats de consistente houding van de instellingen betreft, verwijst Blom naar hun standpunt in de zaken waarin de beschikking Jones e.a. en het arrest Mulder II zijn gewezen, welk standpunt reeds in het tweede onderdeel van het eerste middel werd behandeld, naar de wijze van afhandeling van de verjaringskwestie na de arresten van het Gerecht van 16 april 1997, Hartmann/Raad en Commissie (T‑20/94, Jurispr. blz. II‑595), en Saint en Murray/Raad en Commissie (T‑554/93, Jurispr. blz. II‑563), naar het automatisme waarmee de Commissie tot in het jaar 2000 eerste vergoedingsvoorstellen is blijven doen aan SLOM 1983-producenten jegens wie het recht op een referentiehoeveelheid alsnog werd erkend, en dit zelfs lang na het verstrijken van de in verordening nr. 2187/93 gestelde termijnen, en naar het standpunt dat die instellingen voor het Gerecht hebben ingenomen tijdens diverse terechtzittingen en informele bijeenkomsten.
– Beoordeling door het Hof
100 Het in punt 98 van het onderhavige arrest weergegeven betoog kan niet worden aanvaard. Blom voert immers niets specifiek aan betreffende de handelwijze van de instellingen tijdens die onderhandelingen op grond waarvan het Hof kan vaststellen dat er een situatie was geschapen die een gewettigd vertrouwen kon wekken waarop hij een beroep kon doen. Ofschoon de instellingen steeds te kennen hebben gegeven, met name middels de vaststelling van verordening nr. 2330/98, dat zij voornemens waren in de mate van het mogelijke een zo groot mogelijk aantal betrokken producenten te vergoeden, heeft Blom niet aangetoond dat hun houding de overtuiging kon doen ontstaan dat een schadevergoeding zowel buiten het bij verordening nr. 2187/93 ingestelde specifieke kader als buiten het algemene kader van artikel 288, tweede alinea, EG en de relevante rechtspraak betreffende die bepaling kon worden toegekend. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat de instellingen na het jaar 2000 zijn teruggekomen op hun standpunt dat de aansprakelijkheid moest worden erkend.
101 Betreffende de vergoedingsvoorstellen die na de reeds aangehaalde arresten van het Gerecht Hartmann/Raad en Commissie en Saint en Murray/Raad en Commissie aan de SLOM 1983-producenten zijn gedaan, moet worden vastgesteld dat er sprake is van de hernieuwing van vroegere voorstellen uit hoofde van verordening nr. 2187/93, nadat het Gerecht de door de instellingen opgeworpen verjaringsbezwaren van de hand had gewezen. In deze omstandigheden kunnen zij, net zoals de eerste voorstellen, niet worden beschouwd als de duidelijke en onvoorwaardelijke uitdrukking van de erkenning van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap op grond van artikel 288, twee alinea, EG.
102 De grief van Blom, dat de instellingen hem nooit hebben medegedeeld welke risico’s een afwijzing van het vergoedingsvoorstel met zich meebracht, faalt. Deze informatie had bij Blom immers geen gewettigd vertrouwen kunnen wekken in die zin dat hij kon rekenen op een dergelijke schadevergoeding.
103 Voor zover Blom verwijst naar vergoedingsvoorstellen die de Commissie tot in het jaar 2000 aan SLOM 1983-producenten heeft gedaan, gaat het om voorstellen die in het kader van verordening nr. 2330/98 werden gedaan. Aan deze mogelijkheid om vergoedingsvoorstellen te doen, is, net zoals bij de situatie voortvloeiend uit verordening nr. 2187/93, een impuls gegeven door de communautaire rechtspraak, in casu door het reeds aangehaalde arrest van het Gerecht Quiller en Heusmann/Raad en Commissie, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de derde en vierde overweging van de considerans van verordening nr. 2330/98. Net zoals verordening nr. 2187/93 is verordening nr. 2330/98 ingegeven door de gedachte dat het, gelet op het aantal producenten dat voor een vergoeding in aanmerking kan komen, niet mogelijk is het verzoek van elke producent afzonderlijk te beoordelen en dat daarom met een forfaitaire benadering moet worden gewerkt. Volgens de vijfde overweging van de considerans ervan gaat verordening nr. 2330/98 bovendien zoveel mogelijk uit van de bij verordening nr. 2187/93 vastgestelde regeling.
104 Beknopt gesteld blijkt uit het onderzoek van de houding van de instellingen dat deze geen situatie hebben geschapen die een gewettigd vertrouwen kon doen ontstaan op grond waarvan kon worden aangenomen dat er sprake was van een uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke erkenning van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens de SLOM 1983-producenten. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 126 van het bestreden arrest op goede gronden geoordeeld, dat Blom voor een beroep op een gewettigd vertrouwen dat de instellingen verbiedt om de aansprakelijkheid van de Gemeenschap te betwisten niet met succes de gedragslijn kan aanvoeren die de instellingen hebben gevolgd. Ook de stelling dat de instellingen na het jaar 2000 zijn teruggekomen op hun standpunt dat de aansprakelijkheid van de Gemeenschap moest worden erkend, moet worden afgewezen.
105 Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel van Blom tot staving van zijn hogere voorziening faalt.
106 Aangezien geen van de tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen kan slagen, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
107 Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 69, lid 2, van dat reglement, dat krachtens artikel 118 van datzelfde reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.
108 Aangezien de hogere voorziening is afgewezen en Blom in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Raad en de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) J. C. Blom wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy