Zaak C‑441/06
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Franse Republiek
„Staatssteun – Verplichting tot terugvordering – Verplichting tot samenwerking”
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 18 oktober 2007
Samenvatting van het arrest
1. Beroep wegens niet-nakoming – Niet-inachtneming van beschikking van Commissie inzake staatssteun – Verweermiddelen
(Art. 10 EG en 88, lid 2, EG)
2. Steunmaatregelen van de staten – Beschikking van Commissie houdende vaststelling dat steun onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt en houdende bevel tot terugvordering ervan
(Art. 88, lid 2, EG)
3. Lidstaten – Verplichtingen – Verplichting tot loyale samenwerking met instellingen van Gemeenschap
(Art. 10 EG)
1. Het enige verweer dat een lidstaat tegen een door de Commissie krachtens artikel 88, lid 2, EG ingesteld beroep wegens niet-nakoming kan aanvoeren, is de volstrekte onmogelijkheid om aan de beschikking uitvoering te geven. Moeilijkheden inzake de uitvoering van beschikkingen betreffende de terugvordering van steun van een groot aantal ondernemingen in combinatie met een groot aantal individuele berekeningsfactoren, vormen geen absolute onmogelijkheid.
Een lidstaat die bij de uitvoering van een beschikking van de Commissie inzake steunmaatregelen op niet voorziene en onvoorzienbare moeilijkheden stuit, dan wel zich bewust wordt van gevolgen die de Commissie niet voor ogen heeft gehad, dient deze problemen aan laatstgenoemde voor te leggen met een voorstel voor passende wijzigingen van de betrokken beschikking. In een dergelijk geval moeten de Commissie en de lidstaat te goeder trouw samenwerken om met volledige inachtneming van de bepalingen van het Verdrag, inzonderheid die betreffende de steunmaatregelen, de moeilijkheden te overwinnen.
(cf. punten 27‑28)
2. Geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht vereist dat de Commissie, wanneer zij de terugbetaling van met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde steun gelast, het precieze bedrag van de terug te betalen steun vaststelt. Voldoende is dat de beschikking van de Commissie de gegevens bevat aan de hand waarvan de adressaat van de beschikking zonder buitensporige moeilijkheden dit bedrag zelf kan vaststellen.
(cf. punt 29)
3. Een lidstaat waaraan een beschikking van de Commissie is gericht waarbij deze vaststelt dat door die lidstaat toegekende steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, en terugvordering van deze steun gelast, komt de krachtens artikel 10 EG op hem rustende verplichtingen niet na, zo hij nalaat de Commissie de voor de vaststelling van het definitieve bedrag van de terug te vorderen steun noodzakelijke aanwijzingen te verstrekken waarom deze heeft verzocht, en niets onderneemt om tot de terugvordering over te gaan, waarbij hij zich beroept op de onmogelijkheid om een betrouwbare en nauwkeurige methodologie voor de berekening van dit bedrag vast te stellen.
(cf. punten 45‑52)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
18 oktober 2007 (*)
„Staatssteun – Verplichting tot terugvordering – Verplichting tot samenwerking”
In zaak C‑441/06,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 88, lid 2, EG, ingesteld op 25 oktober 2006,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Giolito als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en S. Ramet als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), E. Juhász, J. Malenovský en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn uitvoering te hebben gegeven aan beschikking 2005/709/EG van de Commissie van 2 augustus 2004 betreffende de steunregeling die door Frankrijk ten uitvoer is gelegd ten gunste van France Télécom (PB 2005, L 269, blz. 30; hierna: „litigieuze beschikking”), de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2 en 3 van deze beschikking, artikel 249, vierde alinea, EG en artikel 10 EG.
Voorgeschiedenis van het geding
2 France Télécom (hierna: „FT”) is exploitant en leverancier van telecommunicatienetwerken en ‑diensten. FT is onder meer actief op de volgende markten: vaste telefonie, mobiele telefonie, internet en andere informatiediensten, diensten aan ondernemingen, televisie-uitzending en kabeltelevisie.
3 In afwijking van de in Frankrijk toepasselijke bedrijfsbelastingregeling van het gemene recht (artikelen 1447 en volgende van de Code général des impôts) (algemeen belastingwetboek; hierna: „CGI”), volgens welke de bedrijfsbelasting jaarlijks verschuldigd is door natuurlijke personen of rechtspersonen die gewoonlijk een beroepsactiviteit anders dan in loonarbeid uitoefenen, zijn twee opeenvolgende, van het gemene recht afwijkende belastingregelingen ten gunste van FT vastgesteld, namelijk een overgangsregeling die van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1993 van toepassing was, gevolgd door een definitieve regeling die gold vanaf 1 januari 1994. Laatstgenoemde regeling is per 31 december 2002 ingetrokken.
4 De overgangsregeling (1991-1993) bepaalde overeenkomstig artikel 19 van wet nr. 90-568 van 2 juli 1990 betreffende de organisatie van de overheidsdienst post en telecommunicatie (JORF van 8 juli 1990, blz. 8069), dat FT, net als de Staat, gedurende deze periode niet aan belastingen zoals de bedrijfsbelasting, de grondbelasting of de vennootschapsbelasting was onderworpen.
5 De definitieve regeling (1994-2002) bepaalde overeenkomstig artikel 18 van deze wet en artikel 1654 van de CGI dat FT vanaf 1 januari 1994 aan het belastingstelsel van het gemene recht was onderworpen, met uitzondering van de plaatselijke directe belastingen waarvoor de toepasselijke wettelijke voorschriften in bijzondere voorwaarden inzake tarieven, grondslag en wijze van heffing voorzagen.
6 Met betrekking tot deze twee regelingen is een formele onderzoeksprocedure uit hoofde van artikel 88, lid 2, EG ingeleid volgens een besluit van de Commissie dat op 31 januari 2003 aan de Franse Republiek ter kennis is gebracht (PB C 57, blz. 5).
7 In de punten 33 en 53 van de litigieuze beschikking heeft de Commissie geconstateerd dat de overgangsregeling geen staatssteun behelsde. In de punten 42 en 60 heeft zij daarentegen geoordeeld dat het verschil tussen de door FT daadwerkelijk betaalde bedrijfsbelasting en de bedrijfsbelasting die tussen 1 januari 1994 en 31 december 2002 krachtens het gemene recht verschuldigd zou zijn geweest, onwettig toegekende staatssteun vormde, waardoor artikel 88, lid 3, EG was geschonden.
8 Het precieze bedrag van de terug te vorderen steun was in de litigieuze beschikking niet vastgesteld. In punt 59 van die beschikking heeft de Commissie evenwel geoordeeld dat het betrokken bedrag zich situeerde tussen 798 tot 1 140 miljoen EUR als hoofdsom, vermeerderd met rente vanaf de datum waarop deze steun aan de begunstigde ter beschikking was gesteld tot de datum van terugvordering ervan. In dit verband wordt in ditzelfde punt verklaard dat het precieze bedrag van de terug te vorderen steun door de Commissie in samenwerking met de Franse autoriteiten zal worden vastgesteld in het kader van de terugvorderingsprocedure, en wel uiterlijk vóór 1 november 2004.
9 Het dispositief van de litigieuze beschikking luidt als volgt:
„Artikel 1
De staatssteun die Frankrijk, in strijd met artikel 88, lid 3, [EG], onrechtmatig aan France Télécom heeft toegekend ingevolge de bedrijfsbelastingregeling die gedurende de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 2002 op deze onderneming van toepassing was (zoals voorzien bij wet nr. 90-568 [artikel 18] en artikel 1654 [CGI]), is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
Artikel 2
1. Frankrijk neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde steun van France Télécom terug te vorderen.
2. De terugvordering geschiedt onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures voor zover deze procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de onderhavige beschikking toelaten.
3. De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum waarop de steun aan de begunstigde ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.
4. De rente wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk V van verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag [PB L 140, blz. 1].
Artikel 3
Frankrijk deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen. Hiertoe maakt Frankrijk gebruik van de vragenlijst die bij deze beschikking is gevoegd.
[...]”
10 Tussen 17 september 2004 en 10 augustus 2006 hebben de Commissie en de Franse autoriteiten een uitgebreide briefwisseling gevoerd omtrent de maatregelen die voor de uitvoering van de litigieuze beschikking moesten worden genomen. Bovendien hebben daartoe meerdere bijeenkomsten tussen de Commissie en die autoriteiten plaatsgevonden.
11 Tijdens deze contacten heeft de Commissie in een mededeling van 23 december 2005 voorgesteld om het bedrag van de steun aan FT vast te stellen:
– op 635 miljoen EUR, te vermeerderen met rente, voor de periode 1994-1999, en
– op 293 miljoen EUR, te vermeerderen met rente, voor de periode 2000-2002.
12 Bijgevolg bedraagt deze steun volgens de Commissie 928 miljoen EUR, te vermeerderen met rente. In diezelfde mededeling heeft de Commissie de Franse autoriteiten verzocht om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om dat bedrag, vermeerderd met rente, van de begunstigde terug te vorderen en haar hiervan vóór 20 januari 2006 op de hoogte te brengen.
13 In deze mededeling heeft de Commissie er de Franse autoriteiten tevens op gewezen dat indien zij verduidelijkingen of concrete en constructieve wijzigingen in het overgelegde voorstel wilden aanbrengen, zij haar deze vóór diezelfde datum moesten doen toekomen.
14 Omdat zij het gevolg dat deze autoriteiten aan haar verzoek hadden gegeven, ontoereikend achtte, heeft de Commissie besloten beroep in te stellen bij het Hof.
Het beroep
Argumenten van partijen
15 De Commissie constateert dat meer dan twee jaar na de vaststelling van de litigieuze beschikking geen terugvordering van de betrokken steun heeft plaatsgevonden. Op nationaal niveau is geen procedure tot uitvoering van deze beschikking ingeleid, al was het maar voor het laagste van de twee in punt 59 van de litigieuze beschikking vermelde bedragen, te weten 798 miljoen EUR, vermeerderd met rente.
16 De Commissie brengt in herinnering dat het verzuim om de steun terug te vorderen niet kan worden gerechtvaardigd door praktische moeilijkheden bij de vaststelling van het terug te betalen bedrag. In dat geval moeten de Commissie en de betrokken lidstaat op grond van de in artikel 10 EG neergelegde verplichting te goeder trouw samenwerken om die moeilijkheden te overwinnen.
17 De Commissie betoogt dat zij voorstellen over het bedrag van de terug te vorderen steun heeft gedaan, waarbij zij de Franse autoriteiten heeft verzocht om nuttige suggesties ter zake te doen. Deze autoriteiten hebben evenwel louter de gehanteerde aanpak betwist, zonder ooit andere mogelijkheden ter sprake te brengen.
18 De Commissie stelt dat de in punt 59 van de litigieuze beschikking vermelde marge gerechtvaardigd is op grond dat de terug te vorderen steun uitsluitend een bedrag kan zijn tussen 798 en 1 140 miljoen EUR, het respectieve minimum‑ en maximumbedrag waartussen het definitieve bedrag moet worden vastgesteld.
19 De Commissie is van mening dat enkel de terugvordering van een minimumbedrag ten belope van de ondergrens van de marge, te weten 798 miljoen EUR, aanvaardbaar is teneinde daadwerkelijke terugvordering van de staatssteun aan FT te verzekeren.
20 De Commissie concludeert hieruit dat de Franse Republiek niet de maatregelen heeft genomen die noodzakelijk waren om een correcte, onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van de litigieuze beschikking te waarborgen. Dergelijk gedrag druist in tegen de in artikel 10 EG neergelegde verplichting tot loyale samenwerking. De betrokken autoriteiten van deze lidstaat hebben zich immers op geen enkel moment in dier voege constructief opgesteld dat het bedrag van de terug te vorderen steun kon worden vastgesteld.
21 De Franse Republiek voert aan dat in de litigieuze beschikking noch het bedrag van de terug te vorderen steun, noch de criteria of de parameters voor de berekening ervan zijn vastgesteld. De Commissie heeft zich in punt 59 van deze beschikking immers de bevoegdheid voorbehouden om het bedrag van de terug te vorderen steun te bepalen.
22 Deze lidstaat verklaart dat de Commissie hoe dan ook een voldoende nauwkeurige en betrouwbare berekeningsmethode had moeten verstrekken aan de hand waarvan het bedrag van de terug te vorderen steun kon worden vastgesteld. Aangezien zij dit niet heeft gedaan, konden de nationale autoriteiten niet tot de terugvordering van die steun overgaan.
23 Volgens de Franse Republiek wordt deze lezing van de litigieuze beschikking niet op losse schroeven gezet door de omstandigheid dat de nationale autoriteiten krachtens artikel 2 van deze beschikking alle voor de terugvordering van de betrokken steun noodzakelijke maatregelen dienen te treffen. Het dispositief van deze beschikking is immers onafscheidelijk verbonden met de motivering ervan en het dient te worden uitgelegd op basis van de overwegingen die tot de vaststelling ervan hebben geleid.
24 Deze lidstaat preciseert in dit verband dat zelfs het laagste van de twee in punt 59 van de litigieuze beschikking vermelde bedragen irrelevant is. Aangezien de opgegeven marge slechts indicatief was, konden de ter zake gehanteerde bedragen immers niet voor de terugvordering van de steun worden gebruikt.
25 De Franse Republiek herinnert eraan dat zij ingevolge een suggestie van de Commissie de instemming van FT had verkregen voor de sekwestratie van een aanzienlijk bedrag, namelijk 500 miljoen zo niet zelfs 600 miljoen EUR. Door deze sekwestratie zou FT het door de betrokken steun beweerdelijk toegekende concurrentievoordeel zijn ontnomen. De Commissie heeft deze oplossing evenwel afgewezen.
26 Deze lidstaat voegt hieraan toe dat de nationale autoriteiten op de gebreken van de door de Commissie gehanteerde berekeningsmethode hebben gewezen. Voorts hebben tussen september 2004 en augustus 2006 een uitgebreide briefwisseling en werkbijeenkomsten tussen die autoriteiten en de Commissie plaatsgevonden. Er kan dan ook geen sprake zijn van schending van de in artikel 10 EG neergelegde verplichting tot loyale samenwerking.
Beoordeling door het Hof
Schending van de artikelen 2 en 3 van de litigieuze beschikking
27 Vooraf zij eraan herinnerd dat het enige verweer dat een lidstaat tegen een door de Commissie krachtens artikel 88, lid 2, EG ingesteld beroep wegens niet-nakoming kan aanvoeren, de volstrekte onmogelijkheid is om aan de beschikking uitvoering te geven (zie onder meer arresten van 4 april 1995, Commissie/Italië, C‑348/93, Jurispr. blz. I‑673, punt 16; 22 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C‑261/99, Jurispr. blz. I‑2537, punt 23, en 2 juli 2002, Commissie/Spanje, C‑499/99, Jurispr. blz. I‑6031, punt 21).
28 Uit de rechtspraak van het Hof volgt eveneens dat een lidstaat die bij de uitvoering van een beschikking van de Commissie inzake steunmaatregelen op niet voorziene en onvoorzienbare moeilijkheden stuit, ongeacht of het om politieke, juridische of praktische moeilijkheden gaat, dan wel zich bewust wordt van gevolgen die de Commissie niet voor ogen heeft gehad, deze problemen aan laatstgenoemde dient voor te leggen met een voorstel voor passende wijzigingen van de betrokken beschikking. In een dergelijk geval moeten de Commissie en de lidstaat te goeder trouw samenwerken om met volledige inachtneming van de bepalingen van het EG-Verdrag, inzonderheid die betreffende de steunmaatregelen, de moeilijkheden te overwinnen (zie arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 24; arrest van 3 juli 2001, Commissie/België, C‑378/98, Jurispr. blz. I‑5107, punt 31, en arrest Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punten 24 en 25).
29 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht vereist dat de Commissie, wanneer zij de terugbetaling van met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde steun gelast, het precieze bedrag van de terug te betalen steun vaststelt. Voldoende is dat de beschikking van de Commissie de gegevens bevat aan de hand waarvan de adressaat van de beschikking zonder buitensporige moeilijkheden dit bedrag zelf kan vaststellen (zie onder meer arresten van 12 oktober 2000, Spanje/Commissie, C‑480/98, Jurispr. blz. I‑8717, punt 25, en 12 mei 2005, Commissie/Griekenland, C‑415/03, Jurispr. blz. I‑3875, punt 39).
30 Het betoog van de Franse Republiek dient in het aldus geschetste rechtskader te worden beoordeeld.
31 Met betrekking tot het argument dat de Commissie zich de bevoegdheid zou hebben voorbehouden om het bedrag van de van de begunstigde terug te vorderen steun vast te stellen, zij eraan herinnerd dat de litigieuze beschikking in punt 59 preciseert dat de hoofdsom tussen 798 en 1 140 miljoen EUR bedraagt.
32 Uit punt 54 van deze beschikking volgt dat het tweede bedrag door de Commissie is vastgesteld ingevolge een mededeling van de Franse autoriteiten van 15 mei 2003 betreffende de te lage aanslag van FT uit hoofde van de bedrijfsbelastingregeling tussen 1994 en 2002. Volgens punt 58 is het eerstgenoemde bedrag berekend op basis van een mededeling van deze autoriteiten van 16 juli 2004. Zoals overigens uit de in die punten opgenomen tabellen blijkt, zijn deze twee bedragen voor de periode van 1994 tot en met 2002 in jaarlijkse bedragen opgedeeld.
33 Hieruit volgt dat het bedrag van 798 miljoen EUR overeenkomstig artikel 2 van de litigieuze beschikking als het minimumbedrag van de terug te vorderen steun moet worden aangemerkt. Het dispositief van een beschikking op het gebied van staatssteun is immers onafscheidelijk verbonden met de motivering van deze laatste, die derhalve, indien nodig, moet worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de vaststelling ervan hebben geleid (zie onder meer arrest van 15 mei 1997, TWD/Commissie, C‑355/95 P, Jurispr. blz. I‑2549, punt 21).
34 Weliswaar staat vast dat de Commissie in punt 59 van de litigieuze beschikking had verklaard dat het precieze bedrag van de terug te vorderen steun door haarzelf zou worden bepaald, maar in ditzelfde punt werd eveneens gepreciseerd dat het bedrag zou worden vastgesteld in samenwerking met de Franse autoriteiten in het kader van de terugvorderingsprocedure, en wel uiterlijk vóór 1 november 2004. De uitvoering van de terugvorderingsprocedure hing dus niet af van de vaststelling van dat bedrag. Derhalve stond de omstandigheid dat het precieze bedrag van de terug te vorderen steun niet definitief was vastgesteld, er niet aan in de weg dat deze autoriteiten de procedure tot terugvordering van het minimumbedrag van de steun inleidden, en evenmin dat zij doelmatig samenwerkten met het oog op de vaststelling van het definitieve bedrag ervan.
35 In die omstandigheden kan evenmin worden aanvaard het argument van de Franse Republiek dat de in punt 59 van de litigieuze beschikking vermelde bedragen slechts indicatief waren en geen bindende rechtskracht hadden.
36 Met betrekking tot het argument dat de Commissie geen betrouwbare berekeningsmethode zou hebben aangereikt aan de hand waarvan het bedrag van de terug te vorderen steun kon worden bepaald, moet worden vastgesteld dat het verschil tussen de belasting waaraan FT daadwerkelijk is onderworpen en die welke krachtens de regels van het gemene recht inzake de bedrijfsbelasting op haar van toepassing zou zijn geweest, reeds bij de inleiding van de onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG grondig is onderzocht.
37 De Commissie heeft in het kader van deze procedure immers parameters uitgewerkt op basis waarvan de Franse autoriteiten een definitief voorstel betreffende het bedrag van de terug te betalen steun hadden kunnen formuleren.
38 De daarvoor noodzakelijke aanwijzingen heeft de Commissie onder meer verstrekt in de punten 25 tot en met 38, 60 tot en met 67 en 72 tot en met 80 van de beschikking van 31 januari 2003 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure, en inzonderheid in de punten 34 tot en met 44 van de litigieuze beschikking.
39 De nationale autoriteiten beschikten dus over de nodige gegevens om de Commissie een nauwkeurig bedrag met betrekking tot de te lage aanslag van FT tussen 1994 en 2002 te kunnen voorstellen. Die autoriteiten waren immers de aangewezen instanties, niet alleen om te bepalen hoe de onverschuldigd betaalde staatsteun het best kon worden teruggevorderd, maar ook om de precieze terug te vorderen bedragen vast te stellen (zie in die zin arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punten 50 en 51).
40 De beschikking van de Commissie bevat immers de aanwijzingen aan de hand waarvan de Franse Republiek zonder buitensporige moeilijkheden zelf het definitieve bedrag van de terug te vorderen steun kon vaststellen binnen de door de Commissie vastgestelde marge.
41 Bijgevolg kan het argument van deze lidstaat dat de Commissie geen voldoende betrouwbare berekeningsmethode zou hebben aangereikt om het bedrag van de terug te vorderen steun vast te stellen, niet worden aanvaard.
42 Wat ten slotte het argument van deze lidstaat betreft dat het bedrag van de terug te vorderen steun onmogelijk met zekerheid kon worden vastgesteld, zij eraan herinnerd dat het Hof in situaties betreffende de terugvordering van steun van een groot aantal ondernemingen in combinatie met een groot aantal individuele berekeningsfactoren heeft geoordeeld dat dergelijke moeilijkheden inzake de uitvoering van de betrokken beschikkingen geen absolute onmogelijkheid in de zin van de hiervóór aangehaalde rechtspraak vormden (zie onder meer arrest van 29 januari 1998, Commissie/Italië, C‑280/95, Jurispr. blz. I‑259, punten 18 en 23, en arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punten 41 en 42). Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de problemen die in casu met de berekening van het bedrag van de terug te vorderen steun verband hielden, groter waren dan die welke zich hadden voorgedaan in de situaties die aanleiding hebben gegeven tot voornoemde arresten.
43 Tevens zij erop gewezen dat in het kader van de uitvoering van een beschikking op het gebied van staatssteun de vrees voor interne moeilijkheden voor een lidstaat geen rechtvaardiging kan zijn om de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet na te leven (zie in die zin arresten van 7 december 1995, Commissie/Frankrijk, C‑52/95, Jurispr. blz. I‑4443, punt 38, en 9 december 1997, Commissie/Frankrijk, C‑265/95, Jurispr. blz. I‑6959, punt 55, en arrest van 29 januari 1998, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 16).
44 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek de krachtens de artikelen 2 en 3 van de litigieuze beschikking en artikel 249, vierde alinea, EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Schending van artikel 10 EG
45 Vooraf zij eraan herinnerd dat de lidstaten ingevolge artikel 10 EG de Gemeenschap de vervulling van haar taak dienen te vergemakkelijken en zich dienen te onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen (zie arrest van 14 juli 2005, Commissie/Duitsland, C‑433/03, Jurispr. blz. I‑6985, punt 63).
46 Aangaande de grief die de Commissie in dit verband in de onderhavige zaak heeft geformuleerd, moet erop worden gewezen dat de Commissie in de correspondentie met de Franse autoriteiten na de vaststelling van de litigieuze beschikking in tal van mededelingen om een aantal aanwijzingen heeft verzocht teneinde – met instemming van die autoriteiten – het definitieve bedrag van de terug te vorderen steun te kunnen vaststellen.
47 Hieraan moet worden toegevoegd dat de Commissie in het kader van de onderhandelingen met de Franse autoriteiten met het oog op de uitvoering van de litigieuze beschikking het bedrag van de terug te vorderen steun in een mededeling van 23 december 2005 op 928 miljoen EUR te vermeerderen met rente heeft vastgesteld.
48 Deze autoriteiten hebben het evenwel niet nuttig geacht om op dit punt een duidelijk standpunt in te nemen, noch om de Commissie een tegenvoorstel met concrete cijfers over te leggen.
49 Voor het overige onthief de omstandigheid dat de Franse Republiek in de correspondentie met de Commissie na de vaststelling van de litigieuze beschikking steeds heeft gemeend, de gegrondheid van deze beschikking te moeten betwisten, inzonderheid de kwalificatie als staatssteun van de belastingregeling die tussen 1994 en 2002 op FT van toepassing was, haar niet van de verplichting, aan die beschikking uitvoering te geven.
50 De Franse Republiek heeft eveneens meerdere vraagtekens geplaatst bij de voor de bepaling van het bedrag van de terug te vorderen steun noodzakelijke berekeningsparameters. Voorts heeft zij bij herhaling verklaard dat het technisch onmogelijk was om een betrouwbare en nauwkeurige methodologie vast te stellen en om aldus op exacte en onbetwistbare wijze de bedrijfsbelasting te bepalen die FT had moeten betalen indien zij aan de bedrijfsbelastingregeling van het gemene recht was onderworpen. Deze lidstaat heeft hieruit in meerdere tussen 2005 en 2006 opgestelde mededelingen herhaaldelijk geconcludeerd dat er geen voldoende stevige rechtsgrondslag was om een terugvorderingsprocedure te kunnen inleiden zonder grote kans op een geschil.
51 Rekening houdend met deze verklaringen en gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek jegens de Commissie blijk heeft gegeven van een gebrek aan samenwerking bij het verstrekken van de voor de uitvoering van de litigieuze beschikking noodzakelijke medewerking.
52 Bijgevolg moet het gedrag van de betrokken autoriteiten als een schending van artikel 10 EG worden aangemerkt.
53 Het beroep van de Commissie is dan ook in zijn geheel gegrond.
54 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn uitvoering te hebben gegeven aan de litigieuze beschikking, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2 en 3 van deze beschikking, artikel 249, vierde alinea, EG en artikel 10 EG.
Kosten
55 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart:
1) Door niet binnen de gestelde termijn uitvoering te hebben gegeven aan beschikking 2005/709/EG van de Commissie van 2 augustus 2004 betreffende de steunregeling die door Frankrijk ten uitvoer is gelegd ten gunste van France Télécom, is de Franse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2 en 3 van deze beschikking, artikel 249, vierde alinea, EG en artikel 10 EG.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy