Zaak C‑442/06
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
„Niet-nakoming – Richtlijn 1999/31/EG – Storten van afvalstoffen – Nationale regeling betreffende bestaande stortplaatsen – Onjuiste uitvoering”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep wegens niet-nakoming – Precontentieuze procedure – Ingebrekestelling
(Art. 226 EG)
2. Beroep wegens niet-nakoming – Recht van beroep van Commissie – Uitoefening niet afhankelijk van bestaan van specifiek procesbelang
(Art. 226 EG)
3. Lidstaten – Verplichtingen – Uitvoering van richtlijnen – Niet-nakoming – Rechtvaardiging op basis van vertraging bij uitvoering van richtlijn – Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
4. Milieu – Afvalstoffen – Storten van afvalstoffen – Richtlijn 1999/31
(Art. 226 EG; richtlijn 1999/31 van de Raad, art. 2-13)
5. Beroep wegens niet-nakoming – Termijn, aan lidstaat gesteld in met redenen omkleed advies – Latere opheffing van niet-nakoming – Belang bij voortzetting van actie
(Art. 226 EG)
6. Milieu – Afvalstoffen – Storten van afvalstoffen – Richtlijn 1999/31
(Art. 226 EG; richtlijn 1999/31 van de Raad, art. 14, sub d‑i)
1. Het regelmatige verloop van de precontentieuze procedure van artikel 226 EG vormt een door het Verdrag gewilde wezenlijke waarborg, niet alleen ter bescherming van de rechten van de aangesproken lidstaat, maar ook om te verzekeren dat in de eventuele procedure voor het Hof het voorwerp van het geschil duidelijk is omschreven. Uit dit oogmerk volgt dat de aanmaningsbrief tot doel heeft, het voorwerp van het geschil af te bakenen en de lidstaat die om opmerkingen wordt verzocht, de gegevens te verschaffen die hij nodig heeft om zijn verweer voor te bereiden en hem in staat te stellen aan die brief gevolg te geven voordat beroep bij het Hof wordt ingesteld. Wanneer de Commissie een lidstaat een aanvullende aanmaningsbrief met een nieuwe termijn voor de indiening van zijn opmerkingen zendt, alvorens hem een met redenen omkleed advies op basis van dezelfde grieven als die in de aanvullende aanmaningsbrief te zenden, schendt zij de rechten van verdediging van deze lidstaat dus niet, daar deze lidstaat in staat is gesteld zijn verweer voor te bereiden voordat hij het met redenen omkleed advies ontving.
(cf. punten 22‑23)
2. Een lidstaat die een gemeenschapsrichtlijn niet binnen de voorgeschreven termijn heeft omgezet en tegen wie een niet-nakomingsberoep tot vaststelling, niet van dit verzuim, maar van de niet-nakoming van een uit deze richtlijn voortvloeiende verplichting is ingesteld, kan zich niet met een beroep op het feit dat hij de nodige maatregelen tot uitvoering van de richtlijn nog niet heeft genomen, verzetten tegen de ontvankelijkheid van het beroep en daartoe gebrek aan procesbelang van de Commissie aanvoeren.
(cf. punten 30‑31)
3. Een lidstaat kan niet met een beroep op vertraging bij de uitvoering van een richtlijn de niet-nakoming of niet-tijdige nakoming van andere door deze richtlijn opgelegde verplichtingen rechtvaardigen. Wanneer een richtlijn de bevoegde nationale instanties duidelijke verplichtingen oplegt, kunnen de lidstaten die deze richtlijn niet in nationaal recht hebben omgezet, zich na het verstrijken van de omzettingstermijn niet van de nakoming van deze verplichtingen ontheven achten en kunnen zij niet bij wege van een overgangsbepaling de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn uitsluiten. Indien de lidstaat dat wel kon, zou hij de uiterste datum voor omzetting in nationaal recht kunnen opschuiven.
(cf. punt 33)
4. Een lidstaat die een nationale regeling vaststelt en handhaaft die niet voorziet in de toepassing van de artikelen 2 tot en met 13 van deze richtlijn, die de nieuwe stortplaatsen betreffen, op de stortplaatsen waarvoor na de datum van het verstrijken van de termijn voor omzetting van deze richtlijn in nationaal recht en vóór die van de inwerkingtreding van deze regeling een vergunning is verleend, komt de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens richtlijn 1999/31 betreffende het storten van afvalstoffen.
(cf. punten 34‑35, 51 en dictum)
5. Het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld naar de situatie waarin de betrokken lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Zelfs wanneer het verzuim na het verstrijken van deze termijn is opgeheven, blijft er een belang bij de voortzetting van de actie, met name de vaststelling van de grondslag van de aansprakelijkheid van een lidstaat wegens niet-nakoming, met name jegens degenen rechten ontlenen aan die niet-nakoming.
(cf. punt 42)
6. Een lidstaat die overgangsbepalingen voor de behandeling van gevaarlijke afvalstoffen vaststelt die alleen van toepassing zijn op de nieuwe stortplaatsen, en die in geen enkele overgangsbepaling voor de behandeling van deze afvalstoffen in de bestaande stortplaatsen voorziet, komt de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens richtlijn 1999/31 betreffende het storten van afvalstoffen. Aldus verzekert hij namelijk niet de uitvoering van artikel 14, sub d‑i, van deze richtlijn, dat ongeacht de duur van de procedure voor de aanpassing van de bestaande stortplaatsen, die op 16 juli 2009 moet zijn voltooid, voorziet in een termijn van een jaar vanaf de datum van het verstrijken van de termijn voor uitvoering van deze richtlijn, dat wil zeggen vanaf 16 juli 2002, voor de toepassing van de overgangsbepalingen van de artikelen 4, 5 en 11 en van bijlage II bij de richtlijn op de bestaande stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen.
(cf. punten 46‑47, 51 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
10 april 2008 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijn 1999/31/EG – Storten van afvalstoffen – Nationale regeling betreffende bestaande stortplaatsen – Onjuiste uitvoering”
In zaak C‑442/06,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 26 oktober 2006,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Recchia en M. Konstantinidis als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door G. Fiengo, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, L. Bay Larsen, K. Schiemann, J. Makarczyk en C. Toader (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door wetsbesluit nr. 36 van 13 januari 2003 (gewone bijlage bij GURI nr. 40 van 12 maart 2003), zoals gewijzigd bij wetsbesluit nr. 203 van 30 september 2005 (GURI nr. 230 van 3 oktober 2005, blz. 4; hierna: „wetsbesluit nr. 36/2003”), vast te stellen en te handhaven, waarbij richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182, blz. 1) in nationaal recht is omgezet, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2 tot en met 14 van deze richtlijn.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
2 Volgens haar artikel 1 heeft richtlijn 1999/31 tot doel te voorzien in maatregelen, procedures en richtsnoeren om negatieve gevolgen van het storten van afvalstoffen voor het milieu te voorkomen of zo veel mogelijk te verminderen.
3 Artikel 2 bevat de lijst van de definities waarnaar deze richtlijn verwijst. Het vermeldt met name de begrippen afvalstoffen en stortplaats, die wordt gedefinieerd als afvalverwijderingsterrein voor het storten van afvalstoffen op of in de bodem. Volgens de definitie van het toepassingsgebied van richtlijn 1999/31 in artikel 3 ervan betreft zij in beginsel alle stortplaatsen als omschreven in artikel 2 ervan.
4 Richtlijn 1999/31 deelt in de artikelen 4 en 6 de stortplaatsen in drie klassen in, namelijk stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen, stortplaatsen voor ongevaarlijke afvalstoffen en stortplaatsen voor inerte afvalstoffen, en bepaalt welke afvalstoffen in de verschillende stortplaatsklassen kunnen worden aanvaard.
5 Wat de afvalstoffen en de behandelingen betreft die niet op een stortplaats mogen worden aanvaard, bepaalt artikel 5, lid 1, van deze richtlijn: „De lidstaten ontwikkelen uiterlijk twee jaar na de [...] datum [van omzetting van deze richtlijn] een nationale strategie voor de vermindering van de naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbare afvalstoffen en stellen de Commissie van die strategie in kennis.” Artikel 5, lid 2, stelt de termijnen voor deze vermindering van de afvalstoffen.
6 Artikel 10 van richtlijn 1999/31 stelt voorschriften vast voor de kosten van het storten van afvalstoffen. Artikel 11 en bijlage II van deze richtlijn regelen de procedures voor de aanvaarding van afvalstoffen in de stortplaatsen, artikel 12 en bijlage III van deze richtlijn de controle‑ en toezichtprocedures in de stortplaatsen en artikel 13 van deze richtlijn betreft de sluitings‑ en nazorgprocedure.
7 De artikelen 7 tot en met 9 van richtlijn 1999/31 voorzien in de vergunningsprocedure voor nieuwe stortplaatsen. Zij onderwerpt ook de bestaande stortplaatsen aan bijzondere maatregelen. Dienaangaande bepaalt artikel 14 van deze richtlijn:
„De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat de exploitatie van stortplaatsen waarvoor een vergunning is verleend of die op het tijdstip van de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht reeds in gebruik zijn, niet wordt voortgezet tenzij zo spoedig mogelijk, doch ten laatste binnen acht jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum, de onderstaande maatregelen zijn getroffen:
a) binnen één jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum legt de exploitant van een stortplaats de bevoegde autoriteit ter goedkeuring een door hem opgesteld aanpassingsplan voor met de in artikel 8 bedoelde gegevens alsmede de corrigerende maatregelen die hij nodig acht om te voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, met uitzondering van de voorschriften van bijlage I, punt 1;
b) na de presentatie van het aanpassingsplan beslissen de bevoegde autoriteiten op basis van dat aanpassingsplan en deze richtlijn definitief of de exploitatie al dan niet mag worden voortgezet. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, sub g, en artikel 13;
c) op basis van het goedgekeurde aanpassingsplan voor de stortplaats geeft de bevoegde autoriteit toestemming voor de noodzakelijke werkzaamheden en bepaalt zij een overgangsperiode voor de uitvoering van het plan. Elke bestaande stortplaats moet binnen acht jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, met uitzondering van de voorschriften van bijlage I, punt 1;
d) i) binnen een jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum, zijn de artikelen 4, 5, 11 en bijlage II van toepassing op stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen,
ii) binnen drie jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum is artikel 6 van toepassing op stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen.”
8 Artikel 18 van richtlijn 1999/31 bepaalt de termijn voor de implementatie ervan:
„1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding ervan te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
[...]”
9 Deze richtlijn is op 16 juli 1999 in werking getreden. De in artikel 18 ervan gestelde termijn voor implementatie is op 16 juli 2001 verstreken.
10 Op 19 december 2002 heeft de Raad van de Europese Unie beschikking 2003/33/EG tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van richtlijn 1999/31 (PB 2003, L 11, blz. 27) vastgesteld.
Nationale regeling
11 Wetsbesluit nr. 36/2003 zet alle bepalingen van richtlijn 1999/31 in Italiaans recht om.
12 Artikel 5 ervan bepaalt met name dat de regio’s binnen een jaar na inwerkingtreding ervan een programma moeten opstellen en goedkeuren voor de vermindering van de biologisch afbreekbare afvalstoffen die in de stortplaatsen aanwezig zijn. Het bepaalt ook de voor de geleidelijke vermindering van deze afvalstoffen in de stortplaatsen in acht te nemen termijnen. Artikel 6 van wetsbesluit nr. 36/2003 zet de bepaling van richtlijn 1999/31 om betreffende de niet in stortplaatsen aanvaarde afvalstoffen, terwijl artikel 11 ervan de voorschriften voor de procedure van aanvaarding van afvalstoffen in deze stortplaatsen bepaalt.
13 Artikel 17 van dit wetsbesluit, „Overgangs‑ en slotbepalingen”, die de voorschriften voor de behandeling van de bestaande stortplaatsen vaststelt, bepaalt:
„1. De stortplaatsen waarvoor op de datum van de inwerkingtreding van het onderhavige besluit reeds een vergunning is verleend, mogen tot en met 31 december 2006 de afvalstoffen ontvangen waarvoor zij een vergunning hebben gekregen.
2. Tot en met 31 december 2006 is verwijdering in de nieuwe stortplaatsen toegestaan met inachtneming van de aanvaardbaarheidsvoorwaarden en ‑grenzen, die zijn vastgesteld bij het besluit van het interministerieel comité van 27 juli 1984, bekendgemaakt in de gewone bijlage bij [GURI] nr. 253 van 13 september 1984, [...] wat betreft:
a) in de stortplaatsen voor inerte afvalstoffen, de afvalstoffen die voorheen naar stortplaatsen van klasse II, type A, gingen;
b) in de stortplaatsen voor ongevaarlijke afvalstoffen, de afvalstoffen die voorheen naar stortplaatsen van klasse I en II, type B, gingen;
c) in de stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen, de afvalstoffen die voorheen naar stortplaatsen van klasse II, type C, en van klasse III gingen.
3. Binnen een termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van het onderhavige besluit legt de in lid 1 bedoelde vergunninghouder of de door hem gemachtigde exploitant van de stortplaats de bevoegde instantie een aanpassingsplan voor de stortplaats op basis van de in het onderhavige besluit bedoelde criteria, met inbegrip van de bij artikel 14 bedoelde financiële garanties, voor.
4. De bevoegde instantie keurt bij gemotiveerd besluit het in lid 3 bedoelde plan goed, verleent vergunning voor de voortzetting van de activiteit van de stortplaats en stelt de aanpassingswerken, de uitvoeringswijze en de einddatum voor de voltooiing ervan vast, zonder dat deze datum na 16 juli 2009 mag liggen. [...]
5. Bij afwijzing van het in lid 3 bedoelde plan geeft de bevoegde instantie overeenkomstig artikel 12, lid 1, sub c, aan hoe en binnen welke termijn de stortplaats wordt gesloten.
[...]”
14 Het besluit van het interministerieel comité van 27 juli 1984, waarnaar artikel 17, lid 2, van wetsbesluit nr. 36/2003 verwijst, voorziet in de indeling van de stortplaatsen in drie klassen. De stortplaatsen van klasse II, type C, en die van klasse III, waarnaar dit artikel 17, lid 2, sub c, verwijst, zijn die welke zijn bestemd voor toxische en gevaarlijke afvalstoffen (punten 4.2.3.3 en 4.2.4 van dit besluit).
De precontentieuze procedure
15 Na een klacht volgens welke richtlijn 1999/31 incorrect bij wetsbesluit nr. 36/2003 was omgezet, heeft de Commissie de Italiaanse Republiek op 17 oktober 2003 een aanmaningsbrief gezonden waarin zij stelde dat dit wetsbesluit niet verenigbaar was met de artikelen 2, 5, 6, 10, 13 en 14 van deze richtlijn. In de inleiding van deze brief wees de Commissie erop dat de opmerkingen erin „[niet vooruitliepen] op mogelijke verdere vragen waarop de Italiaanse autoriteiten eventueel [zouden kunnen] worden geattendeerd”.
16 De Italiaanse Republiek heeft deze brief beantwoord bij twee afzonderlijke nota’s van 12 december 2003 respectievelijk 28 januari 2004.
17 Op 9 juli 2004 heeft de Commissie deze lidstaat een aanvullende aanmaningsbrief gezonden, waarin zij twijfel uitte over de correcte omzetting niet alleen van de in de aanvankelijke aanmaningsbrief bedoelde artikelen van richtlijn 1999/31, maar ook van de artikelen 3, 4, 7, 8, 9, 11 en 12 van deze richtlijn. Bovendien verzocht zij de Italiaanse Republiek om inlichtingen over het juiste aantal stortplaatsen waarop de bepalingen van deze richtlijn betreffende nieuwe stortplaatsen niet van toepassing waren alsook om indiening van haar opmerkingen binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van de aanvullende aanmaningsbrief.
18 Daar de Commissie de nadere verduidelijkingen van de Italiaanse Republiek ontoereikend achtte, heeft zij laatstgenoemde op 19 december 2005 een met redenen omkleed advies gezonden. Daarin heeft zij een aantal in de aanvankelijke aanmaningsbrief geformuleerde grieven laten vallen en die bevestigd volgens welke de nationale bepalingen betreffende de bestaande stortplaatsen onverenigbaar met richtlijn 1999/31 waren. Zij gelastte de Italiaanse Republiek ook de bepalingen vast te stellen die nodig zijn om dit met redenen omkleed advies binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst ervan op te volgen.
19 Daar de Commissie de door de Italiaanse Republiek in haar nota van 28 februari 2006 in antwoord op dit met redenen omkleed advies aangevoerde argumenten niet overtuigend achtte, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
De exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens onregelmatigheid van de precontentieuze procedure
20 Volgens de Italiaanse Republiek is het beroep van de Commissie niet-ontvankelijk wegens een gebrek in de precontentieuze procedure. Deze instelling heeft de aangevoerde grieven gewijzigd. Terwijl de Commissie in de aanvankelijke aanmaningsbrief over de behandeling van de bestaande stortplaatsen had vermeld dat wetsbesluit nr. 36/2003 niet verenigbaar was met artikel 14 van richtlijn 1999/31, heeft zij in de aanvullende aanmaningsbrief namelijk schending van de artikelen 2 tot en met 14 van deze richtlijn gesteld. Deze lidstaat wijst er ook op dat de Commissie reeds in de aanvankelijke aanmaningsbrief had vermeld dat later „nieuwe twijfel” kon rijzen over de verenigbaarheid met richtlijn 1999/31 van de nationale wetgeving tot omzetting ervan. Dankzij deze vermelding kon de Commissie de tegen een lidstaat aangevoerde grieven naar goeddunken en zonder inleiding van een nieuwe niet-nakomingsprocedure wijzigen. Bovendien schendt de uitbreiding van de aanvullende aanmaning met nieuwe grieven de plicht tot loyale samenwerking in de zin van artikel 10 EG.
21 Volgens de Commissie is er geen sprake van een dergelijke schending, aangezien de aan de Italiaanse Republiek gezonden aanvullende aanmaningsbrief tot doel had nieuwe grieven toe te voegen of de reeds aangevoerde te wijzigen. Om het in een aanmaningsbrief uiteengezette nader te verduidelijken en de analyse van het antwoord van de nationale autoriteiten aan te vullen zendt de Commissie de betrokken lidstaat een met redenen omkleed advies. Overeenkomstig artikel 226 EG zendt de Commissie, om de aangevoerde grieven uit te breiden, deze lidstaat daarentegen een aanvullende aanmaningsbrief waarover hij zijn argumenten kan aanvoeren.
22 Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat het regelmatige verloop van de precontentieuze procedure een door het EG-Verdrag gewilde wezenlijke waarborg vormt, niet enkel ter bescherming van de rechten van de aangesproken lidstaat, maar ook om te verzekeren dat in de eventuele procedure voor het Hof het voorwerp van het geschil duidelijk is omschreven. Uit dit oogmerk volgt dat de aanmaningsbrief tot doel heeft, het voorwerp van het geschil af te bakenen en de lidstaat die om opmerkingen wordt verzocht, de gegevens te verschaffen die hij nodig heeft om zijn verweer voor te bereiden en hem in staat te stellen hieraan gevolg te geven voordat beroep bij het Hof wordt ingesteld (arresten van 13 december 2001, Commissie/Frankrijk, C‑1/00, Jurispr. blz. I‑9989, punt 54, en 5 november 2002, Commissie/Duitsland, C‑476/98, Jurispr. blz. I‑9855, punten 46 en 47).
23 De Commissie heeft de Italiaanse Republiek een aanvullende aanmaningsbrief met een nieuwe termijn voor de indiening van haar opmerkingen gezonden, alvorens haar een met redenen omkleed advies op basis van dezelfde grieven als die in de aanvullende aanmaningsbrief te zenden. De Commissie heeft de rechten van de verdediging dus niet geschonden, daar de Italiaanse Republiek in staat is gesteld haar verweer voor te bereiden voordat zij het met redenen omkleed advies ontving.
24 Deze exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Italiaanse Republiek moet dus worden verworpen.
De eerste grief: schending van de artikelen 2 tot en met 14 van richtlijn 1999/31 doordat deze laatste met vertraging is omgezet
Argumenten van partijen
25 Wegens de omzetting van richtlijn 1999/31 met vertraging – eerst op 27 maart 2003 met de inwerkingtreding van wetsbesluit 36/2003, terwijl zij vóór 16 juli 2001 moest zijn omgezet – werden, aldus de Commissie, de stortplaatsen waarvoor tussen 16 juli 2001 en 27 maart 2003 een vergunning is verleend, naar Italiaans recht op dezelfde wijze als bestaande stortplaatsen en niet strenger als bepaald voor de nieuwe stortplaatsen behandeld. Voor deze stortplaatsen heeft de Italiaanse Republiek dus de artikelen 2 tot en met 14 van deze richtlijn geschonden, aangezien deze artikelen niet zijn toegepast op al deze stortplaatsen, die integendeel als nieuw beschouwd hadden moeten worden. De Italiaanse autoriteiten zouden dus doelbewust ervoor hebben gekozen de betrokken gemeenschapsbepalingen te schenden, daar zij zelfs bij omzetting van deze richtlijn met vertraging deze stortplaatsen hadden kunnen en moeten onderwerpen aan de behandeling waarin deze richtlijn voor nieuwe stortplaatsen voorzag.
26 Bovendien, aldus de Commissie, rechtvaardigt het in de administratieve procedure aangevoerde feit dat de Italiaanse Republiek liever unilateraal wachtte op de vaststelling van beschikking 2003/33, niet de vertraging bij de omzetting van richtlijn 1999/31. Deze omzetting hangt namelijk geenszins af van een dergelijke handeling, aangezien de lidstaten overeenkomstig deze richtlijn nationale criteria moeten gebruiken die verenigbaar zijn met de voorschriften van bijlage II bij deze laatste.
27 In de eerste plaats voert de Italiaanse Republiek een exceptie van niet-ontvankelijkheid van deze grief aan en stelt zij dat de Commissie geen beroep bij het Hof kan instellen wegens vertraging bij de omzetting van richtlijn 1999/31, terwijl het wetsbesluit tot omzetting vóór de opening van de precontentieuze procedure is vastgesteld en deze vertraging een feit is dat onmogelijk is te verhelpen.
28 In de tweede plaats, aldus deze lidstaat, was het door deze vertraging noodzakelijk stortplaatsen waarvoor tussen de datum van het verstrijken van de termijn voor omzetting van richtlijn 1999/31 en die van de inwerkingtreding van wetsbesluit nr. 36/2003 een vergunning was verleend, om louter technische en administratieve redenen te onderwerpen aan de verplichtingen van deze richtlijn voor bestaande stortplaatsen. Voor deze stortplaatsen waarop reeds een bepaalde hoeveelheid afvalstoffen was opgeslagen, moest namelijk in een overgangsperiode worden voorzien waarin de houders van exploitatievergunningen ze hadden moeten aanpassen. Deze overgangsregeling beantwoordt bovendien aan de noodzaak de marktdeelnemers die op de datum van de inwerkingtreding van dit wetsbesluit reeds over dergelijke vergunningen beschikten, niet ongelijk te behandelen. De betrokken regeling was hoe dan ook uiterst streng en voorzag in een kortere dwingende termijn voor de indiening van een aanpassingsplan voor deze stortplaatsen dan die in richtlijn 1999/31.
Beoordeling door het Hof
29 Met betrekking tot de door de Italiaanse Republiek aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang bij de vaststelling van de vertraging bij de omzetting van richtlijn 1999/31, dient te worden opgemerkt dat de vorderingen van het onderhavige beroep, met name voor zover zij berusten op de eerste grief ervan, niet strekken tot de vaststelling van een dergelijke vertraging, maar van de onverenigbaarheid met deze richtlijn van de overgangsbepalingen van wetsbesluit nr. 36/2003 inzake de behandeling van de stortplaatsen die in de periode tussen de datum van het verstrijken van de termijn voor omzetting van deze richtlijn en die van de inwerkingtreding van dit wetsbesluit zijn geopend.
30 Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, kan een lidstaat, die een gemeenschapsrichtlijn niet binnen de voorgeschreven termijn heeft omgezet en tegen wie een niet-nakomingsberoep tot vaststelling niet van dit verzuim, maar van de niet-nakoming van een uit deze richtlijn voortvloeiende verplichting is ingesteld, zich evenwel niet met een beroep op het feit dat hij de nodige maatregelen tot omzetting van de richtlijn nog niet heeft genomen, verzetten tegen de ontvankelijkheid van het beroep en dus tegen het onderzoek door het Hof van het verzoek, strekkende tot vaststelling van dit verzuim (arrest van 11 augustus 1995, Commissie/Duitsland, C‑431/92, Jurispr. blz. I‑2189, punt 23).
31 De exceptie van niet-ontvankelijkheid van de eerste grief van het beroep wegens gebrek aan procesbelang van de Commissie moet dus worden verworpen.
32 Wat de gegrondheid van deze grief betreft, moet worden vastgesteld dat wetsbesluit nr. 36/2003, zoals de Commissie onweersproken door de Italiaanse Republiek terecht opmerkt, niet voorziet in de toepassing van de bepalingen voor de nieuwe stortplaatsen, met name de artikelen 2 tot en met 13 van deze richtlijn, op de stortplaatsen waarvoor tussen de datum van het verstrijken van de termijn voor omzetting van richtlijn 1999/31 en die van de inwerkingtreding van dit wetsbesluit een vergunning is verleend. Het voorziet daarentegen in de toepassing op deze stortplaatsen van de behandeling voor de bestaande stortplaatsen, door ze te onderwerpen aan de aanpassingsprocedure van artikel 17 ervan.
33 Volgens vaste rechtspraak kan een lidstaat evenwel niet met een beroep op vertraging bij de uitvoering van een richtlijn de niet-inachtneming of niet-tijdige naleving van andere door deze richtlijn opgelegde verplichtingen rechtvaardigen (zie arresten van 13 april 2000, Commissie/Spanje, C‑274/98, Jurispr. blz. I‑2823, punt 22, en 8 november 2001, Commissie/Italië, C‑127/99, Jurispr. blz. I‑8305, punt 45). Wanneer een richtlijn als die welke hier aan de orde is, de bevoegde nationale instanties duidelijke verplichtingen oplegt, kunnen de lidstaten die deze richtlijn niet hebben omgezet, zich na het verstrijken van de omzettingstermijn niet van de nakoming van deze verplichtingen ontslagen achten en kunnen zij niet bij overgangsregeling de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn uitsluiten. Indien de lidstaat dat wel kon, zou hij de uiterste datum voor omzetting kunnen opschuiven (zie in die zin arrest van 9 augustus 1994, Bund Naturschutz in Bayern e.a., C‑396/92, Jurispr. blz. I‑3717, punt 19).
34 Derhalve had de Italiaanse Republiek op de stortplaatsen waarvoor tussen 16 juli 2001 en 27 maart 2003 een vergunning is verleend, de bepalingen van richtlijn 1999/31 betreffende de nieuwe stortplaatsen van de artikelen 2 tot en met 13 ervan moeten toepassen. Door de vaststelling en handhaving van wetsbesluit 36/2003, dat deze toepassing uitsluit, is zij dus de verplichtingen niet nagekomen die krachtens deze artikelen op haar rusten.
35 Bovendien is zij, door de regeling van artikel 14 van richtlijn 1999/31 betreffende bestaande stortplaatsen op nieuwe stortplaatsen toe te passen, ook de uit dit artikel voortvloeiende verplichtingen niet nagekomen.
36 Voorts zijn de door deze lidstaat aangevoerde redenen ter rechtvaardiging van de vertraging bij de omzetting en de toepassing van richtlijn 1999/31 wegens de noodzaak te wachten op de vaststelling van beschikking 2003/33 ongegrond. Deze beschikking strekt namelijk tot nadere verduidelijking van de voorschriften betreffende de criteria en de procedures voor aanvaarding van afvalstoffen in de stortplaatsen. Deze voorschriften worden evenwel gegeven in deze richtlijn, en de toepassing ervan hangt niet af van de vaststelling van een dergelijke beschikking krachtens artikel 16 van deze richtlijn.
37 Bijgevolg moet de eerste grief van de Commissie ter ondersteuning van haar beroep gegrond worden verklaard.
De tweede grief: schending van artikel 14, sub d‑i, van richtlijn 1999/31
Argumenten van partijen
38 Met haar tweede grief stelt de Commissie dat artikel 14, sub d‑i, van richtlijn 1999/31, dat de overgangsregeling voor de stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen vaststelt, bepaalt dat de artikelen 4, 5 en 11 alsook bijlage II ervan vanaf 16 juli 2002 van toepassing zijn op de bestaande stortplaatsen, terwijl wetsbesluit 36/2003 geenszins voorziet in de toepassing van deze bepalingen op deze stortplaatsen, maar daarentegen in zijn artikel 17, lid 2, sub c, alleen voor nieuwe stortplaatsen voorziet in een overgangsregeling. Deze laatste bepaling is dus in conflict niet alleen met artikel 14, sub d‑i, van deze richtlijn, maar ook met de bepalingen die op de bestaande stortplaatsen moeten worden toegepast, namelijk onder meer de artikelen 4, 5, en 11 alsook bijlage II van deze richtlijn. Bovendien is de Italiaanse wetgeving die vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn op deze laatste stortplaatsen van toepassing was, evenmin daarmee verenigbaar.
39 De Italiaanse Republiek wijst erop dat zij bij de eventuele vaststelling van de niet-nakoming in het kader van deze grief niet de maatregelen zal kunnen nemen die nodig zijn om richtlijn 1999/31 op te volgen, daar het arrest van het Hof zal worden gewezen na het verstrijken van de overgangsregeling voor de stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen op 31 december 2006.
40 Wat de gegrondheid van deze tweede grief betreft, wijst deze lidstaat erop dat artikel 17 van wetsbesluit nr. 36/2003 artikel 14, sub d‑i, van richtlijn 1999/31 correct omzet, aangezien het voorziet in de toepassing van de artikelen 4, 5 en 11 ervan op de bestaande stortplaatsen. Krachtens de leden 3 tot en met 5 van dit artikel 17 hadden de exploitanten van deze stortplaatsen namelijk uiterlijk op 27 september 2003 een aanpassingsplan voor deze stortplaatsen moeten voorleggen aan de bevoegde instantie. Deze moest dit plan vóór 16 juli 2009, welke termijn voor de voltooiing van de aanpassing van de bestaande stortplaatsen in deze richtlijn is vastgesteld, goedkeuren in het licht van de voorwaarden die zijn vastgesteld in de bepalingen tot omzetting van deze richtlijn betreffende de indeling van de stortplaatsen en de voorwaarden waaronder de exploitatie ervan kan worden voortgezet.
41 Bovendien stelt het door de Commissie aangehaalde artikel 17, lid 2, sub c, van wetsbesluit nr. 36/2003 een overgangsbepaling vast volgens welke de gevaarlijke afvalstoffen, die volgens de aan dit wetsbesluit voorafgaande regeling zijn bestemd voor stortplaatsen voor gevaarlijke en toxische afvalstoffen, tot 31 december 2006 in dergelijke stortplaatsen mogen worden aanvaard. Volgens de Italiaanse Republiek voorzag deze regeling, met name ministerieel besluit nr. 141 van 11 maart 1998 (GURI nr. 108 van 12 mei 1998, blz. 22), ook al zette zij de bepalingen van richtlijn 1999/31 niet om, in verbodsbepalingen en specifieke procedures voor de aanvaarding van deze afvalstoffen in deze stortplaatsen overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn.
Beoordeling door het Hof
42 Wat de door de Italiaanse Republiek gestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid betreft, is het vaste rechtspraak dat het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld naar de situatie waarin de betrokken lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Zelfs wanneer het verzuim na het verstrijken van deze termijn mocht zijn opgeheven, blijft er een belang bij de voortzetting van de actie, met name tot vaststelling van de grondslag van de aansprakelijkheid van een lidstaat als gevolg van de niet-nakoming met name jegens hen die daaraan rechten ontlenen (zie in die zin arresten van 18 maart 1992, Commissie/Griekenland, C‑29/90, Jurispr. blz. I‑1971, punt 12, en 14 april 2005, Commissie/Luxemburg, C‑519/03, Jurispr. blz. I‑3067, punten 18 en 19).
43 In casu dient te worden vastgesteld dat artikel 17, lid 2, sub c, van wetsbesluit nr. 36/2003 een overgangsbepaling betreffende de stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen bevat, die, zoals de Italiaanse Republiek heeft bevestigd, ook van toepassing was bij de afloop van de aan deze lidstaat gestelde termijn om het met redenen omkleed advies van de Commissie op te volgen.
44 Bovendien dient erop te worden gewezen dat, anders dan deze lidstaat stelt, de door de Commissie verweten niet-nakoming berust op de onverenigbaarheid van verschillende op deze stortplaatsen toepasselijke bepalingen van Italiaans recht met het gemeenschapsrecht. Tot deze bepalingen behoren niet alleen die welke de afvalstoffen vermeldt die in deze stortplaatsen mogen worden aanvaard, waarvoor wetsbesluit nr. 36/2003 voorziet in een overgangsregeling voor de behandeling, maar ook de bepalingen betreffende de behandeling van afvalstoffen en de procedure voor aanvaarding ervan in de stortplaatsen.
45 Bijgevolg is de tweede grief van het beroep inzake schending van artikel 14, sub d‑i, van richtlijn 1999/31 ontvankelijk.
46 Met betrekking tot de gegrondheid van deze tweede grief dient eraan te worden herinnerd dat artikel 14, sub d‑i, van deze richtlijn bepaalt dat de artikelen 4, 5 en 11 alsook bijlage II ervan van toepassing zijn op de bestaande stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen binnen een termijn van een jaar na de datum van het verstrijken van de termijn van omzetting van deze richtlijn, dat wil zeggen na 16 juli 2002. Deze bepaling stelt dus ongeacht de duur van de procedure voor de aanpassing van de bestaande stortplaatsen die op 16 juli 2009 moet zijn voltooid, een korte termijn voor de toepassing van deze bepalingen op deze stortplaatsen.
47 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is artikel 17, lid 2, sub c, van wetsbesluit nr. 36/2003, dat met name overgangsbepalingen voor de behandeling van gevaarlijke afvalstoffen vaststelt, daarentegen niet van toepassing op de nieuwe stortplaatsen en voorziet het in geen enkele overgangsbepaling voor de behandeling van deze afvalstoffen in de bestaande stortplaatsen.
48 Anders dan de Italiaanse Republiek stelt, voorziet artikel 17, leden 3 tot en met 5, van wetsbesluit nr. 36/2003 evenmin in de toepassing op deze stortplaatsen vanaf 16 juli 2002 van de artikelen 4, 5 en 11 alsook van bijlage II van richtlijn 1999/31. Deze nationaalrechtelijke bepaling stelt namelijk slechts een aanpassingsprocedure vast, die van toepassing is op alle stortplaatsen ongeacht de klasse waartoe zij behoren. Volgens deze bepaling moet de houder van de vergunning voor de exploitatie van een stortplaats binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit wetsbesluit een aanpassingsplan voor de stortplaats voorleggen aan de bevoegde instantie. Laatstgenoemde verleent een vergunning voor de voortzetting van de activiteit van de stortplaats en bepaalt de aanpassingswerken, de uitvoeringswijze en de termijn voor de voltooiing van de procedure. De aanpassing van de stortplaats moet vóór 16 juli 2009 zijn voltooid.
49 Bovendien verzekerden de aan wetsbesluit nr. 36/2003 voorafgaande nationaalrechtelijke voorschriften, die betrekking hadden op de procedure voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen, ook al stelden zij specifieke bepalingen voor de aanvaarding in deze stortplaatsen van deze afvalstoffen, in deze overgangsperiode waarin de bestaande stortplaatsen kunnen worden aangepast, niet de volle toepassing van de artikelen 4, 5 en 11 van richtlijn 1999/31 op de stortplaatsen voor deze afvalstoffen. In haar verweerschrift heeft de Italiaanse Republiek namelijk toegegeven dat deze interne regeling inhoudelijk niet overeenkwam met die van de relevante bepalingen van deze richtlijn.
50 Uit het voorgaande volgt dat de tweede grief van de Commissie eveneens gegrond moet worden verklaard.
51 Derhalve dient te worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek met de vaststelling en handhaving van wetsbesluit nr. 36/2003, waarbij richtlijn 1999/31 in nationaal recht is omgezet,
– voor zover dit wetsbesluit niet voorziet in de toepassing van de artikelen 2 tot en met 13 van richtlijn 1999/31 op de stortplaatsen waarvoor na de datum van het verstrijken van de termijn voor omzetting van deze richtlijn en vóór die van de inwerkingtreding van dit wetsbesluit een vergunning is verleend, en
– voor zover het niet de omzetting van artikel 14, sub d‑i, van deze richtlijn verzekert,
de krachtens de artikelen 2 tot en met 14 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
52 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Met de vaststelling en handhaving van wetsbesluit nr. 36 van 13 januari 2003, zoals gewijzigd, waarbij richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, in nationaal recht is omgezet,
– voor zover dit wetsbesluit niet voorziet in de toepassing van de artikelen 2 tot en met 13 van richtlijn 1999/31 op de stortplaatsen waarvoor na de datum van het verstrijken van de termijn voor omzetting van deze richtlijn en vóór die van de inwerkingtreding van dit wetsbesluit een vergunning is verleend, en
– voor zover het niet de omzetting van artikel 14, sub d‑i, van deze richtlijn verzekert,
is de Italiaanse Republiek de krachtens de artikelen 2 tot en met 14 van richtlijn 1999/31 op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy