Zaak C‑449/06
Sophiane Gysen
tegen
Groep S-Socialeverzekeringskas voor zelfstandigen
(verzoek van de Arbeidsrechtbank te Brussel om een prejudiciële beslissing)
„Ambtenaren – Bezoldiging – Statuut – Gezinstoelagen – Vaststelling van bedrag van nationale gezinsbijslag – Bepaling van rang van kinderen – Kind dat krachtens Statuut recht geeft op gezinstoelagen”
Samenvatting van het arrest
Ambtenaren – Statuut – Rechtskarakter – Verordening – Rechtstreekse toepasselijkheid – Verplichtingen van lidstaten
(Art. 249, tweede alinea, EG; verordening nr. 259/68 van de Raad)
Verordening nr. 259/68 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2074/83, heeft een algemene strekking, is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gelet op de rechtstreekse toepasselijkheid van deze verordening in de rechtsorde van de lidstaten, moet het kind dat recht geeft op gezinstoelagen krachtens het Statuut op één lijn worden gesteld met een kind dat recht geeft op dergelijke toelagen krachtens het nationale recht of een internationale overeenkomst betreffende de sociale zekerheid die in de betrokken lidstaat van kracht is.
(cf. punten 24‑25 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
14 februari 2008 (*)
„Ambtenaren – Bezoldiging – Statuut – Gezinstoelagen – Vaststelling van bedrag van nationale gezinsbijslag – Rangbepaling van kinderen – Kind dat krachtens Statuut recht geeft op gezinstoelagen”
In zaak C‑449/06,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Arbeidsrechtbank te Brussel (België) bij beslissing van 17 oktober 2006, ingekomen bij het Hof op 6 november 2006, in de procedure
Sophiane Gysen
tegen
Groep S-Socialeverzekeringskas voor zelfstandigen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, G. Arestis, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász (rapporteur) en J. Malenovský, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– S. Gysen, vertegenwoordigd door N. Sluse, advocaat,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall en D. Martin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 november 2007,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing van de Arbeidsrechtbank te Brussel betreffende verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2074/83 van de Raad van 21 juli 1983 (PB L 203, blz. 1; hierna: „Statuut”), is ingediend in het kader van een geding tussen Gysen en Groep S-Socialeverzekeringskas voor zelfstandigen (hierna: „verzekeringskas”) over de bepaling van de rang van Gysens kinderen met het oog op de vaststelling van het bedrag van de Belgische gezinsbijslag.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
2 Het Statuut is overeenkomstig artikel 11, tweede alinea, ervan „verbindend in al [zijn] onderdelen en [...] rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat”.
3 Overeenkomstig artikel 67, lid 1, van het Statuut omvatten de gezinstoelagen de kostwinnerstoelage, de kindertoelage en de toelage voor schoolgaande kinderen.
4 Krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut is de ambtenaar die de in dit artikel bedoelde gezinstoelagen geniet, verplicht opgave te doen van soortgelijke toelagen uit andere bron; deze komen in mindering op die welke uit hoofde van de artikelen 1 tot en met 3 van bijlage VII bij het Statuut worden uitbetaald.
5 Artikel 2, lid 7, van bijlage VII bij het Statuut bepaalt dat wanneer een kind ten laste op grond van wettelijke bepalingen dan wel een uitspraak van de rechter of van de bevoegde administratieve autoriteit aan een andere persoon is toevertrouwd, de toelage aan deze persoon wordt uitgekeerd voor rekening en namens de ambtenaar.
Nationale regeling
6 Overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen (Belgisch Staatsblad van 6 mei 1976) neemt het bijslagbedrag per kind met het aantal kinderen toe.
7 Luidens artikel 16, § 1, eerste alinea, van dit koninklijk besluit in de versie die van toepassing was op de feiten van het hoofdgeding, wordt de rang van de kinderen bepaald, rekening houdend met de volgorde van geboorten van de kinderen die rechtgevend zijn krachtens dit koninklijk besluit, de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel, de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag en de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
8 Gysen, die de Belgische nationaliteit heeft, is in België werkzaam als zelfstandige. Op 1 februari 1986 is zij gehuwd. Op 20 oktober 1989 is uit dit huwelijk een kind geboren. In juni 1993 is het koppel uit de echt gescheiden.
9 In december 1993 is Gysen hertrouwd. Uit dit huwelijk zijn respectievelijk op 5 mei 1994 en 17 september 1996 twee kinderen geboren. In de loop van 2000 is het echtpaar gescheiden.
10 Gysens oudste zoon woont sinds 17 januari 2001 bij zijn moeder. Voor de twee jongste kinderen is bij rechterlijke beslissing van 13 februari 2001 bepaald dat het ouderlijk gezag en het beheer van de goederen aan de beide ouders worden toegewezen, en dat Gysen de gezinsbijslag ontvangt.
11 Op 1 december 2001 is de vader van het in 1989 geboren kind in dienst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen getreden. Sindsdien keren de diensten van de Commissie Gysen het volledige bedrag van de gezinstoelagen voor haar oudste zoon uit, namens en voor rekening van de vader.
12 Bij brief van 22 februari 2002 heeft Gysen de verzekeringskas van deze situatie op de hoogte gebracht, waarna deze kas de betaling van gezinsbijslag voor Gysens oudste zoon heeft stopgezet; de bijslag voor de jongste kinderen bleef de verzekeringskas wél uitkeren.
13 Vanaf maart 2003 heeft de verzekeringskas evenwel een naar haar mening onverschuldigd betaald bedrag van 2 284,84 EUR op de maandelijkse gezinsbijslag ingehouden. Dit bedrag komt overeen met het verschil tussen de bijslag die zij had uitgekeerd voor de jongste kinderen als kinderen van tweede en derde rang en de bijslag die volgens haar had moeten worden uitgekeerd voor twee kinderen van eerste en tweede rang.
14 Van mening dat de administratieve besluiten van de verzekeringskas inzake deze inhouding op grond van een onrechtmatige vaststelling van de rang van haar drie kinderen zijn genomen, zodat zij nietig moeten worden verklaard, heeft Gysen zich tot de verwijzende rechter gewend.
15 Daarop heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Kunnen of mogen [het Statuut] en bijlage VII daarbij, getiteld ‚Nadere bepalingen betreffende bezoldiging [...]’, [in het bijzonder] artikel 67, lid 1, onder afdeling 1, ‚Gezinstoelagen’, waaronder de kostwinnerstoelage, de kindertoelage en de toelage voor schoolgaande kinderen wordt begrepen, al dan niet worden beschouwd als ‚een internationale overeenkomst van de sociale zekerheid van kracht in België’, als bedoeld in de thans aan de orde zijnde nationale regeling?”
Behandeling van de prejudiciële vraag
16 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te verstrekken, dat hem in staat stelt het bij hem aanhangige geding te beslechten, moeten de aard en de rechtskracht van het Statuut onder de aandacht worden gebracht.
17 In het kader van het bij artikel 234 EG ingevoerde stelsel van rechterlijke samenwerking staat het aan het Hof om de bepalingen van gemeenschapsrecht uit te leggen. Wat de nationale voorschriften betreft, zij eraan herinnerd dat in het kader van dit stelsel de uitlegging daarvan een zaak van de nationale rechter is (zie arrest van 12 oktober 1993, Vanacker en Lesage, C‑37/92, Jurispr. blz. I‑4947, punt 7).
18 Uit het door de verwijzende rechter uiteengezette rechtskader van het hoofdgeding blijkt dat naar Belgisch recht het kind van een zelfstandige waarvoor socialezekerheidsinstellingen van een andere lidstaat op grond van een internationale overeenkomst namens de echtgenoot of de ex-echtgenoot een toelage uitkeren, bij de rangbepaling van de kinderen van deze zelfstandige wordt meegeteld voor de vaststelling van het bedrag van de Belgische gezinsbijslag waarop hij voor zijn andere kinderen recht heeft.
19 Uit de verwijzingsbeslissing kan verder worden opgemaakt dat het hoofdgeding zijn oorsprong vindt in de weigering van de verzekeringskas om het kind waarvoor namens en voor rekening van zijn vader, een gemeenschapsambtenaar, een toelage volledig op grond van het Statuut wordt uitgekeerd, mee te tellen bij de rangbepaling van de kinderen van de moeder, een zelfstandige, ter vaststelling van het bedrag van de gezinsbijslag waarop zij voor haar andere kinderen recht heeft.
20 Uit het dossier blijkt dat de verschillende behandeling door de verzekeringskas van deze twee gevallen terug te voeren is op de specifieke rechtsgrondslag van de toelage die op grond van het Statuut voor het in 1989 geboren kind van Gysen wordt uitbetaald.
21 De verzekeringskas betoogt voor de verwijzende rechter dat het Statuut de gemeenschapsambtenaren rechten verleent die zij tegenover hun werkgever kunnen doen gelden, en, in voorkomend geval, het recht om beroep in te stellen bij de gemeenschapsrechter, maar dat deze rechten geen rechtstreekse en onmiddellijke werking in de nationale rechtsorden hebben.
22 Vastgesteld zij dat deze stelling in strijd is met de aard en de rechtskracht van het Statuut.
23 Hoewel verordening nr. 259/68 tot vaststelling van het Statuut niet op één lijn kan worden gesteld met een internationale overeenkomst, daar zij is vastgesteld niet door de lidstaten overeenkomstig de regels van internationaal recht, maar door de Raad als autonoom handelende instelling van de Europese Gemeenschap (zie in die zin arresten van 18 februari 1970, Commissie/Italië, 38/69, Jurispr. blz. 47, punt 11, en 18 maart 1980, Commissie/Italië, 91/79, Jurispr. blz. 1099, punt 7), net zo min als het EG-Verdrag waarop deze verordening berust kan worden gelijkgesteld met een internationale overeenkomst van de sociale zekerheid, zij er toch aan herinnerd dat deze verordening krachtens artikel 249, tweede alinea, EG een algemene strekking heeft, verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat (zie arresten van 20 oktober 1981, Commissie/België, 137/80, Jurispr. blz. 2393, punt 7, en 7 mei 1987, Commissie/België, 186/85, Jurispr. blz. 2029, punt 21). Zoals Gysen verder stelt, bepaalt artikel 11, tweede alinea, van het Statuut zelf uitdrukkelijk dat het Statuut verbindend is in al zijn onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
24 Gelet op de rechtstreekse toepasselijkheid van verordening nr. 259/68 in de rechtsorde van de lidstaten, moet de nationale rechter deze verordening toepassen om de eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel te garanderen. Hij dient de gelijke behandeling te verzekeren van personen waarvan het kind recht geeft op gezinstoelagen krachtens het Statuut en personen waarvan het kind recht geeft op dergelijke toelagen krachtens het nationale recht of een internationale overeenkomst van de sociale zekerheid die in de betrokken lidstaat van kracht is.
25 Gelet op een en ander, moet op de vraag worden geantwoord dat het Statuut een algemene strekking heeft, verbindend is in al zijn onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat, en dat, gelet op de rechtstreekse toepasselijkheid van verordening nr. 259/68 in de rechtsorde van de lidstaten, het kind dat recht geeft op gezinstoelagen krachtens het Statuut op één lijn moet worden gesteld met een kind dat recht geeft op dergelijke toelagen krachtens het nationale recht of een internationale overeenkomst van de sociale zekerheid die in de betrokken lidstaat van kracht is.
Kosten
26 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn, zoals gewijzigd bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2074/83 van de Raad van 21 juli 1983, heeft een algemene strekking, is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gelet op de rechtstreekse toepasselijkheid van deze verordening in de rechtsorde van de lidstaten, moet het kind dat recht geeft op gezinstoelagen krachtens het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen op één lijn worden gesteld met een kind dat recht geeft op dergelijke toelagen krachtens het nationale recht of een internationale overeenkomst van de sociale zekerheid die in de betrokken lidstaat van kracht is.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy