Zaak C‑464/06
Procedure ingeleid door
Avena Nordic Grain Oy
(verzoek van de Korkein hallinto-oikeus om een prejudiciële beslissing)
„Landbouw – Stelsel van restituties bij uitvoer van landbouwproducten – Verordening (EG) nr. 800/1999 – Artikel 5 – Indiening van aangifte ten uitvoer – Verzending per telefax”
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 18 oktober 2007
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer
(Verordening nr. 800/1999 van de Commissie, art. 5)
Artikel 5 van verordening nr. 800/1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 90/2001, moet aldus worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat de bevoegde douaneautoriteiten een per fax verstuurde uitvoeraangifte voor landbouwproducten aanvaarden, wanneer die toezending voorafgaand aan de belading voor het exportvervoer heeft plaatsgevonden, wanneer de aldus verstuurde aangifte alle gegevens bevat die noodzakelijk zijn om de fysieke controle van de uitgevoerde goederen mogelijk te maken, en wanneer bij de aan de orde zijnde uitvoer geen fraude is gepleegd of geen poging daartoe is ondernomen. Dat is het geval wanneer de goederen waarop de per fax verstuurde uitvoeraangifte betrekking heeft, in het derde land van bestemming zijn aangekomen, en de later toegezonden originele aangifte volkomen overeenstemt met de per fax verstuurde aangifte. Het staat aan de verwijzende rechter, na te gaan of die voorwaarden in het hoofdgeding zijn vervuld.
(cf. punt 26 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
18 oktober 2007 (*)
„Landbouw – Regeling van restituties bij uitvoer van landbouwproducten – Verordening (EG) nr. 800/1999 – Artikel 5 – Indiening van aangifte ten uitvoer – Verzending per telefax”
In zaak C‑464/06,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (Finland) bij beslissing van 16 november 2006, ingekomen bij het Hof op 20 november 2006, in de procedure ingeleid door
Avena Nordic Grain Oy,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. Klučka, A. Ó Caoimh (rapporteur), P. Lindh en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Avena Nordic Grain Oy, vertegenwoordigd door K. Viljanen als directeur,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door J. Heliskoski als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Aalto en F. Clotuche-Duvieusart als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5 van verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 90/2001 van de Commissie van 17 januari 2001 (PB L 14, blz. 22; hierna: „verordening nr. 800/1999”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure die Avena Nordic Grain Oy (hierna: „ANG”) heeft ingeleid tegen een beslissing van het Maa‑ ja metsätalousministeriö (Fins ministerie van Land‑ en Bosbouw; hierna: „ministerie”), de instantie die in Finland belast is met het beheer van de door het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) gefinancierde steun, over de weigering om een uitvoerrestitutie te betalen.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
Controle op landbouwproducten bij uitvoer
3 Artikel 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad van 12 februari 1990 inzake de controle bij de uitvoer van landbouwproducten die in aanmerking komen voor restituties of andere bedragen (PB L 42, blz. 6), bepaalt dat de lidstaten „op de grondslag van de documenten die ter staving van de uitvoeraangifte worden overgelegd, een fysieke controle [uitvoeren] op de goederen [...] bij het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer en voordat toestemming voor de uitvoer wordt gegeven”.
4 Artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 2090/2002 van de Commissie van 26 november 2002 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 386/90 ten aanzien van de fysieke controle bij de uitvoer van landbouwproducten waarvoor een restitutie wordt toegekend (PB L 322, blz. 4), preciseert dat onder „fysieke controle” in de zin van artikel 2, sub a, van verordening nr. 386/90 moet worden verstaan, „het nagaan of de uitvoeraangifte, met inbegrip van de bijbehorende documenten, in overeenstemming is met de hoeveelheid, de aard en de kenmerken van de goederen”.
Uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten
5 In de punten 4, 6 en 63 van de considerans van verordening nr. 800/1999 staat:
„(4) Overwegende dat in de zin van deze verordening de dag van uitvoer de dag is waarop de douanedienst de handeling aanvaardt waardoor de aangever te kennen geeft de producten waarvoor hij een uitvoerrestitutie aanvraagt, te willen uitvoeren; dat deze handeling tot doel heeft de aandacht van met name de douaneautoriteiten erop te vestigen dat de betrokken transactie met financiële steun van de Gemeenschap plaatsvindt, opdat deze autoriteiten de nodige controles zullen uitvoeren; dat de producten op het tijdstip van deze aanvaarding onder douanecontrole worden geplaatst totdat zij daadwerkelijk worden uitgevoerd; dat die datum bepalend is voor de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product;
[...]
(6) Overwegende dat, om een correcte toepassing mogelijk te maken van verordening [nr. 386/90], laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 163/94 [PB L 24, blz. 2], dient te worden bepaald dat de overeenstemming tussen de uitvoeraangifte en de landbouwproducten wordt geverifieerd op het tijdstip van het laden van de container, de vrachtwagen, het vaartuig of andere soortgelijke bergingsmiddelen;
[...]
(63) Overwegende dat volgens de geldende communautaire reglementering uitvoerrestituties uitsluitend op basis van objectieve criteria, met name inzake hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product en de geografische bestemming ervan, worden toegekend; dat het, gezien de opgedane ervaring, met het oog op de bestrijding van onregelmatigheden, en vooral van fraude, ten nadele van de gemeenschapsbegroting noodzakelijk is in de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen en in de toepassing van sancties te voorzien om de exporteurs ertoe aan te sporen de communautaire reglementering na te leven”.
6 Artikel 5 van die verordening luidt:
„1. Onder de dag van uitvoer wordt verstaan de dag waarop de douaneautoriteit de aangifte ten uitvoer aanvaardt, waarin is vermeld dat een restitutie zal worden gevraagd.
2. De dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, is bepalend voor:
a) de toe te passen restitutievoet, ingeval de restitutie niet vooraf werd vastgesteld,
b) de in voorkomend geval uit te voeren aanpassingen van de restitutievoet, ingeval de restitutie vooraf werd vastgesteld,
c) de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product.
3. Elke handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft als de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer, wordt met die aanvaarding gelijkgesteld.
4. Op het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen moeten alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie worden vermeld, en met name:
a) voor producten:
– de, eventueel vereenvoudigde, omschrijving van de producten volgens de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties en de code van de restitutienomenclatuur en, voor zover nodig voor de berekening van de restitutie, de samenstelling van de betrokken producten of een verwijzing naar deze samenstelling;
– de nettomassa van de producten, of, in voorkomend geval, de hoeveelheid in de voor de berekening van de restitutie in aanmerking te nemen meeteenheid;
b) voor goederen is het bepaalde in verordening (EG) nr. 1222/94 [van de Commissie van 30 mei 1994 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen (PB L 136, blz. 5)] van toepassing.
5. Op het tijdstip van deze aanvaarding of van de in lid 3 bedoelde handeling worden de producten [...] onder douanecontrole geplaatst totdat zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.
[...]
7. Ieder die producten uitvoert waarvoor hij om toekenning van de restitutie verzoekt, is verplicht:
a) de aangifte ten uitvoer in te dienen op het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de producten worden geladen voor het vervoer met het oog op uitvoer;
b) dit douanekantoor ten minste 24 uur vóór het begin van de belading ervan in kennis te stellen dat de voor uitvoer bestemde producten worden geladen en aan te geven hoe lang het laden ervan naar verwachting zal duren. [...]
[...]
Het bevoegde douanekantoor kan toestemming verlenen de producten te laden nadat de aangifte ten uitvoer is aanvaard en voordat de sub b bedoelde termijn is verstreken.
Het bevoegde douanekantoor moet in staat zijn de fysieke controle uit te voeren en de voor identificatie vereiste maatregelen te nemen voor het vervoer naar het kantoor van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap.
[...]”
Nationale regeling
7 Overeenkomstig § 9 van de Laki sähköisestä asioinnista viranomaistoiminnassa (13/2003) [Finse wet op het elektronisch bestuurlijk verkeer] en § 18 van de Laki sähköisistä allekirjoituksista (14/2003) [Finse wet op de elektronische handtekening], kunnen administratieve procedures langs elektronische weg worden ingeleid.
8 In § 4 van de Maataloustuotteiden vientituki- ja vakuus- sekä tuonti‑, vienti- ja ennakkovahvistustodistusjärjestelmän täytäntöönpanosta annettu maa- ja metsätalousministeriön asetus (1363/2002) [decreet van het ministerie op de uitvoering van het stelsel van restituties bij uitvoer, de regeling voor het stellen van zekerheden en het stelsel van invoer‑ en uitvoerlicenties en van voorfixatiecertificaten], is echter de verplichting gesteld om het originele formulier van de uitvoeraangifte over te leggen aan het douanekantoor dat bevoegd is in de zin van artikel 5, lid 7, eerste alinea, sub a, van verordening nr. 800/1999.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9 Op 14 juni 2003 heeft ANG vanaf de haven van Vaasa (Finland) twee partijen haver naar Canada uitgevoerd. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de op die partijen betrekking hebbende uitvoeraangifte vóór het laden uitsluitend per fax aan het bevoegde douanekantoor is toegestuurd en dat de originele aangifte pas na het laden is ingediend. Volgens die beslissing staat vast dat de originele aangifte volledig overeenkomt met de per fax verstuurde aangifte, dat het beroep op die wijze van toezending het gevolg was van een misverstand tussen de expediteur van ANG en de bevoegde douaneautoriteiten in het kader van een onderhoud over de belading, dat die autoriteiten ten volle de gelegenheid hebben gehad om de controles te verrichten, dat de betrokken partijen in de haven van bestemming zijn aangekomen en dat niets erop wijst dat ANG heeft getracht om de restitutieprocedure te misbruiken of om fraude te plegen.
10 Nadat het had geïnformeerd of er in die omstandigheden een restitutie kon worden betaald, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het ministerie bij brieven van 23 mei en 30 juli 2004 te kennen gegeven dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verrichting van ANG volgens haar niet in aanmerking kwam voor een dergelijke betaling.
11 Bij beslissing van 2 september 2004 heeft het ministerie ANG dan ook de voor de betrokken partijen gevraagde restitutie geweigerd op grond dat de douaneautoriteiten niet vóór het mogelijke tijdstip van controle van de lading over de originele uitvoeraangifte beschikten.
12 ANG heeft bij de Korkein hallinto‑oikeus beroep ingesteld tegen die beslissing. Volgens die rechter volgt uit de arresten van 1 oktober 1998, Nederland/Commissie (C‑27/94, Jurispr. blz. I‑5581), en 6 maart 2001, Nederland/Commissie (C‑278/98, Jurispr. blz. I‑1501), dat de originele uitvoeraangifte vooraf moet worden ingediend en dat een per fax verstuurde aangifte over het algemeen niet voldoende is. Als bij de douanecontrole een onjuistheid zou worden vastgesteld, zou de betrokken handelaar immers alsnog een andere aangifte met daarop de correcte gegevens kunnen opstellen. Die rechter merkt evenwel op dat in het hoofdgeding de vóór het laden per fax verstuurde uitvoeraangifte overeenkomt met de later toegezonden originele aangifte en dat het voor de nationale autoriteiten geen twijfel lijdt dat er geen sprake was van mogelijke fraude, aangezien de versturing per fax het gevolg was van een misverstand naar aanleiding van een advies van de bevoegde douaneautoriteiten. Indien het hoofdgeding tegen de achtergrond van het nationale recht zou worden beoordeeld, zou ANG derhalve waarschijnlijk niet de restitutie worden onthouden. Bovendien kunnen de beginselen van evenredigheid en goed bestuur, die algemene beginselen van gemeenschapsrecht zijn, relevant zijn in het kader van de hoofdzaak.
13 In die omstandigheden heeft de Korkein hallinto‑oikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 5 van verordening [nr. 800/1999], in samenhang met de beginselen van evenredigheid en goed bestuur, aldus worden uitgelegd dat de bevoegde nationale autoriteit een vóór het laden per fax verstuurde uitvoeraangifte kan aanvaarden wanneer zij vaststelt dat het geen enkele twijfel lijdt dat er geen sprake was van fraude, de tekortkoming inzake de wijze van indiening van de aan de orde zijnde uitvoeraangifte het gevolg was van een vergissing naar aanleiding van een door die autoriteit gegeven advies, en zij heeft kunnen vaststellen dat de achteraf ingediende originele, ondertekende uitvoeraangifte volledig overeenkwam met de per fax verstuurde aangifte?”
Prejudiciële vraag
14 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 5 van verordening nr. 800/1999 eraan in de weg staat dat de bevoegde douaneautoriteiten een uitvoeraangifte voor landbouwproducten aanvaarden die vóór het laden van die producten uitsluitend per fax is verstuurd, wanneer die tot een gewone fax beperkte toezending niet door frauduleuze bedoelingen was ingegeven, maar het gevolg was van een vergissing naar aanleiding van een advies van die autoriteiten, en de na het laden ingediende originele aangifte volkomen overeenstemt met de per fax verstuurde aangifte.
15 Volgens artikel 5, lid 7, eerste alinea, sub a, van verordening nr. 800/1999 is ieder die landbouwproducten uitvoert, verplicht een uitvoeraangifte in te dienen met betrekking tot de producten waarvoor hij om toekenning van een restitutie verzoekt. Zoals uit de derde en de vierde alinea van dat lid blijkt, kunnen de bevoegde douaneautoriteiten, wanneer die aangifte is aanvaard, toestemming voor de belading verlenen, waarbij zij in staat moeten zijn geweest, zoals ook uit de punten 4 en 6 van de considerans van die verordening en uit artikel 2 van verordening nr. 386/90 en artikel 5 van verordening nr. 2090/2002 blijkt, de fysieke controle van de betrokken landbouwproducten uit te voeren om de overeenstemming tussen deze producten en die aangifte te verifiëren op het tijdstip van het laden.
16 Op basis van artikel 5, lid 4, van verordening nr. 800/1999 moet de uitvoeraangifte alle relevante gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op restitutie en de bepaling van het bedrag ervan (zie in die zin arresten van 1 december 2005, Fleisch-Winter, C‑309/04, Jurispr. blz. I‑10349, punt 31, en 27 april 2006, Elfering Export, C‑27/05, Jurispr. blz. I‑3681, punt 26).
17 Overigens worden de producten krachtens artikel 5, lid 5, op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte door de bevoegde douaneautoriteiten onder douanecontrole geplaatst totdat zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.
18 Uit al die bepalingen blijkt, ook al verduidelijken zij niet uitdrukkelijk in welke vorm de uitvoeraangifte moet worden ingediend, dat deze schriftelijk moet worden gedaan, met name om te verifiëren of de door de exporteur verstrekte vermeldingen overeenstemmen met de ten uitvoer aangeboden goederen, en moet worden overgelegd voordat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten (zie arresten van 22 juni 1993, Duitsland/Commissie, C‑54/91, Jurispr. blz. I‑3399, punt 22, en 1 oktober 1998, Nederland/Commissie, reeds aangehaald, punt 25).
19 De indiening van een uitvoeraangifte, die de rechtsgrondslag voor een restitutie kan vormen (arrest Fleisch-Winter, reeds aangehaald, punt 41), is dus een wezenlijk vormvereiste in het kader van de samenwerking dienaangaande tussen de exporteur en de bevoegde douaneautoriteiten, die deze autoriteiten in staat stelt te beschikken over alle gegevens die noodzakelijk zijn om vóór het laden van de goederen de passende fysieke controles op die goederen te verrichten, teneinde overeenkomstig punt 63 van de considerans van verordening nr. 800/1999 ieder risico op onregelmatigheden en misbruik inzake uitvoerrestituties uit te sluiten [zie in die zin arrest Elfering Export, reeds aangehaald, punt 31, en, aangaande verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), arrest van 14 april 2005, Käserei Champignon Hofmeister, C‑385/03, Jurispr. blz. I‑2997, punten 27 en 28].
20 Zoals in wezen is betoogd door alle belanghebbenden die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, impliceert het per fax versturen van een aangifte, dat een geschreven stuk wordt ingediend dat, wanneer het vóór het laden van de betrokken goederen is verstuurd en alle gegevens bevat die noodzakelijk zijn om die goederen te controleren, niet belet dat de bevoegde douaneautoriteiten die controle kunnen verrichten.
21 Uiteraard mag de exporteur niet in staat worden gesteld om zijn restitutieaanvraag aan te passen aan het resultaat van een eventuele controle (arrest Käserei Champignon Hofmeister, reeds aangehaald, punt 28).
22 Zo is reeds geoordeeld dat de bevoegde douaneautoriteiten niet met terugwerkende kracht een uitvoeraangifte kunnen aanvaarden die na de uitvoer is ingediend om restituties te verkrijgen (zie in die zin arrest van 10 januari 2002, British Sugar, C‑101/99, Jurispr. blz. I‑205, punten 68 en 73). Zij kunnen evenmin controles verrichten op basis van gegevens die per fax zijn meegedeeld in plaats van op basis van het originele exemplaar van de betalingsaangiften tot voorfinanciering van de restituties, indien dit het risico van onverschuldigde subsidiebetalingen meebrengt, doordat de betrokken handelaar na een op basis van die fax uitgevoerde douanecontrole waarbij een onjuistheid is vastgesteld, alsnog een andere verklaring met daarop de correcte gegevens zou kunnen indienen (zie arrest van 6 maart 2001, Nederland/Commissie, reeds aangehaald, punt 70).
23 Een dergelijk risico is evenwel uitgesloten wanneer de exporteur bij de uitvoer geen fraude heeft gepleegd of geen poging daartoe heeft gedaan, omdat de goederen waarop de per fax verstuurde uitvoeraangifte betrekking heeft, in het derde land van bestemming zijn aangekomen en de na het laden toegezonden originele aangifte volkomen overeenstemt met de vóór het laden per fax verstuurde aangifte.
24 In die omstandigheden heeft de versturing van een uitvoeraangifte per fax geen reëel effect op de juiste werking van de restitutieregeling.
25 Het staat aan de verwijzende rechter om aan de hand van de gegevens van het bij hem ingediende dossier na te gaan of de in punt 23 van het onderhavige arrest vermelde voorwaarden in de hoofdzaak zijn vervuld.
26 Bijgevolg moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 5 van verordening nr. 800/1999 aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat de bevoegde douaneautoriteiten een per fax verstuurde uitvoeraangifte voor landbouwproducten aanvaarden, wanneer die toezending voorafgaand aan de belading voor het exportvervoer heeft plaatsgevonden, wanneer de aldus verstuurde aangifte alle gegevens bevat die noodzakelijk zijn om de fysieke controle van de uitgevoerde goederen mogelijk te maken, en wanneer bij de aan de orde zijnde uitvoer geen fraude is gepleegd of geen poging daartoe is ondernomen. Dat is het geval wanneer de goederen waarop de per fax verstuurde uitvoeraangifte betrekking heeft, in het derde land van bestemming zijn aangekomen en de later toegezonden originele aangifte volkomen overeenstemt met de per fax verstuurde aangifte. Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of die voorwaarden in het hoofdgeding zijn vervuld.
Kosten
27 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 5 van verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 90/2001 van de Commissie van 17 januari 2001, moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat de bevoegde douaneautoriteiten een per fax verstuurde uitvoeraangifte voor landbouwproducten aanvaarden, wanneer die toezending voorafgaand aan de belading voor het exportvervoer heeft plaatsgevonden, wanneer de aldus verstuurde aangifte alle gegevens bevat die noodzakelijk zijn om de fysieke controle van de uitgevoerde goederen mogelijk te maken, en wanneer bij de aan de orde zijnde uitvoer geen fraude is gepleegd of geen poging daartoe is ondernomen. Dat is het geval wanneer de goederen waarop de per fax verstuurde uitvoeraangifte betrekking heeft, in het derde land van bestemming zijn aangekomen en de later toegezonden originele aangifte volkomen overeenstemt met de per fax verstuurde aangifte. Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of die voorwaarden in het hoofdgeding zijn vervuld.
ondertekeningen
* Procestaal: Fins.
Full & Egal Universal Law Academy