Zaak C‑494/06 P
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek en Wam SpA
„Hogere voorziening – Staatssteun – Vestiging van onderneming in bepaalde derde staten – Gesubsidieerde leningen – Ongunstige beïnvloeding van handelsverkeer tussen lidstaten – Mededingingsvervalsing – Handelsverkeer met die derde staten – Beschikking van Commissie – Onrechtmatigheid van staatssteun – Motiveringsplicht”
Samenvatting van het arrest
1. Steunmaatregelen van de staten – Beschikking van Commissie houdende vaststelling van onverenigbaarheid van steunmaatregel met gemeenschappelijke markt – Motiveringsplicht – Omvang
(Art. 87, lid 1, EG en 253 EG)
2. Steunmaatregelen van de staten – Ongunstige beïnvloeding van handelsverkeer tussen lidstaten – Aantasting van mededinging – Beoordelingscriteria
(Art. 87, lid 1, EG)
1. De door artikel 253 EG verlangde motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de gelaakte handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk en rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de eisen van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
Zo verlangt dit beginsel dat de Commissie, wanneer zij een maatregel als een steunmaatregel aanmerkt, aangeeft waarom de betrokken maatregel volgens haar binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG valt. Zelfs wanneer reeds uit de omstandigheden waaronder de steun is verleend, duidelijk blijkt dat deze steun het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen of dreigt te vervalsen, dient de Commissie in de motivering van haar beschikking deze omstandigheden op zijn minst aan te geven.
(cf. punten 48‑49)
2. Om een nationale maatregel als staatssteun te kunnen kwalificeren, behoeft niet te worden vastgesteld of de steun het handelsverkeer tussen lidstaten werkelijk beïnvloedt en de mededinging daadwerkelijk vervalst, maar behoeft enkel te worden onderzocht of de steunmaatregelen dat handelsverkeer ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging kunnen vervalsen. Wat meer in het bijzonder de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten betreft, moet de toekenning van steun door een lidstaat in de vorm van een belastingverlichting aan bepaalde belastingplichtigen worden geacht het handelsverkeer ongunstig te kunnen beïnvloeden en bijgevolg deze voorwaarde te vervullen, wanneer deze belastingplichtigen een economische activiteit uitoefenen die handelsverkeer tussen de lidstaten meebrengt, of wanneer niet kan worden uitgesloten dat zij concurreren met in een andere lidstaat gevestigde ondernemers. Wanneer steun van een lidstaat de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, moet dit handelsverkeer bovendien worden geacht door de steun te worden beïnvloed. Wat dit aangaat, kan de omstandigheid dat een sector van de economie op gemeenschapsniveau is geliberaliseerd, een rol spelen bij de vaststelling van een werkelijke of potentiële weerslag van de steun op de mededinging alsmede van het effect van de steun op het handelsverkeer tussen de lidstaten.
(cf. punten 50‑53)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
30 april 2009 (*)
„Hogere voorziening – Staatssteun – Vestiging van een onderneming in bepaalde derde landen – Gesubsidieerde leningen – Ongunstige beïnvloeding van handelsverkeer tussen lidstaten – Mededingingsvervalsing – Handelsverkeer met die derde landen – Beschikking van Commissie – Onrechtmatigheid van staatssteun – Motiveringsplicht”
In zaak C‑494/06 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 24 november 2006,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Di Bucci en E. Righini als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
andere partijen bij de procedure:
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,
Wam SpA, gevestigd te Cavezzo di Modena (Italië), vertegenwoordigd door E. Giliani, avvocato,
verzoeksters in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, M. Ilešič, A. Tizzano, A. Borg Barthet (rapporteur) en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 februari 2008,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 november 2008,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 6 september 2006, Italië en Wam/Commissie (T‑304/04 en T‑316/04; hierna: „bestreden arrest”), waarbij beschikking 2006/177/EG van de Commissie van 19 mei 2004 betreffende steunmaatregel C 4/2003 (ex-NN 102/2002) die Italië ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van WAM SpA (PB 2006, L 63, blz. 11; hierna: „litigieuze beschikking”), is nietig verklaard.
Voorgeschiedenis van het geding
2 Artikel 2 van wet nr. 394 van 29 juli 1981 (GURI nr. 206 van 29 juli 1981) inzake ondersteunende maatregelen voor de Italiaanse uitvoer vormt de rechtsgrondslag voor de Italiaanse autoriteiten om exportondernemingen die in derde landen de markt proberen te betreden, gesubsidieerde financiering te kunnen verstrekken.
3 Wam SpA (hierna: „Wam”) is een Italiaanse onderneming die zich bezighoudt met het ontwerp, de productie en de afzet van industriële mengapparatuur en componenten daarvan, die vooral in de levensmiddelenindustrie, de chemische, de farmaceutische en de milieusector worden gebruikt.
4 Op 24 november 1995 besloten de Italiaanse autoriteiten om Wam een eerste keer steun te verstrekken, in de vorm van een gesubsidieerde lening van 2 281 485 000 ITL (ongeveer 1,18 miljoen EUR), teneinde het haar makkelijker te maken om in de Japanse, de Zuid-Koreaanse en de Taiwanese markt door te dringen. Als gevolg van een economische crisis in Korea en Taiwan, zijn de geplande projecten in die landen niet ten uitvoer gelegd. Wam ontving daadwerkelijk een lening van 1 358 505 421 ITL (ongeveer 700 000 EUR) voor het opzetten van permanente structuren en ter dekking van de kosten van de handelsbevordering in het Verre Oosten.
5 Op 9 november 2000 besloten die autoriteiten Wam een tweede keer steun toe te kennen, in de vorm van nog een gesubsidieerde lening van 3 603 574 689 ITL (ongeveer 1,8 miljoen EUR). Het met die lening gefinancierde programma moest in China gezamenlijk worden uitgevoerd door Wam en door Wam Bulk Handling Machinery (Shanghai) Co. Ltd, een lokale onderneming die voor 100 % in handen is van Wam.
6 Na in 1999 een klacht te hebben ontvangen, startte de Commissie een onderzoek naar de vermeende staatssteun ten gunste van Wam. Op 21 januari 2003 besloot zij de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden. Deze beslissing betrof de vermeende steunmaatregelen ten gunste van Wam.
7 Op 19 mei 2004 stelde de Commissie de litigieuze beschikking vast. Met betrekking tot de vraag of de eerste en de tweede steunmaatregel (hierna: „litigieuze steunmaatregelen” of „litigieuze steun”) „staatssteun” vormden in de zin van artikel 87, lid 1, EG, vermeldt de litigieuze beschikking in de punten 75 tot en met 79 het volgende:
„(75) De [litigieuze] steunmaatregelen zijn tot stand gekomen door het verlenen van overheidssubsidies in de vorm van zachte leningen aan een specifieke onderneming, namelijk WAM SpA. Door deze bijdragen verbetert de financiële situatie van de begunstigde van de steun. Wat de mogelijke ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten betreft, heeft het Hof van Justitie erop gewezen dat zelfs indien de steunmaatregel gericht is op export buiten de EU, het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan worden beïnvloed. Wegens de interdependentie van de markten waarop de ondernemingen van de Gemeenschap opereren, is het voorts niet uitgesloten dat een dergelijke steunmaatregel de intracommunautaire mededinging kan vervalsen.
(76) WAM SpA heeft dochterbedrijven in de gehele wereld. In bijna alle lidstaten van de EU zoals Frankrijk, Nederland, Finland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, België en Duitsland zijn er dochterbedrijven van WAM SpA opgericht. De klager benadrukte voorts dat hij op de interne markt in een harde concurrentiestrijd was verwikkeld met ‚WAM Engineering Ltd’, de dochteronderneming van WAM SpA in het Verenigd Koninkrijk en Ierland, en dat hij vele bestellingen heeft verloren aan de Italiaanse onderneming. Wat de concurrentie buiten de EU tussen ondernemingen uit de Gemeenschap betreft, kwam voorts aan het licht dat het programma dat door middel van de tweede steunmaatregel werd gefinancierd en dat tot doel had commerciële activiteiten in China te ontwikkelen, gezamenlijk moest worden uitgevoerd door WAM SpA en ‚WAM Bulk Handling Machinery Shangai Co Ltd’, een lokale onderneming die volledig in handen is van WAM SpA.
(77) Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie kan subsidiëring van exportactiviteiten het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden, zelfs indien de begunstigde onderneming bijna haar volledige productie buiten de EU, de EER en de toetredende landen uitvoert.
(78) In deze zaak is bovendien vastgesteld dat de afzet in het buitenland in de periode tussen 1995 en 1999 52 tot 57,5 % van de totale jaaromzet van WAM bedroeg, waarvan tweederde export binnen de EU (in absolute cijfers, ongeveer 10 miljoen EUR tegen 5 miljoen EUR).
(79) Ongeacht of de [litigieuze] steun wordt verleend voor export naar andere EU-lidstaten of naar landen buiten de EU, kan deze dus het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden. Derhalve is deze steun onderworpen aan artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.”
Beroep voor het Gerecht en het bestreden arrest
8 De Italiaanse Republiek en Wam hebben elk bij het Gerecht van eerste aanleg beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking ingesteld. De beide beroepen zijn vervolgens gevoegd. Italië heeft in zijn beroep zeven gronden voor nietigverklaring aangevoerd en Wam tien. Een van die gronden hield in dat de Commissie de litigieuze beschikking ontoereikend had gemotiveerd.
9 Bij het bestreden arrest heeft de Tweede kamer van het Gerecht de litigieuze beschikking nietig verklaard. Om tot deze uitkomst te komen ging het Gerecht ervan uit dat de Commissie haar motiveringsplicht had geschonden.
10 Het Gerecht heeft in punt 59 van het bestreden arrest in herinnering gebracht dat voor de kwalificatie als „steunmaatregel” in de zin van met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun, vereist is dat aan alle voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG is voldaan. Deze voorwaarden zijn de volgende. Ten eerste moet het gaan om optreden van staatswege, dan wel een optreden dat met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet dit optreden het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten derde moet het de begunstigde een voordeel verstrekken waardoor bepaalde ondernemingen of producties worden begunstigd. Ten vierde moet dat optreden de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen.
11 Het Gerecht heeft in punt 63 van het bestreden arrest vastgesteld dat niet automatisch was aangetoond dat de litigieuze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedde, of de mededinging vervalste of dreigde te vervalsen, en dat een dergelijke mogelijkheid dus moest worden bewezen. In dit verband had de Commissie in de litigieuze beschikking de voorzienbare gevolgen van de litigieuze steunmaatregelen moeten vermelden. Het Gerecht heeft echter beklemtoond dat de Commissie niet de werkelijke gevolgen ervan hoefde te bewijzen.
12 Het Gerecht heeft in punt 66 van het bestreden arrest vastgesteld dat de motivering in de punten 75 en 77 van de litigieuze beschikking was „gebaseerd op een verwijzing naar de beginselen die zijn ontwikkeld in de rechtspraak en op het feit dat gevolgen voor het handelsverkeer of voor de mededinging niet konden worden uitgesloten, [en] op zich niet kan worden geacht te voldoen aan de vereisten van artikel 253 EG”.
13 Met betrekking tot de vaststelling in punt 75 van de litigieuze beschikking dat „door deze bijdragen de financiële situatie van de begunstigde van de steun verbetert”, heeft het Gerecht geoordeeld dat deze vaststelling niet rechtstreeks verband houdt met de voorwaarden inzake de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer of de mededingingsverstoring, maar meer in het algemeen met de voorwaarde betreffende het toekennen van een voordeel aan een specifieke onderneming, wat een ander kenmerk van het begrip „steun” in de zin van artikel 87, lid 1, EG is. Het Gerecht vervolgde met de vaststelling in punt 67 van het bestreden arrest dat „de toekenning van steun aan een specifieke onderneming, hetgeen inherent is aan alle staatssteun, en de wezenlijke verbetering van de financiële situatie van deze onderneming, niet kunnen volstaan als bewijs dat die steun aan alle criteria van artikel 87, lid 1, EG voldoet”.
14 Wat de onderdelen van de motivering in de punten 76 en 78 van de litigieuze beschikking betreft, heeft het Gerecht in punt 68 van het bestreden arrest vastgesteld dat deze elementen „gegevens vormden aan de hand waarvan kan worden bewezen dat Wam actief is op de wereldmarkt en op de gemeenschapmarkt, dat zij met name middels haar uitvoer deelneemt aan het handelsverkeer en dat zij daar concurreert met andere ondernemingen”.
15 In punt 69 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daarentegen vastgesteld dat „deze informatie niet aangeeft in welk opzicht het handelverkeer tussen de lidstaten, vanwege de toekenning van de litigieuze steun, en gelet op de kenmerken ervan en de concrete omstandigheden, ongunstig kon worden beïnvloed, noch in welk opzicht de mededinging kon worden vervalst of dreigde te worden vervalst. Overigens gaat het slechts om één van de factoren die moeten worden beoordeeld voor het onderzoek van de potentiële gevolgen van de litigieuze steun.”
16 Het Gerecht heeft het argument van de Commissie afgewezen dat de mededingingsverstoring te wijten zou zijn aan het feit dat Wam dankzij de litigieuze steun haar positie heeft kunnen versterken ten opzichte de ondernemingen uit andere lidstaten die met haar in concurrentie hadden kunnen treden.
17 Het Gerecht heeft geoordeeld dat het argument niet relevant kan zijn aangezien de litigieuze beschikking geen expliciete vermeldingen in die zin bevatte en evenmin voldoende gegevens betreffende een dergelijke versterking. Om dezelfde redenen heeft het Gerecht het argument afgewezen dat de litigieuze steun Wam in staat zou hebben gesteld haar programma uit te voeren om in het buitenland in de markt door te dringen en om op gemeenschapsniveau middelen vrij te maken voor andere doelen.
18 Het Gerecht heeft de stelling van de Commissie afgewezen dat het geen zin had de verhoudingen van onderlinge afhankelijkheid tussen de gemeenschapsmarkt en de markt in het Verre Oosten te onderzoeken aangezien Wam deelneemt aan het intracommunautaire handelsverkeer. Het Gerecht heeft in punt 74 van het bestreden arrest geoordeeld dat „de enkele vaststelling dat Wam aan het intracommunautaire handelsverkeer deelneemt, niet volstaat tot staving van een ongunstige beïnvloeding van dat handelsverkeer of van een mededingingsverstoring en, dat daarvoor derhalve een diepgaand onderzoek van de gevolgen van de steunmaatregelen nodig is waarbij met name rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat zij steun bieden voor kosten op de markt in het Verre Oosten en in voorkomend geval met de onderlinge afhankelijkheid tussen die markt en de Europese markt”.
19 Voorts heeft het Gerecht in punt 74 van het bestreden arrest vastgesteld dat in de litigieuze beschikking is gewezen op de onderlinge afhankelijkheid van de markten waarop de communautaire ondernemingen actief zijn, maar dat – in strijd met het arrest van 21 maart 1990, België/Commissie, het zogenoemde arrest „Tubemeuse” (C‑142/87, Jurispr. blz. I‑959, punten 36‑38) – aldaar geen concreet bewijsmateriaal wordt aangedragen ter ondersteuning van de in punt 75 van die beschikking geformuleerde stelling dat, met toepassing van het „Tubemeuse-beginsel”, die onderlinge afhankelijkheid betekent dat de betwiste steunmaatregelen de mededinging binnen de Gemeenschap ongunstig kunnen beïnvloeden.
20 Wat ten slotte punt 79 van de litigieuze beschikking betreft, waarin is gesteld dat „ongeacht of de [litigieuze] steun wordt verleend voor export naar andere EU-lidstaten of naar landen buiten de EU, deze dus het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig [kan] beïnvloeden [en dat] deze steun derhalve onderworpen is aan artikel 87, lid 1, [EG]”, heeft het Gerecht in punt 75 van het bestreden arrest geoordeeld dat de litigieuze beschikking „geen formele beoordeling bevat inzake de mededingingsvervalsing waardoor er aldus aan voorbij wordt gegaan dat dit een noodzakelijke voorwaarde is voor toepassing van dat artikel”.
21 In punt 75 van het bestreden arrest heeft het Gerecht opgemerkt, enerzijds, dat „niets erop wijst dat de litigieuze steun tot doel heeft de export naar andere lidstaten te steunen, en, anderzijds, dat die steun niet rechtstreeks en onmiddellijk bedoeld is ter ondersteuning van de uitvoer naar buiten de Europese Unie, maar ter financiering van een programma dat erop was gericht om door te dringen in de markt”.
22 In punt 76 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat aan de hand van de in de punten 74 tot en met 79 van de litigieuze beschikking genoemde onderdelen van de motivering niet kan worden begrepen in welk opzicht de litigieuze steun, in de omstandigheden van het onderhavige geval, het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig zou kunnen beïnvloeden en de mededinging zou kunnen vervalsen of dreigen te vervalsen, en dat de in de litigieuze beschikking aangevoerde omstandigheden derhalve geen toereikende motivering vormen tot staving van de gevolgtrekkingen waartoe de Commissie met betrekking tot de toepassing van artikel 87, lid 1, EG is gekomen.
23 Bijgevolg heeft het Gerecht, zonder de andere door de Italiaanse Republiek en door Wam aangevoerde middelen te onderzoeken, de litigieuze beschikking nietig verklaard wegens ontoereikende motivering, voor zover deze niet voldoende gegevens bevatte om tot de slotsom te komen dat aan alle voorwaarden voor toepassing van artikel 87, lid 1, EG was voldaan.
Conclusies van partijen
24 Met haar hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof:
– het bestreden arrest te vernietigen;
– de zaak zelf af te doen en voormeld beroep ongegrond te verklaren;
– subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuw onderzoek, en
– de Italiaanse Republiek en Wam te verwijzen in de kosten van de beide instanties.
25 De Italiaanse Republiek concludeert dat het het Hof behage de hogere voorziening van de Commissie niet-ontvankelijk te verklaren of af te wijzen en de Commissie te verwijzen in de kosten.
26 Wam verzoekt het Hof primair de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, of subsidiair, ongegrond. Meer subsidiair verzoekt Wam het Hof de litigieuze beschikking nietig te verklaren om andere redenen, of uiterst subsidiair, de zaak voor afdoening terug te verwijzen naar het Gerecht, en hoe dan ook de Commissie te verwijzen in alle kosten, daaronder begrepen de kosten van deze nieuwe instantie.
De hogere voorziening
Ontvankelijkheid
27 Zowel de Italiaanse Republiek als Wam stelt dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is.
28 Volgens de Italiaanse Republiek is de stelling van de Commissie dat het arrest van het Gerecht niet strookt met de rechtspraak van het Hof, een middel dat geen rechtsvraag betreft.
29 In dit verband bepaalt artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie dat het verzoek aan het Hof om hogere voorziening alleen rechtsvragen kan betreffen. Het moet gebaseerd zijn op middelen, ontleend aan, met name, schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
30 Zoals de advocaat-generaal in punt 20 van haar conclusie opmerkt is de hogere voorziening van de Commissie juist gebaseerd op de stelling dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door de in de rechtspraak van het Hof neergelegde uitlegging van de artikelen 87 EG en 253 EG niet te volgen en toe te passen.
31 Daaruit volgt dat het argument van de Italiaanse Republiek dat de hogere voorziening geen rechtsvraag betreft, moet worden afgewezen.
32 Wat het argument van Wam betreft dat de door de Commissie ingestelde hogere voorziening een verzoek aan het Hof inhoudt om enerzijds het bestreden arrest opnieuw inhoudelijk te onderzoeken in plaats van enkel te toetsen of „wezenlijke vormvoorschriften” zijn geschonden, zoals artikel 230 EG vereist, en om anderzijds een toetsing ten gronde te verrichten, waartoe het Hof in de fase van de hogere voorziening niet bevoegd is, moet om te beginnen worden vastgesteld dat artikel 230 EG het Hof de bevoegdheid toekent om toezicht te houden op handelingen van andere gemeenschapsinstellingen dan het Gerecht. Hogere voorzieningen tegen beslissingen van het Gerecht zijn geregeld in artikel 225, lid 1, EG en in het Statuut van het Hof van Justitie.
33 Vervolgens vormt de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift dat moet worden onderscheiden van de vraag van de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft (zie arrest van 7 maart 2002, Italië/Commissie, C‑310/99, Jurispr. blz. I‑2289, punt 48). Nu met het enige middel van de hogere voorziening van de Commissie juist het door het Gerecht verrichte juridische onderzoek van de motiveringsplicht wordt betwist, kan de Commissie niet worden verweten dat zij het Hof verzoekt de litigieuze beschikking opnieuw inhoudelijk te onderzoeken.
34 Daaruit volgt dat het argument van Wam betreffende de ontvankelijkheid van het enige middel van de hogere voorziening van de Commissie eveneens moet worden afgewezen.
35 Bijgevolg moet de hogere voorziening ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
Argumenten van partijen
36 De Commissie voert één middel aan, volgens hetwelk het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting voor zover daarin tot de slotsom wordt gekomen dat de litigieuze beschikking gebrekkig is gemotiveerd. Volgens haar heeft het Gerecht, door te oordelen dat, voor de toepassing van artikel 87, lid 1, EG, de enkele vaststelling dat een onderneming aan het intracommunautaire handelsverkeer deelneemt, niet volstaat om te bewijzen dat er sprake is van invloed op het handelsverkeer of van mededingingsvervalsing, het bepaalde in artikel 87, lid 1, EG juncto artikel 253 EG geschonden. De Commissie betoogt dat het Gerecht met het vereiste van een dergelijke motivering ingaat tegen de vaste rechtspraak van het Hof op dat gebied.
37 De Commissie betoogt dat de deelneming van Wam aan het intracommunautaire handelsverkeer als zodanig de invloed aantoont die de steun op dat handelsverkeer kon hebben.
38 Tegen de punten 73 en 74 van het bestreden arrest, waarin er kritiek op wordt geleverd dat de litigieuze beschikking onvoldoende gegevens bevat met betrekking tot de versterking van de mededingingspositie van Wam, voert de Commissie aan dat volgens vaste rechtspraak van het Hof, wanneer een steunmaatregel een onderneming bevrijdt van de kosten die zij normalerwijze had moeten dragen en haar positie in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt ten opzichte van andere concurrerende bedrijven, deze maatregel het handelsverkeer beïnvloedt en in beginsel de mededingingsvoorwaarden vervalst. In dit verband beklemtoont de Commissie dat zij niet gehouden is om de daadwerkelijke gevolgen van de steunmaatregel te onderzoeken.
39 De Commissie maakt bezwaar tegen het bestreden arrest voor zover daarin een motiveringsgebrek wordt gezien in het feit dat de litigieuze beschikking geen enkel argument bevat betreffende de onderlinge afhankelijkheid tussen de gemeenschapsmarkt en de markt van het Verre Oosten, welke door de litigieuze steun ongunstig wordt beïnvloed. Volgens de Commissie is het Gerecht voorbijgegaan aan de voor de hand liggende overweging dat geld fungibel is, zodat wanneer een onderneming een activiteit uitoefent binnen de Gemeenschap, het niet nodig is om een specifiek bewijs te leveren van de mogelijkheid dat de steun die bestemd is om het doordringen in extracommunautaire markten te ondersteunen, ook van invloed is op het handelsverkeer tussen lidstaten en mededingingsverstoringen teweegbrengt.
40 Ten slotte beroept de Commissie zich op de rechtspraak van het Hof dat wanneer uit de omstandigheden waaronder de steun werd verleend, duidelijk blijkt dat die steun het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig zal beïnvloeden en de mededinging zal vervalsen of dreigen te vervalsen, de Commissie enkel deze omstandigheden hoeft te vermelden in de gronden van haar beschikking. Volgens de Commissie is dit precies wat zij in de litigieuze beschikking heeft gedaan.
41 Wam betoogt dat de hogere voorziening volstrekt ongegrond is. Volgens Wam heeft het Gerecht terecht de vaste rechtspraak van het Hof toegepast volgens welke niet aan de motiveringsplicht is voldaan indien de motivering is gebaseerd op abstracte of louter hypothetische beoordelingen. Volgens haar kunnen de voorwaarden betreffende de beïnvloeding van het handelsverkeer en de mededingingsvervalsing enkel worden geacht te zijn vervuld op basis van feitelijke gegevens die concreet en niet alleen abstract bewijzen hoe het staatsoptreden of het optreden dat met staatsmiddelen is bekostigd, in het concrete geval leidt tot een versterking van de mededingingspositie van de begunstigde onderneming en tot een verlichting van haar productiekosten.
42 Volgens de Italiaanse Republiek heeft het Gerecht artikel 87, lid 1, EG niet geschonden en schikt het zich in de lijn van de rechtspraak. Het arrest van 17 september 1980, Philip Morris Holland/Commissie (730/79, Jurispr. blz. 2671), heeft de beïnvloeding van het handelsverkeer in die zin omschreven dat de steun „de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer [moet] versterken”.
43 De Italiaanse Republiek betoogt dat een onderzoek, zelfs algemeen, van de kenmerken van de intracommunautaire mededinging die potentieel ongunstig wordt beïnvloed door de steunmaatregel, en dus het geval van een „relatieve versterking”, die een verklaring zou moeten bieden voor de beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer, in de litigieuze beschikking nu juist ontbreekt. De opmerking in punt 15 van het verzoekschrift in hogere voorziening betreffende een eventuele versterkende werking, is niet-ontvankelijk omdat het Gerecht in punt 73 van het bestreden arrest heeft verklaard dat deze werking voor het eerst ter terechtzitting voor hem is aangevoerd.
44 De Italiaanse Republiek voert dezelfde exceptie van niet-ontvankelijkheid aan ten aanzien van de in punt 15 van het verzoekschrift in hogere voorziening vermelde opmerking betreffende de mededingingsvervalsing die voortvloeit uit het feit dat de onderneming dankzij de betrokken steun was bevrijd van kosten die zij normalerwijze had moeten dragen.
45 Volgens deze lidstaat blijkt uit punt 56 van het arrest van 29 april 2004, Italië/Commissie (C‑372/97, Jurispr. blz. I‑3679), dat de motivering toereikend is wanneer de Commissie ten minste in het algemeen de normale kosten van de categorie van betrokken ondernemingen bepaalt en dat zij deze in verband brengt met het doel van de steunmaatregel. In casu is de reden waarom de gemaakte kosten „normale kosten” zouden zijn, niet vermeld in de motivering van de litigieuze beschikking.
46 Voorts betoogt de Italiaanse Republiek dat het reeds aangehaalde arrest Tubemeuse duidelijk aangeeft dat niet kan worden verondersteld dat een eventueel voordeel dat wordt verkregen op het gebied van de extracommunautaire mededinging, tevens een voordeel op het gebied van de communautaire mededinging inhoudt. Het Gerecht is dus terecht tot de slotsom gekomen dat er in dit opzicht sprake was van een motiveringsgebrek.
47 Ten slotte betoogt de Italiaanse Republiek dat de redenering van de Commissie dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met de vervangbaarheid van geld, niet-ontvankelijk is omdat deze geen deel uitmaakt van het enige rechtsmiddel, dat is ontleend aan een motiveringsgebrek, en een bijkomende motivering vormt ten opzichte van die in de litigieuze beschikking. Hoe dan ook vormt de theorie van het „vrijmaken van middelen” bij het ontbreken van bijkomende preciseringen geen toereikende motivering omdat zij net zo goed zou kunnen dienen als bewijs dat de litigieuze steun geen invloed heeft gehad op gemeenschapsmarkt.
Beoordeling door het Hof
48 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 253 EG verlangde motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de eisen van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest van 6 september 2006, Portugal/Commissie, C‑88/03, Jurispr. blz. I‑7115, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Zo verlangt dit beginsel dat de Commissie, wanneer zij een maatregel als een steunmaatregel aanmerkt, aangeeft waarom volgens haar de betrokken maatregel binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG valt. Zelfs wanneer reeds uit de omstandigheden waaronder de steun is verleend, duidelijk blijkt dat deze steun het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig zal beïnvloeden en de mededinging zal vervalsen of dreigen te vervalsen, dient de Commissie in de motivering van haar beschikking deze omstandigheden op zijn minst aan te geven (arrest Portugal/Commissie, reeds aangehaald, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 In deze context dient te worden gepreciseerd dat volgens eveneens vaste rechtspraak, om een nationale maatregel als staatssteun te kunnen kwalificeren, niet behoeft te worden vastgesteld of de steun de handel tussen lidstaten werkelijk beïnvloedt en de mededinging daadwerkelijk vervalst, maar enkel behoeft te worden onderzocht of de steunmaatregelen dat handelsverkeer ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging kunnen vervalsen (arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C‑222/04, Jurispr. blz. I‑289, punt 140 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Wat meer in het bijzonder de voorwaarde van de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten betreft, blijkt uit vaste rechtspraak dat de toekenning van steun door een lidstaat in de vorm van een belastingverlichting aan bepaalde belastingplichtigen moet worden geacht het handelsverkeer ongunstig te kunnen beïnvloeden en bijgevolg deze voorwaarde te vervullen, aangezien deze belastingplichtigen een economische activiteit uitoefenen die handelsverkeer tussen de lidstaten meebrengt, dan wel niet kan worden uitgesloten dat zij concurreren met in een andere lidstaat gevestigde ondernemers (zie arrest in die zin arrest van 3 maart 2005, Heiser, C‑172/03, Jurispr. blz. I‑1627, punt 35, en arrest Portugal/Commissie, reeds aangehaald, punt 91).
52 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat wanneer steun van een lidstaat de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, dit handelsverkeer moet worden geacht door de steun te worden beïnvloed (arrest Cassa di Risparmio di Firenze e.a., reeds aangehaald, punt 141 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Wat dit aangaat, kan de omstandigheid dat een sector van de economie op gemeenschapsniveau is geliberaliseerd, een werkelijke of potentiële weerslag van de steun op de mededinging alsmede het effect daarvan op het handelsverkeer tussen de lidstaten aan het licht brengen (arrest Cassa di Risparmio di Firenze e.a., reeds aangehaald, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Wat de voorwaarde inzake de mededingingsverstoring betreft, zij eraan herinnerd dat steun die bedoeld is om een onderneming te bevrijden van de kosten die zij normaliter in het kader van haar lopend beheer of van haar normale activiteiten had moeten dragen, in beginsel de concurrentievoorwaarden vervalst (arrest van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C‑156/98, Jurispr. blz. I‑6857, punt 30, en arrest Heiser, reeds aangehaald, punt 55).
55 In casu moet worden vastgesteld dat het Gerecht de hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak inzake de motiveringsplicht van de Commissie op het gebied van staatsteun niet heeft geschonden door in punt 76 van het bestreden arrest tot de slotsom te komen dat aan de hand van de in de punten 74 tot en met 79 van de litigieuze beschikking vermelde motiveringsfactoren niet kon worden begrepen in welk opzicht de litigieuze steunmaatregelen, in de omstandigheden van het onderhavige geval, het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig zullen beïnvloeden en de mededinging zullen vervalsen of dreigen te vervalsen.
56 Wat die omstandigheden van het onderhavige geval betreft, heeft het Gerecht immers op goede gronden beklemtoond, met name in punt 63 van het bestreden arrest, dat de litigieuze steunmaatregelen bedoeld waren om middels gesubsidieerde leningen, de kosten te financieren van het doordringen in de markt in derde landen, in verband met het opzetten van permanente structuren of voor de handelsbevordering, en dat het subsidie-equivalent ervan relatief gering was. Voorts heeft het Gerecht in punt 75 van dat arrest benadrukt dat die steunmaatregelen niet rechtstreeks en onmiddellijk bedoeld waren om de export naar buiten de Europese Unie te steunen, maar om een exportprogramma dat erop was gericht om door te dringen in een markt, te financieren.
57 Gelet op deze specifieke omstandigheden van het geval heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 63 van het bestreden arrest te oordelen dat in het bijzonder aan de Commissie stond om te onderzoeken of de litigieuze steunmaatregelen het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden en de mededinging konden vervalsen, door in de litigieuze beschikking relevante aanwijzingen te geven over de voorzienbare gevolgen ervan.
58 In dit verband heeft het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest terecht gepreciseerd dat het zou hebben volstaan dat de Commissie op correcte wijze uiteenzet in welk opzicht de litigieuze steunmaatregelen het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden en de mededinging konden vervalsen of dreigen te vervalsen. Het Gerecht heeft in deze context met name beklemtoond dat de Commissie geen economische analyse hoefde te verrichten van de reële situatie op de betrokken markt of van de betrokken handelsstromen tussen lidstaten, en evenmin behoefde te bewijzen wat de werkelijke invloed van de litigieuze steunmaatregelen was op met name de door Wam gehanteerde prijzen, of de verkoop van Wam op de markt van het Verenigd Koninkrijk behoefde te onderzoeken.
59 Wat de concrete toepassing van deze beginselen betreft heeft het Gerecht in punt 66 van het bestreden arrest op goede gronden vastgesteld dat een algemene motivering, zoals die in de punten 75 en 77 van de litigieuze beschikking, die is gebaseerd op een verwijzing naar de beginselen die zijn ontwikkeld in het reeds aangehaalde arrest Tubemeuse, op zich niet kan worden geacht te voldoen aan de vereisten van artikel 253 EG.
60 Wat de motivering in de punten 76 en 78 van de litigieuze beschikking betreft, heeft het Gerecht, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, in de punten 68 tot en met 74 van het bestreden arrest geoordeeld dat die punten, zelfs gelezen in samenhang met de in punt 75 van de litigieuze beschikking genoemde beginselen en met de constatering dat de financiële situatie van Wam was verbeterd, niet volstaan om te kunnen begrijpen in welk opzicht de litigieuze steunmaatregelen in het onderhavige geval het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging kunnen vervalsen of dreigen te vervalsen.
61 Anders dan de Commissie in dit opzicht betoogt, kan het enkele feit dat Wam deelmeent aan het intracommunautaire handelsverkeer door een groot aandeel van haar productie binnen de Unie uit te voeren, in de in punt 56 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte specifieke omstandigheden van het onderhavige geval immers niet volstaan om die gevolgen aan te tonen.
62 In dit verband dient met name te worden vastgesteld dat uit de in de punten 50 en 53 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak weliswaar volgt dat dergelijke gevolgen in beginsel kunnen voortvloeien uit het feit dat de begunstigde van een steunmaatregel actief is op een geliberaliseerde Europese markt, doch dat dit niet wegneemt dat de litigieuze steunmaatregelen in casu, en anders dan in de omstandigheden die tot genoemde zaken hebben geleid, geen rechtstreeks verband houden met de activiteit van de begunstigde op deze markt, maar bedoeld zijn ter financiering van de kosten in verband met het doordringen in de markt van derde landen. In dergelijke omstandigheden, en te meer daar het om steunmaatregelen gaat waarvan het subsidie-equivalent relatief gering is, is de invloed van die steunmaatregelen op het handelsverkeer en de intracommunautaire mededinging minder direct en moeilijker waar te nemen, hetgeen vereist dat de Commissie haar beschikking meer uitgebreid met redenen omkleed.
63 Wat ten slotte de in punt 54 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak betreft, volgens welke steun die bedoeld is om een onderneming te bevrijden van de kosten die zij normaliter in het kader van haar lopend beheer of van haar normale activiteiten had moeten dragen, in beginsel de concurrentievoorwaarden vervalst, kan worden volstaan met vast te stellen dat de betrokken steun juist niet bedoeld is om Wam van dergelijke kosten te bevrijden.
64 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht, waar het in zijn beoordeling in de punten 62 tot en met 76 van het bestreden arrest in wezen heeft geoordeeld dat de Commissie een meer diepgaand onderzoek had moeten verrichten van de potentiële gevolgen van de litigieuze steunmaatregelen voor het handelsverkeer tussen de lidstaten en voor de mededinging en dat zij in de litigieuze beschikking extra aanwijzingen had moeten geven over die gevolgen, niet heeft bedoeld af te wijken van de hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, maar rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval, zonder dat hem kan worden verweten in dit opzicht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
65 Aan deze slotsom wordt bovendien niet afgedaan door de argumenten van de Commissie betreffende de vaststellingen van het Gerecht in punt 74 van het bestreden arrest. Die vaststellingen betreffende het onderzoek van de verhoudingen van onderlinge afhankelijkheid tussen de Europese markt en de markt van het Verre Oosten houden immers verband met de mogelijkheid van een indirecte ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer en de intracommunautaire mededinging, zoals primair bedoeld in het reeds aangehaalde arrest Tubemeuse. Het onderzoek van een dergelijke onderlinge afhankelijkheidsverhouding kan weliswaar niet worden vereist indien is aangetoond dat de staatssteun een rechtstreekse invloed op de intracommunautaire markten heeft, doch zoals in de voorgaande punten van het onderhavige arrest is bevestigd, levert de litigieuze beschikking hiervoor geen toereikend bewijs.
66 Bijgevolg moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Kosten
67 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Daar de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Italiaanse Republiek en Wam te worden verwezen in de kosten van de beidde instanties.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten van beide instanties.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy