Zaak C‑507/06
Malina Klöppel
tegen
Tiroler Gebietskrankenkasse
(verzoek van het Oberlandesgericht Innsbruck om een prejudiciële beslissing)
„Recht op Oostenrijkse kinderverzorgingsuitkering – Niet-meetelling van tijdvakken waarin in andere lidstaat gezinsbijslagen zijn ontvangen – Verordening (EEG) nr. 1408/71”
Samenvatting van het arrest
Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Gelijke behandeling – Kinderverzorgingsuitkering
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 3, lid 1)
Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 staat eraan in de weg dat een lidstaat weigert, voor de toekenning van een gezinsbijslag als een kinderverzorgingsuitkering het tijdvak waarover in een andere lidstaat een vergelijkbare uitkering is ontvangen, op dezelfde wijze mee te tellen als wanneer dit tijdvak op zijn eigen grondgebied zou zijn vervuld.
Het non-discriminatiebeginsel, verwoord in artikel 39, lid 2, EG en op het gebied van de sociale zekerheid van migrerende werknemers geconcretiseerd in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, verbiedt niet alleen openlijke discriminatie op grond van de nationaliteit van de rechthebbenden op een socialezekerheidsuitkering, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden. Zo moeten als indirect discriminerend worden beschouwd de voorwaarden van nationaal recht die, hoewel zonder onderscheid naar nationaliteit van toepassing, hoofdzakelijk of in de meeste gevallen migrerende werknemers treffen, alsook de zonder onderscheid van toepassing zijnde voorwaarden waaraan nationale werknemers gemakkelijker kunnen voldoen dan migrerende werknemers, of die in het bijzonder voor laatstgenoemden nadelig kunnen uitvallen.
(cf. punten 17‑18, 22 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
21 februari 2008 (*)
„Recht op Oostenrijkse kinderverzorgingsuitkering – Niet-meetelling van tijdvakken waarin in andere lidstaat gezinsbijslagen zijn ontvangen – Verordening (EEG) nr. 1408/71”
In zaak C‑507/06,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Oberlandesgericht Innsbruck (Oostenrijk) bij beslissing van 30 november 2006, ingekomen bij het Hof op 13 december 2006, in de procedure
Malina Klöppel
tegen
Tiroler Gebietskrankenkasse,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, L. Bay Larsen, K. Schiemann (rapporteur), P. Kūris en C. Toader, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– M. Klöppel, vertegenwoordigd door D. Rief,
– de Tiroler Gebietskrankenkasse, vertegenwoordigd door A. Bramböck als gemachtigde,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz als gemachtigde,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 72 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 1386/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 (PB L 187, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”), alsmede van artikel 10 bis van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 410/2002 van de Commissie van 27 februari 2002 (PB L 62, blz. 17; hierna: „verordening nr. 574/72”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M. Klöppel en de Tiroler Gebietskrankenkasse inzake de periode waarover zij in Oostenrijk aanspraak kan maken op kinderverzorgingsuitkering.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 Artikel 3 van verordening nr. 1408/71, getiteld „Gelijkheid van behandeling”, luidt als volgt:
„1. Personen die op het grondgebied van een der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.
[...]”
4 Artikel 4 van verordening nr. 1408/71, getiteld „Materiële werkingssfeer”, luidt:
„1. Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
[...]
h) gezinsbijslagen.
[...]”
5 Artikel 72 van verordening nr. 1408/71, getiteld „Samentelling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid”, bepaalt:
„Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen van het recht op bijslagen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, houdt daartoe, voor zover nodig, rekening met de op het grondgebied van elke andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, alsof deze tijdvakken waren vervuld krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling.”
6 Artikel 10 bis van verordening nr. 574/72, getiteld „Voorschriften die van toepassing zijn indien op de werknemer of zelfstandige gedurende eenzelfde tijdvak of een gedeelte van een tijdvak achtereenvolgens de wettelijke regeling van diverse lidstaten van toepassing is”, luidt:
„Indien op een werknemer of zelfstandige achtereenvolgens de wettelijke regeling van twee lidstaten van toepassing was gedurende het tijdvak gelegen tussen twee vervaldagen, zoals die zijn voorzien in de wettelijke regeling van een of beide betrokken lidstaten ter zake van de toekenning van de gezinsbijslagen, zijn de volgende voorschriften van toepassing:
a) de gezinsbijslagen waarop de betrokkene aanspraak kan maken op grond van het feit dat de wettelijke regeling van elk van deze staten op hem van toepassing was, komen overeen met het aantal dagelijkse bijslagen die krachtens de betrokken wettelijke regeling verschuldigd zijn. Indien de wettelijke regelingen waaraan hij onderworpen is geweest geen dagelijkse bijslagen kennen, worden de gezinsbijslagen toegekend naar verhouding van de tijd gedurende welke de belanghebbende onderworpen is geweest aan de wettelijke regeling van elk der lidstaten ten opzichte van het bij de betrokken wettelijke regeling vastgestelde tijdvak;
b) indien de gezinsbijslagen zijn verleend door een orgaan gedurende een tijdvak waarin deze hadden moeten worden verleend door een ander orgaan, vindt verrekening tussen deze organen plaats;
[...]”
Oostenrijkse regeling
7 § 5 van de wet op de kinderverzorgingsuitkering (Kinderbetreuungsgeldgesetz) van 8 augustus 2001 (BGBl. I, 103/2001; hierna: „KBGG”) bepaalt:
„(1) Kinderverzorgingsuitkering is ten laatste verschuldigd tot het einde van de 36e levensmaand van het kind, voor zover hierna niet anders is bepaald.
(2) Indien slechts een van de ouders kinderverzorgingsuitkering ontvangt, is deze uitkering ten laatste verschuldigd tot het einde van de 30e levensmaand van het kind. Indien ook de tweede ouder kinderverzorgingsuitkering ontvangt, wordt de uitkeringsduur na de 30e levensmaand verlengd met de periode waarover de tweede ouder kinderverzorgingsuitkering ontvangt, echter ten laatste tot het einde van de 36e levensmaand van het kind.
(3) Kinderverzorgingsuitkering kan beurtelings door een van beide ouders worden ontvangen, waarbij per kind tweemaal kan worden gewisseld. [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
8 Klöppel heeft de Duitse nationaliteit en is ambtenaar van de deelstaat Nordrhein-Westfalen. Zij woont in Oostenrijk en is als lerares in dienst van een lyceum in Duitsland. Tot 18 augustus 2004 woonde zij in Duitsland, waar op 11 april 2004 haar dochter werd geboren. C. Kraler, die de Oostenrijkse nationaliteit heeft, is de levenspartner van Klöppel en vader van dit kind; met ingang van 1 maart 2004 is hij bij belanghebbende gaan wonen om haar vóór de bevalling te helpen en om na de geboorte het kind te verzorgen. Daartoe kreeg Kraler van zijn werkgever in Oostenrijk, de universiteit van Innsbruck, onbetaald verlof. Klöppel zelf heeft voltijds onbetaald verlof genoten van 22 juli 2004 tot en met 10 april 2007.
9 Na de geboorte van hun dochter ontvingen Klöppel en Kraler, die op dat moment in Duitsland woonden, de in die lidstaat verstrekte ouderschapsuitkering, wat Kraler betreft van 11 april tot 11 augustus 2004.
10 Op 18 augustus 2004 zijn Klöppel en Kraler met hun kind naar Oostenrijk verhuisd, waar Kraler zijn arbeid in loondienst hervatte.
11 Vanaf die datum tot 11 oktober 2006 ontving Klöppel de Oostenrijkse kinderverzorgingsuitkering. Haar verzoek om verlenging van deze uitkering tot 10 april 2007 werd afgewezen bij beslissing van de Tiroler Gebietskrankenkasse van 3 mei 2006. De afwijzing was gebaseerd op § 5, lid 2, KBGG, dat bepaalt dat deze uitkering ten laatste verschuldigd is tot aan het einde van de 30e levensmaand wanneer slechts een van de ouders kinderverzorgingsuitkering ontvangt, terwijl de uitkering gedurende 36 maanden kan worden verstrekt indien ook de tweede ouder kinderverzorgingsuitkering ontvangt, waarbij beide ouders beurtelings kinderverzorgingsuitkering (hebben) ontvangen. Met het feit dat Kraler tussen 11 april en 11 augustus 2004 in Duitsland ouderschapsuitkering had ontvangen, werd bij de vaststelling of Klöppel gedurende 36 maanden recht had op kinderverzorgingsuitkering, geen rekening gehouden.
12 Klöppel stelde tegen deze beslissing beroep in.
13 Het Landesgericht Innsbruck, dat de redenering van de Tiroler Gebietskrankenkasse volgde en het beroep van Klöppel verwierp, stelde vast dat zij slechts gedurende 30 maanden recht had op kinderverzorgingsuitkering.
14 Van deze uitspraak kwam Klöppel in hoger beroep. Het Oberlandesgericht Innsbruck heeft daarop de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 72 van verordening [...] nr. 1408/71 [...], in samenhang met artikel 3 van deze verordening en met artikel 10 bis van verordening [...] nr. 574/72 [...], aldus worden uitgelegd dat tijdvakken waarin recht op gezinsbijslagen heeft bestaan in een lidstaat [in casu de Bondsrepubliek Duitsland, ouderschapsuitkering (Bundeserziehungsgeld)], voor het recht op een vergelijkbare uitkering in een andere lidstaat [in casu Oostenrijk, kinderverzorgingsuitkering (Kinderbetreuungsgeld)] gelijk moeten worden behandeld en dus voor het recht in de tweede lidstaat moeten worden aangemerkt als eigen uitkeringstijdvakken, wanneer beide ouders in deze uitkeringstijdvakken als werknemer overeenkomstig artikel 1, sub a‑i, van verordening nr. 1408/71 zijn aan te merken?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
15 De verwijzende rechter merkt op dat in de situatie van Klöppel de referentietijdvakken die voor het recht op kinderverzorgingsuitkering zijn meegeteld, verschillend worden beoordeeld naargelang deze in Oostenrijk zijn vervuld of in een andere lidstaat. Zo zou Klöppel, indien Kraler in Oostenrijk de verzorging van zijn kind op zich had genomen en uit dien hoofde in die lidstaat kinderverzorgingsuitkering had ontvangen, gedurende een langere periode aanspraak op die uitkering kunnen maken. In deze context, en na te hebben vastgesteld dat de situatie van Klöppel binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt, vraagt de verwijzende rechter of de bepalingen van deze verordening aldus kunnen worden uitgelegd dat tijdvakken waarover in Duitsland ouderschapsuitkering is ontvangen, moeten worden gelijkgesteld met tijdvakken waarin in Oostenrijk vergelijkbare uitkeringen zijn ontvangen.
16 Allereerst moet worden opgemerkt dat, zoals de Oostenrijkse regering betoogt, het gemeenschapsrecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels te organiseren niet aantast, en dat het, zolang in deze materie geen communautaire harmonisatie heeft plaatsgevonden, aan de lidstaten is om in hun wetgeving de voorwaarden voor toekenning van socialezekerheidsuitkeringen vast te stellen, alsook de hoogte en de uitkeringsduur daarvan. Niettemin moeten de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid het gemeenschapsrecht eerbiedigen, in het bijzonder de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van werknemers en die inzake de vrijheid van elke burger van de Europese Unie om te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten (arrest van 23 november 2000, Elsen, C‑135/99, Jurispr. blz. I‑10409, punt 33).
17 Het non-discriminatiebeginsel, verwoord in artikel 39, lid 2, EG en op het gebied van de sociale zekerheid van migrerende werknemers geconcretiseerd in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, verbiedt niet alleen openlijke discriminatie op grond van de nationaliteit van de rechthebbenden op een socialezekerheidsuitkering, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden (zie arrest van 18 januari 2007, Celozzi, C‑332/05, Jurispr. blz. I‑563, punten 13 en 23).
18 Zo moeten als indirect discriminerend worden beschouwd de voorwaarden van nationaal recht die, hoewel zonder onderscheid naar nationaliteit van toepassing, hoofdzakelijk of in de meeste gevallen migrerende werknemers treffen, alsook de zonder onderscheid van toepassing zijnde voorwaarden waaraan nationale werknemers gemakkelijker kunnen voldoen dan migrerende werknemers, of die in het bijzonder voor laatstgenoemden nadelig kunnen uitvallen (arrest Celozzi, reeds aangehaald, punt 24).
19 De weigering om voor de toekenning van de Oostenrijkse kinderverzorgingsuitkering aan Klöppel het tijdvak mee te tellen waarover haar partner Kraler in Duitsland een vergelijkbare uitkering heeft ontvangen, kan tot een dergelijk resultaat leiden, aangezien het over het algemeen werknemers met de nationaliteit van een andere lidstaat zijn die, voordat zij in Oostenrijk gaan wonen, gezinsbijslagen ontvingen in die andere lidstaten.
20 Opgemerkt zij dat het Hof niet over gegevens beschikt op basis waarvan het kan uitmaken of er voor deze nadelige behandeling van migrerende werknemers wellicht een rechtvaardiging bestaat.
21 Aangezien de uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 1408/71 op zich reeds voldoende is om de verwijzende rechter in staat te stellen, het bij hem aanhangig geding te beslechten, behoeft het Hof niet over te gaan tot uitlegging van artikel 72 van verordening nr. 1408/71 en artikel 10 bis van verordening nr. 574/72.
22 Op de prejudiciële vraag moet derhalve worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 eraan in de weg staat dat een lidstaat weigert, voor de toekenning van een gezinsbijslag als de Oostenrijkse kinderverzorgingsuitkering het tijdvak waarover in een andere lidstaat een vergelijkbare uitkering is ontvangen, op dezelfde wijze mee te tellen als wanneer dit tijdvak op zijn eigen grondgebied zou zijn vervuld.
Kosten
23 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1386/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001, staat eraan in de weg dat een lidstaat weigert, voor de toekenning van een gezinsbijslag als de Oostenrijkse kinderverzorgingsuitkering het tijdvak waarover in een andere lidstaat een vergelijkbare uitkering is ontvangen, op dezelfde wijze mee te tellen als wanneer dit tijdvak op zijn eigen grondgebied zou zijn vervuld.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy