Zaak C‑163/06 P
Republiek Finland
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid – Handeling zonder bindende rechtsgevolgen – Eigen middelen van Europese Gemeenschappen – Inbreukprocedure – Artikel 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 – Vertragingsrente – Onderhandelingen over overeenkomst inzake betaling onder voorwaarden – Weigeringsbrieven”
Samenvatting van de beschikking
1. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten
(Verordening nr. 1150/2000 van de Raad)
2. Beroep tot nietigverklaring – Handelingen waartegen beroep kan worden ingesteld – Handelingen die bindende rechtsgevolgen sorteren
(Art. 230 EG; verordening nr. 1150/2000 van de Raad)
3. Europese Gemeenschappen – Instellingen – Verplichtingen – Verplichting tot loyale samenwerking
(Art. 10 EG; verordening nr. 1150/2000 van de Raad)
1. Verordening nr. 1150/2000 houdende toepassing van besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen verleent de Commissie niet de bevoegdheid, onderhandelingen van welke aard ook met de lidstaten aan te gaan over een betaling onder voorwaarden van deze middelen.
Door de onlosmakelijke aard van het verband tussen de verplichting om de eigen middelen van de Gemeenschap vast te stellen, de verplichting om ze binnen de gestelde termijn te boeken op de rekening van de Commissie, en ten slotte de verplichting om vertragingsrente te betalen, mag de Commissie evenmin afzonderlijke onderhandelingen over een van deze elementen beginnen.
(cf. punten 29‑30)
2. Als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG, zijn slechts te beschouwen, maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.
De in brieven van de Commissie aan een lidstaat vervatte weigering om onderhandelingen aan te gaan met deze lidstaat over een betaling onder voorwaarden van met terugwerkende kracht geëiste douanerechten, vermeerderd met vertragingsrente, als eigen middelen van de Gemeenschappen, is geen besluit dat bezwarend is voor deze lidstaat. Alleen het resultaat van dergelijke handelingen kan de belangen van de betrokken lidstaat aantasten. De vraag van het resultaat is evenwel niet aan de orde, aangezien de Commissie in het kader van verordening nr. 1150/2000 houdende toepassing van besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen niet bevoegd is om een overeenkomst met een dergelijk resultaat te sluiten, noch om onderhandelingen met het oog daarop aan te gaan.
(cf. punten 40‑41)
3. Het beginsel van loyale samenwerking en het rechtszekerheidsbeginsel verlenen een lidstaat niet het recht om te eisen dat de Commissie met hem onderhandelingen begint met het oog op het bereiken van een overeenkomst inzake een betaling onder voorwaarden van eigen middelen. Weliswaar kan de Commissie een lidstaat het recht op een betaling onder voorwaarden niet weigeren, maar de erkenning van een dergelijk recht valt onder de communautaire voorschriften die de betaling onder voorwaarden regelen.
Op de vraag van het eventueel openen van onderhandelingen over een dergelijke betaling in het kader van een inbreukprocedure en een beroep wegens niet-nakoming moet de Commissie aldus de rechtsregels toepassen die golden op het ogenblik waarop kennis werd gegeven van de brieven aan deze lidstaat. Deze beoordeling kan niet op losse schroeven worden gezet door een later arrest van het Hof waarmee dit beroep wegens niet-nakoming wordt beëindigd en dat dus wordt uitgesproken na deze kennisgeving.
Noch de eventuele verplichting om een beroep wegens niet-nakoming bij het Hof in te stellen noch die om geen vertrouwelijke informatie als bedoeld in verordening nr. 1150/2000 houdende toepassing van besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen te vragen, brengt voorts de verplichting voor de Commissie met zich mee, te onderhandelen over een betaling onder de voorwaarde dat de Commissie zich ertoe verbindt de zaak aan het Hof voor te leggen en dat de betaling gebeurt zonder dat de Commissie de informatie als bedoeld in artikel 6 van deze verordening eist.
(cf. punten 33, 35‑36, 45)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Achtste kamer)
21 juni 2007 (*)
„Hogere voorziening – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid – Handeling zonder bindende rechtsgevolgen – Eigen middelen van Europese Gemeenschappen – Inbreukprocedure – Artikel 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 – Vertragingsrente – Onderhandelingen over overeenkomst inzake betaling onder voorwaarden – Weigeringsbrieven”
In zaak C‑163/06 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 23 maart 2006,
Republiek Finland, vertegenwoordigd door E. Bygglin als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Wilms en P. Aalto als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: E. Juhász, kamerpresident, J. Malenovský en T. von Danwitz (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Republiek Finland om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 9 januari 2006, Republiek Finland/Commissie (T‑177/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht niet-ontvankelijk heeft verklaard haar beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (Directoraat-Generaal Begroting), vervat in de brief van 28 februari 2005 en bevestigd bij brief van 25 april 2005, waarmee de Commissie heeft geweigerd onderhandelingen te beginnen met de Republiek Finland over de betaling onder voorwaarden van met terugwerkende kracht geëiste douanerechten, vermeerderd met vertragingsrente tot de dag van betaling van die rechten, die de Commissie vordert van de Republiek Finland in het kader van de krachtens artikel 226 EG ingeleide inbreukprocedure nr. 2003/2180.
Toepasselijke bepalingen
2 Artikel 6 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1), dat deel uitmaakt van titel II, „Boekhouding van de eigen middelen”, van deze verordening, eist dat bij de schatkist van iedere lidstaat of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, een boekhouding van deze middelen wordt gevoerd, gespecificeerd naar de aard van de middelen. In dit artikel worden de modaliteiten betreffende deze boekhouding en de aan de Commissie toe te zenden informatie vastgesteld.
3 Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1150/2000, dat deel uitmaakt van titel III, „Terbeschikkingstelling van de eigen middelen”, bepaalt:
„Op de in artikel 10 aangegeven wijze boekt iedere lidstaat de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, is geopend.
Deze rekening wordt zonder kosten bijgehouden.”
4 Artikel 11 van deze verordening bepaalt: „Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente tegen de op de vervaldag op de geldmarkt van deze lidstaat geldende rentevoet voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”
Voorgeschiedenis van het geding
5 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 9 van de bestreden beschikking uiteengezet door het Gerecht als volgt:
„1. De Commissie heeft op 17 oktober 2003 inbreukprocedure nr. 2003/2180 ingeleid tegen de Republiek Finland en vervolgens overeenkomstig de bepalingen van artikel 226 EG een met redenen omkleed advies uitgebracht, omdat zij van mening was dat de lidstaat de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen door niet-geïnde eigen middelen in verband met de invoer van militaire uitrusting in de periode 1998-2002 niet te berekenen en ter beschikking te stellen van de Commissie en door te weigeren de daarmee verband houdende vertragingsrente te betalen.
2. De Republiek Finland is opgekomen tegen de juridische beoordeling van de Commissie en was daarbij van mening dat zij op grond van artikel 296 EG het recht had, voor de bescherming van de wezenlijke belangen van haar veiligheid geen vertrouwelijke informatie inzake de invoer van militaire uitrusting te verstrekken en voorts tijdens de periode waarop de inbreukprocedure betrekking heeft, geen douanerechten op die invoer te heffen.
3. Teneinde de accumulatie te stoppen van de vertragingsrente die verschuldigd is overeenkomstig artikel 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 [...], heeft de Republiek Finland de Commissie op 25 januari 2005 verzocht, onderhandelingen met haar aan te gaan over een betaling onder voorwaarden van de met terugwerkende kracht gevorderde douanerechten en de vertragingsrente tot de dag van betaling. De lidstaat heeft verwezen naar de rechtspraak van het Hof inzake de mogelijkheid van een dergelijke betaling onder voorwaarden. Hij heeft de wens geuit, met de Commissie een overeenkomst te sluiten over die betaling onder voorwaarden.
4. Bij brief van de Europese commissaris voor begroting van 8 februari 2005 heeft de Commissie de Republiek Finland erop gewezen dat zij overeenkomstig de rechtspraak van het Hof een betaling onder voorwaarden kon verrichten waarbij de rechten van de lidstaat worden gewaarborgd tot de uitspraak van het Hof. Zij heeft de Finse autoriteiten uitgenodigd, contact op te nemen met het Directoraat-Generaal (DG) Begroting van de Commissie voor de praktische modaliteiten van de betaling.
5. Na een telefonisch contact heeft de Commissie bij brief van de directeur-generaal Begroting van 28 februari 2005 (eerste litigieuze brief) aan de Republiek Finland verduidelijkt dat zij niet het recht had een overeenkomst te sluiten als de door de Finse autoriteiten gewenste, gelet op de verplichtingen die op de lidstaten rusten met betrekking tot de eigen middelen van de Gemeenschappen, en dat zij niet kon onderhandelen over specifieke voorwaarden inzake een bepaalde betaling, behoudens bijzondere berekeningsmoeilijkheden, die in casu niet werden aangevoerd.
6. De directeur-generaal Begroting heeft [...] de Finse autoriteiten bevestigd dat zij een betaling onder voorwaarden in de zin van de rechtspraak van het Hof konden verrichten. Hij heeft de praktische modaliteiten van een dergelijke betaling en de gevolgen ervan voor de gerechtelijke procedure uitgelegd.
7. Bij brief van 18 maart 2005 heeft de Republiek Finland de Commissie eraan herinnerd dat in de inbreukprocedure de vraag centraal stond of een lidstaat op grond van artikel 296 EG het recht heeft, geen vertrouwelijke informatie inzake de invoer van militaire uitrusting te verstrekken en de desbetreffende rechten niet te heffen, en dat de uitdrukkelijke bedoeling van een betaling onder voorwaarden erin bestond, de accumulatie van de vertragingsrente als bedoeld in verordening nr. 1150/2000 te stoppen.
8. De Finse autoriteiten hebben voorts beklemtoond dat hun betaling onder voorwaarden afhing van twee voorwaarden, te weten dat de Commissie zich ertoe verbindt de zaak aan het Hof voor te leggen en dat hun wordt verzekerd dat zij die betaling kunnen verrichten in afwijking van de normale procedure, dit wil zeggen zonder dat zij informatie hoeven te verstrekken die de wezenlijke belangen van de veiligheid van de lidstaat kan schaden.
9. De Commissie heeft bij brief van de directeur-generaal Begroting van 25 april 2005 (tweede litigieuze brief) opnieuw de Finse autoriteiten erop gewezen dat zij niet kon onderhandelen over de gevraagde overeenkomst en zij heeft tevens de inhoud van haar brief van 28 februari 2005 bevestigd.”
Beroep voor het Gerecht en bestreden beschikking
6 Bij verzoekschrift, neergelegd op 11 mei 2005, heeft de Finse regering het beroep ingesteld dat heeft geleid tot de bestreden beschikking.
7 De Commissie wierp een exceptie van niet-ontvankelijkheid op en verzocht, het beroep niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren.
8 De Republiek Finland verzocht het Gerecht, het beroep ontvankelijk te verklaren en het besluit van de Commissie nietig te verklaren dat is vervat in de brief van 28 februari 2005 en is bevestigd bij brief van 25 april 2005 (hierna: „litigieuze brieven”), waarmee de Commissie heeft geweigerd onderhandelingen te beginnen met de Republiek Finland over een betaling onder voorwaarden van met terugwerkende kracht geëiste douanerechten, vermeerderd met vertragingsrente tot de dag van betaling van die rechten, die van de Republiek Finland worden gevorderd in het kader van de krachtens artikel 226 EG ingeleide inbreukprocedure nr. 2003/2180.
9 Bij de bestreden beschikking, die krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is gegeven, heeft het Gerecht, zonder de mondelinge behandeling te openen, het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
10 Het Gerecht was van oordeel dat de litigieuze brieven die aan de Republiek Finland waren gericht tijdens de precontentieuze fase van een niet-nakomingsprocedure, geen enkel besluit bevatten dat bindende rechtsgevolgen in het leven kan roepen welke de belangen van deze lidstaat kunnen aantasten.
11 In punt 32 van de bestreden beschikking merkt het Gerecht op dat de weigering om onderhandelingen aan te gaan, geen besluit is dat bezwarend is voor de lidstaat. Het aangaan van onderhandelingen als de in geding zijnde, gesteld dat de Commissie bevoegd was om daarmee in te stemmen, kon immers als zodanig de rechtspositie van de Republiek Finland niet aantasten, aangezien enkel het sluiten van een overeenkomst na afloop van die onderhandelingen, indien zij succesvol bleken, eventueel een dergelijk gevolg zou kunnen hebben.
12 In punt 33 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht vastgesteld dat met betrekking tot de eigen middelen van de Gemeenschappen noch de bepalingen van verordening nr. 1150/2000 noch de rechtspraak van het Hof de Commissie de bevoegdheid verlenen om onderhandelingen van welke aard ook aan te gaan met de lidstaten.
13 Wat de betaling onder voorwaarden betreft, wijst het Gerecht in punt 34 van de bestreden beschikking erop dat overeenkomstig de rechtspraak van het Hof de „voorwaarden” waaronder de betaling wordt verricht, verband houden met de vaststelling dat de lidstaat en de Commissie niettegenstaande de betaling het oneens zijn over de rechtvaardigingsgronden voor de door deze instelling gevorderde schuld.
14 Vervolgens stelt het in de punten 35 en 36 van deze beschikking vast dat de Commissie de Republiek Finland geen betaling onder voorwaarden heeft geweigerd van de rechten waarop de inbreukprocedure betrekking heeft, maar integendeel heeft gewezen op de mogelijkheid voor de Finse autoriteiten om een dergelijke betaling te verrichten overeenkomstig de rechtspraak van het Hof. De Commissie heeft verklaard dat het volstond dat de Finse autoriteiten de onbetaalde rechten berekenden en de desbetreffende bedragen, gelijk aan de hoofdsom, ter beschikking stelden op haar rekening van eigen middelen, op grond waarvan zij de vertragingsrente zou berekenen voor de periode tussen het ogenblik waarop de betrokken rechten ter beschikking van de Commissie hadden moeten zijn gesteld (door de lidstaat verstrekte informatie) en de dag van daadwerkelijke betaling. Indien de Republiek Finland in het gelijk zou worden gesteld in de niet-nakomingszaak die thans bij het Hof aanhangig is, zou de Commissie ten slotte overgaan tot terugbetaling van de onder voorwaarden betaalde bedragen.
15 In de punten 37 tot en met 40 van de bestreden beschikking verwerpt het Gerecht de twee „voorwaarden” die de Finse regering had aangevoerd voor een betaling onder voorwaarden, te weten een verbintenis van de Commissie om bij het Hof beroep wegens niet-nakoming in te stellen en een ontheffing van de verplichting om vertrouwelijke informatie te verstrekken. De beoordelingsbevoegdheid waarover de Commissie beschikt met betrekking tot de vraag of bij het Hof al dan niet een dergelijk beroep moet worden ingesteld, sluit uit dat iemand het recht zouden hebben om van die instelling te eisen dat zij een bepaald standpunt inneemt. Voorts heeft de Commissie geenszins geëist dat bij de betaling onder voorwaarden vertrouwelijke informatie wordt verstrekt die de wezenlijke belangen van de veiligheid van de lidstaat kan schaden.
16 Het Gerecht heeft derhalve geconcludeerd dat in deze omstandigheden de litigieuze brieven geen besluit vormden in de zin van artikel 230 EG en derhalve niet vatbaar waren voor beroep tot nietigverklaring, zodat het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
Conclusies van partijen
17 De Republiek Finland concludeert dat het het Hof behage:
– de bestreden beschikking te vernietigen;
– het door de Republiek Finland op grond van artikel 230 EG ingestelde beroep ontvankelijk te verklaren, en
– de zaak voor afdoening te verwijzen naar het Gerecht, en de Commissie ook te verwijzen in de kosten van de Republiek Finland in de procedure in hogere voorziening.
18 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening ongegrond te verklaren, en
– de Republiek Finland te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
19 Krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment, op rapport van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk afwijzen, zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan.
20 Ter ondersteuning van haar vordering tot vernietiging van de bestreden beschikking voert de Finse regering één middel aan, dat bestaat uit vier onderdelen. Volgens dit middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te weigeren te erkennen dat de litigieuze brieven een besluit vormden dat vatbaar was voor beroep krachtens artikel 230 EG.
21 De Commissie stelt dat, aangezien de litigieuze brieven loutere kennisgevingsbrieven zijn waarin de door de Commissie in casu gevolgde benadering wordt uiteengezet, geen enkele ervan de belangen van de Republiek Finland aantast en evenmin haar rechtspositie wijzigt ten opzichte van haar positie vóór de ontvangst ervan. Bijgevolg is de Commissie van mening dat het Gerecht het gemeenschapsrecht juist heeft toegepast, aangezien de Republiek Finland niet heeft aangetoond dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Tweede en derde onderdeel: onjuiste beoordeling door te stellen dat de Commissie onbevoegd is en dat de litigieuze brieven geen bindende rechtsgevolgen hebben
Argumenten van de Finse regering
22 De Finse regering komt op tegen de vaststelling van het Gerecht in de punten 28 tot en met 36 van de bestreden beschikking dat de Commissie onbevoegd is om onderhandelingen met de lidstaten aan te gaan en dat die onderhandelingen bovendien niet nodig zijn.
23 Zij is van mening dat de mogelijkheid van een betaling onder voorwaarden in het kader van een inbreukprocedure niet mag worden beoordeeld op grond van verordening nr. 1150/2000, aangezien deze geen enkele bepaling bevat inzake procedures voor andere betalingen dan die welke betrekking hebben op de ter beschikking van de Gemeenschap gestelde eigen middelen.
24 Het gemeenschapsrecht bevat geen systeem in het kader waarvan een betaling onder voorwaarden op zo’n wijze kan worden verricht dat de rechten van de lidstaat worden gewaarborgd. Dienaangaande stelt de Finse regering dat niet duidelijk is met welk middel een lidstaat ervoor kan zorgen dat de Commissie de zaak zal voorleggen aan het Hof na betaling van de hoofdsom, vermeerderd met de vertragingsrente, noch op welke wijze dient te worden gehandeld wanneer de Commissie geen beroep instelt, aangezien het gemeenschapsrecht niet waarborgt dat deze staat zijn betaling onder voorwaarden terugbetaald zal krijgen.
25 In het bijzonder in het kader van het derde onderdeel van haar middel voert de Finse regering aan dat de vaststellingen van het Gerecht in de punten 35 en 36 van de bestreden beschikking en zijn conclusie in punt 42 ervan, volgens welke de litigieuze brieven geen enkel bindend rechtsgevolg in het leven roepen doordat de Commissie de betaling onder voorwaarden niet heeft geweigerd, onjuist zijn.
26 In deze omstandigheden is de Finse regering van mening dat lidstaten afspraken moeten kunnen maken met de Commissie over de modaliteiten van een betaling onder voorwaarden en dat het noodzakelijk is dat onderhandelingen worden begonnen met het oog op het sluiten van een overeenkomst daarover. Dit vloeit voort uit het in artikel 10 EG erkende beginsel van loyale samenwerking en uit het rechtszekerheidsbeginsel.
Beoordeling door het Hof
27 Allereerst dient te worden vastgesteld dat het tweede en het derde onderdeel van het middel tezamen moeten worden behandeld. Met het oog op de vaststelling of de weigering om onderhandelingen over een betaling onder voorwaarden te beginnen, een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG is, hebben deze twee onderdelen immers in wezen betrekking op de bevoegdheid van de Commissie om dergelijke onderhandelingen te beginnen en op de noodzaak ervan.
28 In de eerste plaats faalt de grief dat verordening nr. 1150/2000 niet ter zake dienend is. Ook al is deze verordening ter zake dienend voor zover zij het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen beoogt te regelen, zij bevat daarentegen geen enkele bepaling inzake onderhandelingen als die welke de Finse regering eist. Uit de tweede zin van de twintigste overweging van de considerans van verordening nr. 1150/2000 blijkt dat de Commissie „haar bevoegdheden overeenkomstig de bepalingen van deze verordening [dient] uit te oefenen”.
29 Het Gerecht heeft dus op goede gronden vastgesteld dat deze verordening de Commissie niet de bevoegdheid verleent, onderhandelingen van welke aard ook aan te gaan met de lidstaten.
30 In de tweede plaats dient erop te worden gewezen dat volgens vaste rechtspraak waarnaar het Gerecht in punt 33 van de bestreden beschikking heeft verwezen, er een onlosmakelijk verband bestaat tussen de verplichting om de eigen middelen van de Gemeenschap vast te stellen, de verplichting om ze binnen de gestelde termijn te boeken op de rekening van de Commissie, en ten slotte de verplichting om vertragingsrente te betalen (zie ook arrest van 15 november 2005, Commissie/Denemarken, C‑392/02, Jurispr. blz. I‑9811, punt 67). Door de onlosmakelijke aard van dit verband mag de Commissie evenmin afzonderlijke onderhandelingen over een van deze elementen beginnen.
31 Op basis van eenzelfde redenering heeft het Hof vastgesteld dat vertragingsrente overeenkomstig artikel 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1), dat is overgenomen in verordening nr. 1150/2000 (zie arrest van 12 juni 2003, Commissie/Italië, C‑363/00, Jurispr. blz. I‑5767, punt 23), opeisbaar is ongeacht de reden voor de te late boeking van de middelen op de rekening van de Commissie (zie met name arresten van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, C‑96/89, Jurispr. blz. I‑2461, punt 38; Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 44, en 14 april 2005, Commissie/Nederland, C‑460/01, Jurispr. blz. I‑2613, punt 91).
32 De Commissie kon dus de Finse regering enkel meedelen dat zij volgens de gemeenschapswetgeving en de rechtspraak van het Hof niet bevoegd was om te onderhandelen over de voorwaarden en de modaliteiten van de betaling van de eigen middelen. Als louter informatieve handelingen waarbij enkel de stand van het recht inzake een betaling onder voorwaarden wordt uitgelegd, kunnen de litigieuze brieven dus de belangen van de Republiek Finland niet aantasten noch haar rechtspositie wijzigen ten opzichte van haar positie vóór de ontvangst van die brieven.
33 Met het oog op het beroep wegens niet-nakoming na de in punt 8 van de onderhavige beschikking vermelde inbreukprocedure in het kader waarvan de vraag van het openen van onderhandelingen over een betaling onder voorwaarden is gerezen, dient te worden gepreciseerd dat de Commissie de rechtsregels moest toepassen die golden op het ogenblik waarop kennis werd gegeven van de twee litigieuze brieven (zie, in dit verband, arresten van 1 juli 2004, Tsapalos en Diamantakis, C‑361/02 en C‑362/02, Jurispr. blz. I‑6405, punt 19, en 9 maart 2006, Beemsterboer Coldstore Services, C‑293/04, Jurispr. blz. I‑2263, punt 19). Deze beoordeling kan dus niet op losse schroeven worden gezet door een later arrest van het Hof waarmee dit beroep wegens niet-nakoming wordt beëindigd en dat dus wordt uitgesproken na de kennisgeving van deze twee brieven.
34 De Finse regering betoogt dat de Commissie verplicht was onderhandelingen te beginnen op grond van het beginsel van loyale samenwerking en het rechtszekerheidsbeginsel, in hun onderling verband gelezen. Volgens de Finse regering vloeit hieruit voort dat de in de litigieuze brieven vervatte weigering om dergelijke onderhandelingen aan te gaan, de belangen van de Republiek Finland aantast in de zin van de rechtspraak van het Hof (zie arresten van 22 juni 2000, Nederland/Commissie, C‑147/96, Jurispr. blz. I‑4723, punt 25 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 december 2004, Commissie/Greencore, C‑123/03 P, Jurispr. blz. I‑11647, punt 44). Dit argument faalt.
35 Uit de rechtspraak blijkt weliswaar dat de Commissie een lidstaat het recht op een betaling onder voorwaarden niet kan weigeren (zie, in die zin, arrest van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 17, en 12 september 2000, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑359/97, Jurispr. blz. I‑6355, punt 31), maar de erkenning van een dergelijk recht valt onder de communautaire voorschriften die de betaling onder voorwaarden regelen. Het gemeenschapsrecht verplicht de Commissie evenwel niet om met de betrokken lidstaat een overeenkomst te sluiten waarmee reeds bestaande communautaire verplichtingen ten gunste van de lidstaat worden bevestigd. Het stelsel van eigen middelen verzet zich tegen de mogelijkheid om te onderhandelen over de betalingsvoorwaarden en ‑modaliteiten. In dit verband heeft het Hof in het bijzonder gewezen op het belang van een snelle en doeltreffende terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap (arrest van 5 oktober 2006, Commissie/België, C‑378/03, Jurispr. blz. I‑9805, punt 48 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Hieruit volgt dat het beginsel van loyale samenwerking en het rechtszekerheidsbeginsel de Republiek Finland niet het recht verlenen om te eisen dat met het oog daarop onderhandelingen worden begonnen.
37 Gelet op alle voorgaande overwegingen falen het tweede en het derde onderdeel van het middel en moeten zij als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Eerste onderdeel: onjuiste beoordeling van de weigering om te onderhandelen
Argumenten van de Finse regering
38 Volgens de Finse regering heeft het Gerecht in punt 32 van de bestreden beschikking ten onrechte geoordeeld dat de weigering van het verzoek om onderhandelingen te beginnen, geen besluit is dat bezwarend is voor de lidstaat; enkel het sluiten van een overeenkomst na afloop van die onderhandelingen had een dergelijke bezwarende handeling kunnen zijn.
39 Volgens deze regering kan immers geen enkele overeenkomst worden gesloten na afloop van onderhandelingen wanneer deze zelfs niet werden begonnen. Door in strijd met artikel 10 EG te weigeren onderhandelingen aan te gaan, heeft de Commissie in feite de Republiek Finland de mogelijkheid ontnomen om een betaling onder voorwaarden te verrichten in de zin van de rechtspraak van het Hof (reeds aangehaalde arresten van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, punt 17, en Commissie/Verenigd Koninkrijk, punt 31). Het betrokken besluit is dus bezwarend voor de Republiek Finland.
Beoordeling door het Hof
40 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd, zoals het Gerecht in punt 30 van de bestreden beschikking heeft gedaan, dat volgens vaste rechtspraak als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG, slechts te beschouwen zijn, maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (zie reeds aangehaalde arresten Nederland/Commissie, punt 25, en Commissie/Greencore, punt 44).
41 Het Gerecht heeft geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door vast te stellen dat de in de litigieuze brieven vervatte weigering om onderhandelingen aan te gaan, geen besluit is dat bezwarend is voor de lidstaat. Zoals de Finse regering heeft aangevoerd, is het aangaan van onderhandelingen een conditio sine qua non om eventueel een overeenkomst te bereiken. Aangezien het aangaan van onderhandelingen evenwel niet waarborgt dat daarmee een resultaat wordt bereikt, kan enkel het resultaat zelf de belangen van de Republiek Finland aantasten. De vraag van het resultaat is evenwel niet aan de orde, aangezien de Commissie niet bevoegd is om een overeenkomst met een dergelijk resultaat te sluiten, noch om onderhandelingen met het oog daarop aan te gaan.
42 Derhalve dient te worden vastgesteld dat de Republiek Finland evenmin met het eerste onderdeel van haar middel aantoont dat de twee litigieuze brieven besluiten zijn in de zin van de rechtspraak van het Hof. Bijgevolg faalt dit onderdeel en moet het als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Vierde onderdeel: onjuiste analyse van de twee voorwaarden voor een betaling onder voorwaarden
Argumenten van de Finse regering
43 De Finse regering komt op tegen de analyse die het Gerecht in de punten 37 tot en met 41 van de bestreden beschikking heeft verricht met betrekking tot de twee voorwaarden die de Republiek Finland voor een betaling onder voorwaarden had aangevoerd, te weten de verbintenis van de Commissie om bij het Hof beroep wegens niet-nakoming in te stellen en een aan deze lidstaat verleende ontheffing van de verplichting om vertrouwelijke informatie te verstrekken die de wezenlijke belangen van de veiligheid van die staat kan schaden. Volgens het Gerecht kon daarover geen overeenkomst worden gesloten.
Beoordeling door het Hof
44 Uit de vaststellingen van het Gerecht in de punten 39 en 40 van de bestreden beschikking blijkt inderdaad dat de Finse regering niet kan eisen dat de betrokken betaling wordt verricht op voorwaarde dat de Commissie zich ertoe verbindt de zaak aan het Hof voor te leggen en op voorwaarde dat de betaling gebeurt zonder dat de Commissie de informatie als bedoeld in artikel 6 van verordening nr. 1150/2000 eist.
45 Noch de eventuele verplichting voor de Commissie om een beroep wegens niet-nakoming bij het Hof in te stellen noch die om geen vertrouwelijke informatie als bedoeld in verordening nr. 1150/2000 te vragen, brengt immers de verplichting met zich mee, te onderhandelen over een betaling onder dergelijke voorwaarden. Zelfs indien de Commissie die voorwaarden zou moeten naleven, zou zij immers op grond daarvan niet verplicht zijn de gevraagde onderhandelingen te beginnen, zoals reeds in herinnering werd gebracht in punt 35 van de onderhavige beschikking.
46 Bijgevolg kunnen de litigieuze brieven, noch door de weigering van de Commissie om te onderhandelen over een betaling op voorwaarde dat de zaak aan het Hof wordt voorgelegd, noch door haar weigering om te aanvaarden dat informatie als bedoeld in verordening nr. 1150/2000 niet wordt verstrekt, de belangen van de Republiek Finland aantasten, aangezien zij haar rechtspositie niet aanmerkelijk wijzigen. Zij kunnen dus niet worden aangemerkt als besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring. Het Gerecht heeft dus in punt 37 van de bestreden beschikking op goede gronden gesteld dat over geen enkele van deze „voorwaarden” een overeenkomst kon worden gesloten.
47 Derhalve faalt ook het vierde onderdeel van het middel en moet het als zodanig worden afgewezen als kennelijk ongegrond.
48 Uit een en ander volgt dat het middel in al zijn onderdelen kennelijk ongegrond is.
Kosten
49 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Republiek Finland in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Achtste kamer) beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De Republiek Finland wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Fins.
Full & Egal Universal Law Academy