Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 9 maart 2007 – Schneider Electric / Commissie
(Zaak C‑188/06 P)
„Hogere voorziening – Concentraties van ondernemingen – Markt voor elektriciteitsdistributie – Besluiten tot inleiding en beëindiging van procedure”
1. Hogere voorziening – Middelen – Toetsing door Hof van beoordeling van feiten en bewijzen – Uitgesloten, behoudens geval van verkeerde opvatting (Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58) (cf. punt 28)
2. Hogere voorziening – Middelen – Ontbreken van aanwijzing van gestelde onjuiste rechtsopvatting – Niet-ontvankelijkheid (Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c) (cf. punten 55, 78)
3. Hogere voorziening – Middelen – Middel voorgedragen tegen rechtsoverweging van arrest die niet noodzakelijk is voor onderbouwing van dictum – Falend middel (Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58) (cf. punten 64, 80)
4. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Besluit houdende opening van fase van grondig onderzoek (Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 6, lid 1, sub c) (cf. punt 72)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 31 januari 2006, Schneider Electric SA / Commissie (T‑48/03), waarbij niet-ontvankelijk is verklaard een beroep tot nietigverklaring van enerzijds het besluit van de Commissie van 4 december 2002 houdende opening van de fase van grondig onderzoek van de concentratie tussen Schneider en Legrand (zaak COMP/M.2283 – Schneider/Legrand II) en anderzijds het besluit van de Commissie van 13 december 2002 waarbij de procedure van controle van deze concentratie is beëindigd
Dictum
De hogere voorziening wordt afgewezen.
Schneider Electric SA wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy