Zaak C‑221/06
Stadtgemeinde Frohnleiten en Gemeindebetriebe Frohnleiten GmbH
tegen
Bundesminister für Land‑ und Forstwirtschaft, Umwelt und Wasserwirtschaft
(verzoek van het Verwaltungsgerichtshof om een prejudiciële beslissing)
„Verwijdering van document”
Beschikking van het Hof (Eerste kamer) van 23 maart 2007
Samenvatting van de beschikking
Procedure – Overlegging aan Hof van adviezen van juridische diensten van nationale overheden – Voorwaarden
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 45, lid 2, sub b)
Het zou in strijd zijn met het openbaar belang, dat eist dat de nationale overheden gebruik kunnen maken van in volledige onafhankelijkheid gegeven adviezen van hun juridische dienst, indien werd aanvaard dat dergelijke interne documenten, indien ze naar nationaal recht niet openbaar zijn, in een geding aan het Hof kunnen worden overgelegd zonder toestemming van een bevoegde instantie van de betrokken lidstaat of, in voorkomend geval, zonder bevel van het Hof krachtens artikel 45, lid 2, sub b, van zijn Reglement voor de procesvoering.
(cf. punt 19)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Eerste kamer)
23 maart 2007 (*)
„Verwijdering van document”
In zaak C‑221/06,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 27 april 2006, ingekomen bij het Hof op 15 mei 2006, in de procedure
Stadtgemeinde Frohnleiten,
Gemeindebetriebe Frohnleiten GmbH
tegen
Bundesminister für Land‑ und Forstwirtschaft, Umwelt und Wasserwirtschaft,
in tegenwoordigheid van:
Republiek Oostenrijk,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, R. Schintgen, A. Tizzano, A. Borg Barthet en M. Ilešič (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 10 EG, 12 EG, 23 EG, 25 EG, 49 EG en 90 EG.
2 Het is ingediend in het kader van een geding tussen de Stadtgemeinde Frohnleiten (gemeente Frohnleiten) en Gemeindebetriebe Frohnleiten GmbH (gemeentebedrijf Frohnleiten) enerzijds, en de Bundesminister für Land‑ und Forstwirtschaft, Umwelt und Wasserwirtschaft (bondsminister van Land‑ en Bosbouw, Milieu en Waterbeheer; hierna: „minister”) anderzijds, over de oplegging van heffingen op het storten van uit Italië afkomstige afvalstoffen op de stortplaats van de gemeente Frohnleiten.
3 Volgens § 3, lid 1, punt 1, van de wet van 7 juni 1989 betreffende de sanering van verontreinigde terreinen (Altlastensanierungsgesetz, BGBl nr. 1989/299; hierna: „ALSAG”) is de „Altlastenbeitrag” (heffing ter zake van verontreinigde terreinen) verschuldigd voor „de langdurige opslag van afvalstoffen, met inbegrip van de storting van afvalstoffen op een stortplaats, ook indien daarmee een met de stortplaats verband houdend bouwtechnisch of ander doel wordt nagestreefd”.
4 § 3, lid 2, punt 1, ALSAG voorziet evenwel in een vrijstelling van de Altlastenbeitrag voor het opslaan, storten en vervoeren van afvalstoffen die aantoonbaar zijn verkregen bij beveiligings‑ of saneringswerkzaamheden op verdachte terreinen die in het register van verdachte terreinen zijn opgenomen, of op verontreinigde terreinen die in het register van verontreinigde terreinen zijn opgenomen.
5 Volgens het Verwaltungsgerichtshof kunnen uiteraard alleen in Oostenrijk gelegen terreinen in het register van verdachte terreinen of in dat van verontreinigde terreinen worden opgenomen, zodat slechts afvalstoffen verkregen bij beveiligings‑ of saneringswerkzaamheden op in Oostenrijk gelegen verdachte of verontreinigde terreinen in aanmerking komen voor de vrijstelling van § 3, lid 2, punt 1, ALSAG.
6 Krachtens § 4, punt 1, ALSAG is met name „de exploitant van een stort‑ of opslagplaats” onderworpen aan de Altlastenbeitrag.
7 Gemeindebetriebe Frohnleiten GmbH, waarvan de Stadtgemeinde Frohnleiten enig aandeelhoudster is, exploiteert de stortplaats van de gemeente Frohnleiten.
8 In het vierde kwartaal van het jaar 2001 en het eerste kwartaal van het jaar 2002 zijn verschillende tonnen shredderafval uit Italië op deze stortplaats gestort. Het vervoer ervan naar Oostenrijk was door de Oostenrijkse autoriteiten toegestaan.
9 Deze afvalstoffen waren afkomstig van een in de gemeente Rovigo (Italië) gelegen terrein, dat als saneringsterrein was aangewezen in het op basis van artikel 22 van wetsdecreet nr. 22 van 5 februari 1997 (Supplemento ordinario bij GURI nr. 38 van 15 februari 1997) en van het decreet van de Italiaanse minister van Milieu van 16 mei 1989 (GURI nr. 121 van 26 mei 1989, blz. 12) vastgestelde Italiaanse regionale plan voor de sanering van verontreinigde terreinen.
10 Aangezien verzoeksters in het hoofdgeding van mening waren dat deze afvalstoffen in aanmerking kwamen voor de vrijstelling van § 3, lid 2, punt 1, ALSAG, daar zij van een verontreinigd terrein afkomstig waren, hebben zij de Bezirkshauptmannschaft Graz-Umgebung (bestuursautoriteit van het kanton Graz en omgeving; hierna: „BH”) verzocht deze vrijstelling vast te stellen.
11 Bij besluit van 11 mei 2004 heeft de BH de betrokken afvalstoffen krachtens § 3, lid 2, punt 1, ALSAG vrijgesteld van de Altlastenbeitrag. Dit besluit is door de Landeshauptmann von Steiermark (hoofd van de regionale regering van Steiermark; hierna: „LH”) bevestigd bij op het beroep van de Oostenrijkse bondsautoriteiten genomen besluit van 30 november 2004. Zowel volgens de BH als de LH zou een verschillende behandeling van afvalstoffen verkregen bij de uitvoering van wettelijke maatregelen tot beveiliging of sanering van verontreinigde terreinen, naargelang zij uit Oostenrijk of een andere lidstaat afkomstig zijn, in strijd zijn met artikel 90 EG.
12 Bij besluit van 10 januari 2005 heeft de minister het besluit van de LH vernietigd en beslist dat de betrokken afvalstoffen onderworpen zijn aan de Altlastenbeitrag, daar zij niet afkomstig waren van een in het register van verdachte terreinen of in dat van verontreinigde terreinen opgenomen terrein. Volgens de minister valt de Altlastenbeitrag niet onder artikel 90 EG, daar het niet een belasting op afvalstoffen als zodanig, maar een heffing op een activiteit betreft.
13 Verzoeksters in het hoofdgeding zijn tegen dit besluit van de minister opgekomen bij het Verwaltungsgerichtshof. Zij stellen in wezen dat de Altlastenbeitrag binnen de werkingssfeer van artikel 90 EG valt en dat deze bepaling wordt geschonden, wanneer deze belasting voor ingevoerde en soortgelijke nationale producten verschillend wordt berekend, daar ingevoerde producten door dit verschil zwaarder worden belast.
14 In deze omstandigheden heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Verzetten de artikelen 10 EG, 12 EG, 23 EG, 25 EG, 49 EG en 90 EG zich tegen een nationale fiscale bepaling die de storting van afvalstoffen op een stortplaats aan een heffing (Altlastenbeitrag) onderwerpt, maar voorziet in een vrijstelling voor de storting van afvalstoffen die aantoonbaar zijn verkregen bij beveiligings‑ of saneringswerkzaamheden op verontreinigde terreinen (verdachte terreinen of daadwerkelijk verontreinigde terreinen) die zijn geregistreerd in bij de wet ingestelde ambtelijke registers (het Verdachtsflächenkataster en de Altlastenatlas) waarin enkel terreinen gelegen op het nationale grondgebied kunnen worden opgenomen, zodat ook de heffingsvrijstelling slechts mogelijk is voor het storten van afvalstoffen afkomstig van op het nationale grondgebied gelegen verdachte of verontreinigde terreinen?”
15 Verzoeksters in het hoofdgeding hebben op 28 juli 2006 opmerkingen ter griffie van het Hof ingediend. Zij stellen met name dat zij aanvankelijk bij het Zollamt Graz (douanebureau Graz), de bevoegde instantie voor de inning van de heffingen, een vrijstellingsverklaring hebben ingediend voor de van het verontreinigde terrein in Rovigo afkomstige afvalstoffen. Het Bundesministerium für Finanzen (ministerie van Financiën), waaronder de douane ressorteert, heeft daarop de Bundeskanzleramt-Verfassungsdienst (dienst grondwettelijke zaken van de Bondskanselarij) om juridisch advies verzocht over de vraag of het ALSAG verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder met artikel 90 EG. Dit advies is gegeven op 20 september 2002. Het Zollamt Graz heeft ten slotte betaling van de Altlastenbeitrag gevorderd en daarmede verzoeksters in het hoofdgeding gedwongen het in punt 10 van de onderhavige beschikking vermelde verzoek bij de BH in te dienen.
16 Verzoeksters in het hoofdgeding hebben een uittreksel van dit juridisch advies overgelegd als bijlage B bij hun schriftelijke opmerkingen.
17 Bij op 20 februari 2007 ter griffie van het Hof ingekomen brief heeft de Oostenrijkse regering een exceptie krachtens artikel 91, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering opgeworpen en verzocht het juridisch advies van de Bundeskanzleramt-Verfassungsdienst van 20 september 2002 in de onderhavige procedure niet te gebruiken. Ter ondersteuning van haar verzoek stelt de Oostenrijkse regering dat dergelijke adviezen tot doel hebben, de bondsministeries op hun verzoek te adviseren bij het ontwerpen van regelgeving en de vervulling van hun overige taken. Het gaat om zuiver interne werkdocumenten die niet voor openbaarmaking zijn bestemd. Het gebruik ervan buiten deze context zou de goede samenwerking tussen de Bundeskanzleramt-Verfassungsdienst en de bondsministeries aanzienlijk verstoren, wat voor laatstgenoemden aanleiding zou kunnen zijn af te zien van adviesaanvragen, en aldus zou kunnen leiden tot onzekerheden met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitvoering van hun taken.
18 Verzoeksters in het hoofdgeding hebben, ofschoon door de griffie van het Hof daartoe uitgenodigd, geen opmerkingen over dit incident ingediend.
19 Naar het oordeel van het Hof zou het in strijd zijn met het openbaar belang, dat eist dat de nationale overheden gebruik moeten kunnen maken van in volledige onafhankelijkheid gegeven adviezen van hun juridische dienst, indien werd aanvaard dat dergelijke interne documenten, indien ze naar nationaal recht niet openbaar zijn, in een geding aan het Hof kunnen worden overgelegd zonder toestemming van een bevoegde instantie van de betrokken lidstaat of, in voorkomend geval, zonder bevel van het Hof krachtens artikel 45, lid 2, sub b, van zijn Reglement voor de procesvoering (zie naar analogie, met betrekking tot adviezen van de juridische diensten van de gemeenschapsinstellingen, beschikking van 23 oktober, 2002, Oostenrijk/Raad, C‑445/00, Jurispr. blz. I‑9151, punt 12).
20 In casu heeft de Oostenrijkse regering enerzijds onweersproken gesteld dat de juridische adviezen van de Bundeskanzleramt-Verfassungsdienst aan de bondsministeries interne documenten van de Oostenrijkse bestuursautoriteiten zijn, die wettelijk niet gehouden zijn deze openbaar te maken.
21 Anderzijds hebben verzoeksters in het hoofdgeding niet gesteld dat het juridisch advies van de Bundeskanzleramt-Verfassungsdienst van 20 september 2002 hun door de Oostenrijkse autoriteiten is toegezonden. In deze omstandigheden blijkt niet dat de Oostenrijkse autoriteiten dit advies aan verzoeksters in het hoofdgeding hebben toegezonden of de toezending aan hen hebben goedgekeurd.
22 Voorts kan de door verzoeksters in het hoofdgeding in hun opmerkingen van 28 juli 2006 vermelde omstandigheid dat de BH het juridisch advies van de Bundeskanzleramt-Verfassungsdienst van 20 september 2002 heeft opgevraagd bij de minister, niet de conclusie dragen dat dit advies deel uitmaakt van het hoofdgeding. Verzoeksters in het hoofdgeding hebben er namelijk op gewezen dat de bondsminister toezending van dit advies aan de BH had geweigerd, die dus heeft beslist zonder erover te beschikken. Bovendien hebben zij niet gesteld dat de bondsminister wettelijk gehouden was een dergelijk verzoek toe te staan.
23 In deze omstandigheden dient het verzoek van de Oostenrijkse regering te worden toegewezen en het uittreksel van het juridisch advies van de Bundeskanzleramt-Verfassungsdienst van 20 september 2002 in bijlage B bij de schriftelijke opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding uit het dossier van zaak C‑221/06 te worden verwijderd.
24 De beslissing over de kosten wordt aangehouden.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) beschikt:
1) Het door de Stadtgemeinde Frohnleiten en Gemeindebetriebe Frohnleiten GmbH als bijlage B bij hun schriftelijke opmerkingen overgelegde uittreksel van het juridisch advies van de Bundeskanzleramt-Verfassungsdienst van 20 september 2002 wordt uit het dossier van zaak C‑221/06 verwijderd.
2) De beslissing over de kosten wordt aangehouden.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy