Zaak C‑276/06
Mamate El Youssfi
tegen
Rijksdienst voor Pensioenen (RVP)
(verzoek van de Arbeidsrechtbank te Verviers om een prejudiciële beslissing)
„Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor procesvoering – Euro-mediterrane overeenkomst EG-Marokko – Artikel 65 – Beginsel van non-discriminatie op gebied van sociale zekerheid – Wettelijke inkomensgarantie voor ouderen”
Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 17 april 2007
Samenvatting van de beschikking
Internationale overeenkomsten – Overeenkomsten van Gemeenschap – Euro-mediterrane overeenkomst EG-Marokko – Sociale zekerheid van migrerende werknemers
(Euro-mediterrane overeenkomst EG-Marokko, art. 65, lid 1, eerste alinea)
Artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Euro-mediterrane overeenkomst EG‑Marokko, dat ter zake van de sociale zekerheid elke discriminatie op grond van nationaliteit van Marokkaanse staatsburgers ten opzichte van staatburgers van de lidstaat van ontvangst verbiedt, dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de weigering door de lidstaat van ontvangst om de wettelijke inkomensgarantie voor ouderen toe te kennen aan een Marokkaanse staatsburger die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en legaal op het grondgebied van die staat verblijft, wanneer zij binnen de werkingssfeer van genoemde bepaling valt
– hetzij omdat zij zelf in de betrokken lidstaat arbeid in loondienst heeft verricht,
– hetzij in haar hoedanigheid van gezinslid van een Marokkaanse werknemer die in deze lidstaat werkzaam is of is geweest.
(cf. punt 73 en dictum)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Vijfde kamer)
17 april 2007 (*)
„Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor procesvoering – Euro-mediterrane overeenkomst EG-Marokko – Artikel 65 – Beginsel van non-discriminatie op gebied van sociale zekerheid – Wettelijke inkomensgarantie voor ouderen”
In zaak C‑276/06,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Arbeidsrechtbank te Verviers (België) bij beslissing van 13 juni 2006, ingekomen bij het Hof op 26 juni 2006, in de procedure
Mamate El Youssfi
tegen
Rijksdienst voor Pensioenen (RVP),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), kamerpresident, A. Tizzano en A. Borg Barthet, rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: R. Grass,
teneinde te beslissen bij een met redenen omklede beschikking overeenkomstig artikel 104, lid 3, eerste alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1; hierna: „Samenwerkingsovereenkomst”), artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, ondertekend te Brussel op 26 februari 1996 en namens deze Gemeenschappen goedgekeurd bij besluit 2000/204/EG, EGKS van de Raad en de Commissie van 24 januari 2000 (PB L 70, blz. 1; hierna: „Associatieovereenkomst”), artikel 4 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1), juncto verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad van 14 mei 2003 tot uitbreiding van de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 en verordening (EEG) nr. 574/72 tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen (PB L 124, blz. 1), alsmede artikel 14 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), en artikel 1 van het aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „aanvullend protocol”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M. El Youssfi en de Belgische Rijksdienst voor Pensioenen (hierna: „RVP”) vanwege de weigering van deze laatste om haar de in de nationale regeling voorziene wettelijke inkomensgarantie voor ouderen toe te kennen.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
Samenwerkingsovereenkomst
3 Artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst, dat is opgenomen in de aan samenwerking op het gebied van de arbeidskrachten gewijde titel III daarvan, bepaalt:
„Behoudens het bepaalde in de onderstaande leden vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de lidstaten waar zij werkzaam zijn.”
4 Voormeld artikel 41 bevat in de leden 2 tot en met 4 ervan bepalingen betreffende de samentelling van de in de verschillende lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering, van arbeid of van woonplaats, het in aanmerking komen voor gezinsbijslagen voor de gezinsleden die binnen de Gemeenschap woonachtig zijn en het overmaken naar Marokko van ouderdoms‑ en overlevingspensioenen en ‑renten, pensioenen en renten wegens arbeidsongevallen of beroepsziekten en invaliditeitspensioenen en ‑renten.
Associatieovereenkomst
5 Artikel 65, lid 1, van de Associatieovereenkomst, dat is opgenomen in hoofdstuk I, „Bepalingen inzake werknemers”, van de aan sociale samenwerking gewijde titel VI daarvan, bepaalt:
„Behoudens het bepaalde in de onderstaande leden vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de lidstaten waar zij werkzaam zijn.
Het begrip sociale zekerheid dekt alle takken van sociale zekerheid die betrekking hebben op uitkeringen bij ziekte en zwangerschap, pensioenen bij invaliditeit, ouderdomspensioenen, pensioenen voor nabestaanden, uitkeringen bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, uitkeringen bij overlijden, werkloosheidsuitkeringen en kinderbijslag.
[...]”
6 Voormeld artikel 65 bevat in de leden 2 tot en met 4 ervan bepalingen die analoog zijn aan de in punt 4 van de onderhavige beschikking genoemde bepalingen.
7 Artikel 66 van deze overeenkomst luidt als volgt:
„De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op onderdanen van een van de partijen die illegaal op het grondgebied van het gastland verblijven of werken.”
8 Overeenkomstig artikel 96, lid 1, van de Associatieovereenkomst is deze op 1 maart 2000 in werking getreden.
9 Artikel 96, lid 2, bepaalt dat de Associatieovereenkomst bij haar inwerkingtreding de Samenwerkingsovereenkomst vervangt.
Verordening (EEG) nr. 1408/71
10 Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”), is volgens artikel 2, lid 1, ervan „van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van één of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van één der lidstaten, dan wel op het grondgebied van één der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen”.
11 Artikel 3 van verordening nr. 1408/71, „Gelijkheid van behandeling”, bepaalt in lid 1:
„Personen die op het grondgebied van één der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.”
12 Artikel 4 van deze verordening definieert de materiële werkingssfeer daarvan als volgt:
„1. Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
a) prestaties bij ziekte en moederschap;
b) prestaties bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit;
c) uitkeringen bij ouderdom;
d) uitkeringen aan nagelaten betrekkingen;
e) prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;
f) uitkeringen bij overlijden;
g) werkloosheidsuitkeringen;
h) gezinsbijslagen.
2. Deze verordening is van toepassing op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al of niet op premie‑ of bijdragebetaling berusten [...]
2 bis. Deze verordening is van toepassing op de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties die vallen onder een andere wetgeving of een ander stelsel dan bedoeld in lid 1 of dan die krachtens lid 4 zijn uitgesloten, wanneer deze prestaties bestemd zijn:
a) ofwel om, bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie, de gebeurtenissen te dekken die onder de in lid 1, onder a tot en met h, bedoelde takken van sociale zekerheid vallen;
b) ofwel uitsluitend voor de specifieke bescherming van gehandicapten.
[...]”
13 Artikel 10 bis, lid 1, van verordening nr. 1408/71 luidt als volgt:
„Niettegenstaande de bepalingen van artikel 10 en van titel III ontvangen de personen waarop deze verordening van toepassing is, de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, uitsluitend op het grondgebied van de lidstaat waar zij wonen en krachtens de wetgeving van die lidstaat, voor zover deze prestaties zijn vermeld in bijlage II bis. De prestaties worden door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend.”
14 Bovengenoemde bijlage II bis vermeldt in het deel „A. België”, sub b „[g]ewaarborgd inkomen voor bejaarden [...]”.
15 De regels voor de toepassing van verordening nr. 1408/71 zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97.
Verordening nr. 859/2003
16 Overweging 12 van de considerans van verordening nr. 859/2003 bepaalt:
„De bepalingen van verordening [...] nr. 1408/71 en verordening [...] nr. 574/72 zijn niet van toepassing in situaties die in alle opzichten geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat liggen. Dit is met name het geval wanneer de situatie van een onderdaan van een derde land uitsluitend aanknopingspunten heeft met één derde land en met één enkele lidstaat.”
17 Artikel 1 van deze verordening luidt:
„Onverminderd het bepaalde in de bijlage van deze verordening zijn de bepalingen van verordening [...] nr. 1408/71 en verordening [...] nr. 574/72 van toepassing op de onderdanen van derde landen die alleen vanwege hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen, alsmede op hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen, mits zij legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven en zich in een situatie bevinden die niet in alle opzichten geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat ligt.”
Verordening nr. 883/2004
18 Artikel 4 van verordening nr. 883/2004, „Gelijke behandeling”, bepaalt:
„Tenzij in deze verordening anders is bepaald hebben personen op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.”
19 Volgens artikel 87, lid 1, van verordening nr. 883/2004 kan aan deze verordening „geen enkel recht worden ontleend voor het tijdvak dat aan de datum van haar toepassing voorafgaat”.
20 Artikel 90, lid 1, van deze verordening bepaalt dat „[v]erordening [...] nr. 1408/71 [...] met ingang van de toepassingsdatum van deze verordening [wordt] ingetrokken”.
21 Artikel 91 van verordening nr. 883/2004 bepaalt:
„Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de toepassingsverordening.”
22 Vaststaat dat een dergelijke toepassingsverordening nog niet is vastgesteld.
EVRM
23 Artikel 14 EVRM luidt als volgt:
„Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.”
24 Artikel 1 van het aanvullend protocol bepaalt:
„Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom [...]”
Nationale regeling
25 De Belgische wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen (Belgisch Staatsblad van 29 maart 2001, blz. 10244; hierna: „wet van 22 maart 2001”), heeft als doel deze laatsten passende bestaansmiddelen te waarborgen. Deze wet stelt voor de uitkering die zij instelt, niet de eis van een bijdrage of verzekering; om aanspraak op een dergelijke uitkering te kunnen maken, moeten de middelen van de betrokken persoon echter onder een bepaald maximum liggen.
26 Volgens artikel 3 van deze wet wordt „de inkomensgarantie gewaarborgd aan de personen die ten minste vijfenzestig jaar oud zijn”.
27 Artikel 4 van de wet van 22 maart 2001 bepaalt:
„De gerechtigde op de inkomensgarantie moet zijn hoofdverblijfplaats in België hebben en tot één van de volgende categorieën van personen behoren:
1° de personen die de Belgische nationaliteit bezitten;
2° de personen die onder toepassing vallen van verordening [...] nr. 1408/71 [...]
3° de staatlozen die onder toepassing vallen van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New York op 28 september 1954 en goedgekeurd door de wet van 12 mei 1960;
4° de vluchtelingen bedoeld in artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
5° de onderdanen van een land waarmee België ter zake een wederkerigheidsovereenkomst heeft gesloten of het bestaan van een feitelijke wederkerigheid heeft erkend;
6° de personen van buitenlandse nationaliteit op voorwaarde dat een recht op een rust‑ of overlevingspensioen krachtens een Belgische regeling werd geopend.
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
28 Uit de stukken in het hoofdgeding blijkt dat El Youssfi, een op 1 juli 1939 geboren Marokkaanse onderdaan die sinds 1982 weduwe is, thans vanwege gezinshereniging in België woont bij haar zoon, die zelf in deze lidstaat is gevestigd.
29 Dat belanghebbende legaal in België verblijft, wordt niet betwist.
30 Op 25 augustus 2005 heeft El Youssfi de RVP verzocht om een inkomensgarantie voor ouderen op grond van de wet van 22 maart 2001.
31 Bij besluit van 16 december 2005 is dat verzoek afgewezen op grond dat verzoekster in het hoofdgeding niet had bewezen dat zij behoorde tot een van de in artikel 4 van deze wet genoemde categorieën.
32 Op 2 maart 2006 heeft El Youssfi tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Arbeidsrechtbank te Verviers.
33 Ter ondersteuning van dit beroep betoogt El Youssfi dat zij legaal in België verblijft en dat deze legale status haar het recht geeft op de inkomensgarantie voor ouderen waarin de wetgeving van de lidstaat van ontvangst voorziet, onder dezelfde voorwaarden als voor de onderdanen van deze staat gelden. De weigering van toekenning van deze uitkering, die een vermogensrecht in de zin van artikel 1 van het aanvullend protocol vormt, schendt het met name in de Samenwerkingsovereenkomst en de Associatieovereenkomst alsook in artikel 14 EVRM neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit.
34 De RVP en het openbaar ministerie bij de verwijzende rechter betogen daarentegen dat het verkrijgen van de door El Youssfi verlangde uitkering als eigen recht afhangt van het „onderworpen zijn aan de wetgeving van een lidstaat” en dat belanghebbende zich niet op het gemeenschapsrecht kan beroepen omdat zij niet binnen de Europese Unie heeft gemigreerd.
35 In deze omstandigheden heeft de Arbeidsrechtbank te Verviers de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Vloeit de weigering van de wettelijke inkomensgarantie voor ouderen op grond dat,
– verzoekster niet valt onder verordening nr. 1408/71 [...]
– zij geen erkend staatloze of vluchteling is;
– zij geen onderdaan is van een land waarmee België ter zake van inkomensgarantie hetzij een wederkerigheidsovereenkomst heeft gesloten, hetzij het bestaan van een feitelijke wederkerigheid heeft erkend;
– of zij geen recht heeft op eender welk rust‑ of overlevingspensioen krachtens een Belgische regeling,
voort uit
– een te restrictieve uitlegging van verordening [...] nr. 883/2004 [...] (die in de plaats is gekomen van verordening [...] nr. 1408/71 [...]), met name gelet op artikel 14 EVRM, artikel 1 van [het aanvullend] protocol [...] daarbij en verordening [...] nr. 859/2003 [...]
– of, zo neen, een uitlegging van verordening [...] nr. 883/2004 die onverenigbaar is met de Samenwerkingsovereenkomst [...] die is aangevuld bij de [Associatie]overeenkomst [...]?”
Prejudiciële vraag
36 Krachtens artikel 104, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid, op ieder moment, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, beslissen bij een met redenen omklede beschikking waarin naar de betrokken rechtspraak wordt verwezen. Volgens het Hof is dit in het hoofdgeding het geval.
Inleidende opmerkingen
37 Meteen moet worden vastgesteld dat de vraag van de verwijzende rechter moet worden beschouwd als een vraag om de uitlegging van verordening nr. 1408/71, ondanks het feit dat deze vraag verwijst naar verordening nr. 883/2004 „die in de plaats is gekomen van verordening [...] nr. 1408/71 [...]”.
38 Overeenkomstig artikel 91 van verordening nr. 883/2004 is deze immers weliswaar in werking getreden op de twintigste dag na haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie, maar zij is pas van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de toepassingsverordening. Aangezien er tot op heden geen toepassingsverordening voor verordening nr. 883/2004 is vastgesteld, volgt hieruit noodzakelijkerwijze dat de bepalingen van verordening nr. 1408/71 van toepassing blijven (zie arrest van 9 november 2006, Nemec, C‑205/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 31 en 32).
39 Bovendien moet worden opgemerkt dat de communautaire bepalingen ter zake van de coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels niet van toepassing zijn op situaties die in alle opzichten geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat liggen en dat dit met name het geval is wanneer de situatie van de belanghebbende uitsluitend aanknopingspunten heeft met een derde staat en met één enkele lidstaat (zie onder meer arrest van 11 oktober 2001, Khalil e.a., C‑95/99–C‑98/99 en C‑180/99, Jurispr. blz. I‑7413, punten 70 en 71).
40 Een dergelijke uitlegging geldt zowel voor artikel 42 EG als voor verordening nr. 1408/71, en met name voor artikel 3 van deze laatste.
41 Zo ook bepaalt verordening nr. 859/2003, waaraan de vraag van de verwijzende rechter refereert, in artikel 1, dat de bepalingen van de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 „van toepassing [zijn] op de onderdanen van derde landen die alleen vanwege hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen, alsmede op hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen, mits zij legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven en zich in een situatie bevinden die niet in alle opzichten geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat ligt”.
42 Overweging 12 van de considerans van verordening nr. 859/2003 bepaalt dienaangaande dat de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 „niet van toepassing [zijn] in situaties die in alle opzichten geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat liggen. Dit is met name het geval wanneer de situatie van een onderdaan van een derde land uitsluitend aanknopingspunten heeft met één derde land en met één enkele lidstaat.”
43 Gelet op de gegevens waarover het Hof met betrekking tot het hoofdgeding beschikt, lijkt aan deze voorwaarde dat de onderdaan van een derde land een aanknopingspunt met ten minste twee lidstaten moet hebben, niet te worden voldaan door een iemand als El Youssfi, omdat blijkt dat deze laatste Marokko heeft verlaten om zich in het kader van gezinshereniging onmiddellijk in België te vestigen bij haar in deze lidstaat woonachtige zoon.
44 Het is echter aan de verwijzende rechter om deze feitelijke kwestie te onderzoeken.
45 Onder dit voorbehoud zou voor El Youssfi het in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, gelezen in samenhang met verordening nr. 859/2003, neergelegde beginsel van gelijke behandeling op het gebied van sociale zekerheid, op grond waarvan de toekenning van een uitkering als de inkomensgarantie voor ouderen niet louter op grond van de nationaliteit van de aanvrager mag worden geweigerd, dus niet gelden (zie, mutatis mutandis, punten 51‑55 van onderhavige beschikking).
46 In deze omstandigheden dient de prejudiciële vraag te worden beantwoord aan de hand van de relevante bepalingen van de tussen de Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko gesloten overeenkomsten.
47 De vraag van de verwijzende rechter heeft volgens de bewoordingen ervan betrekking op de Samenwerkingsovereenkomst „die is aangevuld bij” de Associatieovereenkomst.
48 Gelet op, enerzijds, artikel 96 van de Associatieovereenkomst, volgens hetwelk deze overeenkomst vanaf de datum van inwerkingtreding ervan, te weten 1 maart 2000, de Samenwerkingsovereenkomst vervangt, en anderzijds, het feit dat El Youssfi haar verzoek om toekenning van de inkomensgarantie voor ouderen op 25 augustus 2005 heeft ingediend, kan echter alleen de Associatieovereenkomst ratione temporis van toepassing zijn op de feiten van het hoofdgeding (zie, mutatis mutandis, beschikking van 13 juni 2006, Echouikh, C‑336/05, Jurispr. blz. I‑5223, punt 36).
49 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, dient te worden onderzocht of artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst rechtstreekse werking heeft, en een particulier zich daarop voor een nationale rechter dus kan beroepen, en dienen vervolgens de draagwijdte van het in deze bepaling geformuleerde discriminatieverbod alsook de daarin gestelde voorwaarden met betrekking tot zowel haar materiële als persoonlijke werkingssfeer te worden onderzocht.
Rechtstreekse werking van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst
50 Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren dat uit de rechtspraak van het Hof reeds volgt dat artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst rechtstreekse werking heeft zodat de justitiabelen op wie het van toepassing is, er zich voor de nationale rechter op mogen beroepen (beschikking Echouikh, reeds aangehaald, punten 39‑42 en de in punt 39 daarvan aangehaalde rechtspraak ter zake van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst, welk artikel gelijkluidend is aan genoemd artikel 65, lid 1, eerste alinea).
Draagwijdte van het discriminatieverbod van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst
51 Zoals het Hof heeft geoordeeld in de punten 55 tot en met 58 van de reeds aangehaalde beschikking Echouikh en zoals blijkt uit de rechtspraak ter zake van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst, die mutatis mutandis geldt voor artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst, betekent het in deze laatste bepaling geformuleerde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid tussen Marokkaanse migrerende werknemers alsmede de bij hen woonachtige gezinsleden en de eigen onderdanen van de lidstaten waarin zij werkzaam zijn of waren, dat de in deze bepaling bedoelde personen moeten worden behandeld als waren zij onderdanen van de betrokken lidstaten.
52 Dit verbod betekent derhalve, dat zij die onder de werkingssfeer van deze bepaling van de Samenwerkingsovereenkomst vallen, aanspraak kunnen maken op socialezekerheidsuitkeringen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de lidstaat van ontvangst, zonder dat de wetgeving van deze staat hun bijkomende of strengere voorwaarden mag opleggen dan voor de eigen onderdanen gelden (beschikking Echouikh, reeds aangehaald, punt 56).
53 Bijgevolg is niet alleen toepassing van het vereiste van het bezit van de nationaliteit van de betrokken lidstaat op de in artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Samenwerkingsovereenkomst bedoelde personen onverenigbaar met dit verbod, maar ook de toepassing van elke andere niet aan de eigen onderdanen opgelegde voorwaarde (beschikking Echouikh, reeds aangehaald, punt 57).
54 In casu blijkt enerzijds dat een persoon als verzoekster in het hoofdgeding voldoet aan het leeftijds‑ en het woonplaatsvereiste dat de wetgeving van de betrokken lidstaat stelt voor de wettelijke inkomensgarantie voor ouderen. Anderzijds zou een onderdaan van de lidstaat van ontvangst die zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van El Youssfi, recht op deze uitkering hebben aangezien de voorwaarde van artikel 4, sub 6°, van de wet van 22 maart 2001, dat een recht op een rust‑ of overlevingspensioen krachtens de nationale regeling moet zijn geopend, slechts van toepassing is op „personen van buitenlandse nationaliteit”. De weigering om El Youssfi de door haar gevraagde uitkering toe te kennen berust dus slechts op het feit dat belanghebbende niet de nationaliteit van de betrokken lidstaat bezit, en op grond van de nationale wetgeving niet kan worden gelijkgesteld met een onderdaan van deze staat alsmede voor het overige op het feit dat zij niet voldoet aan een voorwaarde die echter niet geldt voor de eigen onderdanen.
55 Een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding lijkt dus onverenigbaar met het discriminatieverbod van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst, volgens hetwelk een Marokkaanse onderdaan een sociale uitkering niet mag worden geweigerd op gronden die verband houden met de nationaliteit van de aanvrager.
56 Verder dient nog te worden uitgemaakt of een uitkering als in het hoofdgeding tot het gebied van de „sociale zekerheid” in de zin van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst behoort, en of deze bepaling ook ziet op een persoon die zich in de situatie van El Youssfi bevindt.
Materiële werkingssfeer van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst
57 Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat het begrip „sociale zekerheid” in artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst op dezelfde wijze moet worden opgevat als het gelijkluidende begrip in verordening nr. 1408/71 (beschikking Echouikh, reeds aangehaald, punten 50 en 51 en de daar ter zake van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst aangehaalde rechtspraak).
58 Sinds de vaststelling van verordening (EEG) nr. 1247/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 1) zijn niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties als de bij de wet van 22 maart 2001 ingestelde wettelijke inkomensgarantie voor ouderen, uitdrukkelijk in de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 opgenomen ingevolge artikel 4, lid 2 bis, sub a, daarvan (zie ook artikel 10 bis, lid 1, en bijlage II bis bij deze laatste verordening), wanneer zij bestemd zijn om bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie de gebeurtenissen te dekken die onder de in lid 1, sub a tot en met h, van ditzelfde artikel 4 genoemde takken van sociale zekerheid vallen, waaronder juist ook de uitkeringen bij ouderdom worden vermeld [zie, mutatis mutandis, arrest van 5 april 1995, Krid, C‑103/94, Jurispr. blz. I‑719, punt 36, met betrekking tot artikel 39, lid 1, van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Algerije, ondertekend te Algiers op 26 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2210/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 263, blz. 1), waarvan de tekst in wezen identiek is aan die van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst].
59 Overigens had het Hof al vóór de vaststelling van die verordening geoordeeld dat een uitkering als de wettelijke inkomensgarantie voor ouderen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 viel op grond van artikel 4, lid 1, daarvan (zie arrest Krid, reeds aangehaald, punten 33‑35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Het lijdt daarom geen enkele twijfel dat een uitkering als de wettelijke inkomensgarantie voor ouderen, die ten doel heeft een bestaansminimum te garanderen aan ouderen die ten minste 65 jaar zijn en wier inkomsten onder een bepaald maximum liggen, behoort tot het gebied van de „sociale zekerheid” in de zin van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst, ook al heeft de uitkering in het hoofdgeding ook de kenmerken van een maatregel van sociale bijstand.
61 Hieraan moet worden toegevoegd dat, anders dan de RVP stelt, het feit dat de wet van 22 maart 2001 de uitkering die zij instelt, opvat als een eigen recht en niet als een afgeleid recht dat verzoekster in het hoofdgeding heeft verkregen in haar hoedanigheid van familielid van een migrerende werknemer, niet relevant is.
62 Aangezien de personele werkingssfeer van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst niet identiek is aan die van verordening nr. 1408/71, zoals gedefinieerd in artikel 2 daarvan, kan de rechtspraak die een onderscheid maakt tussen afgeleide rechten en eigen rechten van gezinsleden van de migrerende werknemer in het kader van deze verordening – welke rechtspraak overigens is verduidelijkt in het arrest van 30 april 1996, Cabanis-Issarte (C‑308/93, Jurispr. blz. I‑2097) – immers niet worden toegepast in het kader van de Associatieovereenkomst (zie, mutatis mutandis, arrest van 3 oktober 1996, Hallouzi-Choho, C‑126/95, Jurispr. blz. I‑4807, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Personele werkingssfeer van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst
63 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat de RVP erkent dat El Youssfi legaal in België verblijft, zodat artikel 66 van de Associatieovereenkomst op haar niet van toepassing is.
64 Voor het overige zij eraan herinnerd dat artikel 65, lid 1, eerste alinea, van deze overeenkomst in eerste instantie van toepassing is op werknemers met de Marokkaanse nationaliteit, waarbij dit begrip ruim moet worden opgevat.
65 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt immers dat onder „werknemer” zowel de actieve werknemers moeten worden verstaan als degenen die de arbeidsmarkt hebben verlaten omdat zij de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt of omdat zij het slachtoffer zijn geweest van een van de risico’s die recht geven op uitkeringen krachtens andere takken van de sociale zekerheid (zie beschikking Echouikh, reeds aangehaald, punten 44 en 45).
66 Aan de hand van deze criteria moet de verwijzende rechter bepalen of El Youssfi kan worden geacht in België waar zij thans woonachtig is, de hoedanigheid van „werknemer” in de zin van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst te hebben bezeten.
67 Voor het geval dat dit niet zo zou zijn, dient te worden opgemerkt dat deze bepaling van de Associatieovereenkomst ook van toepassing is op de gezinsleden van deze werknemers die bij hen woonachtig zijn in de lidstaat waar zij werkzaam zijn of zijn geweest.
68 In dat verband moet worden gepreciseerd dat dit begrip „gezinslid” niet alleen doelt op de echtgenoot en de kinderen van de migrerende werknemer, maar ook op personen die in nauwe verwantschap tot hem staan, zoals zijn verwanten in opgaande lijn, aanverwanten daaronder begrepen (zie, mutatis mutandi, arrest van 11 november 1999, Mesbah, C‑179/98, Jurispr. blz. I‑7955, punt 46).
69 Omdat El Youssfi weduwe is, zou artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst dus op haar van toepassing kunnen zijn, wanneer zou komen vast te staan dat haar echtgenoot voor zijn overlijden de hoedanigheid heeft gehad van Marokkaanse migrerende werknemer in België, alwaar belanghebbende is blijven wonen (zie, mutatis mutandis, arrest Krid, reeds aangehaald, punten 28‑31).
70 Bovendien zou verzoekster in het hoofdgeding ook als een gezinslid van een werknemer in de zin van voornoemd artikel kunnen worden beschouwd omdat zij bij haar zoon in België woonachtig is en deze laatste zowel de hoedanigheid van werknemer in de in punt 65 van de onderhavige beschikking uiteengezette zin als de Marokkaanse nationaliteit bezit.
71 Volgens de stukken waarover het Hof beschikt, lijkt de zoon van El Youssfi de Belgische nationaliteit te hebben verworven.
72 Mocht de zoon van El Youssfi echter de Marokkaanse nationaliteit hebben behouden, dan is het aan de verwijzende rechter om op grond van het recht van de lidstaat van ontvangst te beoordelen of het gezinslid van een Marokkaanse migrerende werknemer die eveneens de nationaliteit van deze lidstaat heeft, zich naar dit recht kan beroepen op de Marokkaanse nationaliteit van deze werknemer voor de toepassing van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst (zie, mutatis mutandis, arrest Mesbah, reeds aangehaald, punten 40 en 41).
73 Gelet op het voorgaande dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst aldus dient te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de weigering door de lidstaat van ontvangst om de wettelijke inkomensgarantie voor ouderen toe te kennen aan een Marokkaanse onderdaan die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en legaal op het grondgebied van die staat verblijft, wanneer zij binnen de werkingssfeer van genoemde bepaling valt
– hetzij omdat zij zelf in de betrokken lidstaat arbeid in loondienst heeft verricht,
– hetzij in haar hoedanigheid van gezinslid van een Marokkaanse werknemer die in deze lidstaat werkzaam is of is geweest.
74 Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan een van deze voorwaarden in casu is voldaan.
75 Omdat de in de onderhavige beschikking gegeven uitlegging van artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Associatieovereenkomst strookt met de vereisten van artikel 14 EVRM en artikel 1 van het aanvullend protocol, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens in zijn arrest Gaygusuz v Oostenrijk van 16 september 1996 (Recueil des arrêts et décisions 1996-IV, blz. 1129), heeft het Hof de verwijzende rechter dus alle uitleggingsgegevens verschaft die hij nodig heeft om te kunnen beoordelen of de nationale regeling in het hoofdgeding verenigbaar is met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging garandeert, zoals de door het EVRM en het aanvullend protocol gewaarborgde rechten (zie onder meer beschikking Echouikh, reeds aangehaald, punten 64 en 65).
Kosten
76 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, ondertekend te Brussel op 26 februari 1996 en namens deze Gemeenschappen goedgekeurd bij besluit 2000/204/EG, EGKS van de Raad en de Commissie van 24 januari 2000, dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de weigering door de lidstaat van ontvangst om de wettelijke inkomensgarantie voor ouderen toe te kennen aan een Marokkaanse onderdaan die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en legaal op het grondgebied van die staat verblijft, wanneer zij binnen de werkingssfeer van genoemde bepaling valt
– hetzij omdat zij zelf in de betrokken lidstaat arbeid in loondienst heeft verricht,
– hetzij in haar hoedanigheid van gezinslid van een Marokkaanse werknemer die in deze lidstaat werkzaam is of is geweest.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy