BESCHIKKING VAN HET HOF (Zevende kamer)
van 25 oktober 2007
Zaak C‑495/06 P
Bart Nijs
tegen
Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Bevordering – Bevorderingsronde 2003 – Loopbaanontwikkelingsrapport – Besluit houdende definitieve vaststelling van rapport – Besluit om andere ambtenaar te bevorderen tot rang van vertaler-reviseur – Vordering tot vergoeding van schade – Hogere voorziening die ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond is”
Betreft: Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 3 oktober 2006, Nijs/Rekenkamer (T‑171/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), waarbij het Gerecht het beroep strekkende tot, enerzijds, nietigverklaring van het besluit houdende definitieve vaststelling van het beoordelingsrapport van rekwirant voor het jaar 2003, van het besluit houdende toekenning van meritepunten aan rekwirant voor het jaar 2003, van het besluit om hem niet te bevorderen in 2004 en van het besluit tot afwijzing van de tegen die besluiten ingediende klacht, en, anderzijds, vergoeding van de geleden schade, heeft verworpen voor zover het is gebaseerd op andere middelen dan gebrek aan motivering.
Beslissing: De hogere voorziening wordt afgewezen. Nijs wordt verwezen in de kosten.
Samenvatting
1. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs – Uitgesloten, behoudens geval van onjuiste opvatting
(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)
2. Hogere voorziening – Middelen – Loutere herhaling van voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
Full & Egal Universal Law Academy