Zaak T‑25/06
Alliance One International, Inc.
tegen
Europese Commissie
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Italiaanse markt voor aankoop en eerste bewerking van ruwe tabak – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Prijsvaststelling en marktverdeling – Toerekenbaarheid van inbreuk makend gedrag – Geldboeten”
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Regels van Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Beoordelingscriteria
(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)
2. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Mededeling van punten van bezwaar – Vereiste inhoud
(Art. 81 EG, 82 EG en 85 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 27, lid 1)
3. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Schending wegens door Commissie begane onregelmatigheid – Voorwaarden
(Art. 81 EG, 82 EG en 85 EG)
4. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Maximumbedrag – Berekening – Omzet die in aanmerking moet worden genomen
(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)
5. Mededinging – Regels van Unie – Inbreuken – Toerekening – Rechtspersoon die onderneming exploiteerde ten tijde van inbreuk – Uitzonderingen
(Art. 81, lid 1, EG)
6. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Afschrikkende werking – Inachtneming van evenredigheidsbeginsel
(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23)
7. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Afschrikkende werking – Toepassing van vermenigvuldigingscoëfficiënt
(Art. 81 EG en 82 EG; verordeningen van de Raad nr. 17, art. 15, lid 2, en nr. 1/2003, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A,vierde alinea)
1. Wanneer het volledige kapitaal van een dochtermaatschappij in handen is van de moederonderneming, kan de Commissie op het gebied van mededinging aannemen dat die moederonderneming beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochtermaatschappij, zonder aanvullende bewijzen te hoeven aanvoeren waaruit blijkt dat de moederonderneming een dergelijke invloed daadwerkelijk heeft uitgeoefend of kennis had van de inbreuk of van de betrokkenheid van die dochteronderneming bij die inbreuk. Het gaat om een weerlegbaar vermoeden, ten aanzien waarvan tegenbewijs is toegelaten. Bijgevolg is het aan de moederonderneming die door de Commissie hoofdelijk aansprakelijk wordt geacht voor de betaling van de aan haar dochtermaatschappij opgelegde geldboete, dat vermoeden te weerleggen met bewijsmateriaal dat kan aantonen dat haar dochteronderneming haar marktgedrag autonoom bepaalt en dat die twee ondernemingen dus niet één economische entiteit vormen. Anders wordt de uitoefening van zeggenschap aangetoond door het feit dat het vermoeden ontleend aan het bezit van het volledige kapitaal niet is weerlegd.
Bij de beoordeling of een dochtermaatschappij haar marktgedrag autonoom bepaalt, moet rekening worden gehouden met alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij, die in elk specifiek geval anders kunnen zijn.
Het feit dat een dochtermaatschappij haar eigen lokale directie en eigen middelen heeft, toont evenwel op zich niet aan dat zij haar marktgedrag zelfstandig bepaalt ten opzichte van haar moederonderneming. Dat het beheer van de lopende activiteiten wordt toevertrouwd aan de lokale directie van een 100 %-dochtermaatschappij is namelijk een gebruikelijke praktijk en kan dus geen bewijs vormen voor de werkelijke autonomie van de dochterondernemingen. Zo ook is de taakverdeling tussen moedermaatschappijen en hun dochterondernemingen een normale praktijk bij verticaal geïntegreerde groepen, die het vermoeden dat de moederondernemingen daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefenen op het gedrag van de dochterondernemingen niet kan weerleggen.
(cf. punten 125‑126, 130‑131)
2. De eerbiediging van de rechten van de verdediging tijdens administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid verlangt dat de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het Verdrag heeft gestaafd. Artikel 27, lid 1, van verordening nr. 1/2003 weerspiegelt dit beginsel, voor zover het bepaalt dat aan partijen een mededeling van punten van bezwaar wordt toegezonden die duidelijk de belangrijkste feiten moet vermelden waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert, opdat de betrokkenen weten welke gedragingen de Commissie hun verwijt en zich kunnen verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft. Aan dit vereiste is voldaan wanneer in die beschikking aan betrokkenen geen andere dan in de mededeling van de punten van bezwaar opgenomen inbreuken ten laste worden gelegd en daarin slechts van feiten wordt uitgegaan waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken.
Dit kan evenwel beknopt geschieden en de eindbeschikking behoeft niet noodzakelijkerwijs gelijkluidend te zijn met de mededeling van punten van bezwaar, daar deze mededeling een voorbereidend document is met zuiver voorlopige beoordelingen feitelijk en rechtens. Toevoegingen aan de mededeling van punten van bezwaar, waarmee wordt gereageerd op de antwoorden van de partijen en waaruit blijkt dat zij hun recht van verweer daadwerkelijk hebben kunnen uitoefenen, zijn dus toelaatbaar. In het licht van de administratieve procedure kan de Commissie ook de feitelijke of juridische argumenten die zij ter ondersteuning van haar bezwaren heeft aangevoerd, wijzigen of aanvullen.
(cf. punten 179‑181)
3. In het kader van de administratieve procedure van toepassing van de mededingingsregels vormt de omstandigheid dat rekening wordt gehouden met een door een onderneming in de loop van de administratieve procedure aangevoerd argument, zonder dat deze onderneming de gelegenheid heeft gekregen vóór de vaststelling van de eindbeschikking haar standpunt ter zake kenbaar te maken, op zichzelf geen schending van de rechten van verdediging.
Dienaangaande zijn de rechten van verdediging geschonden indien zonder de door de Commissie begane onregelmatigheid de door haar gevoerde administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden. Om een dergelijke schending te bewijzen, moet een verzoekende onderneming genoegzaam aantonen, niet dat de beschikking van de Commissie anders zou hebben geluid, maar wel dat zij zich zonder de onregelmatigheid beter had kunnen verdedigen, bijvoorbeeld omdat zij voor haar verweer stukken had kunnen gebruiken waartoe haar tijdens de administratieve procedure geen toegang was verleend.
(cf. punten 182‑183)
4. Het plafond van 10 % van de omzet bedoeld in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 dient te worden berekend op basis van de gezamenlijke omzet van alle vennootschappen die deel uitmaken van de als onderneming in de zin van artikel 81 EG handelende economische eenheid, daar alleen de gezamenlijke omzet van de vennootschappen van de groep een aanwijzing kan vormen van de omvang en de economische macht van de betrokken onderneming.
(cf. punten 210‑211)
5. De natuurlijke of rechtspersoon die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd, is in beginsel aansprakelijk voor de inbreuk, ook al wordt deze onderneming onder verantwoordelijkheid van een andere persoon geëxploiteerd op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven waarin de inbreuk wordt vastgesteld.
Een juridische of organisatorische wijziging van een entiteit die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, heeft niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat een nieuwe onderneming ontstaat die bevrijd is van de aansprakelijkheid voor met het mededingingsrecht strijdige gedragingen van de voorafgaande entiteit, indien beide entiteiten in economisch opzicht identiek zijn.
Met het oog op de doeltreffende uitvoering van de mededingingsregels kan het namelijk noodzakelijk zijn een inbreuk op de mededingingsregels bij wijze van uitzondering aan de nieuwe exploitant van de aan het kartel deelnemende onderneming toe te rekenen, wanneer deze uit economisch oogpunt als de opvolger van de oorspronkelijke exploitant kan worden beschouwd.
Dit zogenoemde criterium van de „economische continuïteit” kan een rol spelen in uitzonderlijke omstandigheden, zoals wanneer de rechtspersoon die de onderneming beheert, na de inbreuk juridisch heeft opgehouden te bestaan.
Wanneer een onderneming evenwel ophoudt te bestaan omdat zij in een overnemende onderneming is opgegaan, neemt laatstgenoemde haar activa en passiva over, inclusief haar aansprakelijkheid voor inbreuken op het mededingingsrecht. In dat geval kan de aansprakelijkheid voor de door de overgenomen onderneming gepleegde inbreuk aan de overnemende onderneming worden toegerekend.
Het beginsel van de economische continuïteit kan dat van de persoonlijke aansprakelijkheid niet uitschakelen wanneer een aan een kartel deelnemende onderneming is verkocht aan een onafhankelijke derde en er tussen de oude en de nieuwe exploitant geen structurele banden zijn.
(cf. punten 215‑218, 220‑221)
6. De in artikel 23 van verordening nr. 1/2003 voorziene sancties hebben tot doel ongeoorloofde gedragingen tegen te gaan en herhaling daarvan te voorkomen. Afschrikking is dus een doelstelling van de geldboete.
De noodzaak om te garanderen dat de geldboete een afschrikkende werking heeft, verlangt dat het bedrag ervan wordt aangepast naar gelang van de op de betrokken onderneming uit te oefenen invloed, zodat de geldboete, met name gelet op de financiële draagkracht van de betrokken onderneming, niet te hoog of te laag uitvalt, en voldoet aan de vereisten van doeltreffendheid van de geldboete en aan het evenredigheidsbeginsel.
(cf. punten 234‑235)
7. De toepassing van een vermenigvuldigingscoëfficiënt met het oog op een afschrikkende werking bij de berekening van de sancties van artikel 23 van verordening nr. 1/2003 veronderstelt dat objectieve kenmerken van de deelnemers, zoals hun omvang en economische middelen, in aanmerking worden genomen. Dienaangaande bevestigt de formulering van punt 1 A, vierde alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 worden opgelegd, deze opvatting, voor zover de inaanmerkingneming van elementen die de toepassing van een afschrikkingsfactor rechtvaardigen geschiedt los van de eigen aard van de inbreuk, de concrete weerslag ervan op de markt en de geografische omvang ervan.
De Commissie houdt voor de berekening van de vermenigvuldigingscoëfficiënt rekening met de totale omzet van de moedermaatschappij en niet alleen met die van de betrokken dochterondernemingen, wanneer moeder‑ en dochtermaatschappij één onderneming vormen in de zin van artikel 81 EG.
Wanneer de economische eenheid intussen uiteen is gevallen, mag elke adressaat van de beschikking van de Commissie verlangen dat het plafond van 10 % van zijn omzet individueel op hem wordt toegepast. De totale middelen van een onderneming moeten, om de nagestreefde afschrikkende werking te bereiken zonder miskenning van het evenredigheidsbeginsel, worden gewaardeerd naar de dag waarop de geldboete wordt opgelegd.
(cf. punten 243, 252, 255, 257)
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
9 september 2011 (*)
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Italiaanse markt voor aankoop en eerste bewerking van ruwe tabak – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Prijsvaststelling en marktverdeling – Toerekenbaarheid van inbreukmakend gedrag – Geldboeten”
In zaak T‑25/06,
Alliance One International, Inc., gevestigd te Danville, Virginia (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door C. Osti en A. Prastaro, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door É. Gippini Fournier en F. Amato, vervolgens door É. Gippini Fournier en N. Khan, als gemachtigden,
verweerster,
betreffende, primair, een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2005) 4012 def. van de Commissie van 20 oktober 2005 in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, [EG] (zaak nr. COMP/C.38.281/B.2 – Ruwe tabak – Italië), subsidiair, een verzoek tot verlaging van het bedrag van de aan Alliance One International opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi, president, E. Cremona (rapporteur) en S. Frimodt Nielsen, rechters,
griffier: C. Kristensen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 september 2010,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Verzoekster, Alliance One International, Inc. (hierna: „Alliance One”), is een Amerikaanse vennootschap, gevestigd in de Verenigde Staten, die aan het hoofd staat van een groep die is ontstaan uit de fusie van de groepen Dimon Inc. (hierna: „Dimon Inc.”) en Standard Commercial Corp. (hierna: „SCC”) op 13 mei 2005, na de betrokken inbreuk.
2 Gedurende de inbreukperiode waren Dimon Italia Srl en Transcatab SpA, twee van de vier grootste in Italië gevestigde ondernemingen op het gebied van de eerste bewerking van ruwe tabak (hierna: „bewerkers”), 100 %-dochterondernemingen van respectievelijk Dimon Inc. en SCC, waarvan Alliance One de rechtsopvolgster is.
A – Administratieve procedure
3 Op 15 januari 2002 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), verzoeken om inlichtingen inzake de Italiaanse markt voor ruwe tabak gericht tot de beroepsverenigingen van Italiaanse tabaksbewerkers en ‑producenten, namelijk respectievelijk de Associazione professionale trasformatori tabacchi italiani (APTI, beroepsvereniging van Italiaanse tabaksbewerkers) en de Unione italiana tabacco (Unitab, Italiaanse tabaksbond).
4 Op 19 februari 2002 heeft de Commissie een verzoek om immuniteit voor geldboeten ontvangen van Deltafina SpA, bewerker en lid van APTI, op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „clementieregeling”). Op 6 maart 2002 heeft de Commissie haar voorwaardelijke immuniteit verleend op grond van punt 15 van die mededeling.
5 Op 4 april 2002 heeft de Commissie op grond van punt 8 van de clementieregeling een verzoek om immuniteit voor geldboeten, subsidiair, op grond van de punten 20 tot en met 27 van die regeling, een verzoek tot verlaging van elke geldboete ontvangen van Dimon Italia, en op dezelfde grondslag een verzoek van Transcatab tot verlaging van elke geldboete.
6 Op 18 en 19 april 2002 heeft de Commissie krachtens artikel 14 van verordening nr. 17 verificaties verricht in de kantoren van Dimon Italia en Transcatab en in die van Trestina Azienda Tabacchi SpA en Romana Tabacchi SpA.
7 Op 8 oktober 2002 heeft de Commissie Dimon Italia en Transcatab meegedeeld dat zij van plan was om hun na afloop van de administratieve procedure een verlaging toe te kennen van het bedrag van de geldboete die hun wegens de eventueel vastgestelde inbreuken zou zijn opgelegd, aangezien zij respectievelijk de eerste en de tweede onderneming waren die bewijzen van de inbreuk hadden verstrekt in de zin van de clementieregeling.
8 Op 25 februari 2004 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, gericht tot tien ondernemingen of ondernemingsverenigingen, waaronder de bewerkers en de moedermaatschappijen van enkele van hen. De adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hebben toegang gehad tot het administratieve dossier, waarvan de Commissie hun een kopie op cd-rom heeft gezonden, en hebben schriftelijke opmerkingen ingediend in antwoord op de bezwaren van de Commissie. Vervolgens vond een hoorzitting plaats op 22 juni 2004.
9 Na de vaststelling op 21 december 2004 van een addendum bij de mededeling van punten van bezwaar van 25 februari 2004 heeft op 1 maart 2005 een tweede hoorzitting plaatsgevonden.
10 Na raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities heeft de Commissie, gezien het eindverslag van de raadadviseur-auditeur, op 20 oktober 2005 beschikking C(2005) 4012 def. van 20 oktober 2005 in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, [EG] (zaak nr. COMP/C.38.281/B.2 – Ruwe tabak – Italië) vastgesteld (hierna: „bestreden beschikking”), waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 13 februari 2006 (PB L 353, blz. 45).
B – Bestreden beschikking
11 De bestreden beschikking heeft in de eerste plaats betrekking op een horizontaal kartel dat is uitgevoerd door de bewerkers op de Italiaanse markt voor ruwe tabak (punt 1 van de bestreden beschikking).
12 De Commissie heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat de bewerkers in het kader van dat kartel in de periode 1995 tot begin 2002 de voorwaarden voor de aankoop van ruwe tabak in Italië hadden vastgesteld met betrekking tot zowel de rechtstreekse aankoop bij de producenten als de aankoop bij „derde partijen/verpakkers”, met name door prijsvaststelling en marktverdeling (punt 1 van de bestreden beschikking).
13 De bestreden beschikking heeft in de tweede plaats betrekking op twee andere inbreuken, die moeten worden onderscheiden van de door de bewerkers uitgevoerde mededingingsregeling en die hebben plaatsgevonden van begin 1999 tot eind 2001 en wat APTI betreft bestonden in de vastlegging van de contractprijzen die zij namens haar leden bij de onderhandelingen met Unitab over bedrijfstakovereenkomsten zou hanteren, en wat Unitab betreft in de vastlegging van de prijzen die zij namens haar leden bij de onderhandelingen met APTI over dezelfde overeenkomsten zou hanteren.
14 De Commissie beschouwt in de bestreden beschikking de praktijken van de bewerkers als één voortdurende inbreuk op artikel 81, lid 1, EG (zie met name de punten 264‑269 van de bestreden beschikking).
15 In artikel 1, lid 1, van de bestreden beschikking heeft zij de vier Italiaanse bewerkers, Universal Corp., de moedermaatschappij van Deltafina, en Alliance One, die is ontstaan uit de fusie tussen Dimon Inc. en SCC, verantwoordelijk gesteld voor het kartel. Ook heeft zij in artikel 1, lid 2, van de bestreden beschikking vastgesteld dat APTI en Unitab inbreuk hadden gemaakt op artikel 81, lid 1, EG door besluiten inzake prijsvaststelling te nemen waarover zij namens hun leden onderhandelden met het oog op het sluiten van bedrijfstakovereenkomsten.
16 In artikel 2 van de bestreden beschikking heeft de Commissie geldboeten opgelegd aan de in punt 15 hierboven bedoelde ondernemingen en aan APTI en Unitab (zie punt 54 hieronder).
1. Adressaten van de bestreden beschikking
17 Paragraaf 2.4 van de bestreden beschikking is gewijd aan de vaststelling van de adressaten ervan.
18 Om te beginnen heeft de Commissie verwezen naar vaste rechtspraak op grond waarvan onder het begrip „onderneming” in de context van het mededingingsrecht moet worden verstaan een met betrekking tot het voorwerp van de desbetreffende overeenkomst bestaande economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt gevormd door verschillende natuurlijke of rechtspersonen (punt 325 van de bestreden beschikking).
19 Vervolgens heeft de Commissie uiteengezet dat was aangetoond dat Deltafina, Dimon Italia (later omgedoopt tot Mindo), Transcatab en Romana Tabacchi, alsook APTI en Unitab tijdens de duur van de respectieve inbreuken rechtstreeks aan de vastgestelde inbreuken hadden deelgenomen en dat bijgevolg elk van die ondernemingen en verenigingen adressaat van de bestreden beschikking was (punt 327 van de bestreden beschikking).
20 De Commissie heeft haar analyse voortgezet met het onderzoek van de kwestie van de toerekenbaarheid van het inbreukmakende gedrag van bepaalde dochterondernemingen (Deltafina, Dimon Italia en Transcatab) aan hun respectieve moedermaatschappijen. In dit verband heeft zij erop gewezen dat tijdens de duur van de inbreuken Deltafina een 100 %-dochteronderneming van Universal was, Dimon Italia een 100 %-dochteronderneming van Dimon Inc. en Transcatab een 100 %-dochteronderneming van SCC (punt 328 van de bestreden beschikking).
21 De Commissie heeft met name opgemerkt dat volgens de rechtspraak een moederonderneming verantwoordelijk kon worden gehouden voor het ongeoorloofde gedrag van haar dochtermaatschappij wanneer deze laatste niet zelfstandig haar marktgedrag kan bepalen. In dit verband heeft zij erop gewezen dat kon worden aangenomen dat wanneer een moederonderneming het volledige kapitaal van de dochtermaatschappij bezit, zij een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van die dochtermaatschappij wanneer zij een inbreuk pleegt op artikel 81, lid 1, EG (punten 329 en 330 van de bestreden beschikking).
22 In punt 331 van de bestreden beschikking heeft zij vastgesteld dat wat Deltafina, Dimon Italia en Transcatab betreft terecht kon worden aangenomen dat zij niet zelfstandig waren, daar zij voor 100 % in handen waren dan wel, in het geval van Dimon Italia, waren geweest van hun respectieve moederondernemingen.
23 Onder afwijzing van de door die ondernemingen in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar aangevoerde stelling dat naast de 100 %‑zeggenschap andere elementen noodzakelijk zijn, heeft de Commissie gepreciseerd dat elk vermoeden van een dergelijke invloed in het geval van een 100 %-dochteronderneming weerlegbaar was. Het tegenbewijs moet worden geleverd door de partij die een dergelijk vermoeden wil weerleggen met „sterke bewijzen”; dit kunnen niet enkel algemene inlichtingen zijn die niet worden gestaafd door overtuigend bewijs (punt 334 van de bestreden beschikking).
24 In dit verband heeft zij achtereenvolgens de argumenten van de moedermaatschappijen onderzocht die adressaten van de bestreden beschikking waren.
25 De Commissie heeft om te beginnen het algemene argument van de moederondernemingen inzake de volledige verantwoordelijkheid van de lokale directie voor de activiteiten van hun respectieve dochterondernemingen afgewezen. Het feit dat Dimon Inc. en SCC bij de 100 %‑verwerving van hun respectieve dochterondernemingen de bestaande directie hadden gehandhaafd betekent volgens haar niet dat zij geen beslissende invloed uitoefenden op hun respectieve Italiaanse dochterondernemingen, want het is gebruikelijk de lokale directie van een 100 %-dochteronderneming te belasten met de dagelijkse bedrijfsvoering (punt 338 van de bestreden beschikking).
26 Volgens de Commissie heeft geen van die ondernemingen in algemene zin aangetoond dat haar groep specifieke kenmerken heeft waardoor de activiteiten van haar dochteronderneming zich in aanzienlijke mate onttrokken aan haar invloed (punt 339 van de bestreden beschikking).
27 In dit verband heeft de Commissie de hechtheid van de economische betrekkingen tussen Deltafina, Dimon Italia, Transcatab en hun respectieve moederondernemingen onderzocht, die zou aantonen dat de Italiaanse dochterondernemingen een economische eenheid met de rest van hun groep vormden. De Commissie heeft in dit verband opgemerkt dat de betrokken groepen de grootste handelaren in bladtabak ter wereld waren en dat zij de door hun Italiaanse dochterondernemingen gekochte tabak vaak kochten en verkochten (punt 340 van de bestreden beschikking).
28 Wat Dimon Inc. en SCC betreft heeft de Commissie opgemerkt dat voordat die twee ondernemingen alle aandelen van Dimon Italia en Transcatab verwierven, zij reeds samen met hun respectieve Italiaanse partners zeggenschap over hen hadden. Dat zij na die verwerving „niets [hadden] veranderd in de directies” van de dochterondernemingen kon bijgevolg niet worden beschouwd als bewijs dat zij geen enkele invloed op de bestuurders hadden uitgeoefend nadat zij volledig eigenaar waren geworden. De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat in het geval van Dimon Italia de raad van bestuur enkel uit vertegenwoordigers van de groep Dimon bestond en dat een van hen uitsluitend met het dagelijks bestuur van de onderneming was belast. Wat met name de overdracht van de uitvoerende bevoegdheden aan de algemeen directeur van Transcatab betreft, heeft de Commissie verklaard dat zij niet over informatie beschikte op basis waarvan kon worden vastgesteld dat hij niet was benoemd door SCC, net als de andere leden van de raad van bestuur (punten 341 en 342 van de bestreden beschikking).
29 De Commissie heeft vervolgens het argument van Dimon Inc. en SCC afgewezen, dat er geen communicatiekanaal bestond tussen hen en hun dochterondernemingen (punten 343‑346 van de bestreden beschikking).
30 Ten eerste heeft de Commissie het bestaan van eventuele communicatiekanalen tussen Transcatab en SCC onderzocht. In dit verband heeft zij opgemerkt dat de activiteiten van Transcatab waren beschouwd als die van Standard Commercial Tobacco Co., Inc. (SCTC), een participatiemaatschappij binnen de groep SCC, voor 100 % in het bezit van SCC, en dat ze waren onderzocht in het kader van de activiteiten van de groep, waaronder de verkopen van de groep SCC aan de sigarettenfabrikanten. Daaruit heeft zij afgeleid dat de resultaten van de activiteiten van Transcatab waren gerapporteerd aan hogere niveaus binnen de groep en vervolgens waren geconsolideerd (punt 344 van de bestreden beschikking).
31 Ten tweede heeft de Commissie de situatie van Dimon Italia en Dimon Inc. onderzocht. Zij heeft opgemerkt dat de dochtermaatschappij periodieke verslagen opstelde met vertrouwelijke informatie over haar strategie en haar resultaten, welke verslagen werden gezonden aan de ondernemingen van de groep die bij Dimon Italia kochten. Zij heeft ook opgemerkt dat in andere documenten melding werd gemaakt van een rechtstreekse interventie door de directie van Dimon International Inc. en andere ondernemingen van de groep Dimon in de activiteiten van Dimon Italia. Zij heeft daaraan toegevoegd dat Dimon Inc. vaak „Dimon International Inc.” werd genoemd, wat betekent dat zij daadwerkelijk op het hoogste niveau van de groep namens de moedermaatschappij opereerde. De Commissie heeft daaruit afgeleid dat het bestaan van communicatiekanalen tussen Dimon Italia en Dimon Inc. niet in twijfel kon worden getrokken, ook al liep die communicatie via Dimon International (punt 345 van de bestreden beschikking).
32 De Commissie heeft het argument afgewezen, dat Dimon Inc. niet de rechtstreekse moedermaatschappij van Dimon Italia was, op grond dat niets was aangegeven over de rol van Intabex Netherlands BV (hierna: „Intabex”), noch over de eventuele bestaande communicatiekanalen tussen Intabex en Dimon Italia, en tussen Intabex en Dimon Inc. Bovendien lijkt Intabex uitsluitend te hebben gehandeld als financiële tussenholding, zonder banden met de operationele aspecten van de activiteiten van Dimon Italia (punt 346 van de bestreden beschikking).
33 De Commissie heeft gepreciseerd dat, aangezien de groepen waartoe Transcatab en Dimon Italia gedurende de inbreukperiode behoorden, waren opgehouden te bestaan na hun fusie tot de nieuwe entiteit Alliance One, die entiteit als rechtsopvolgster van die twee groepen adressaat was van de bestreden beschikking. Dit gold ook voor Dimon Italia, die door Intabex was verkocht aan particulieren, die haar hebben omgedoopt tot Mindo (punten 349 en 350 van de bestreden beschikking).
34 Gelet op deze verschillende factoren heeft de Commissie in punt 351 van de bestreden beschikking geconcludeerd dat Deltafina, Universal, Mindo (voorheen Dimon Italia), Transcatab, Alliance One, Romana Tabacchi, APTI en Unitab verantwoordelijk moesten worden gehouden voor de inbreuken en de adressaten van de bestreden beschikking waren.
2. Berekening van het bedrag van de geldboeten
35 In de punten 356 tot en met 404 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de wijze van berekening van de aan de adressaten ervan op te leggen geldboeten vastgesteld.
36 In de eerste plaats heeft de Commissie de zwaarte van de inbreuk onderzocht. Na erop te hebben gewezen dat zij bij de beoordeling daarvan de eigen aard van de inbreuk, de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en de omvang van de betrokken geografische markt in aanmerking moest nemen, heeft zij in punt 369 van de bestreden beschikking geconcludeerd dat de door de bewerkers gepleegde inbreuk als zeer zwaar moest worden gekwalificeerd.
37 In de tweede plaats heeft de Commissie in de punten 370 tot en met 376 van de bestreden beschikking de kwestie van het „specifieke gewicht” en de „afschrikkende werking” onderzocht. In dit verband heeft zij aangegeven dat rekening moest worden gehouden met het „specifieke gewicht van elke onderneming en met de waarschijnlijke weerslag van het ongeoorloofde gedrag ervan”.
38 Allereerst was de Commissie van mening dat de geldboeten op basis van de marktpositie van elk van de betrokken partijen moesten worden bepaald (punt 371 van de bestreden beschikking).
39 Dienaangaande stelde zij dat wat Deltafina betreft het uitgangsbedrag van de geldboete het hoogst moest zijn omdat zij de grootste afnemer was, aangezien haar marktaandeel in 2001 ongeveer 25 % bedroeg (punt 372 van de bestreden beschikking).
40 Aangezien zij kleinere marktaandelen ter zake hadden, in 2001 ongeveer 9 à 11 %, was de Commissie van mening dat Transcatab, Dimon Italia en Romana Tabacchi „moesten worden gehergroepeerd” en dat het uitgangsbedrag van de geldboete voor hen lager moest zijn (punt 373 van de bestreden beschikking).
41 De Commissie was evenwel van mening dat een uitgangsbedrag dat enkel de marktpositie weerspiegelde, Deltafina, Dimon Italia (Mindo) en Transcatab onvoldoende zou afschrikken, aangezien zij weliswaar een vrij beperkte omzet hadden, maar deel uitmaakten – of, in het geval van Mindo, deel hadden uitgemaakt – van multinationale groepen met een aanzienlijke economische en financiële macht, die behoorden tot de belangrijkste tabakshandelaars ter wereld en binnen de tabaksindustrie op verschillende niveaus en op verschillende geografische markten actief waren (punt 374 van de bestreden beschikking).
42 Om van de geldboete een afschrikkende werking te doen uitgaan heeft de Commissie bijgevolg overwogen dat op het voor Deltafina bepaalde uitgangsbedrag een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 1,5 – dus een verhoging met 50 % – moest worden toegepast, en op het voor Dimon Italia (Mindo) en Transcatab vastgestelde uitgangsbedrag een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 1,25 – dus een verhoging met 25 % (punt 375 van de bestreden beschikking).
43 Aldus heeft de Commissie in punt 376 van de bestreden beschikking het uitgangsbedrag van de geldboeten als volgt vastgesteld:
– Deltafina: 37,5 miljoen EUR;
– Transcatab: 12,5 miljoen EUR;
– Dimon Italia (Mindo): 12,5 miljoen EUR;
– Romana Tabacchi: 10 miljoen EUR.
44 In de derde plaats heeft de Commissie de kwestie van de duur van de inbreuk onderzocht.
45 Uit met name de punten 377 tot en met 379 van de bestreden beschikking blijkt dat de Commissie de uitgangsbedragen heeft verhoogd met 10 % per volledig inbreukjaar en met 5 % voor elke bijkomende periode van zes maanden of meer. Het uitgangsbedrag van de geldboete is dus verhoogd met 60 %, gelijk aan een inbreukperiode van zes jaar en vier maanden, voor Deltafina, Dimon Italia (Mindo) en Transcatab, en met 25 %, gelijk aan een inbreukperiode van twee jaar en acht maanden, voor Romana Tabacchi.
46 De aan de adressaten van de bestreden beschikking opgelegde basisbedragen zijn derhalve als volgt vastgesteld:
– Deltafina: 60 miljoen EUR;
– Transcatab: 20 miljoen EUR;
– Dimon Italia (Mindo): 20 miljoen EUR;
– Romana Tabacchi: 12,5 miljoen EUR.
47 In de vierde plaats heeft de Commissie in de punten 380 tot en met 398 van de bestreden beschikking onderzocht of verzachtende omstandigheden in aanmerking moesten worden genomen. Wat met name de situatie van Dimon Italia en Transcatab betreft heeft zij al hun argumenten om voor hen verzachtende omstandigheden te laten gelden, afgewezen.
48 In de vijfde plaats heeft de Commissie de boetebedragen op basis van de toepassing van verzachtende omstandigheden vastgesteld, waarbij zij de aan Deltafina en Romana Tabacchi opgelegde basisbedragen van de geldboete met respectievelijk 50 % en 30 % heeft verlaagd, en onderzocht of de basisbedragen voor de verschillende adressaten moesten worden aangepast om het plafond van 10 % van de omzet bedoeld in artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), niet te overschrijden (punten 399‑404 van de bestreden beschikking).
49 In dit verband preciseert zij dat wanneer de betrokken ondernemingen tot een groep behoren en is aangetoond dat de moedermaatschappijen een beslissende invloed op die ondernemingen uitoefenen en derhalve hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de aan hun dochteronderneming opgelegde geldboete, de wereldomzet van de groep in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van het bovengenoemde plafond van 10 % (punt 401 van de bestreden beschikking).
50 Om die reden heeft zij aangegeven dat het bedrag van de aan Romana Tabacchi opgelegde geldboete niet hoger mocht zijn dan 2,05 miljoen EUR en dat de andere geldboeten op grond van die bepaling niet hoefden te worden verlaagd (punten 402 en 403 van de bestreden beschikking).
51 De Commissie heeft haar analyse van het plafond van de geldboete beëindigd met de beperking van de hoofdelijke aansprakelijkheid van Mindo tot 10 % van haar omzet in het meest recente boekjaar, namelijk 3,99 miljoen EUR, aangezien zij ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking geen band had met de voormalige groep Dimon, die Alliance One was geworden (punt 404 van de bestreden beschikking).
52 In de zesde plaats heeft de Commissie zich geuit over de toepassing van de clementieregeling (punten 405‑500 van de bestreden beschikking).
53 Na te hebben vastgesteld dat Dimon Italia en Transcatab aan de voorwaarden hadden voldaan die hun waren opgelegd op grond van hun verzoek om verlaging van de geldboete, heeft de Commissie uit de beoordeling van het verstrekte bewijsmateriaal en uit hun medewerking tijdens de procedure afgeleid dat zij in aanmerking kwamen voor het hoogste verlagingspercentage dat is voorzien binnen de marge die hun na het verzoek om verlaging was meegedeeld, namelijk respectievelijk 50 % en 30 % (punten 492‑499 van de bestreden beschikking). Daarentegen was aan Deltafina geen immuniteit of boeteverlaging toegekend.
54 Ingevolge artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 heeft de Commissie ten slotte de geldboeten voor de ondernemingen en ondernemingsverenigingen tot wie de bestreden beschikking was gericht, als volgt vastgesteld:
– Deltafina en Universal, hoofdelijk aansprakelijk: 30 miljoen EUR;
– Dimon Italia (Mindo) en Alliance One: 10 miljoen EUR; waarbij Alliance One volledig aansprakelijk is en Mindo slechts hoofdelijk aansprakelijk is voor 3,99 miljoen EUR;
– Transcatab en Alliance One, hoofdelijk aansprakelijk: 14 miljoen EUR;
– Romana Tabacchi: 2,05 miljoen EUR;
– APTI: 1 000 EUR;
– Unitab: 1 000 EUR.
Procesverloop en conclusies van partijen
55 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 januari 2006, heeft Alliance One het onderhavige beroep ingesteld.
56 In het verzoekschrift heeft Alliance One verzocht om voeging van de onderhavige zaak met die inzake het door Mindo en door Transcatab ingestelde beroep (zie punten 57 en 58 hieronder).
57 Op 20 januari 2006 heeft Mindo beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking of, subsidiair, tot vermindering van de haar bij de bestreden beschikking opgelegde geldboete (zaak T‑19/06).
58 Op 3 februari 2006 heeft ook Transcatab beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking en, subsidiair, tot vermindering van de haar bij de bestreden beschikking opgelegde geldboete (zaak T‑39/06), waarbij zij om voeging van die zaak met de onderhavige zaak verzocht.
59 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 juli 2006, heeft Mindo verzocht om voeging van zaak T‑19/06 met de onderhavige zaak. Op 21 augustus 2006 heeft Alliance One haar opmerkingen met betrekking tot dat verzoek ingediend, waarbij zij verklaarde positief tegenover de voeging te staan.
60 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 augustus 2006, heeft de Commissie aangegeven dat de voeging van deze zaken naar haar mening niet tot een duidelijke verbetering van de doeltreffendheid van de procedure kon leiden en dat zij zich ter zake op de wijsheid van het Gerecht verliet.
61 Het Gerecht heeft aan het voegingsverzoek geen gevolg gegeven.
62 Bij brief van 24 november 2009 heeft het Gerecht in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang krachtens artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering een schriftelijke vraag gesteld aan Alliance One, waarop zij binnen de gestelde termijn heeft geantwoord. De Commissie heeft op 2 februari 2010 haar opmerkingen over het antwoord van Alliance One ingediend.
63 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht partijen verzocht bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
64 Partijen zijn ter terechtzitting van 28 september 2010 in hun pleidooien en antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
65 Alliance One concludeert dat het het Gerecht behage:
– artikel 1, lid 1, van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover dit SCC, Dimon Inc. en Alliance One betreft;
– bijgevolg het bedrag van de aan Transcatab en Dimon Italia (Mindo) opgelegde geldboete zodanig te verlagen dat de geldboeten niet hoger zijn dan 10 % van hun omzet in het laatste boekjaar;
– subsidiair, de aan Transcatab en Dimon Italia (Mindo) opgelegde geldboete te verlagen, daar de vermenigvuldigingscoëfficiënt niet van toepassing is;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
66 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– Alliance One te verwijzen in de kosten.
In rechte
67 Ter ondersteuning van haar beroep voert Alliance One in wezen drie middelen aan, die in een aantal onderdelen uiteenvallen. Het eerste, primair aangevoerde middel is ontleend aan schending van de regels inzake de toerekenbaarheid van de door een dochteronderneming gepleegde inbreuken aan haar moedermaatschappij, en schending van de rechten van verdediging. Het tweede middel is ontleend aan schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, daar het bedrag van de opgelegde geldboete hoger is dan 10 % van de in 2005 door respectievelijk Transcatab en Dimon Italia gerealiseerde omzet, en schending van het evenredigheidsbeginsel bij de bepaling van het eindbedrag van de geldboete. Alliance One voert subsidiair ook een derde middel aan, ontleend aan een onjuiste opvatting inzake het recht en de feiten, en schending van het evenredigheidsbeginsel en gebrekkige motivering bij de vaststelling van de vermenigvuldigingscoëfficiënt.
A – Het eerste middel: schending van de regels inzake de toerekenbaarheid van door een dochteronderneming gepleegde inbreuken aan haar moedermaatschappij, en schending van de rechten van verdediging
68 Dit middel bestaat uit vier onderdelen. In het kader van het eerste onderdeel stelt Alliance One dat de Commissie de regels inzake de toerekenbaarheid van gedragingen van een dochtermaatschappij aan haar moederonderneming heeft geschonden. Volgens het tweede onderdeel hebben SCC en Dimon Inc. bewijsmateriaal aan de Commissie overgelegd waaruit blijkt dat zij geen beslissende invloed op hun dochterondernemingen hebben uitgeoefend, dat de Commissie in wezen heeft genegeerd. Het derde onderdeel verwijt de Commissie de rechten van verdediging van SCC en Dimon Inc. te hebben geschonden door ter betwisting van het door hen overgelegde bewijsmateriaal gebruik te maken van documenten die niet zijn genoemd in de mededeling van punten van bezwaar, en van niet toegankelijke documenten. In het kader van het vierde onderdeel voert Alliance One aan dat de Commissie de bewijslastregels heeft geschonden.
1. Het eerste onderdeel: schending van de regels inzake de toerekening van de gedragingen van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij
a) Argumenten van partijen
69 Alliance One stelt dat de Commissie ten onrechte heeft gemeend dat SCC en Dimon Inc. tijdens de inbreukperiode een beslissende invloed uitoefenden op respectievelijk Transcatab en Dimon Italia en hen om die reden hoofdelijk aansprakelijk hield voor het inbreukmakende gedrag van die dochterondernemingen.
70 Volgens Alliance One berust de bestreden beschikking op een onjuiste uitlegging van de relevante rechtspraak wanneer wordt vastgesteld dat kan worden aangenomen dat een moederonderneming die het totale kapitaal van een dochtermaatschappij bezit, een beslissende invloed op haar commerciële gedrag uitoefent. Ter ondersteuning van haar stelling noemt Alliance One een aantal arresten van het Hof, de conclusies van de advocaten-generaal in enkele van de zaken die tot die arresten hebben geleid, en een aantal arresten van het Gerecht. Met name uit het arrest Hof van 16 november 2000, Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie (C‑286/98 P, Jurispr. blz. I‑9925), dat is bevestigd door andere arresten, blijkt dat altijd aanvullend bewijsmateriaal moet worden geleverd naast het enkele bezit door de moederonderneming van het gehele kapitaal van een dochtermaatschappij toen zij een inbreuk pleegde op artikel 81, lid 1, EG, om te kunnen vermoeden dat de moederonderneming een beslissende invloed uitoefende op het gedrag van haar dochtermaatschappij en om haar dus aansprakelijk te kunnen houden voor de door de dochtermaatschappij gepleegde inbreuk.
71 Voorts heeft de Commissie in haar beschikkingspraktijk herhaaldelijk verklaard dat het enkele feit dat een onderneming het gehele kapitaal bezit van een dochtermaatschappij die rechtstreeks bij de inbreuk op de mededingingsregels is betrokken, op zich niet voldoende is om haar verantwoordelijkheid te kunnen houden, en dat derhalve bijkomende omstandigheden noodzakelijk zijn om met zekerheid de verantwoordelijkheid van een groep voor het gedrag van een van zijn dochterondernemingen te kunnen aantonen, wanneer de moedermaatschappij niet rechtstreeks aan het kartel heeft deelgenomen.
72 Alliance One verwijst met name naar de gevallen waarin de Commissie de moederonderneming niet verantwoordelijk heeft gesteld voor het gedrag van haar dochter [waarbij zij in het bijzonder de benadering van de Commissie in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 20 oktober 2004 in de zaak Ruwe tabak – Spanje (COMP/38.238/B.2) bekritiseert], de moederonderneming verantwoordelijk heeft gesteld op grond van haar rechtstreekse deelneming aan het kartel, of zich op andere omstandigheden heeft gebaseerd om de aansprakelijkheid van de moederonderneming aan te tonen.
73 Uit het onderzoek van de beschikkingspraktijk van de Commissie blijkt met name dat zij ook „andere” factoren eist dan het enkele feit dat een onderneming het volledige kapitaal van haar dochtermaatschappij bezit, zoals:
– rechtstreekse betrokkenheid van de moederonderneming bij de inbreuken;
– verantwoordelijkheid van de moederonderneming voor de uitvoering van de inbreuk;
– deelneming van de moederonderneming aan bijeenkomsten waarin concurrentieverstorende gedragingen zijn besproken;
– het feit dat de moederonderneming de autonomie van haar dochter niet heeft bevestigd of aangegeven;
– het feit dat de moederonderneming zich tijdens de procedure als enige gesprekspartner heeft gepresenteerd;
– aanwijzingen dat de moederonderneming „op de hoogte” was van de overeenkomsten of het feit dat zij niet uitdrukkelijk heeft betwist dat zij op de hoogte was van het inbreukmakende gedrag.
74 Ten slotte blijkt uit de analyse van de rechtspraak en van de beschikkingspraktijk van de Commissie dat:
– de Commissie dient te bewijzen dat de moederonderneming een beslissende invloed op haar dochtermaatschappij heeft uitgeoefend;
– deze bewijslast niet wordt omgekeerd, maar enkel vergemakkelijkt in het geval van een 100 %-dochtermaatschappij, voor zover er sprake is van andere gegevens of aanwijzingen die deze conclusie steunen;
– enkel wanneer de moederonderneming de dochtermaatschappij voor 100 % bezit en haar betrokkenheid uit andere aanwijzingen blijkt, de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij kan worden vermoed en de bewijslast voor haar niet-betrokkenheid op haar overgaat;
– dit vermoeden altijd kan worden weerlegd wanneer Alliance One voldoende bewijs kan verstrekken, dat zij weliswaar een beslissende invloed kon uitoefenen, maar dat in dit geval niet heeft gedaan.
75 Alliance One betwist dus de uitlegging van de rechtspraak die de Commissie in de bestreden beschikking heeft gegeven en onderstreept dat de Commissie in de procedure enkel heeft gesteld dat SCC en Dimon Inc. het volledige kapitaal van hun Italiaanse dochtermaatschappijen bezaten, in de mening dat dit voldoende was voor de overgang van de bewijslast op de partijen.
76 Door de bewijslast ten onrechte af te wentelen op SCC en Dimon Inc. heeft de Commissie dus een vermoeden „iuris tantum” omgezet in een vermoeden „iuris et de iure”, dus een vermoeden dat geen tegenbewijs toelaat.
77 De bewijslast voor de uitoefening van een beslissende invloed door een moederonderneming op haar dochtermaatschappij wordt dus niet al omgekeerd wanneer het gaat om een 100 %-dochtermaatschappij. In casu kon deze bewijslast uitsluitend op Alliance One overgaan wanneer de Commissie overtuigende aanwijzingen had verstrekt, dat op Transcatab en Dimon Italia gedurende de inbreukperiode een beslissende invloed door hun respectieve moedermaatschappijen werd uitgeoefend.
78 Volgens verzoekster heeft de Commissie bijgevolg blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de aansprakelijkheid van Dimon Inc. en SCC voor het gedrag van hun respectieve dochtermaatschappijen te vermoeden.
79 De Commissie concludeert tot afwijzing van dit onderdeel van het eerste middel.
b) Beoordeling door het Gerecht
80 In herinnering wordt gebracht dat het mededingingsrecht ziet op de activiteiten van ondernemingen (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 59) en dat het begrip onderneming elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (arresten Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 112, en 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, Jurispr. blz. I‑8237, punt 54).
81 Voorts heeft de rechtspraak gepreciseerd dat onder het begrip onderneming in deze context moet worden verstaan een economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt gevormd door verschillende natuurlijke of rechtspersonen (arrest Hof van 14 december 2006, Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio, C‑217/05, Jurispr. blz. I‑11987, punt 40, en arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 55; arrest Gerecht van 15 september 2005, DaimlerChrysler/Commissie, T‑325/01, Jurispr. blz. II‑3319, punt 85).
82 Wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, heeft zij zich ter zake te verantwoorden in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke verantwoordelijkheid (zie in die zin arresten Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 145, en 11 december 2007, ETI e.a., C‑280/06, Jurispr. blz. I‑10893, punt 39, en arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 56).
83 De inbreuk op het mededingingsrecht moet op ondubbelzinnige wijze worden toegerekend aan een rechtspersoon, waaraan eventueel een geldboete kan worden opgelegd. Voor de toepassing en de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van de Commissie op het gebied van het mededingingsrecht moet namelijk steeds een rechtspersoon worden gezocht tot welke de handeling zal worden gericht (zie in die zin arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 978).
84 Het is vaste rechtspraak dat het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een eigen rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die de twee juridische entiteiten verenigen (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85 Aangezien de moedermaatschappij en haar dochteronderneming in een dergelijke situatie immers deel uitmaken van één economische eenheid en derhalve één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen, kan de Commissie een beschikking houdende oplegging van geldboeten tot de moedermaatschappij richten, zonder dat hoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was (zie in die zin arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 59).
86 Uit de rechtspraak volgt ook dat in het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij 100 % van het kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft gepleegd, enerzijds deze moedermaatschappij beslissende invloed op het gedrag van deze dochter kan uitoefenen, en anderzijds er een weerlegbaar vermoeden bestaat dat die moedermaatschappij daadwerkelijk een dergelijke invloed uitoefent (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87 In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen is van de moedermaatschappij, om te vermoeden dat deze laatste beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van de dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt die aantonen dat haar dochteronderneming zich zelfstandig op de markt gedraagt (zie in die zin arresten Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, aangehaald in punt 70 hierboven, punt 29, en Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 61).
88 In de punten 28 en 29 van het arrest Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, aangehaald in punt 70 hierboven, heeft het Hof weliswaar naast het bezit van 100 % van het kapitaal van de dochter, andere omstandigheden in aanmerking genomen, zoals de niet-betwisting van de invloed van de moederonderneming op het commerciële beleid van haar dochter en de gemeenschappelijke vertegenwoordiging van de twee ondernemingen in de administratieve procedure, maar dat neemt niet weg dat het Hof die omstandigheden slechts heeft vermeld teneinde alle elementen uiteen te zetten waarop het Gerecht zijn redenering had gebaseerd, en niet om de toepassing van het in punt 86 hierboven genoemde vermoeden afhankelijk te stellen van het overleggen van extra aanwijzingen betreffende de daadwerkelijke uitoefening van invloed door de moedermaatschappij (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Gerecht van 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, Jurispr. blz. II‑2567, punt 57).
89 Uit de bestreden beschikking volgt dat de Commissie voor de toerekening van de verantwoordelijkheid van de door haar dochtermaatschappij gepleegde inbreuk aan de moederonderneming is uitgegaan van de veronderstelling dat een dergelijke toerekening mogelijk is wanneer de moeder‑ en dochteronderneming tot dezelfde economische eenheid behoren en dus één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen (punt 325 van de bestreden beschikking).
90 Het basisuitgangspunt van de Commissie om vast te stellen dat het gedrag van de dochter aan de moederonderneming kon worden toegerekend, is dat de dochtermaatschappij haar marktgedrag niet autonoom kan bepalen. Dit gebrek aan zelfstandigheid is namelijk het gevolg van een „beslissende invloed” van de moederonderneming op het gedrag van haar dochter, waarbij de daadwerkelijke uitoefening van een dergelijke invloed volgens de rechtspraak kan worden aangenomen wanneer de moederonderneming het gehele kapitaal van haar dochteronderneming bezit (zie punten 329 en 330 van de bestreden beschikking).
91 In punt 331 van de bestreden beschikking heeft de Commissie aldus overwogen dat Deltafina, Dimon Italia en Transcatab in casu „niet autonoom waren” daar zij voor 100 % in handen waren van hun respectieve moederondernemingen.
92 Anders dan Alliance One stelt, namelijk dat de Commissie in casu een vermoeden „iuris tantum” heeft omgezet in een vermoeden „iuris et de iure”, past deze redenering wel in de logica van een weerlegbaar vermoeden. Zo wordt, net als bij andere vermoedens die zijn toegelaten in het mededingingsrecht, een feit dat door de Commissie terecht kan worden vermoed, als bewezen beschouwd voor zover de betrokken onderneming het vermoeden niet weerlegt met sluitend tegenbewijs (zie arrest Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 82 hierboven, punten 121 en 126, en arrest Hof van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, Jurispr. blz. I‑4287, punten 162 en 167). Voorts leidt dit vermoeden, aangezien het weerlegbaar is en dus in elk individueel geval kan worden ontkracht, niet automatisch tot het toerekenen van de verantwoordelijkheid aan de moedermaatschappij die het volledige aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, hetgeen in strijd zou zijn met het beginsel van de persoonlijke verantwoordelijkheid waarop het mededingingsrecht is gebaseerd.
93 De Commissie heeft de regels inzake de toerekenbaarheid van het gedrag van een dochtermaatschappij aan haar moederonderneming dus niet geschonden door in wezen SCC en Dimon Inc, waarvan Alliance One de rechtsopvolgster is als vennootschap die uit hun fusie is ontstaan, verantwoordelijk te houden voor de door hun dochtermaatschappijen Transcatab en Dimon Italia gepleegde inbreuk.
94 Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door de argumenten van Alliance One in antwoord op de schriftelijke vraag van het Gerecht inzake de consequenties die moeten worden getrokken uit het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven. Ten eerste heeft dat arrest volgens haar de eerdere rechtspraak onjuist uitgelegd, met name het arrest Kopparbergs Bergslags/Commissie, aangehaald in punt 70 hierboven, en is de rechtspraak hoe dan ook niet eenduidig in dit verband. Ten tweede is de feitelijke achtergrond van de zaak die heeft geleid tot het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, anders dan de onderhavige, daar er verscheidene dochtermaatschappijen bij het kartel waren betrokken en het derhalve moeilijker was om aan te tonen dat de moederonderneming niet op de hoogte was van de concurrentieverstorende activiteiten. Wat het eerste argument betreft, volstaat de vaststelling dat blijkens het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven (zie ook in die zin de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, Jurispr. blz. I‑8241, punten 60 en 61), het Hof niet alleen rekening heeft gehouden met de rechtspraak waarop Alliance One haar argumentatie voornamelijk steunt, met name het arrest Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, aangehaald in punt 70 hierboven, maar ook een eenduidige uitlegging heeft gegeven van de eerdere rechtspraak (arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punten 58‑62). Wat het tweede argument betreft volstaat de vaststelling dat het vermeende verschil tussen de zaak die heeft geleid tot het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, en de onderhavige zaak volkomen irrelevant is, daar het criterium voor de toerekening van de verantwoordelijkheid in de eerstgenoemde zaak geenszins het criterium van directe of indirecte kennis van de moedermaatschappij van de door de dochteronderneming(en) verrichte activiteiten was. Hoe dan ook, zoals de Commissie terecht opmerkt, is een dergelijke factor in dat arrest niet in aanmerking genomen.
95 Gelet op de voorgaande overwegingen moet het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.
2. Het tweede onderdeel: negeren van het door SCC en Dimon Inc. verstrekte bewijsmateriaal ter weerlegging van het vermoeden
a) Argumenten van partijen
96 Alliance One stelt dat SCC en Dimon Inc., hoewel zij daartoe niet verplicht waren, omvangrijk en compleet bewijsmateriaal hebben verstrekt waaruit bleek dat zij noch hadden deelgenomen aan het kartel, noch het gedrag van hun dochtermaatschappijen hadden beïnvloed, en duidelijk hebben aangetoond dat geen van de situaties waarin sancties zijn opgelegd door de rechtspraak, zich in casu voordeed. Die bewijzen tonen dus aan dat SCC en Dimon Inc. geen beslissende invloed hebben uitgeoefend op hun Italiaanse dochtermaatschappijen en dat ook niet konden doen.
97 Voorts verwijt Alliance One de Commissie dat zij het door SCC en Dimon Inc. verstrekte bewijsmateriaal verkeerd heeft uitgelegd. Zij bekritiseert daarbij niet alleen de diverse passages van de bestreden beschikking waarin de Commissie dat materiaal onderzoekt en afwijst, maar ook het gebruik van de documenten ter onderbouwing daarvan.
98 Volgens haar blijkt uit de antwoorden van SCC en Dimon Inc. op de mededeling van punten van bezwaar duidelijk dat de twee groepen een zeer gedecentraliseerde structuur hadden, vooral gelet op de specifieke kenmerken van de Italiaanse markt voor ruwe tabak. De uitoefening van een beslissende invloed door de moederonderneming is dus onverenigbaar met de behoeften van de markt. Doordat deze twee groepen dochtermaatschappijen op de nationale tabaksmarkt in verschillende landen hebben die elk hun specifieke kenmerken hebben, kunnen zij bovendien onmogelijk een commerciële invloed op de dochtermaatschappijen uitoefenen, in welke vorm dan ook.
99 Transcatab en Dimon Italia hebben hunnerzijds verklaard dat zij altijd zelfstandige ondernemingen op de betrokken markt zijn geweest, en dat zij hun eigen commerciële beleid op dit terrein bepaalden. Wat de verkoop van bewerkte tabak betreft, wijst Alliance One erop dat de dochtermaatschappijen als onafhankelijke ondernemingen tegenover de klanten opereerden. Om die reden merkt zij op dat de verkoop van bewerkte tabak binnen de groep tussen september 1995 en juni 2001 slechts een zeer gering gedeelte van de totale verkoop van Dimon Italia bedroeg (tussen 20 en 30 %), aangezien het grootste deel van haar tabak rechtstreeks aan andere klanten is verkocht.
100 In repliek stelt Alliance One voorts dat geen enkel precedent uit de rechtspraak van partijen bij een procedure eist, anders dan de Commissie stelt, dat zij een specifiek kenmerk van hun groep aantonen als rechtvaardiging voor de zelfstandigheid van een dochteronderneming. Bovendien hebben SCC en Dimon Inc. duidelijk aangetoond dat in hun geval geen van de door de rechtspraak vereiste omstandigheden zich had voorgedaan.
101 Wat meer in het bijzonder de door SCC verstrekte bewijsstukken betreft om aan te tonen dat zij geen beslissende invloed uitoefende op haar Italiaanse dochtermaatschappij Transcatab, stelt Alliance One dat:
– de raad van bestuur van Transcatab hoofdzakelijk uit Italiaanse accountants bestond en dat geen van hen daarvoor of daarna een directe of indirecte band met SCC had; bovendien was de rol van SCC bij de keuze van de leden van de raad van bestuur beperkt tot de formele benoeming van de door de algemeen directeur van Transcatab, die zelf volledig onafhankelijk was van SCC, aangewezen personen;
– volgens artikel 19 van de statuten van Transcatab haar raad van bestuur de ruimst mogelijke bevoegdheden voor het leiden van de onderneming had;
– vanaf 4 augustus 1994, dat wil zeggen voordat SCC Transcatab volledig in handen kreeg, het gedrag van Transcatab uitsluitend werd bepaald door haar algemeen directeur, aan wie volgens de notulen van de bijeenkomst van de raad van bestuur van Transcatab van dezelfde dag de raad van bestuur alle in dat artikel 19 van de statuten inzake de gewone en buitengewone activiteiten van de onderneming vermelde bevoegdheden had verleend; deze situatie is nooit gewijzigd door SCC, en de algemeen directeur is altijd dezelfde persoon geweest;
– het commerciële beleid van Transcatab derhalve enkel door haar algemeen directeur werd bepaald, zoals de notulen van de bijeenkomsten van de raad van bestuur bevestigen, waarin hij over het algemeen de andere leden van de raad slechts informeerde over de commerciële situatie van de onderneming, en die leden keurden de handelingen van de directeur achteraf formeel goed.
102 Dit is voldoende om het vermoeden van de Commissie te weerleggen.
103 Alliance One betwist vervolgens de argumentatie van de Commissie dat SCC niet kon aantonen dat de algemeen directeur van Transcatab niet afkomstig was van haarzelf, dat hoe dan ook de overige leden van de raad van bestuur van Transcatab uitvoerende bevoegdheden hadden en dat SCC niet heeft bewezen dat die leden door de algemeen directeur waren gekozen en niet door haarzelf waren benoemd.
104 Wat ten eerste de onafhankelijkheid van de algemeen directeur betreft herhaalt Alliance One dat zij heeft aangetoond dat er geen enkele band bestond tussen hem, die vóór de verwerving van de dochteronderneming door SCC was benoemd, en SCC. Hoe dan ook dient de Commissie aan te tonen dat het bestuur van Transcatab door SCC was benoemd voordat SCC de volledige zeggenschap over Transcatab had verworven.
105 Wat ten tweede de uitvoerende bevoegdheden van de overige leden van de raad van bestuur betreft, wijst zij er in de eerste plaats op dat de overdracht van de gewone en buitengewone bevoegdheden inzake het management van de vennootschap aan de algemeen directeur door de Commissie niet is betwist. In de tweede plaats wijst zij de vermeende gedetailleerde bewijsstukken af die zouden aantonen dat andere leden van de raad van bestuur, bijvoorbeeld S. M., uitvoerende functies hadden, en acht zij die niet significant, want daaruit blijkt niet dat er sprake was van een gedeelde bevoegdheid met betrekking tot de bedrijfsvoering van Transcatab, noch dat de leden van de raad van bestuur bemoeienis hadden met de bepaling van Transcatabs aankoopbeleid. Die documenten kunnen hoe dan ook niet door de Commissie worden ingeroepen, daar ze dateren van voor het begin van het litigieuze kartel.
106 Bovendien blijkt uit een voorbeeld van de notulen van bijeenkomsten van de raad van bestuur, dat door Alliance One aan het dossier is toegevoegd, dat de algemeen directeur de overige leden van de raad van bestuur informeerde over de commerciële situatie van de onderneming en dat laatstgenoemden al zijn handelingen automatisch en achteraf goedkeurden. Daarentegen bestaat er geen bewijs van betrokkenheid van de overige leden van de raad van bestuur bij het commerciële beleid van de onderneming.
107 Ten derde stelt Alliance One dat de vraag of de leden van de raad van bestuur van Transcatab door SCC werden benoemd niet relevant is, want zelfs al zouden andere leden van de raad van bestuur door SCC zijn benoemd, zouden zij niet bevoegd zijn geweest om de activiteiten van Transcatab te leiden.
108 Voorts blijkt uit een aantal aan het dossier toegevoegde documenten dat de aandeelhouders enkel de jaarverslagen goedkeurden. Er bestaat verder geen enkel bewijs, dat de algemeen directeur met de overige leden van de raad van bestuur, laat staan met de moedermaatschappij, het aankoopbeleid van Transcatab besprak. Het bestaan van bepaalde noodzakelijke contacten die echter geen verband hielden met het beheer van de lokale activiteiten, kan geen criterium zijn voor het bewijs van de door de moedermaatschappij op haar dochteronderneming uitgeoefende invloed.
109 Wat echter de bewijsstukken betreft die door Dimon Inc. zijn verstrekt om aan te tonen dat zij geen beslissende invloed op haar dochtermaatschappij Dimon Italia uitoefende, stelt Alliance One dat:
– de raad van bestuur van Dimon Italia uit deskundigen op het gebied van de Italiaanse markt voor ruwe tabak bestond en dat Dimon Inc. geen van de leden van die raad heeft benoemd nadat zij de zeggenschap over Dimon Italia had verworven, behalve twee personen die financiële functies vervulden, en V. R. (benoemd in 1998), die een leidinggevende functie bekleedde bij Reditab Srl, een vennootschap waarvan zijn familie 50 % bezat, terwijl de overige 50 % in handen bleef van Dibrell Brothers Inc., die eind 1995 door Dimon Inc. was verworven; laatstgenoemde heeft de zeggenschap over Dimon Italia dus overgedragen aan personen met een uitstekende expertise op het gebied van de lokale markt;
– de inkoopdirecteuren, namelijk V. en F. R. (leden van de familie R.) en B. (voormalig directeur van Dibrell Italia), zelfs nadat Dimon Inc. de zeggenschap had verkregen, volledig autonoom de aankoopstrategie van Dimon Italia vaststelden;
– er dus geen overlapping bestond tussen enerzijds de directeuren en het inkoopteam van Dimon Italia en anderzijds de directeuren van Dimon Inc. of elke andere vennootschap van de groep Dimon, en dat geen van de leden van de raad van bestuur ooit lid is geweest van de raad van bestuur van een van de vennootschappen van de groep of een directie- of bestuursfunctie in die groepen heeft uitgeoefend.
110 In repliek verklaart Alliance One het argument van de Commissie dat Alliance One niet betwist dat Dimon Inc. de leden van de raad van bestuur van Dimon Italia heeft benoemd na daarover de uitsluitende zeggenschap te hebben verworven, ongefundeerd.
111 In dit verband verwijt zij de Commissie ten eerste dat zij niet heeft opgemerkt dat toen Dimon Inc. Dimon Italia (toentertijd Reditab) verwierf, de drie leden van de raad van bestuur van Reditab in hun functie zijn gehandhaafd en dat er vóór 1 januari 1996 geen nieuw lid van de raad van bestuur van Dimon Italia is benoemd. Op die datum, waarop het aantal leden van de raad van bestuur is verhoogd van drie tot vijf, heeft Dimon Inc. V. R., voormalig manager van Reditab en lid van de familie die de onderneming heeft opgericht, en N. benoemd, een inkoopdeskundige, die nooit eerder contact heeft gehad met de groep Dimon.
112 Na de verwerving van de volledige zeggenschap over Dimon Italia heeft Dimon Inc. slechts twee financiële deskundigen benoemd, W. M., later vervangen door C., die geen van beiden bemoeienis hadden met het aankoopbeleid van de dochteronderneming en geen deel uitmaakten van de raad van bestuur van andere vennootschappen van de groep Dimon, en in 1998 F. R., die een band had met de vennootschap voordat zij door Dimon Inc. was verworven.
113 Anders dan de Commissie stelt, was W. M. evenwel werknemer van Dimon International Services Ltd, een zustervennootschap van Dimon Italia, en had hij geen banden met Dimon International en evenmin leidinggevende bevoegdheden uitgeoefend binnen Dimon Italia. Bijgevolg kan de aanwijzing van W. M. niet aantonen dat Dimon Inc. controle heeft „uitgeoefend” op het commerciële beleid van Dimon Italia.
114 Ten tweede betwist Alliance One de stelling van de Commissie dat om aan te tonen dat de moedermaatschappij daadwerkelijke invloed heeft uitgeoefend op het gedrag van haar dochteronderneming het bewijs volstaat dat zij één lid van de raad van bestuur heeft benoemd. Volgens de rechtspraak is het alleen relevant of de benoemde persoon bevoegd was de activiteiten van de dochteronderneming te leiden en of hij tegelijkertijd ook lid van de raad van bestuur van andere vennootschappen van de groep was, hetgeen niet het geval was bij de door Dimon Inc. benoemde personen.
115 Ten derde wijst Alliance One op de rol van de familie R. Anders dan de Commissie stelt, leidde V. R., als lid van deze familie die voorheen Reditab bezat, namelijk de activiteiten van deze vennootschap op het moment van de overneming ervan door Dimon Inc., wat hij vervolgens is blijven doen, eerst als inkoopdirecteur, daarna als lid van de raad van bestuur.
116 Ten vierde wijst Alliance One erop dat B. vóór de overneming van de vennootschap door Dimon Inc. lid van de raad van bestuur was en dat er geen bewijs is voor het bestaan van andere banden tussen hem en Dimon Inc. Het feit dat B., zoals de Commissie stelt, bij het kartel was betrokken, zegt niets over eventuele banden met de moedermaatschappij en betekent niet dat de moedermaatschappij betrokken was bij of op de hoogte was van die concurrentieverstorende gedragingen.
117 Ten vijfde verwijt zij de Commissie dat zij geen rekening heeft gehouden met het feit dat er geen overlapping was tussen de directie van Dimon Italia en haar inkoopteam, en de directie van Dimon Inc. of elke andere vennootschap van de groep Dimon.
118 Wat ten slotte de in de bestreden beschikking genoemde documenten betreft inzake het vermeende bestaan van communicatiekanalen tussen Dimon Italia en de rest van de groep Dimon, stelt Alliance One om te beginnen dat die documenten niet voldoende zijn om Dimon Inc. de verantwoordelijkheid voor het gedrag van haar dochteronderneming toe te rekenen, daar zij geen betrekking hebben op het commerciële beleid van Dimon Italia.
119 Alliance One stelt met name dat de documenten van de bijeenkomst van APTI zeer algemeen zijn en niet het commerciële beleid van Dimon Italia weerspiegelen. Uit de op 12 februari 2002 door C. aan S. gezonden e-mail blijkt enkel dat Dimon Italia als autonome entiteit op de nationale markt voor ruwe tabak heeft gehandeld. Wat de e-mail van 10 mei 2001 van B. aan S. betreft, betwist Alliance One de uitlegging daarvan door de Commissie in haar verweerschrift, namelijk dat daarmee wordt aangetoond dat Dimon Inc. op de hoogte was van het kartel, want het gaat om een nieuw en dus niet-ontvankelijk bezwaar. Voorts verschaft dat document geen uitleg of bewijs van de bewering van de Commissie dat S. op de hoogte was van het kartel. Bovendien is die bewering volkomen ongegrond, daar uit dat document blijkt dat het betrekking heeft op de verkoop van bewerkte tabak (en niet op de aankoop van ruwe tabak), en dat het belangrijkste doel van de in het document voorgestelde bijeenkomst was een tabak producerende klant te bespreken. Wat de documenten betreft die de bewering van de Commissie moeten onderbouwen dat Dimon Italia periodieke verslagen over de oogst opstelde voor de overige leden van de groep Dimon, betwist Alliance One de door de Commissie daaruit getrokken conclusie, omdat de Commissie zich slechts op een ongegrond vermoeden baseert. Deze documenten kunnen evenmin de conclusie schragen dat Dimon Italia bij de bepaling van haar aankoopbeleid onder invloed stond van Dimon Inc., aangezien ze betrekking hebben op een andere markt (die van de verkoop van bewerkte tabak), en slechts informatie geven over de verkoop en de algemene economische situatie in Italië, zonder enige verwijzing naar leveranciers, prijzen of overeenkomsten met de concurrenten. Met name wordt het beleid van Dimon Italia inzake de aankoop van ruwe tabak daarin niet genoemd. Alliance One stelt dat hoewel de Commissie in de bestreden beschikking de documenten 2892 en 2893 als aanvullend bewijs noemt voor de communicatie tussen de moedermaatschappij en haar dochteronderneming, zij in haar verweerschrift ook, en voor het eerst, de documenten 2894 tot en met 2902 vermeldt. Omdat die documenten in de context van de eventuele fusie tussen Dimon Italia en Transcatab zijn opgesteld, kunnen ze niet aantonen dat Dimon Inc. bemoeienis had met de „leiding” van Dimon Italia en dat het commerciële beleid van laatstgenoemde op het niveau van de groep werd bepaald. De e-mail met een beoordeling door Dimon Inc. van de activiteiten van Dimon Italia en het als bijlage bijgevoegde verslag van N. betreft in werkelijkheid slechts een „testament” van een aftredend voorzitter, waarin de algemene situatie van Dimon Italia wordt beschreven. Wat ten slotte de e-mail van B. aan S. betreft, inzake de jaarlijkse bijeenkomst van de raad van bestuur, stelt Alliance One dat deze een algemeen overzicht van de situatie van de vennootschap bevat, zoals vastgesteld tijdens een jaarlijkse bijeenkomst van de raad van bestuur, en geenszins bewijst dat Dimon Inc. gewoonlijk „gedetailleerde informatie” van Dimon Italia ontving.
120 Alliance One betwist ten slotte de conclusie die de Commissie trekt uit twee nieuwe, bij haar verweerschrift gevoegde documenten, namelijk dat S. „een topman van het concern Dimon” was en dat Alliance One heeft geprobeerd zijn rol te bagatelliseren. Volgens haar bevestigen deze documenten slechts dat S. verantwoordelijk was voor de coördinatie van de verkoop van bewerkte tabak in Europa.
121 Uit deze documenten blijkt ten slotte dat Dimon Italia haar commercieel beleid zelfstandig bepaalde en dat de enige informatie die zij met de groep heeft uitgewisseld van algemene aard was of hooguit betrekking had op specifieke kwesties die geen verband hielden met haar commerciële beleid.
122 Concluderend is Alliance One van mening dat zij heeft aangetoond dat de documenten waarop de Commissie zich heeft gebaseerd voor haar stelling inzake de verantwoordelijkheid van SCC en Dimon Inc. niet aantonen dat de twee ondernemingen het gedrag van respectievelijk Transcatab en Dimon Italia konden beïnvloeden of hebben beïnvloed. Die documenten ondersteunen zelfs niet de conclusie dat er rechtstreekse communicatiekanalen tussen die ondernemingen bestonden.
123 Volgens haar zijn de documenten waarnaar de Commissie verwijst algemene documenten die niet bewijzen dat de moedermaatschappijen op de hoogte waren van het bestaan van het betrokken kartel. In feite heeft de Commissie geen enkel document gevonden waaruit blijkt dat SCC of Dimon Inc. aan hun Italiaanse dochterondernemingen instructies hebben gegeven of informatie over hun aankoopbeleid hebben gevraagd of zelfs ontvangen.
124 De Commissie concludeert tot afwijzing van dit onderdeel van het eerste middel.
b) Beoordeling door het Gerecht
125 Om te beginnen kan de Commissie, zoals uiteengezet in de punten 86 en 87 hierboven, wanneer het volledige kapitaal van een dochtermaatschappij in handen is van de moederonderneming, aannemen dat die moederonderneming beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochtermaatschappij, zonder aanvullende bewijzen te hoeven aanvoeren waaruit blijkt dat de moederonderneming een dergelijke invloed daadwerkelijk heeft uitgeoefend of kennis had van de inbreuk of van de betrokkenheid van die dochteronderneming bij die inbreuk. Het gaat om een weerlegbaar vermoeden, ten aanzien waarvan tegenbewijs is toegelaten. Bijgevolg is het aan de moederonderneming die door de Commissie hoofdelijk aansprakelijk wordt geacht voor de betaling van de aan haar dochtermaatschappij opgelegde geldboete, dat vermoeden te weerleggen met bewijsmateriaal dat kan aantonen dat haar dochteronderneming haar marktgedrag autonoom bepaalt en dat die twee ondernemingen dus niet één economische entiteit vormen. Anders wordt de uitoefening van zeggenschap aangetoond door het feit dat het vermoeden ontleend aan het bezit van het volledige kapitaal niet is weerlegd (zie in die zin arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punten 60‑62 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Gerecht van 30 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, T‑175/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 93).
126 Bij de beoordeling of een dochtermaatschappij haar marktgedrag autonoom bepaalt, moet rekening worden gehouden met alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij, die in elk specifiek geval anders kunnen zijn (zie in die zin arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 74, en arrest Hof van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie, C‑407/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 100).
127 In casu moet dus worden nagegaan of de Commissie een beoordelingsfout heeft gemaakt doordat zij van mening was dat de ten bewijze van de autonomie van Transcatab en Dimon Italia bij de uitvoering van hun commerciële beleid aangevoerde argumenten en bewijsstukken niet konden aantonen dat die dochterondernemingen zich autonoom ten opzichte van hun moedermaatschappijen gedroegen en dat zij niet één economische entiteit met hen vormden.
128 De Commissie wijdt de punten 335 tot en met 346 van de bestreden beschikking aan het onderzoek van de argumenten en bewijsstukken die SCC en Dimon Inc. in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar hebben aangevoerd om aan te tonen dat zij geen beslissende invloed hebben uitgeoefend op het commerciële beleid van hun dochterondernemingen. Met name in de punten 335 tot en met 340 onderzoekt en verwerpt zij de algemene argumenten die SCC en Dimon Inc. ontlenen aan het feit dat hun dochterondernemingen een volledig autonome lokale directie hadden. In de punten 341 tot en met 346 van de bestreden beschikking onderzoekt en verwerpt de Commissie vervolgens de door SCC en Dimon Inc. aangevoerde meer specifieke argumenten ter weerlegging van dat vermoeden.
De ter weerlegging van het vermoeden aangevoerde algemene factoren
129 Om te beginnen stelt Alliance One dat de groepen SCC en Dimon Inc. een zeer gedecentraliseerde structuur hadden en over eigen, volkomen onafhankelijke lokale directies beschikten waaraan alle functies waren overgedragen, gelet op de specifieke kenmerken van de markt voor ruwe tabak van elke lidstaat. De tabaksproducenten willen namelijk onder meer een persoonlijke relatie opbouwen met hun klanten, de bewerkers, hetgeen de uitoefening van een beslissende invloed van de moedermaatschappij de facto onverenigbaar met de behoeften van de markt maakt.
130 Zoals de Commissie in punt 338 van de bestreden beschikking terecht heeft vastgesteld, toont het feit dat een dochtermaatschappij haar eigen lokale directie en eigen middelen heeft, evenwel op zich niet aan dat zij haar marktgedrag zelfstandig bepaalt ten opzichte van haar moederonderneming. Dat het beheer van de lopende activiteiten wordt toevertrouwd aan de lokale directie van een 100 %-dochtermaatschappij is namelijk een gebruikelijke praktijk en kan dus geen bewijs vormen voor de werkelijke autonomie van de dochterondernemingen. Dit geldt ook voor het argument dat SCC en Dimon Inc. in heel veel landen actief zijn.
131 Voorts moet in navolging van de Commissie worden opgemerkt dat SCC en Dimon Inc. aan de top stonden van verticaal geïntegreerde groepen, waarbij de dochtermaatschappijen zich bezighielden met de aankoop van ruwe tabak en de moederondernemingen de bewerkte tabak in de handel brachten, hetgeen veeleer aantoont dat Dimon Italia en Transcatab één economische entiteit met hun respectieve moedermaatschappijen vormden (zie in die zin en naar analogie, arrest Gerecht van 10 maart 1992, Shell/Commissie, T‑11/89, Jurispr. blz. II‑757, punt 312). In dit verband kan geen conclusie worden getrokken uit het feit dat de moedermaatschappijen op verschillende markten opereerden en geen leverancier-klantrelatie hadden. De taakverdeling tussen moedermaatschappijen en hun dochterondernemingen is namelijk een normale praktijk bij verticaal geïntegreerde groepen, die het vermoeden dat SCC en Dimon Inc. daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefenden op het gedrag van respectievelijk Transcatab en Dimon Italia, niet kan weerleggen. Wat voorts het argument betreft dat Dimon Italia niet haar hele productie aan andere vennootschappen van de groep Dimon heeft verkocht, volstaat de opmerking dat voor zover de in de repliek opgenomen tabel bevestigt dat tussen 1995 en 2000 haar verkoop binnen de groep tussen 20 en 30 % van haar totale verkoop bedroeg, dit gegeven niet in strijd is met hetgeen de Commissie in punt 340 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld, namelijk dat de betrokken groepen „vaak de door hun Italiaanse dochtermaatschappijen gekochte tabak kopen en in de handel brengen”.
132 Wat het argument betreft dat geen enkel precedent vereist dat partijen een specifiek kenmerk van hun groep aantonen als rechtvaardiging voor de zelfstandigheid van een dochteronderneming, volstaat de vaststelling dat ten eerste alle door Alliance One genoemde precedenten gevallen betreffen waarin de moedermaatschappij aansprakelijk is gehouden, en geen betrekking hebben op de weerlegging van het vermoeden. Ten tweede heeft de Commissie in punt 339 van de bestreden beschikking weliswaar gesteld dat SCC en Dimon Inc. niet het bewijs van een specifiek kenmerk van hun groep hadden geleverd, maar dat neemt niet weg dat de Commissie de levering van een dergelijk bewijs niet heeft geëist. De Commissie heeft namelijk enkel vastgesteld, na de algemene argumenten van SCC en Dimon Inc. te hebben onderzocht, dat zij bewijzen hadden aangevoerd die niet het bestaan van een specifieke situatie van hun groep konden aantonen, namelijk een bijzondere situatie die afwijkt van wat normaal is – daar het vermoeden gebaseerd is op een deductieve redenering op basis van een algemene ervaringsregel –, op grond waarvan de activiteiten van de Italiaanse dochterondernemingen als onafhankelijk van de invloed van hun moedermaatschappijen konden worden beschouwd. Vanuit dit oogpunt kunnen de kenmerken van de Italiaanse markt voor ruwe tabak als zodanig niet het bestaan van een dergelijke specificiteit rechtvaardigen.
De ter weerlegging van het vermoeden aangevoerde specifieke factoren
133 Alliance One voert ook specifieke argumenten aan inzake enerzijds de relatie tussen SCC en Transcatab, en anderzijds de relatie tussen Dimon Inc. en Dimon Italia, die naar haar mening bewijzen dat SCC noch Dimon Inc. beslissende invloed heeft uitgeoefend op hun Italiaanse dochterondernemingen.
– De relatie tussen SCC en Transcatab
134 In de eerste plaats stelt Alliance One dat de raad van bestuur van Transcatab hoofdzakelijk bestond uit Italiaanse accountants, die geen directe of indirecte band met SCC hadden, en dat SCC zich beperkte tot de formele benoeming van de personen die waren aangewezen door de algemeen directeur van Transcatab, die zelf ook volledig onafhankelijk van SCC was.
135 In de tweede plaats onderstreept zij dat vanaf 4 augustus 1994, dat wil zeggen zelfs voordat SCC Transcatab volledig in handen kreeg, het commerciële beleid en in het algemeen het „gedrag” van Transcatab werden bepaald door haar algemeen directeur (presidente del consiglio di amministrazione e amministratore delegato), aan wie de raad van bestuur van Transcatab alle bevoegdheden had verleend die hem toekwamen op grond van artikel 19 van haar statuten. In wezen getuigt volgens Alliance One het feit dat de algemeen directeur, die ten tijde van de inbreuk in functie was, vóór de verwerving van Transcatab door SCC is benoemd, gelet vooral op zijn ruime bevoegdheden, ervan dat SCC het gedrag van haar Italiaanse dochteronderneming nooit heeft beïnvloed.
136 Dit argument, dat bijna letterlijk overeenkomt met wat SCC in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar heeft gesteld, is door de Commissie met name in de punten 341 en 342 van de bestreden beschikking onderzocht. Zij heeft daarin ten eerste gepreciseerd dat SCC voordat zij het volledige kapitaal van Transcatab verwierf, reeds met haar Italiaanse partner zeggenschap had over die onderneming, en dat het feit dat zij niets in de directie van Transcatab heeft veranderd na verwerving van de zeggenschap, derhalve niet kan worden beschouwd als bewijs dat zij geen invloed op haar dochteronderneming heeft uitgeoefend nadat zij daarvan volledig eigenaar was geworden. De Commissie heeft ten tweede opgemerkt dat de overdracht van de uitvoerende bevoegdheden aan de algemeen directeur van Transcatab, die bij gebreke van bewijs van het tegendeel redelijkerwijs kon worden geacht te zijn benoemd door SCC, de overige leden van de raad van bestuur niet had belet leidinggevende posities te bekleden en managementtaken uit te oefenen.
137 Er moet worden opgemerkt dat de Commissie evenwel terecht belang hecht aan het feit, bij gebreke van een verklaring van SCC, dat laatstgenoemde, die toen zij enig aandeelhouder werd, alle bevoegdheden had om de raad van bestuur geheel of gedeeltelijk te vernieuwen, niets in die richting heeft gedaan. Daaruit volgt dat het feit dat de leden van de raad van bestuur, met name J., in functie bleven uitsluitend kan worden toegeschreven aan een besluit van SCC als enig aandeelhouder van Transcatab. Bovendien is de nationaliteit of de identiteit van de leden van de raad van bestuur niet relevant voor de beoordeling van het al dan niet bestaan van een economische eenheid tussen SCC en Transcatab.
138 Voorts zou het feit dat één persoon, de algemeen directeur, over aan hem door de raad van bestuur overgedragen aanzienlijke bevoegdheden beschikt, veeleer erop kunnen wijzen dat de moedermaatschappij haar controle op de dochteronderneming wilde vergemakkelijken, juist door de rol van de raad van bestuur te beperken tot marginale activiteiten en alle bevoegdheden te concentreren bij een vertrouwenspersoon. Het is namelijk niet aannemelijk dat een multinational alle bevoegdheden van een dochteronderneming die actief is op een nationale markt, zoals het geval is bij Transcatab, overdraagt aan een natuurlijke persoon – of, zoals Alliance One lijkt te suggereren, een reeds vóór de verwerving van de totale zeggenschap bestaande overdracht van bevoegdheden accepteert – die, volkomen zelfstandig en zonder dat de enig aandeelhouder hem zou hebben benoemd, op zijn beurt de leden van de raad van bestuur kiest, waardoor geen enkele andere persoon ook maar enige invloed op het management van de onderneming kan uitoefenen, en die, indien de stelling van Alliance One moest worden aanvaard, de facto aan niemand rekenschap van zijn handelen zou afleggen.
139 Aldus, en ook gelet op het feit dat een overdracht van bevoegdheden aan de algemeen directeur van een dochteronderneming geenszins ongebruikelijk is, kan een dergelijk argument het vermoeden van door de moedermaatschappij op Transcatab uitgeoefende controle niet weerleggen.
140 Voorts heeft de Commissie, die bepaalde door SCC in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar aangevoerde bewijsstukken moest beoordelen ter verificatie van de geloofwaardigheid van de beweringen van SCC, terecht documenten in aanmerking genomen als die genoemd in punt 342 van de bestreden beschikking, waaruit blijkt dat ten minste een ander lid van de raad van bestuur, S. M., executive vicepresident, wekelijkse vergaderingen met de hoofden van alle afdelingen van de onderneming organiseerde om het beleid ervan te bespreken en instructies over een groot aantal zaken gaf, terwijl J. algemeen directeur van de onderneming was. De bewering van Alliance One dat die documenten dateren van vóór de inbreukperiode kan niet slagen. Ze zijn namelijk door de Commissie gebruikt om de aannemelijkheid te beoordelen van de stelling die SCC had aangevoerd in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar en die Alliance One in haar memories heeft overgenomen, dat de overdracht van bevoegdheden aan de algemeen directeur ertoe leidde dat niemand anders invloed kon hebben op het leiden van de onderneming. Daar die documenten aantonen dat toen de overdracht van bevoegdheden aan J. reeds had plaatsgevonden, een ander lid van de raad van bestuur van Transcatab, S. M., een belangrijke rol speelde bij haar commerciële beleidsvoering, is het feit dat ze betrekking hebben op een periode vóór de inbreuk niet relevant.
– De relatie tussen Dimon Inc. en Dimon Italia
141 Wat de relatie tussen Dimon Inc. en Dimon Italia betreft, stelt Alliance One ten eerste dat toen Dimon Inc. de zeggenschap over haar Italiaanse dochteronderneming verwierf, zij geen van de leden van haar raad van bestuur heeft benoemd, behalve twee personen, die hoofdzakelijk financiële werkzaamheden uitoefenden en geen bemoeienis hadden met het aankoopbeleid van de onderneming. Ten tweede stelt zij dat er geen sprake was van overlapping tussen de twee ondernemingen, met name niet tussen de directeuren, het inkoopteam of de leden van de raad van bestuur van Dimon Italia en de directeuren of de leden van de raad van bestuur van Dimon Inc. of elke andere vennootschap van de groep Dimon. Zij onderstreept ten slotte dat geen centraal team van Dimon Inc. de aankoopstrategie van haar dochterondernemingen leidde. Dit alles geeft volgens haar aan dat zij geen beslissende invloed op haar Italiaanse dochteronderneming heeft uitgeoefend.
142 De Commissie heeft evenwel in punt 341 van de bestreden beschikking terecht gesteld dat Dimon Inc. reeds de zeggenschap over Dimon Italia had voordat zij het gehele kapitaal verwierf. Dat Dimon Inc. de directie van Dimon Italia na haar verwerving van de volledige zeggenschap niet heeft gewijzigd kan derhalve niet worden aangemerkt als bewijs voor het feit dat Dimon Inc. geen invloed heeft uitgeoefend op het management van haar Italiaanse dochtermaatschappij nadat zij enig eigenaar daarvan was geworden.
143 In hetzelfde punt 341, in fine, van de bestreden beschikking merkt de Commissie voorts op dat „ook uit het antwoord van [Dimon Inc.] op de mededeling van punten van bezwaar blijkt dat de raad van bestuur na 1995 slechts bestond uit vertegenwoordigers van de groep Dimon en dat een van hen [B.] uitsluitend belast was met de dagelijkse bedrijfsvoering van de onderneming”. Bovendien blijkt uit het dossier dat zelfs na de benoeming van F. R. in de raad van bestuur van Dimon Italia B. werd betrokken bij alle aspecten van de leiding van de onderneming, waaronder de uitvoering van overeenkomsten inzake de aankoop van ruwe tabak.
144 Zoals de Commissie in het verweerschrift onderstreept, volstaat deze vaststelling op zichzelf als bewijs, zelfs zonder gebruikmaking van het betrokken vermoeden, dat Dimon Inc. controle uitoefende over Dimon Italia. Evenals Dimon Inc. in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar lijkt Alliance One overigens niet te betwisten dat de leden van de raad van bestuur van Dimon Italia zijn benoemd door Dimon Inc., nadat zij de exclusieve zeggenschap daarover had verworven.
145 Wat het argument betreft inzake de verankering in en de expertise op het gebied van de lokale markt van de leden van de raad van bestuur, wordt verwezen naar de overwegingen in punt 130 hierboven. Met name de stelling dat „[a]lle functies en verantwoordelijkheden met betrekking tot de aankoop van ruwe tabak in Italië zijn overgedragen aan de lokale directie van Dimon Italia” is irrelevant. Mocht die stelling al juist zijn, dan betekent het door Alliance One genoemde feit nog niet dat Dimon Inc. geen beslissende invloed kon uitoefenen of daadwerkelijk heeft uitgeoefend op het commerciële gedrag van Dimon Italia, met name op het gebied van haar andere activiteiten dan de aankoop van ruwe tabak op de Italiaanse markt. Dit geldt ook voor het argument dat er geen sprake was van overlapping tussen de directeuren en het inkoopteam van Dimon Italia en de directeuren van Dimon Inc. of elke andere vennootschap van de groep Dimon.
De elementen die door de Commissie zouden zijn gebruikt ter bevestiging van de ontbrekende autonomie van Transcatab en Dimon Italia
146 Alliance One bekritiseert de punten 343 tot en met 346 van de bestreden beschikking en is van mening dat de documenten waarop de Commissie zich in casu baseert niet relevant zijn.
147 Zij trekt daaruit ten eerste de conclusie dat die documenten niet bewijzen dat de moedermaatschappijen het gedrag van Transcatab en Dimon Italia konden beïnvloeden of hebben beïnvloed, en ten tweede dat de moedermaatschappijen kennis hadden van het betrokken kartel.
148 Zoals reeds is vermeld in punt 125 hierboven kan de Commissie de daadwerkelijke uitoefening van een beslissende invloed op het gedrag van een 100 %-dochteronderneming aannemen, zonder extra bewijsmateriaal te hoeven aanvoeren waaruit blijkt dat de moedermaatschappij een dergelijke invloed daadwerkelijk heeft uitgeoefend of kennis had van de inbreuk of van de betrokkenheid van die dochteronderneming bij die inbreuk.
149 Anders dan Alliance One stelt, beoogden de in die punten van de bestreden beschikking genoemde documenten niet te bewijzen dat de moederondernemingen het gedrag van hun Italiaanse dochtermaatschappen konden beïnvloeden of daadwerkelijk hebben beïnvloed, en nog minder dat de moederondernemingen kennis hadden van de betrokken inbreuk. Integendeel, de Commissie heeft bepaalde documenten uit het administratieve dossier slechts gebruikt om de mate van geloofwaardigheid aan te tonen van de bewijsstukken en de argumenten die SCC en Dimon Inc. hebben aangevoerd in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar ter weerlegging van het vermoeden van een beslissende invloed op hun respectieve dochterondernemingen.
150 In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie geen fout heeft gemaakt door in die punten bewijsstukken te noemen die ertoe dienden het bestaan van „communicatiekanalen” tussen moedermaatschappijen en dochterondernemingen aan te tonen.
151 Uit het dossier blijkt namelijk dat verschillende factoren getuigen van het bestaan van dergelijke communicatiekanalen.
152 Wat in de eerste plaats het bestaan van communicatiekanalen tussen Transcatab en SCC betreft, heeft de Commissie in punt 344 en in voetnoot 281 van de bestreden beschikking terecht verwezen naar documenten die in het kantoor van J. zijn gevonden en waaruit blijkt dat de activiteiten van Transcatab zijn beschouwd als die van SCTC, waarbij Transcatab hetzij als onderdeel van de groep SCC, hetzij als een vennootschap van SCTC wordt aangeduid, en dat ze zijn onderzocht in het kader van de activiteiten van de groep, waaronder de verkopen van de groep SCC aan de sigarettenfabrikanten. In dit verband is het feit dat deze documenten niet zijn genoemd in de mededeling van punten van bezwaar niet van belang, omdat ze enkel dienden ter weerlegging van het argument dat er geen communicatiekanalen bestonden tussen dochteronderneming en moedermaatschappij. Wat het argument van Alliance One betreft dat de informatie in die documenten door SCC moest worden gebruikt om de resultaten van Transcatab te consolideren, volstaat de vaststelling, in navolging van de Commissie, dat de betrokken documenten geen financiële documenten zijn ten behoeve van de opstelling van jaarverslagen van de groep, maar documenten inzake de commerciële activiteiten, die beslist niet tot doel hadden SCC in staat te stellen de resultaten van Transcatab te consolideren.
153 Wat in de tweede plaats het bestaan van communicatiekanalen tussen Dimon Italia en Dimon Inc. betreft, heeft de Commissie in punt 345 en in de voetnoten 282 en 283 van de bestreden beschikking eveneens terecht verwezen naar periodieke verslagen over de oogst, met informatie over de door Dimon Italia in Italië behaalde resultaten, gericht aan de ondernemingen van de groep Dimon, die bij Dimon Italia kochten, en andere documenten waarin melding werd gemaakt van een rechtstreekse interventie door de directie van Dimon International en andere vennootschappen van de groep Dimon in de activiteiten van Dimon Italia.
154 Wat ten eerste de „oogstverslagen” enerzijds en het door Dimon in januari 2000 opgestelde „profiel van Italië” anderzijds betreft (zie voetnoot 282 van de bestreden beschikking), heeft de Commissie terecht overwogen dat, gelet op het feit dat de aankopen hoofdzakelijk binnen de groep zijn gedaan (punt 340 van de bestreden beschikking), die documenten waren opgesteld ten behoeve van de vennootschappen van de groep Dimon die zich met die aankopen bezighielden. Zelfs wanneer de stelling van Alliance One juist is dat die documenten aan klanten buiten de groep Dimon zijn gezonden, laat dat onverlet dat Alliance One niet aangeeft aan wie ze zijn gezonden, temeer daar die verslagen gedetailleerde informatie over de aankoop van ruwe tabak en vertrouwelijke informatie over de strategie en de resultaten van Dimon Italia bevatten.
155 Wat ten tweede het door Dimon International opgestelde document betreft waarin de installaties van Dimon Italia en Transcatab worden vergeleken (zie voetnoot 283 van de bestreden beschikking), moet worden opgemerkt dat, los van de inhoud ervan, namelijk de geplande joint venture in Italië tussen Transcatab en Dimon, daaruit blijkt dat strategische kwesties met gevolgen voor het commerciële beleid van Dimon Italia op het niveau van de groep werden behandeld. Het document is derhalve terecht in aanmerking genomen om met het oog op de weerlegging van het argument van Dimon Inc. het bestaan van communicatiekanalen tussen Dimon Italia en Dimon Inc. aan te tonen, en niet, zoals Alliance One stelt, om aan te tonen dat Dimon Inc. een beslissende invloed heeft uitgeoefend op het commerciële beleid van Dimon Italia.
156 Wat ten derde het rapport, getiteld „The Present and Future of Dimon Italia” van de ex-president van de onderneming, N., betreft, moet worden opgemerkt dat dit met name betrekking heeft op de kosten en de kwaliteit van de aankopen bij de producenten, de zwakke kanten van de onderneming, haar installaties, de noodzaak om een nieuwe fabrieksdirecteur te werven en hem op te leiden in „Dimons best draaiende fabriek in Zuid-Amerika of Afrika”, de vakbekwaamheid van de leden van haar aankoopteam en haar managementstructuur. Zoals is aangegeven in voetnoot 283 van de bestreden beschikking, toont dit rapport, dat aan Dimon International is gezonden en is gereproduceerd voor de topmanagers van de groep Dimon, aan dat gedetailleerde informatie over de Italiaanse dochteronderneming en haar commerciële beleid op het niveau van de groep circuleerde. In dit verband moet ook worden vastgesteld dat N. op bladzijde 4 van dit rapport klaagt over „nieuwe, naar [zijn] mening buitensporige rapportage-eisen van Dimon International over alle aspecten [van de] activiteiten [van de dochtermaatschappij]”. Op dezelfde bladzijde verklaart hij dat B. een van de besten in Europa is wat de klantrelatie betreft, maar dit voordeel van de onderneming „steeds meer aan belang heeft ingeboet, daar de organisatie Dimon Verenigd Koninkrijk haar controle op de verkopen van alle vennootschappen van de groep versterkt”. Voorts kunnen volgens de begeleidende e-mail bij het rapport de huidige problemen bij Dimon Italia door haar directie „met toestemming van Dimon International” worden opgelost, en wordt voorgesteld „de managers van Dimon Italia te machtigen tot verdere reorganisatie van de onderneming”. Het door Alliance One genoemde feit dat dat rapport door de president van Dimon Italia is opgesteld om de balans van zijn ambtstermijn op te maken, doet niet af aan de vaststelling dat het, zelfs gelet op de inhoud ervan, getuigt van het bestaan van communicatiekanalen tussen Dimon Italia en haar moedermaatschappij.
157 Wat ten vierde de communicatie tussen Dimon Italia en S. betreft blijkt uit het dossier, zoals de Commissie terecht aangeeft in voetnoot 283 van de bestreden beschikking, dat die gedetailleerde informatie bevatte over de activiteiten van Dimon Italia en de door haar ontvangen instructies met betrekking tot bepaalde commerciële activiteiten.
158 In dit verband moet om te beginnen met betrekking tot de rol van S. binnen de groep Dimon worden vastgesteld dat de bestreden beschikking niet verder gaat dan hetgeen Alliance One zelf toegeeft, wanneer zij stelt dat S. verantwoordelijk was voor de coördinatie van de verkoop van bewerkte tabak in Europa. Ook blijkt uit het dossier dat S. binnen de groep de functie „Regional Executive – Europe” bekleedde (zie bijvoorbeeld het „Dimon Country Profile – Italy” van januari 2000) en als zodanig tot de topmanagers van de groep Dimon behoorde. Uit een aan hem door B., president van Dimon Italia, gezonden e-mail blijkt ook dat S. de president van Deltafina zou ontmoeten om met hem de „toekomstprognoses” te bespreken.
159 Het is juist dat S. formeel slechts werknemer van een van de vennootschappen van de groep Dimon was, zoals Alliance One stelt, maar dat neemt niet weg dat de taken en verantwoordelijkheden die hij binnen de groep Dimon uitoefende op zeer hoog niveau lagen, met name daar ze een van de belangrijkste activiteitensectoren van deze groep en het gehele Europese grondgebied betroffen.
160 Het feit dat S., gezien zijn rol binnen de groep, rechtstreeks en persoonlijk op de hoogte werd gehouden van de activiteiten van Dimon Italia kan bijgevolg alleen maar bevestigen dat er significante communicatiekanalen bestonden tussen Dimon Italia en haar moedermaatschappij.
161 Wat in dit verband in de eerste plaats de naar een jaarlijkse bijeenkomst van de raad van bestuur verwijzende e-mail van B. aan S. betreft, moet worden opgemerkt dat dit document, anders dan Alliance One stelt, duidelijk geen betrekking heeft op de opstelling of consolidatie van de rekeningen van Dimon Italia, en strategische informatie bevat over haar activiteiten en over haar positie ten opzichte van haar concurrenten.
162 Wat in de tweede plaats het eveneens door B. aan S. gezonden document met een powerpointpresentatie voor een bijeenkomst van APTI betreft, volstaat de vaststelling dat, anders dan Alliance One stelt, uit dit document blijkt dat tijdens die bijeenkomst over de prijzen is gesproken (zie in dit verband punt 213 van de bestreden beschikking). Bovendien informeert B. in de begeleidende e-mail S. over het doel van deze bijeenkomst en maakt hij ook melding van een bespreking tussen M. van Deltafina en S. in dit verband.
163 Wat in de derde plaats de e-mail van C. aan S. en B. betreft, daarin staat dat voor de nieuwe aankoopstrategie van Dimon Italia „de steun en betrokkenheid van het [E]uropean executive management van Dimon [nodig is], want dat zou een grote impact op onze verkoop kunnen hebben”, waarmee dus een verband wordt gelegd tussen de aankoop en de verkoop.
164 Uit de e-mail van B. aan S. van 10 mei 2001 (zie ook punt 209 van de bestreden beschikking) blijkt ten slotte dat S. gedetailleerde informatie kreeg over het commerciële beleid van Dimon Italia, met name op het gebied van de aankoopactiviteiten, waaronder relevante aspecten voor het kartel.
De uitlegging van bewijsstukken die het vermoeden kunnen weerleggen in het licht van de rechtspraak
165 Volgens Alliance One heeft het arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, „de aard van het bewijsmateriaal of van de argumenten die een moedermaatschappij moet aanvoeren ter weerlegging van het vermoeden” verhelderd. In dit verband identificeert zij twee groepen factoren, waarvan de eerste betrekking heeft op het gedrag van de dochteronderneming op de markt, en de tweede op de economische, organisatorische en juridische banden tussen de dochteronderneming en de moedermaatschappij, en stelt zij dat wat de eerste groep betreft, niet wordt betwist dat SCC en Dimon Inc. hebben aangetoond dat hun respectieve dochterondernemingen onafhankelijk op de markt waren opgetreden.
166 In dit verband volstaat de vaststelling dat de enige relevante factoren die worden genoemd in het arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, de „economische, organisatorische en juridische banden” zijn die de moedermaatschappij en haar dochteronderneming verenigen (zie punt 126 boven).
167 De door Alliance One voorgestelde uitlegging van de aan die banden inherente factoren in het licht van het arrest Gerecht van 14 mei 1998, Metsä-Serla e.a./Commissie (T‑339/94–T‑342/94, Jurispr. blz. II‑1727); het arrest Hof van 2 oktober 2003, Aristrain/Commissie (C‑196/99 P, Jurispr. blz. I‑11005), en het arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, moet worden afgewezen. Volgens haar blijkt uit die arresten dat niet een willekeurige economische, organisatorische of juridische band volstaat voor de conclusie dat de moedermaatschappij verantwoordelijk is voor het gedrag van haar dochteronderneming, maar dat die conclusie enkel gewettigd is wanneer dergelijke banden het gedrag van de dochteronderneming kunnen koppelen aan de instructies van de moedermaatschappij.
168 Aangaande in de eerste plaats de aan het arrest Metsä-Serla e.a./Commissie, aangehaald in punt 167 hierboven, ontleende passages moet evenwel worden opgemerkt dat het in dat geval om een vereniging, Finnboard, ging die per definitie geen dochteronderneming was en geen deel kon uitmaken van een onderneming, noch zelfs een commercieel beleid kon hebben (zie wat de precieze aard van de rechtsbetrekking tussen die vereniging en haar leden betreft, arrest Gerecht van 14 mei 1998, Finnboard/Commissie T‑338/94, Jurispr. blz. II‑1617, punten 271‑281). Aangaande ten tweede de passages van de arresten Dansk Rørindustri/Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, en Aristrain/Commissie, aangehaald in punt 167 hierboven, moet worden opgemerkt dat ze geen betrekking hebben op de problematiek van de toerekening van de verantwoordelijkheid aan een moedermaatschappij. De zaak die heeft geleid tot het arrest Dansk Rørindustri, aangehaald in punt 80 hierboven, betreft namelijk de verantwoordelijkheid van vennootschappen, Henss en Isoplus, die geen gemeenschappelijke moedermaatschappij hadden (zie in die zin arrest Gerecht van 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T‑9/99, Jurispr. blz. II‑1487, punten 55‑61). Ook in de zaak die heeft geleid tot het arrest Aristrain/Commissie, aangehaald in punt 167 hierboven, heeft het Hof geweigerd de verantwoordelijkheid voor het gedrag van een dochteronderneming toe te rekenen aan een „zuster”‑maatschappij die niet was geïdentificeerd als de rechtspersoon aan het hoofd van de groep (zie met name in die zin Aristrain/Commissie, aangehaald in punt 167 hierboven, punt 98).
169 Zoals de Commissie terecht stelt, hebben de zaken die hebben geleid tot de drie door Alliance One genoemde arresten ten slotte geenszins betrekking op de toerekenbaarheid van het inbreukmakende gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij. Deze drie arresten brengen slechts verheldering in de context van andere situaties, die zelfs tot hoofdelijke aansprakelijkheid kunnen leiden wanneer er geen sprake is van een zeggenschapsrelatie tussen de vennootschappen. Daaruit volgt dat ze niet door Alliance One kunnen worden ingeroepen.
170 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het vermoeden dat SCC en Dimon Inc. daadwerkelijk een beslissende invloed hebben uitgeoefend op het gedrag van hun dochtermaatschappijen niet door voldoende bewijsmateriaal is weerlegd. Het tweede onderdeel van het dit middel moet bijgevolg worden afgewezen.
3. Het derde onderdeel: schending van de rechten van verdediging
171 Het derde onderdeel van het eerste middel valt in wezen uiteen in twee grieven. De eerste grief is ontleend aan het feit dat de Commissie de bestreden beschikking wat de verantwoordelijkheid van de moederondernemingen betreft baseert op documenten die zij zelfs niet in de mededeling van punten van bezwaar had genoemd. De tweede grief is ontleend aan het feit dat de Commissie de rechten van verdediging van SCC en Dimon Inc. ook heeft geschonden doordat zij gebruik heeft gemaakt van niet-toegankelijke documenten om hun verantwoordelijkheid aan te tonen.
172 In antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft Alliance One evenwel verklaard dat zij afzag van de tweede grief, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Die grief hoeft bijgevolg niet meer te worden onderzocht.
a) Argumenten van partijen
173 Alliance One betwist de argumenten die de Commissie in de bestreden beschikking heeft aangevoerd ter weerlegging van de door SCC en Dimon Inc. aangevoerde bewijzen. Zij stelt dat de Commissie hun rechten van verdediging, en dus die van Alliance One zelf heeft geschonden. Met name voert zij aan dat de Commissie haar besluit inzake de verantwoordelijkheid van de moedermaatschappij heeft gebaseerd op documenten die zelfs niet waren genoemd in de mededeling van punten van bezwaar.
174 In dit verband wijst zij er ten eerste op dat SCC noch Dimon Inc. zich over die documenten heeft kunnen uitspreken, daar de Commissie hen nooit heeft ingelicht over het belang dat zij daaraan zou kunnen hechten. SCC en Dimon Inc. meenden dus dat die documenten in casu niet relevant waren en hebben ze niet becommentarieerd in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar. Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen deze documenten derhalve niet worden toegelaten als bewijs tegen Alliance One, daar zij zich daarover niet heeft kunnen uitspreken, waarbij het feit dat partijen die documenten kenden niet voldoende is voor de conclusie dat zij die hadden kunnen becommentariëren in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar.
175 In repliek betwist Alliance One de stelling van de Commissie dat de aard van de punten van bezwaar ongewijzigd is gebleven. Bij haar vergelijking van de mededeling van punten van bezwaar met de bestreden beschikking onderstreept Alliance One dat de Commissie met name in de punten 339 tot en met 343 van de bestreden beschikking een aantal elementen heeft toegevoegd en heeft verwezen naar niet eerder genoemde belastende documenten. De „aard van de punten van bezwaar” is dus van een algemeen vermoeden van een beslissende invloed veranderd in de vaststelling van daadwerkelijke uitoefening van een dergelijke invloed op basis van die nieuwe documenten. Volgens de rechtspraak kan de Commissie evenwel geen beroep doen op bewijsstukken die niet zijn genoemd in de mededeling van punten van bezwaar, zonder de betrokken ondernemingen de kans te geven die nieuwe documenten te becommentariëren. Omdat die documenten volgens Alliance One de enige bewijsstukken vormen waarop de Commissie zich baseert, kan de verantwoordelijkheid van de moedermaatschappijen niet worden aangetoond en moet de bestreden beschikking op dit punt worden nietig verklaard.
176 In repliek stelt Alliance One voorts ten eerste dat de documenten 2894 tot en met 2902, die de Commissie voor het eerst noemt in het verweerschrift, nieuwe en dus niet-ontvankelijke documenten zijn, en ten tweede dat de Commissie door de e-mail die B. op 10 mei 2001 heeft gezonden aan S. aldus vrij te herinterpreteren dat daarmee wordt bewezen dat Dimon Inc. op de hoogte was van de activiteiten van het kartel, een volledig nieuw en dus niet-ontvankelijk punt van bezwaar aanvoert.
177 De Commissie concludeert tot afwijzing van dit onderdeel van het eerste middel.
b) Beoordeling door het Gerecht
178 De eerbiediging van de rechten van verdediging tijdens administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid vormt een algemeen beginsel van Unierecht, waarvan de rechterlijke instanties van de Unie de naleving verzekeren (zie arrest Hof van 3 september 2009, Prym en Prym Consumer/Commissie, C‑534/07 P, Jurispr. blz. I‑7415, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
179 Volgens vaste rechtspraak verlangt de eerbiediging van de rechten van verdediging dat de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het Verdrag heeft gestaafd (arresten Hof van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 10, en 6 april 1995, BPB Industries en British Gypsum/Commissie, C‑310/93 P, Jurispr. blz. I‑865, punt 21).
180 Artikel 27, lid 1, van verordening nr. 1/2003 weerspiegelt dit beginsel, voor zover het bepaalt dat aan partijen een mededeling van punten van bezwaar wordt toegezonden die duidelijk de belangrijkste feiten moet vermelden waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert (zie in die zin arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 67), opdat de betrokkenen weten welke gedragingen de Commissie hun verwijt en zich kunnen verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft. Aan dit vereiste is voldaan wanneer in die beschikking aan betrokkenen geen andere dan in de mededeling van punten van bezwaar opgenomen inbreuken ten laste worden gelegd en daarin slechts van feiten wordt uitgegaan waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken (zie in die zin arrest Gerecht van 19 maart 2003, CMA CGM e.a./Commissie, T‑213/00, Jurispr. blz. II‑913, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
181 Dit kan evenwel beknopt geschieden en de beschikking behoeft niet noodzakelijkerwijs gelijkluidend te zijn met de mededeling van punten van bezwaar (zie arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, aangehaald in punt 179 hierboven, punt 14), daar deze mededeling een voorbereidend document is met zuiver voorlopige beoordelingen feitelijk en rechtens (zie in die zin arrest Hof van 17 november 1987, BAT en Reynolds/Commissie, 142/84 en 156/84, Jurispr. blz. 4487, punt 70). Toevoegingen aan de mededeling van punten van bezwaar, waarmee wordt gereageerd op de antwoorden van de partijen en waaruit blijkt dat zij hun recht van verweer daadwerkelijk hebben kunnen uitoefenen, zijn dus toelaatbaar. In het licht van de administratieve procedure kan de Commissie ook de feitelijke of juridische argumenten die zij ter ondersteuning van haar bezwaren heeft aangevoerd, wijzigen of aanvullen (zie in die zin arresten Gerecht van 28 februari 2002, Compagnie générale maritime e.a./Commissie, T‑86/95, Jurispr. blz. II‑1011, punt 448, en 22 oktober 2002, Schneider Electric/Commissie, T‑310/01, Jurispr. blz. II‑4071, punt 438).
182 Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat de omstandigheid dat rekening wordt gehouden met een door een onderneming in de loop van de administratieve procedure aangevoerd argument, zonder dat deze onderneming de gelegenheid heeft gekregen vóór de vaststelling van de eindbeschikking haar standpunt ter zake kenbaar te maken, op zichzelf geen schending van de rechten van verdediging vormt (beschikking Hof van 10 juli 2001, Irish Sugar/Commissie, C‑497/99 P, Jurispr. blz. I‑5333, punt 24)
183 Ten slotte moet ook in herinnering worden gebracht dat volgens de rechtspraak de rechten van verdediging zijn geschonden indien zonder de door de Commissie begane onregelmatigheid de door haar gevoerde administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden. Om een dergelijke schending te bewijzen, moet een verzoekende onderneming genoegzaam aantonen, niet dat de beschikking van de Commissie anders zou hebben geluid, maar wel dat zij zich zonder de onregelmatigheid beter had kunnen verdedigen, bijvoorbeeld omdat zij voor haar verweer stukken had kunnen gebruiken waartoe haar tijdens de administratieve procedure geen toegang was verleend (zie in die zin arrest Hof van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C‑194/99 P, Jurispr. blz. I‑10821, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Knauf Gips/Commissie, aangehaald in punt 126 hierboven, punt 28).
184 In casu verwijt Alliance One de Commissie dat zij zich in de bestreden beschikking heeft gebaseerd op documenten die niet zijn genoemd in de mededeling van punten van bezwaar. In repliek voegt zij hieraan toe dat de Commissie in het verweerschrift nieuwe documenten heeft genoemd, die naar haar mening dus niet toelaatbaar zijn, en dat de Commissie een document ook vrij heeft geherinterpreteerd, hetgeen haars inziens een nieuw en dus niet-ontvankelijk punt van bezwaar oplevert.
185 De Commissie kon zich in de mededeling van punten van bezwaar voor de onderbouwing van de toerekening van de verantwoordelijkheid aan SCC en Dimon Inc. voor de inbreuken op het kartelrecht door hun Italiaanse dochterondernemingen, waarvan zij 100 % van het kapitaal bezat, in principe in het licht van de in de punten 86 tot en met 88 hierboven in de rechtspraak ontwikkelde beginselen evenwel beperken tot de vaststelling van de deelnemingsverhouding tussen moeder‑ en dochtermaatschappijen (zie punten 336‑338 van de mededeling van punten van bezwaar). Op grond van deze in de rechtspraak ontwikkelde beginselen diende de Commissie in haar eindbeschikking dus een standpunt in te nemen over de door partijen aangevoerde argumenten in antwoord op die mededeling (zie de punten 335 e.v. van de bestreden beschikking), ter weerlegging van het betrokken vermoeden.
186 Voorts heeft de Commissie, anders dan Alliance One stelt, in de bestreden beschikking de punten van bezwaar, het criterium voor de toerekenbaarheid van de verantwoordelijkheid aan SCC en Dimon Inc. of het bewijsmateriaal waarop zij zich baseert, juridisch noch feitelijk gewijzigd. In dit verband blijkt uit de punten 328 tot en met 334 van de bestreden beschikking, in hun onderlinge samenhang gelezen, dat de Commissie haar in de punten 336 tot en met 338 van de mededeling van punten van bezwaar duidelijk uiteengezette conclusie heeft gehandhaafd dat de verantwoordelijkheid van SCC en Dimon Inc. in beginsel voortvloeide uit het feit dat zij hun dochterondernemingen voor 100 % in handen hadden, hetgeen overigens niet wordt betwist door Alliance One. Pas in het kader van de beoordeling van de door partijen tijdens de administratieve procedure in de uitoefening van hun rechten van verdediging aangevoerde argumenten en bewijzen stelt de Commissie in de punten 335 tot en met 346 van de bestreden beschikking bepaalde aspecten en specifieke documenten inzake de relatie tussen respectievelijk SCC en Transcatab en Dimon Inc. en Dimon Italia aan de orde, waarbij zij verwijst naar in het administratieve dossier aanwezige documenten. De beoordeling van die aspecten en documenten kon de doeltreffendheid van de uitoefening van de rechten van verdediging van SCC en Dimon Inc. dus niet aantasten, temeer niet daar zij tijdens de administratieve procedure toegang hadden tot die documenten – waarover zij hoe dan ook reeds beschikten.
187 Overigens blijkt uit het dossier dat SCC en Dimon Inc., waarvan Alliance One de rechtsopvolgster is, konden antwoorden op het bezwaar dat uitdrukkelijk is uiteengezet in de hun toegezonden mededeling van punten van bezwaar, en verweer konden voeren tijdens de hoorzitting bij de raadadviseur-auditeur. Bijgevolg is het beginsel van hoor en wederhoor tijdens de administratieve procedure geëerbiedigd.
188 Hoe dan ook kan het argument betreffende schending van de rechten van verdediging niet slagen aangezien de Commissie, zoals door het Hof is geoordeeld, niet verplicht is om met betrekking tot de toerekenbaarheid van de inbreuk reeds in de mededeling van punten van bezwaar andere elementen aan te voeren dan het bewijs van de omstandigheid dat de moedermaatschappij het kapitaal van haar dochterondernemingen in handen heeft (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 64).
189 Ten slotte kan het in repliek aangevoerde argument inzake de ontoelaatbaarheid van bepaalde door de Commissie bij het dossier gevoegde documenten en inzake de vrije herinterpretatie door de Commissie van een van die documenten evenmin slagen. Dat argument is gebaseerd op de onjuiste premisse dat de Commissie die documenten zou gebruiken als nog een middel om haar vaststelling van de verantwoordelijkheid van de moedermaatschappijen te onderbouwen. Voorts moet worden vastgesteld dat, anders dan Alliance One stelt, de door Dimon International opgestelde documenten waarin de installaties van Dimon en Transcatab worden vergeleken, zijn genoemd in voetnoot 283 van de bestreden beschikking.
190 Bijgevolg moet het derde onderdeel van dit middel worden afgewezen.
4. Het vierde onderdeel: schending van de regels inzake de bewijslastverdeling
a) Argumenten van partijen
191 Alliance One stelt om te beginnen dat aangezien de Commissie de deelneming van de moedermaatschappijen aan het kartel niet kon aantonen, de bewijslast op de Commissie rust.
192 Zelfs bij aanvaarding van de toepasselijkheid in casu van het vermoeden, dient de Commissie, gelet op de door SCC en Dimon Inc. in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar verstrekte gegevens, nog steeds hun verantwoordelijkheid te bewijzen.
193 Die gegevens hebben namelijk de vermoedens van de Commissie weerlegd. In plaats van voldoende bewijzen te leveren ter weerlegging van de beweringen van SCC en Dimon Inc. en dus hun verantwoordelijkheid vast te stellen, heeft de Commissie echter in wezen een beroep gedaan op andere vermoedens om de argumenten te weerleggen of de waarde van de door hen verstrekte gegevens te ontkennen.
194 Door alle bewijzen en argumenten van SCC en Dimon Inc. van de hand te wijzen, uitsluitend op grond van algemene opmerkingen over het feit dat deze haar niet kunnen overtuigen, heeft de Commissie geen toereikende redenering daaromtrent ontwikkeld. Het is dus niet gemakkelijk er achter te komen met welke gegevens, naast de reeds aangevoerde, een onderneming de Commissie ervan kan overtuigen dat zij geen invloed heeft uitgeoefend op een 100 %-dochtervennootschap.
195 De Commissie eist dus een echte probatio diabolica, een in de praktijk onmogelijk te leveren bewijs, daar het een „negatief” bewijs zou moeten zijn van het feit dat de betrokken ondernemingen geen bemoeienis hebben gehad met de besluiten van hun dochtermaatschappijen.
196 De Commissie concludeert tot afwijzing van dit onderdeel van het eerste middel.
b) Beoordeling door het Gerecht
197 Volgens Alliance One kan een moedermaatschappij geen rechtstreeks, „positief” en onweerlegbaar bewijs leveren van het feit dat zij geen invloed heeft uitgeoefend op het gedrag van haar dochteronderneming op de markt, daar dan een probatio diabolica zou worden verlangd.
198 In dit verband volstaat de opmerking dat, anders dan Alliance One stelt, van de betrokken partijen niet wordt verlangd dat zij een rechtstreeks en onweerlegbaar bewijs leveren van het feit dat de dochtermaatschappij haar gedrag op de markt autonoom bepaalt, maar alleen dat zij bewijsmateriaal overleggen dat die autonomie kan aantonen (zie punt 125 hierboven).
199 Dat Alliance One in casu ter weerlegging van het vermoeden van verantwoordelijkheid er niet in is geslaagd aan te tonen dat de dochterondernemingen van de moedermaatschappijen, waarvan zij de rechtsopvolgster is, hun gedrag op de markt autonoom bepaalden, betekent niet, anders dan zij stelt, dat dat vermoeden in geen geval kan worden weerlegd.
200 Gezien de aard van het vermoeden, op grond waarvan uit een bekend gegeven een onbekend gegeven kan worden afgeleid, is het overigens volkomen logisch dat degene tegen wie het vermoeden is gericht, in beginsel bewijs moet leveren van de onjuistheid van het vermoede feit. Deze vaststelling betekent evenwel niet dat het vermoeden onweerlegbaar is, daar in casu dat bewijs moet worden gezocht in de invloedssfeer van degene tegen wie het vermoeden werkt.
201 Derhalve moet het argument van Alliance One ongegrond worden verklaard.
202 Bovendien moet de bewering van Alliance One in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht worden verworpen, dat volgens het arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, het enige gevolg van het betrokken vermoeden de omkering van de bewijslast is, en niet, zoals volgens haar de Commissie stelt, dat op de wederpartij een zwaardere bewijslast rust dan op de Commissie.
203 In casu heeft de Commissie namelijk niet aangegeven wat het vereiste bewijs‑„niveau” was, maar slechts vastgesteld dat de door SCC en Dimon Inc. geleverde bewijzen het vermoeden niet konden weerleggen.
204 Derhalve moet ook het vierde onderdeel van dit middel worden afgewezen.
205 Gelet op een en ander moet het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.
B – Het tweede middel: schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 en van het evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van het eindbedrag van de geldboete
1. Argumenten van partijen
206 Volgens Alliance One schendt het bedrag van de geldboete die hoofdelijk is opgelegd aan Transcatab, Dimon Italia en haarzelf als rechtsopvolgster van SCC en Dimon Inc., artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, daar het hoger is dan het plafond van 10 % van de omzet van elke dochteronderneming. Gelet op hun respectieve omzet was het maximumbedrag dat de Commissie had kunnen opleggen 3,23 miljoen EUR voor Transcatab, en 3,99 miljoen EUR voor Dimon Italia, in plaats van respectievelijk 14 miljoen EUR en 10 miljoen EUR.
207 Voorts stelt zij dat de Commissie, door haar een totale geldboete van 24 miljoen EUR op te leggen, het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. De Commissie heeft bij de bepaling van het uitgangsbedrag met name miskend dat SCC en Dimon Inc. bij de vaststelling van de bestreden beschikking reeds waren gefuseerd en dat derhalve alleen Transcatab nog maar deel uitmaakte van de nieuwe groep, terwijl Dimon Italia (met haar marktaandeel van 10 %) was verkocht aan een derde. Aangezien Alliance One nog maar een marktaandeel 10 % overhield, verwijt zij de Commissie dat zij het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door haar een geldboete op te leggen waarvan het uitgangsbedrag vergelijkbaar is met het aan Deltafina/Universal opgelegde bedrag, ondanks dat laatstgenoemde een marktaandeel van 25 % had.
208 De Commissie concludeert tot afwijzing van dit middel.
2. Beoordeling door het Gerecht
209 Het onderhavige middel bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste verwijt Alliance One de Commissie dat zij het plafond van 10 % van de omzet van Transcatab en Dimon Italia heeft overschreden. Ten tweede verwijt zij haar dat zij het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, voor zover het uitgangsbedrag van de geldboete voor haar dat voor Deltafina/Universal benadert, ondanks het aanzienlijke verschil tussen de twee groepen op het punt van de marktaandelen.
210 Wat het eerste onderdeel van dit middel betreft moet worden opgemerkt dat het nauw verbonden is met het eerste middel, daar de afwijzing daarvan noodzakelijk gevolgen heeft voor de gegrondheid van dit onderdeel. Derhalve moet, gelet op de overwegingen die tot afwijzing van het eerste middel hebben geleid, worden vastgesteld dat de Commissie geen fout heeft gemaakt door van de geconsolideerde omzetcijfers van Dimon Inc. (moedermaatschappij van Dimon Italia tijdens de inbreukperiode) en SCC (moedermaatschappij van Transcatab tijdens de inbreukperiode), die op 13 mei 2005 gefuseerd zijn tot de nieuwe entiteit Alliance One, uit te gaan voor de berekening van het plafond van 10 % van de omzet bedoeld in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 (zie in die zin arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 125 hierboven, punt 114).
211 Dit plafond dient immers te worden berekend op basis van de gezamenlijke omzet van alle vennootschappen die deel uitmaken van de als onderneming in de zin van artikel 81 EG handelende economische eenheid, daar alleen de gezamenlijke omzet van de vennootschappen van de groep een aanwijzing kan vormen van de omvang en de economische macht van de betrokken onderneming (zie in die zin arrest HFB e.a./Commissie, aangehaald in punt 168 hierboven, punten 528 en 529, en arrest van 30 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 125 hierboven, punt 114).
212 Het eerste onderdeel van het tweede middel moet dus ongegrond worden verklaard.
213 Wat het tweede onderdeel van dit middel betreft, inzake schending van het evenredigheidsbeginsel, moet worden opgemerkt, zoals de Commissie terecht onderstreept, dat Alliance One onder het mom van schending van het evenredigheidsbeginsel in werkelijkheid een kwestie van opvolging van ondernemingen aan de orde stelt. Wat Alliance One suggereert is namelijk in wezen dat zij enkel voor de aan Transcatab/SCC en niet voor de aan Dimon Italia opgelegde geldboete aansprakelijk mag worden gesteld, want laatstgenoemde – die gedurende de inbreukperiode een marktaandeel van 10 % bezat – behoort niet tot de nieuwe groep, aangezien zij vóór de vaststelling van de bestreden beschikking is verkocht aan een derde.
214 In dit verband staat vast dat Alliance One als rechtsopvolgster van de moedermaatschappijen SCC en Dimon Inc. verantwoordelijk is gesteld voor de inbreuk. Deze vaststelling vloeit ook voort uit punt 349 van de bestreden beschikking, op grond waarvan Alliance One, daar zij de rechtsopvolgster is van de groepen (SCC en Dimon Inc.) waartoe Transcatab en Dimon Italia tijdens de inbreukperiode behoorden, als adressaat van de bestreden beschikking wordt aangemerkt.
215 Volgens vaste rechtspraak is voor de inbreuk in beginsel de natuurlijke of rechtspersoon aansprakelijk die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd, ook al wordt deze onderneming onder verantwoordelijkheid van een andere persoon geëxploiteerd op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven waarin de inbreuk wordt vastgesteld (arresten Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, aangehaald in punt 70 hierboven, punt 37, en HFB e.a./Commissie, aangehaald in punt 168 hierboven, punt 103, en arrest Gerecht van 30 september 2009, Hoechst/Commissie, T‑161/05, Jurispr. blz. II‑3555, punt 50).
216 Het Hof heeft ook geoordeeld dat een juridische of organisatorische wijziging van een entiteit die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, niet noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat een nieuwe onderneming ontstaat die bevrijd is van de aansprakelijkheid voor met het mededingingsrecht strijdige gedragingen van de voorafgaande entiteit, indien beide entiteiten in economisch opzicht identiek zijn (zie arrest ETI e.a., aangehaald in punt 82 hierboven, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
217 Met het oog op de doeltreffende uitvoering van de mededingingsregels kan het namelijk noodzakelijk zijn een inbreuk op de mededingingsregels bij wijze van uitzondering aan de nieuwe exploitant van de aan het kartel deelnemende onderneming toe te rekenen, wanneer deze uit economisch oogpunt als de opvolger van de oorspronkelijke exploitant kan worden beschouwd (zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Kokott bij het arrest ETI e.a., aangehaald in punt 82 hierboven, punten 75‑78).
218 Dit zogenoemde criterium van de „economische continuïteit” kan een rol spelen in uitzonderlijke omstandigheden, zoals wanneer de rechtspersoon die de onderneming beheert, na de inbreuk juridisch heeft opgehouden te bestaan (arrest Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 82 hierboven, punt 145).
219 In casu staat vast dat de betrokken inbreuk is gepleegd door entiteiten die ten tijde van de feiten werden geleid door SCC en Dimon Inc. Deze twee entiteiten hebben na de inbreuk juridisch opgehouden te bestaan, doordat zij met hun fusie in 2005 de nieuwe entiteit Alliance One in het leven hebben geroepen.
220 Wanneer een onderneming evenwel ophoudt te bestaan omdat zij in een overnemende onderneming is opgegaan, neemt laatstgenoemde haar activa en passiva over, inclusief haar aansprakelijkheid voor inbreuken op het mededingingsrecht. In dat geval kan de aansprakelijkheid voor de door de overgenomen onderneming gepleegde inbreuk aan de overnemende onderneming worden toegerekend (zie arrest Gerecht van 14 december 2006, Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, T‑259/02–T‑264/02 en T‑271/02, Jurispr. blz. II‑5169, punt 326 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
221 Op basis van die beginselen blijft Alliance One aansprakelijk, ondanks het feit dat Dimon Italia aan een derde is verkocht, voor de door laatstgenoemde gepleegde inbreuk. De situatie van Mindo is in dit verband anders, daar, zoals in de rechtspraak is gepreciseerd, het beginsel van de economische continuïteit dat van de persoonlijke verantwoordelijkheid niet kan uitschakelen wanneer, zoals in casu, een aan een kartel deelnemende onderneming is verkocht aan een onafhankelijke derde en er tussen de oude en de nieuwe exploitant geen structurele banden zijn (zie in die zin en naar analogie, arrest Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 215 hierboven, punt 61).
222 De Commissie heeft in casu bijgevolg de door respectievelijk Transcatab/SCC en Dimon Italia/Dimon Inc. gepleegde inbreuk terecht toegerekend aan Alliance One.
223 Bovendien moet hieraan worden toegevoegd, zoals de Commissie opmerkt, dat het irrelevant zou zijn om, zoals Alliance One stelt, uit te gaan van haar marktaandeel ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking, want de marktaandelen op basis waarvan het uitgangsbedrag van de geldboeten is bepaald waren, zoals volgt uit de punten 372 en 373 van de bestreden beschikking, die van de aan het einde van de inbreuk, dus in 2001, betrokken ondernemingen.
224 Derhalve moet ook het tweede onderdeel van dit middel worden afgewezen.
225 Gelet op de voorgaande overwegingen moet het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.
C – Het derde middel: onjuiste opvatting inzake het recht en de feiten, en schending van het evenredigheidsbeginsel en gebrekkige motivering bij de vaststelling van de vermenigvuldigingscoëfficiënt
226 Het derde middel bestaat uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel is in wezen gebaseerd op de „voldoende afschrikkende werking” van de geldboete en de beschikkingspraktijk van de Commissie. Het tweede onderdeel is ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel en gebrekkige motivering omdat de op Alliance One toegepaste vermenigvuldigingscoëfficiënt hoger is dan die welke op Deltafina is toegepast. Het derde onderdeel is ontleend aan een onlogische redenering van de Commissie bij de toepassing van de vermenigvuldigingscoëfficiënt op Mindo.
227 In antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft Alliance One evenwel verklaard dat het tweede onderdeel van dit middel berustte op een vergissing en dat zij daarvan afstand deed, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Dit onderdeel hoeft dus niet meer te worden onderzocht.
1. Het eerste onderdeel: voldoende afschrikkende werking en de beschikkingspraktijk van de Commissie ter zake
a) Argumenten van partijen
228 Alliance One betwist de toepassing van een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 1,25 op het uitgangsbedrag – 10 miljoen EUR – van de aan Transcatab en Dimon Italia opgelegde geldboeten.
229 Zij is met name van mening dat de omzet van hun moedermaatschappijen de toepassing van een vermenigvuldigingscoëfficiënt niet rechtvaardigde en dat een geldboete van 10 miljoen EUR, gelet op de omvang van de moedermaatschappijen en het feit dat zij niet op de hoogte waren van de gedragingen van hun Italiaanse dochterondernemingen op de markt voor ruwe tabak, in casu voldoende afschrikkend was. Bovendien had de Commissie ook rekening moeten houden met de geringe omvang van de door de inbreuk geraakte geografische markt.
230 Alliance One verwijst vervolgens naar de beschikkingspraktijk van de Commissie, waarbij zij de omzet van SCC en Dimon Inc. en de hoogte van de aan hun dochtermaatschappijen opgelegde geldboeten vergelijkt met die van de ondernemingen waaraan de Commissie een sanctie heeft opgelegd in de door haar genoemde zaken, om aan te tonen dat de toepassing van een vermenigvuldigingscoëfficiënt in casu niet gerechtvaardigd was voor het bereiken van een voldoende afschrikkende werking.
231 In repliek voegt Alliance One hieraan toe dat de Commissie, door op Transcatab en Dimon Italia elk een vermenigvuldigingscoëfficiënt toe te passen, de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid heeft overschreden en ook is afgeweken van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”), op grond waarvan een verhoging van het basisbedrag niet automatisch mag worden toegepast op multinationals, maar slechts mag worden opgelegd wanneer de noodzaak om een voldoende afschrikkende werking te garanderen dit vereist.
232 Alliance One concludeert aldus dat de toepassing van een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 1,25 op Transcatab en Dimon Italia niet gerechtvaardigd is en verzoekt het Gerecht het bedrag van de geldboeten dienovereenkomstig te verlagen.
233 De Commissie betwist de argumenten van Alliance One.
b) Beoordeling door het Gerecht
234 De in artikel 23 van verordening nr. 1 bepaalde sancties hebben tot doel ongeoorloofde gedragingen tegen te gaan en herhaling daarvan te voorkomen. Afschrikking is dus een doelstelling van de geldboete (zie in die zin arresten Gerecht van 15 maart 2006, BASF/Commissie, T‑15/02, Jurispr. blz. II‑497, punten 218 en 219 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 125 hierboven, punt 150).
235 De noodzaak om te garanderen dat de geldboete een afschrikkende werking heeft, verlangt dat het bedrag ervan wordt aangepast naargelang van de op de betrokken onderneming uit te oefenen invloed, zodat de geldboete, met name gelet op de financiële draagkracht van de betrokken onderneming, niet te hoog of te laag uitvalt, en voldoet aan de vereisten van doeltreffendheid van de geldboete en aan het evenredigheidsbeginsel (arrest Gerecht van 5 april 2006, Degussa/Commissie, T‑279/02, Jurispr. blz. II‑897, punt 283; arrest Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 215 hierboven, punt 379, en arrest van 30 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 125 hierboven, punt 154).
236 In casu heeft de Commissie de methode toegepast die is neergelegd in de richtsnoeren, ook al heeft zij daarnaar niet uitdrukkelijk verwezen, die de doelstelling van afschrikking noemen in punt 1 A, gewijd aan de zwaarte van de inbreuken. In het bijzonder bepaalt de vierde alinea van dit punt dat „het bedrag van de geldboeten op een zodanig niveau [zal] moeten worden gesteld dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat”.
237 Dit doel wordt genoemd in het opschrift van paragraaf 2.6.3.2 van de bestreden beschikking („Specifiek gewicht en afschrikking”), met name in de punten 374 en 375. De Commissie heeft namelijk besloten een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 1,5 toe te passen (dus een verhoging met 50 %) op het voor Universal/Deltafina bepaalde uitgangsbedrag en van 1,25 (dus een verhoging met 25 %) op het voor Dimon Italia/Dimon Inc. en Transcatab/SCC bepaalde uitgangsbedrag, om van de geldboete een voldoende afschrikkende werking te doen uitgaan, die zou ontbreken wanneer dat uitgangsbedrag enkel de positie op de markt van die ondernemingen zou weerspiegelen. Zij heeft zich onder meer gebaseerd op hun respectieve wereldomzet van 3,276 miljard USD, 1,311 miljard USD en 0,896 miljard USD in 2005, om rekening te houden met de „aanzienlijke economische en financiële macht” van die groepen, gelet op het feit dat zij ook de grootste tabakshandelaars ter wereld zijn en binnen de tabaksindustrie op verschillende niveaus en op verschillende geografische markten actief zijn.
238 Wat ten eerste het argument van Alliance One betreft, dat het uitgangsbedrag van 10 miljoen EUR reeds voldoende afschrikkend zou zijn, moet worden vastgesteld dat zij geen argumenten aanvoert voor haar stelling dat indien het bedrag van de geldboete was bepaald zonder rekening te houden met de vermenigvuldigingsfactor voor de afschrikkende werking, dit bedrag voldoende zou zijn geweest om te garanderen dat de geldboete die werking had (zie in die zin arrest Hof van 17 juni 2010, Lafarge/Commissie, C‑413/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 107).
239 Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat dat argument gebaseerd is op de onjuiste premisse, dat de verhoging van een geldboete om daarvan een afschrikkende werking te doen uitgaan berust op een beoordeling van de geschiktheid van een geldboete van een bepaald bedrag voor de afschrikkende werking ervan, gelet op de omvang en de totale middelen van de ondernemingen.
240 Uit de bestreden beschikking vloeit evenwel niet voort dat de inaanmerkingneming van de omvang en de totale middelen voor de afschrikkende werking aldus is opgevat. Met de in punt 376 van de bestreden beschikking toegepaste verhoging van de uitgangsbedragen heeft de Commissie namelijk, los van de hoogte van deze bedragen, in feite niets anders gedaan dan, om de afschrikkende werking van de geldboete te verzekeren, de leden van dezelfde mededingingsregeling verschillend te behandelen om rekening te houden met de wijze waarop zij door de geldboete daadwerkelijk worden geraakt. Deze differentiatie is verricht door middel van vermenigvuldigingsfactoren die zijn vastgesteld op basis van de omvang en de totale middelen van de ondernemingen, los van de hoogte van de bedragen waarop deze factoren zijn toegepast (zie in die zin arrest BASF/Commissie, aangehaald in punt 234 hierboven, punt 241).
241 De Commissie heeft derhalve terecht gemeend dat, gelet op de omvang en de totale middelen van de groepen SCC en Dimon Inc., beoordeeld op basis van de totale omzet voor het op 31 maart 2005 eindigende boekjaar, met het oog op een afschrikkende werking op hen een factor ter verhoging van de geldboete moest worden toegepast, zonder dat, anders dan Alliance One stelt, de kwestie van de kennis van de gedragingen van hun Italiaanse dochterondernemingen overigens als relevant kon worden beschouwd (zie in dit verband punt 125 hierboven).
242 Wat ten tweede het argument inzake de voldoende afschrikkende werking betreft, gelet op de praktijk van de Commissie op het gebied van de oplegging van vermenigvuldigingsfactoren, hoeft slechts te worden vermeld dat de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie op zich niet als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken fungeert, aangezien dit kader alleen is vastgesteld in verordening nr. 1/2003 en in de richtsnoeren (zie in die zin arrest Hof van 24 september 2009, Erste Group Bank e.a./Commissie, C‑125/07 P, C‑133/07 P, C‑135/07 P en C‑137/07 P, Jurispr. blz. I‑8681, punt 233 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Gerecht van 30 september 2003, Michelin/Commissie, T‑203/01, Jurispr. blz. II‑4071, punt 292).
243 Wat ten derde het argument inzake de zeer beperkte omvang van de geografische markt betreft, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het betrokken kartel nationaal was en zich, anders dan Alliance One lijkt te suggereren, niet beperkte tot de tabaksproducerende regio’s. Het door de bewerkers opgezette kartel had namelijk betrekking op de aankoopmarkt en niet op de productiemarkt (die geconcentreerd is in bepaalde regio’s van het schiereiland, zie punt 83 van de bestreden beschikking). In de tweede plaats, en hoe dan ook, houdt die kwestie geen verband met de toepassing van de vermenigvuldigingscoëfficiënt. De omvang van de geografische markt is namelijk een factor die de Commissie in aanmerking neemt bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk (zie in casu de punten 365 en 366 van de bestreden beschikking). Deze factor correspondeert derhalve met een objectief en intrinsiek kenmerk van de inbreuk, terwijl de toepassing van een vermenigvuldigingscoëfficiënt met het oog op een afschrikkende werking veronderstelt dat objectieve kenmerken van de deelnemers, zoals hun omvang en economische middelen, in aanmerking worden genomen. Overigens bevestigt de formulering van punt 1 A, vierde alinea, van de richtsnoeren deze opvatting, voor zover de inaanmerkingneming van elementen die de toepassing van een afschrikkingsfactor rechtvaardigen geschiedt los van de eigen aard van de inbreuk, de concrete weerslag ervan op de markt en de geografische omvang ervan (zie in die zin arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 235 hierboven, punt 273). Dit argument moet dus als ondeugdelijk worden afgewezen.
244 Wat ten vierde het in repliek aangevoerde argument betreft dat de Commissie in casu is afgeweken van de richtsnoeren omdat die een automatische verhoging van het basisbedrag van de geldboete voor multinationals beletten, moet worden vastgesteld dat dit feitelijke grondslag mist. Uit de bestreden beschikking blijkt namelijk dat de Commissie bij de vaststelling van het uitgangsbedrag eerst het specifieke gewicht van elke onderneming heeft beoordeeld aan de hand van haar marktaandeel, en vervolgens de economische en financiële macht van de multinationals in aanmerking heeft genomen waartoe de ondernemingen die de inbreuk hebben gepleegd behoorden, om een voldoende afschrikkende werking van dit bedrag te bereiken. De verhoging van dit bedrag is dus geenszins automatisch toegepast.
245 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Commissie geen fout heeft gemaakt door het uitgangsbedrag van de aan SCC en Dimon Inc. opgelegde geldboeten te verhogen om daarvan een voldoende afschrikkende werking te doen uitgaan.
2. Het derde onderdeel: onlogische redenering van de Commissie wat de toepassing van de vermenigvuldigingscoëfficiënt op Mindo betreft
a) Argumenten van partijen
246 Alliance One verwijt de Commissie dat zij onlogisch heeft geredeneerd bij de niet-toepassing van de vermenigvuldigingscoëfficiënt op Mindo, op grond dat Mindo geen band meer met haar had en dus een afzonderlijke onderneming was. Daar Alliance One aansprakelijk is voor de aan Dimon Italia (Mindo) opgelegde geldboete, is een vermenigvuldigingscoëfficiënt, wanneer die niet van toepassing is op Mindo, al helemaal niet van toepassing op haarzelf.
247 Door op Dimon Italia en Transcatab apart een vermenigvuldigingscoëfficiënt toe te passen op grond dat zij ten tijde van de inbreuk tot twee multinationals behoorden, heeft de Commissie geen rekening gehouden met het feit dat alleen Transcatab op het moment waarop de bestreden beschikking is vastgesteld en de geldboete moest worden betaald, nog deel uitmaakte van een multinational, terwijl Dimon Italia intussen was verkocht.
248 Gelet op de afschrikkende werking die door de toepassing van de vermenigvuldigingscoëfficiënt wordt nagestreefd, is de toepassing van een dergelijke coëfficiënt voorts enkel gerechtvaardigd op de vennootschap die de ongeoorloofde gedraging heeft uitgevoerd en niet op een vennootschap die niets te maken had met het kartel en wier enige band met de rechtstreeks betrokken vennootschap is dat zij in het verleden haar aandeelhouder was.
249 Daar Mindo niet heeft opgehouden te bestaan, behoort een vermenigvuldigingscoëfficiënt op haar te worden toegepast, als directe deelneemster aan de inbreuk. Volgens Alliance One is een onacceptabel gevolg van het door de Commissie gebruikte criterium dat aan de vennootschap die de inbreuk rechtstreeks heeft gepleegd, een geringere sanctie wordt opgelegd dan aan de vennootschap die haar voorheen controleerde, die niet alleen niet aan het kartel heeft deelgenomen en zelfs niet op de hoogte was van het bestaan ervan, maar ook geen band meer met haar heeft.
250 Ten slotte kan de Commissie volgens Alliance One niet twee vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk stellen voor verschillende en afzonderlijke bedragen van dezelfde geldboete, zoals zij in casu heeft gedaan.
251 De Commissie betwist de argumenten van Alliance One.
b) Beoordeling door het Gerecht
252 Om te beginnen heeft de Commissie in casu voor de berekening van de vermenigvuldigingscoëfficiënt terecht rekening gehouden met de totale omzet van de moedermaatschappijen, Dimon Inc. en SCC, en niet alleen met die van de betrokken dochterondernemingen, daar de moeder- en de dochtermaatschappij, zoals opgemerkt in het kader van de analyse van het eerste middel, één onderneming vormden in de zin van artikel 81 EG (zie in die zin arresten Gerecht van 12 december 2007, BASF en UCB/Commissie, T‑101/05 en T‑111/05, Jurispr. blz. II‑4949, punt 49, en 18 juni 2008, Hoechst/Commissie, T‑410/03, Jurispr. blz. II‑881, punt 379). Bovendien werd de toepassing van een vermenigvuldigingscoëfficiënt uit het oogpunt van de afschrikkende werking in casu juist gerechtvaardigd met het argument dat de ondernemingen die de inbreuk hebben gepleegd tot multinationals behoorden (zie punt 374 van de bestreden beschikking).
253 In voetnoot 291 bij punt 374 van de bestreden beschikking preciseert de Commissie dat de toepassing van een vermenigvuldigingscoëfficiënt met betrekking tot de aan Mindo (voorheen Dimon Italia) opgelegde geldboete gerechtvaardigd is door de hoofdelijke aansprakelijkheid van Alliance One, terwijl de toepassing van een dergelijke coëfficiënt wat de eigen verantwoordelijkheid van Mindo betreft niet gerechtvaardigd zou zijn, aangezien Mindo alle banden met haar aandeelhouder heeft verbroken. Gelet op het feit dat de aansprakelijkheid van Mindo onder het plafond van 10 % van haar omzet moest blijven, heeft de Commissie evenwel geconcludeerd dat het zinloos was om een apart uitgangsbedrag voor deze onderneming te berekenen. Het argument dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de situatie ten tijde van de vaststelling van haar beschikking mist derhalve feitelijke grondslag.
254 In de punten 403 en 404 van de bestreden beschikking (in paragraaf 2.6.3.6, met het opschrift „Resulterende geldboeten en toepassing van het plafond van de geldboete”) preciseert de Commissie de situatie van Mindo. Meer in het bijzonder stelt zij in punt 404 van de bestreden beschikking: „[...] de aan Mindo (die momenteel geen enkele band heeft met de vroegere Dimon-groep) toe te rekenen [hoofdelijke] aansprakelijkheid dient tot onder het plafond van 10 % van de omzet in haar laatste exploitatiejaar (namelijk 3,99 miljoen EUR) te worden teruggebracht”.
255 Wanneer de economische eenheid intussen uiteen is gevallen, mag elke adressaat van de beschikking namelijk verlangen dat dat plafond individueel op hem wordt toegepast (arresten Gerecht van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 390, en 13 september 2010, Trioplast Wittenheim/Commissie, T‑26/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 113).
256 In casu had de kwestie van de toepassing van een vermenigvuldigingscoëfficiënt op Mindo vanuit het oogpunt van afschrikking evenwel geen praktische gevolgen door de beperking van de aan haar opgelegde geldboete tot 10 % van haar omzet. Het argument van Alliance One treft dus geen doel.
257 Hoe dan ook moeten de totale middelen van een onderneming, om de nagestreefde afschrikkende werking te bereiken zonder miskenning van het evenredigheidsbeginsel, evenwel worden gewaardeerd naar de dag waarop de geldboete wordt opgelegd, hetgeen overigens niet wordt betwist door Alliance One (zie in die zin arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 235 hierboven, punt 285).
258 De Commissie kan dus niet worden verweten dat zij bij de vaststelling van de verhoging uit het oogpunt van de afschrikkende werking rekening heeft gehouden met de omzet die was behaald door de groepen, die zijn gefuseerd tussen de beëindiging van de inbreuk en de vaststelling van de bestreden beschikking.
259 Ook heeft de Commissie Mindo terecht samen met Alliance One hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van de geldboete ten bedrage van 3,99 miljoen EUR, terwijl laatstgenoemde aansprakelijk blijft voor de betaling van het totale bedrag van de geldboete, namelijk 10 miljoen EUR.
260 Uit een en ander volgt dat het onderhavige middel eveneens moet worden afgewezen.
261 Daaruit volgt dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen, zonder dat in casu de ontvankelijkheid van de tweede en derde vordering van Alliance One hoeft te worden onderzocht.
Kosten
262 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien Alliance One in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET GERECHT (Derde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Alliance One International, Inc. wordt verwezen in de kosten.
Azizi
Cremona
Frimodt Nielsen
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 september 2011.
ondertekeningen
Inhoud
Voorgeschiedenis van het geding
A – Administratieve procedure
B – Bestreden beschikking
1. Adressaten van de bestreden beschikking
2. Berekening van het bedrag van de geldboeten
Procesverloop en conclusies van partijen
In rechte
A – Het eerste middel: schending van de regels inzake de toerekenbaarheid van door een dochteronderneming gepleegde inbreuken aan haar moedermaatschappij, en schending van de rechten van verdediging
1. Het eerste onderdeel: schending van de regels inzake de toerekening van de gedragingen van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
2. Het tweede onderdeel: negeren van het door SCC en Dimon Inc. verstrekte bewijsmateriaal ter weerlegging van het vermoeden
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
De ter weerlegging van het vermoeden aangevoerde algemene factoren
De ter weerlegging van het vermoeden aangevoerde specifieke factoren
– De relatie tussen SCC en Transcatab
– De relatie tussen Dimon Inc. en Dimon Italia
De elementen die door de Commissie zouden zijn gebruikt ter bevestiging van de ontbrekende autonomie van Transcatab en Dimon Italia
De uitlegging van bewijsstukken die het vermoeden kunnen weerleggen in het licht van de rechtspraak
3. Het derde onderdeel: schending van de rechten van verdediging
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
4. Het vierde onderdeel: schending van de regels inzake de bewijslastverdeling
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
B – Het tweede middel: schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 en van het evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van het eindbedrag van de geldboete
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Gerecht
C – Het derde middel: onjuiste opvatting inzake het recht en de feiten, en schending van het evenredigheidsbeginsel en gebrekkige motivering bij de vaststelling van de vermenigvuldigingscoëfficiënt
1. Het eerste onderdeel: voldoende afschrikkende werking en de beschikkingspraktijk van de Commissie ter zake
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
2. Het derde onderdeel: onlogische redenering van de Commissie wat de toepassing van de vermenigvuldigingscoëfficiënt op Mindo betreft
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
Kosten
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy