Zaak T‑40/06
Trioplast Industrier AB
tegen
Europese Commissie
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van kunststof industriezakken – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Duur van inbreuk – Geldboeten – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Medewerking tijdens administratieve procedure – Evenredigheid – Hoofdelijke aansprakelijkheid – Rechtszekerheidsbeginsel”
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijs van inbreuk en duur daarvan ten laste van Commissie – Omvang van bewijslast
(Art. 81, lid 1, EG)
2. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Onderneming meermaals overgedragen tijdens inbreuk – Meerdere in tijd achtereenvolgende moederondernemingen
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)
3. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Beoordeling – Inaanmerkingneming van economische realiteit ten tijde van inbreuk
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 3; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)
4. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Onderneming die louter passieve rol vervulde of slechts meeloopster was – Beoordelingscriteria
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3, eerste streepje)
5. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Verplichting tot vaststelling van geldboetebedrag naar verhouding van totaal marktvolume van betrokken product – Geen
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 3)
6. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Maximumbedrag – Berekening – Omzet die in aanmerking moet worden genomen – Hogere geldboete dan jaaromzet in betrokken product – Schending van evenredigheidsbeginsel – Geen
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)
7. Mededinging – Geldboeten – Solidaire aansprakelijkheid tot betaling – Vaststelling van door hoofdelijk aansprakelijke onderneming te betalen bedrag van geldboete – Onderneming meermaals overgedragen tijdens inbreuk – Meerdere in tijd achtereenvolgende moederondernemingen
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)
1. Het staat aan de Commissie om niet alleen het bestaan van een mededingingsregeling, maar ook de duur ervan aan te tonen. Dienaangaande is van belang dat de Commissie bij gebrek aan bewijs dat de duur van een inbreuk rechtstreeks kan aantonen, zich ten minste baseert op bewijs betreffende feiten die in de tijd voldoende dicht bij elkaar liggen zodat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk ononderbroken heeft voortgeduurd tussen twee data.
In een situatie waarin vaststaat dat een onderneming zowel vóór als na een bepaalde periode aan een inbreuk heeft genomen, door een aantal mededingingsverstorende bijeenkomsten bij te wonen zonder zich publiek te distantiëren van de inhoud ervan, kan worden aangenomen dat de inbreuk ononderbroken heeft voortgeduurd indien de onderneming is uitgenodigd op de mededingingsverstorende bijeenkomsten in deze periode en zich meermaals heeft verontschuldigd wegens afwezigheid.
(cf. punten 41‑42, 46‑48)
2. In het kader van de berekening van de wegens schending van de mededingingsregels opgelegde geldboeten kan de benadering van de Commissie waarbij voor een moederonderneming hetzelfde basisbedrag wordt vastgesteld als voor de dochteronderneming die direct aan het kartel heeft deelgenomen, zonder dat dit basisbedrag, in het geval van meerdere in de tijd achtereenvolgende moederondernemingen, wordt opgedeeld, op zichzelf niet als onjuist worden beschouwd. In het kader van de doelmatigheid die de Commissie met het gebruik van deze berekeningsmethode nastreeft, is het namelijk mogelijk dat voor een moederonderneming, die voor een inbreuk aansprakelijk wordt gesteld op grond van toerekening ervan aan haar, hetzelfde basisbedrag wordt vastgesteld als voor een moederonderneming die zelf direct aan het kartel heeft deelgenomen. Dit is in overeenstemming met de doelstelling van het mededingingsbeleid en, in het bijzonder, het daarop gebaseerde boetebeleid, dat erop gericht is om het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat zij de mededingingsregels naleven.
De omstandigheid dat de som van de voor de opeenvolgende moedermaatschappijen vastgestelde bedragen hoger is dan het bedrag voor hun dochteronderneming, kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat deze berekeningsmethode kennelijk onjuist is. Rekening houdende met de toepassing van de methodiek zoals uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag en van het beginsel van de individualiteit van straffen en sancties, staat het de Commissie immers vrij om, aangezien het bestaan van een economische eenheid die heeft deelgenomen aan de inbreuk vaststaat, een van de rechtspersonen die daartoe behoort of heeft behoord, of het nu gaat om de moederonderneming of een dochteronderneming, aansprakelijk te stellen voor de betaling van een bedrag dat hoger is dan dat waartoe de andere rechtspersoon of rechtspersonen, die de genoemde economische eenheid vormen of hebben gevormd, gehouden zijn. Hieruit volgt dat, indien een inbreuk is begaan door een dochteronderneming die tijdens de inbreuk achtereenvolgens aan meerdere economische eenheden heeft toebehoord, niet bij voorbaat als onjuist kan worden aangenomen dat de som van de voor de moederondernemingen vastgestelde bedragen hoger ligt dan het bedrag, of de som van de bedragen, die voor de genoemde dochteronderneming zijn vastgesteld.
(cf. punten 74, 76)
3. In het kader van de berekening van de wegens schending van de mededingingsregels opgelegde geldboeten wordt bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk uitgegaan van de economische realiteit zoals die was op het tijdstip waarop de genoemde inbreuk werd begaan. De factoren die in dit opzicht relevant zijn voor de beoordeling, zijn onder meer de omvang en de economische macht van elke onderneming alsmede de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk. Bij de beoordeling van deze factoren moet noodzakelijkerwijs worden uitgegaan van de omzet in de betrokken periode.
Het referentiejaar dient niet noodzakelijkerwijs het laatste volledige jaar van de inbreuk te zijn.
Wanneer de Commissie kiest voor een geïndividualiseerde benadering, waarbij de adressaten van de beschikking die slechts aansprakelijk waren gesteld op grond van hun hoedanigheid als moederonderneming, worden behandeld als directe deelnemer aan de inbreuk, kan in het kader van de berekening van de geldboeten als referentiejaar zonder nadere relevante aanwijzing geen jaar gelden waarin de door de moederonderneming en de dochteronderneming gevormde economische entiteit nog niet bestond.
(cf. punten 91, 93, 95)
4. Volgens punt 3, eerste streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die worden opgelegd krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag vormt het feit dat de onderneming „een louter passieve rol vervulde of slechts meeloopster was” bij de totstandbrenging van de inbreuk, indien bewezen, een verzachtende omstandigheid. Een passieve rol houdt in dat de betrokken onderneming zich „op de achtergrond” houdt, dat wil zeggen niet actief deelneemt aan de uitwerking van de mededingingsverstorende overeenkomsten.
Als indicatie voor de passieve rol van een onderneming in een kartel kunnen onder meer in aanmerking worden genomen het feit dat zij de vergaderingen veel onregelmatiger heeft bijgewoond dan de gewone leden van het kartel, het feit dat zij pas later op de markt is gekomen waarop de inbreuk betrekking had, ongeacht de duur van haar deelneming hieraan, of het feit dat vertegenwoordigers van andere ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, een uitdrukkelijke verklaring in die zin hebben afgelegd.
Bovendien houdt het feit dat andere ondernemingen die aan één en hetzelfde kartel deelnemen, actiever zijn dan een bepaalde deelnemer, niet in dat laatstgenoemde een louter passieve rol heeft vervuld of slechts meeloopster was. Alleen totale passiviteit zou in aanmerking kunnen worden genomen en moet worden aangetoond door de partij die zich erop beroept.
(cf. punten 106‑108)
5. Bij de vaststelling van het bedrag van een wegens schending van de mededingingsregels opgelegde geldboete beschikt de Commissie over een beoordelingsmarge en is zij niet verplicht om daarbij een bepaalde wiskundige formule toe te passen. De geldboete wordt op grond van artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 EG en 82 EG vastgesteld op grond van de zwaarte en de duur van de inbreuk. Verder is dit bedrag het resultaat van een reeks cijfermatige beoordelingen door de Commissie overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die worden opgelegd krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag. Dit bedrag wordt met name bepaald op basis van verschillende omstandigheden in verband met de individuele gedragingen van de betrokken onderneming zoals het bestaan van verzwarende of verzachtende omstandigheden.
Uit dit rechtskader kan niet worden afgeleid dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de hoogte van de aldus berekende en aan de deelnemers van het kartel opgelegde boeten in verhouding staat tot het totale marktvolume van het betrokken product in een bepaald jaar van de inbreuk, wanneer de inbreuk meer dan 20 jaar heeft geduurd en de hoogte van de boeten ook afhangt van andere omstandigheden, die verband houden met het individuele gedrag van de betrokken ondernemingen.
(cf. punten 141‑142)
6. Artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 EG en 82 EG is bedoeld om te voorkomen dat de geldboeten onevenredig zijn. Wanneer het eindbedrag van de geldboete niet hoger is dan het plafond van 10 % van de omzet, kan het niet onevenredig worden geacht op grond dat het totale bedrag van de geldboeten het totale volume van de relevante markt overschrijdt noch op grond dat de geldboete de jaarlijkse omzet van een onderneming met het betrokken product overschrijdt. Het plafond van 10 % van de omzet moet worden toegepast ongeacht de specifieke rol van een onderneming in het kartel.
Wat betreft de vergelijking tussen de adressaten van een beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd, kan een verschil in behandeling het directe gevolg zijn van de in verordening nr. 1/2003 vastgestelde bovengrens voor geldboeten, die vanzelfsprekend uitsluitend van toepassing is op gevallen waarin de voorgenomen geldboete hoger is dan 10 % van de omzet van de betrokken onderneming. Een dergelijk verschil in behandeling kan geen schending van het beginsel van gelijke behandeling vormen.
(cf. punten 144, 147)
7. Het rechtszekerheidsbeginsel is een algemeen beginsel van Unierecht, dat met name vereist dat iedere handeling van instellingen van de Unie, inzonderheid wanneer daarbij sancties worden opgelegd of op grond daarvan kunnen worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig is, zodat de betrokken personen ondubbelzinnig de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen.
Wanneer een moederonderneming en een dochteronderneming deel uitmaken of hebben uitgemaakt van een economische eenheid die deel heeft genomen aan een kartel, mag de Commissie ze hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de inbreuk op de mededingingsregels.
In het geval van een dochteronderneming die achtereenvolgens aan verschillende moedermaatschappijen heeft toebehoord, verzet niets zich ertegen dat de Commissie de verschillende moederondernemingen hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de betaling van de aan hun dochteronderneming opgelegde geldboete. Bij een beschikking waarbij het de Commissie vrij staat tot de inning van de geldboete over te gaan bij de ene of de andere van de betrokken rechtspersonen, krachtens welke de Commissie dus kan besluiten om de geldboete geheel of gedeeltelijk bij de dochteronderneming te innen of bij één van de moederondernemingen of bij alle moederondernemingen die achtereenvolgens de dochteronderneming in handen hebben gehad, totdat zij volledige voldoening heeft gekregen, hangt het daadwerkelijk bij één van de moederondernemingen geïnde bedrag zonder enige rechtvaardiging op basis van de afschrikkende werking van geldboeten daarentegen af van de bij de andere geïnde bedragen. Er kan evenwel geen sprake zijn van een gezamenlijke hoofdelijke aansprakelijkheid van deze achtereenvolgende moedermaatschappijen aangezien zij nooit samen een gemeenschappelijke economische eenheid hebben gevormd. Het beginsel van de individualiteit van straffen en sancties vereist dat het daadwerkelijk door een van de moedermaatschappijen te betalen bedrag niet hoger is dan haar aandeel in de hoofdelijke aansprakelijkheid. Een beschikking die niet aangeeft wat het aandeel van de moedermaatschappijen is, maar de Commissie wel vrij laat bij de invordering van de respectievelijke hoofdelijke aansprakelijkheden van de achtereenvolgende moederondernemingen, die nooit een economische eenheid met elkaar hebben gevormd, is onverenigbaar met de verplichting van de Commissie om deze ondernemingen, in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel, ondubbelzinnig op de hoogte te stellen van het exacte bedrag van de geldboete dat zij moeten betalen met betrekking tot de periode waarvoor zij samen met de dochteronderneming voor de inbreuk aansprakelijk zijn gesteld. Een dergelijke beschikking schendt zowel het rechtszekerheidsbeginsel als het beginsel van de individualiteit van straffen en sancties.
(cf. punten 161, 163‑167, 169‑170)
ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
13 september 2010 (*)
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van kunststof industriezakken – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Duur van inbreuk – Geldboeten – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Medewerking tijdens administratieve procedure – Evenredigheid – Hoofdelijke aansprakelijkheid – Rechtszekerheidsbeginsel”
In zaak T‑40/06,
Trioplast Industrier AB, gevestigd te Smålandsstenar (Zweden), vertegenwoordigd door T. Pettersson en O. Larsson, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, P. Hellström en V. Bottka, vervolgens door F. Castillo de la Torre, L. Parpala en V. Bottka, als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C (2005) 4634 def. van de Commissie van 30 november 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] (Zaak COMP/F/38.354 – Industriezakken) betreffende een kartel op de markt van kunststof industriezakken, en, subsidiair, een verzoek om verlaging van de aan verzoekster opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. W. H. Meij (rapporteur), president, V. Vadapalas en L. Truchot, rechters,
griffier: C. Kristensen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 juni 2010,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Verzoekster, Trioplast Industrier AB, is de moederonderneming van het concern Trioplast. In haar hoedanigheid van moederonderneming van Trioplast Wittenheim SA, gevestigd in Wittenheim (Frankrijk), producent van industriezakken, folies en buisfolies, is zij adressaat van de thans bestreden beschikking.
2 Verzoekster heeft Trioplast Wittenheim, voorheen Silvallac genaamd, in 1999 door bemiddeling van haar dochteronderneming Trioplanex France SA overgenomen van Nyborg Plast International A/S, een onderneming naar Deens recht, later FLS Plast A/S genaamd. Deze overname vond plaats op 19 januari 1999, met terugwerkende kracht per 1 januari 1999.
3 In december 1990 had FLS Plast zelf 60 % van de aandelen van Trioplast Wittenheim verkregen van de onderneming Cellulose du Pin, onderdeel van het concern dat in handen was van de Compagnie de Saint-Gobain SA. De resterende 40 % zijn in december 1991 door Cellulose du Pin aan FLS Plast verkocht.
Administratieve procedure
4 In november 2001 heeft de onderneming British Polythene Industries de Commissie op de hoogte gesteld van het bestaan van een kartel in de sector industriezakken (hierna: „kartel”). Zij verklaarde zich bereid tot medewerking in het kader van de bepalingen van de Mededeling van de Commissie betreffende het niet-opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „clementieregeling”).
5 Op 26 en 27 juni 2002 verrichtte de Commissie verificaties bij dertien ondernemingen op grond van artikel 14, leden 2 en 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204). Een van deze ondernemingen was Trioplast Wittenheim.
6 Tussen 14 november 2002 en 21 februari 2003 heeft de Commissie krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 verzoeken om inlichtingen gericht tot verschillende ondernemingen, waaronder Trioplast Wittenheim.
7 Trioplast Wittenheim heeft zich bij brief van 19 december 2002, aangevuld met een brief van 16 januari 2003, eveneens bereid verklaard in het kader van de clementieregeling aan het onderzoek van de Commissie mee te werken en heeft daartoe schriftelijke stukken overgelegd.
8 Op 4 augustus 2003 heeft de Commissie een verzoek om nadere inlichtingen gestuurd naar Trioplast Wittenheim en de andere betrokken ondernemingen.
9 De Commissie heeft op 29 april 2004 de administratieve procedure ingeleid en een mededeling van punten van bezwaar aan verschillende ondernemingen gericht, waaronder, in het bijzonder, verzoekster en Trioplast Wittenheim. Van 26 tot 28 juli 2004 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bestreden beschikking
10 Op 30 november 2005 heeft de Commissie, op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), beschikking C (2005) 4634 def. vastgesteld inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/F/38.354 – Industriezakken) (hierna: „bestreden beschikking”), waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 26 oktober 2007 (L 282, blz. 41). Tot de adressaten van de bestreden beschikking behoort Trioplast Wittenheim, waarvan deelname aan de inbreuk door de Commissie als vaststaand wordt aangenomen, en verzoekster, waarvan de Commissie heeft vastgesteld dat zij deel uitmaakte van een economische eenheid die verantwoordelijk was voor de inbreuk tussen 1999 en 2002. FLS Plast en FLSmidth & Co. A/S (hierna: „FLSmidth”), holding van het concern FLS, voorheen FLS Industries A/S genaamd, behoren ook tot de adressaten van de bestreden beschikking. Zij zouden van 1990 tot 1999 een economische eenheid hebben gevormd met Trioplast Wittenheim.
11 De Commissie heeft in de bestreden beschikking, en met name in de overwegingen 417 tot en met 548, vastgesteld dat meerdere ondernemingen inbreuk hebben gemaakt op artikel 81 EG door deel te nemen aan concurrentiebeperkende overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, verspreid over het grondgebied van België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Luxemburg en Nederland. Volgens de overwegingen 549 tot en met 576 van de bestreden beschikking heeft de inbreuk plaatsgevonden van januari 1982 tot juni 2002, waarbij evenwel de tijdsduur verschilt per onderneming.
12 In de overwegingen 3 tot en met 14 van de bestreden beschikking is aangegeven dat de producten waar de bestreden beschikking betrekking op heeft, kunststof industriezakken zijn die worden gebruikt voor de verpakking van basisproducten, en meer in het algemeen grondstoffen, meststoffen, polymeren, bouwmaterialen, land- en tuinbouwproducten en diervoeding. Volgens de bestreden beschikking kunnen deze zakken, die allemaal van dezelfde grondstof, namelijk polyethyleen, zijn gemaakt maar volgens verschillende productiemethoden, worden ingedeeld in vier categorieën: openmondzakken, ventielzakken, FFS-buisfolies („Form, Fill and Seal”, dat wil zeggen: thermovormen, vullen en luchtdicht verzegelen) en blokzakken. De Commissie heeft vastgesteld, dat, hoewel zij onderling enigszins kunnen verschillen, er bij dit soort zakken toch sprake is van een relatief gelijksoortig geheel.
13 Volgens de overwegingen 165 tot en met 186 van de bestreden beschikking was het kartel in grote lijnen actief op twee niveaus, te weten:
– het algemene niveau van de Europese organisatie van producenten van kunststof ventielzakken (hierna: „Valveplast”) en de functionele subgroepen die daaruit zijn voortgekomen, waaronder de subgroep „blockbags”, en
– het niveau van de regionale subgroepen, al dan niet verbonden met Valveplast, te weten de subgroep „Benelux”, de subgroep „België”, de subgroep „Duitsland”, de subgroep „Frankrijk” en de groep „Teppema” (een organisatie die door Nederlandse producenten van openmondzakken is opgericht en voornamelijk betrekking heeft op de Nederlandse markt, maar ook regelmatig op de Belgische markt).
14 Zoals uit de overwegingen 187 tot en met 416 van de bestreden beschikking blijkt, zouden de in het geding zijnde concurrentiebeperkende overeenkomsten en praktijken als volgt vorm hebben gekregen:
– regelmatige uitwisseling van geïndividualiseerde informatie over de verkoopvolumes en de marktaandelen van de leden van elke groep en subgroep;
– een overkoepelend systeem voor de vaststelling en controle van verkoopquota per geografische zone en, binnen elke geografische zone, per onderneming;
– gemeenschappelijke calculatieschema’s ter bepaling van de verkoopprijs aan afnemers;
– het toepassen binnen de groepen en subgroepen van een systeem van verdeling van de belangrijkste afnemers;
– een sanctiebeleid bij overschrijding van de quota’s of niet-naleving van de vastgestelde prijzen;
– overleg en afspraken over de prijzen en de verkoopvolumes met betrekking tot bepaalde afnemers, en
– verdeling van offerteaanvragen en indiening van onderling afgestemde offertes door middel van schijnoffertes.
15 Blijkens de overwegingen 443 en 459 van de bestreden beschikking is de Commissie van mening dat, met uitzondering van de onderneming Stempher, het gedrag van alle ondernemingen aan wie de bestreden beschikking is gericht – en die allemaal, in meer of mindere mate, aan de bijeenkomsten van Valveplast of aan die van één of meerdere subgroepen zouden hebben deelgenomen – één enkele en voortdurende inbreuk vormt.
16 In overweging 765 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de inbreuk aangemerkt als zeer ernstig en is zij tot de slotsom gekomen dat, hoewel het niet mogelijk was om de daadwerkelijke invloed van het geheel van de in het geding zijnde kartelafspraken exact te bepalen, het wel mogelijk was om vast te stellen dat zij ten uitvoer zijn gelegd en derhalve noodzakelijkerwijs invloed op de markt hebben gehad.
17 In de overwegingen 766 tot en met 777 van de bestreden beschikking heeft de Commissie vervolgens de betrokken ondernemingen in zes categorieën ingedeeld afhankelijk van hun relatieve belang op de betrokken markt, waarbij zij zich heeft gebaseerd op het marktaandeel dat elk van hen voor het betrokken product op het relevante grondgebied in 1996 had gerealiseerd. Op basis daarvan heeft de Commissie de basisbedragen van de geldboeten vastgesteld, variërend van 5,5 tot 35 miljoen EUR. De Commissie heeft het basisbedrag van de geldboete voor Trioplast Wittenheim vastgesteld op 8,5 miljoen EUR (vijfde categorie), gezien het feit dat haar relevante marktaandeel in 1996 2,8 % bedroeg. Aangezien verzoekster alsmede FLS Plast en FLSmidth erbij betrokken waren in hun hoedanigheid van moederonderneming van Trioplast Wittenheim, is voor hen hetzelfde basisbedrag vastgesteld.
18 Uit de overwegingen 779 tot en met 783 van de bestreden beschikking blijkt dat de basisbedragen van de geldboeten met 10 % zijn verhoogd voor elk jaar dat de inbreuk duurde en met 5 % voor elke extra periode tussen de zes maanden en een jaar. Zo kreeg Trioplast Wittenheim een procentuele vermeerdering van het basisbedrag van de geldboete van 200 %, overeenkomstig een duur van de inbreuk van 20 jaar en 5 maanden, zodat het basisbedrag van de geldboete uitkwam op 25,5 miljoen EUR. De procentuele vermeerdering van het basisbedrag van de geldboete voor FLS Plast (evenals FLSmidth) en verzoekster is vastgesteld op respectievelijk 80 % en 30 %, waarmee de basisbedragen van de geldboete uitkwamen op 15,3 miljoen EUR voor FLS Plast en FLSmidth en op 11,05 miljoen EUR voor verzoekster.
19 Zoals blijkt uit de overwegingen 802 en 812 tot en met 822 van de bestreden beschikking zijn de basisbedragen van de aan Trioplast Wittenheim en haar moederonderneming opgelegde geldboete niet verhoogd of verlaagd op grond van verzwarende of verzachtende omstandigheden, noch op grond van toepassing van de regel dat de geldboete nooit meer mag bedragen dan 10 % van de totale omzet die de betrokken onderneming in het voorafgaande boekjaar heeft behaald, zoals is bepaald in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 (hierna: „plafond van 10 % van de omzet”). De Commissie heeft daarentegen, met het oog op de medewerking van Trioplast Wittenheim, deel D van de clementieregeling toegepast. In overweging 841 van de bestreden beschikking heeft zij overwogen dat Trioplast Wittenheim en verzoekster recht hadden op een vermindering van 30 % van de geldboete die hun zonder deze medewerking zou zijn opgelegd. De basisbedragen van de geldboete van FLS Plast en FLSmidth zijn echter niet op deze grond verminderd.
20 Dientengevolge is het eindbedrag van de aan Trioplast Wittenheim opgelegde geldboete vastgesteld op 17,85 miljoen EUR. Voor dit bedrag worden FLS Plast en FLSmidth hoofdelijk aansprakelijk gesteld ten belope van 15,3 miljoen EUR. Verzoekster wordt hoofdelijk aansprakelijk gesteld ten belope van 7,73 miljoen EUR.
21 Het dispositief van de bestreden beschikking bevat de volgende bepalingen:
„Artikel 1
1. De volgende ondernemingen hebben op artikel 81 EG inbreuk gemaakt door, gedurende de aangegeven perioden, deel te nemen aan een geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector kunststof industriezakken, in België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Luxemburg en Nederland, die betrekking hadden op de vaststelling van prijzen, het opstellen van gemeenschappelijke calculatieschema’s, de verdeling van markten en de toewijzing van verkoopquota, de toewijzing van afnemers, zaken en bestellingen, de indiening van onderling afgestemde offertes in het kader van verschillende offerteaanvragen, en de uitwisseling van geïndividualiseerde informatie:
[...]
g) Trioplast Wittenheim [...], van 6 januari 1982 tot en met 26 juni 2002, en [verzoekster], van 21 januari 1999 tot en met 26 juni 2002;
h) FLS Plast [...] en FLSmidth [...], van 31 december 1990 tot en met 19 januari 1999;
[...]
Artikel 2
De volgende geldboeten worden opgelegd voor de in artikel 1 genoemde inbreuken:
[...]
f) Trioplast Wittenheim [...]: 17,85 miljoen EUR. Voor dit bedrag worden FLSmidth [...] en FLS Plast [...] hoofdelijk aansprakelijk gesteld ten belope van 15,3 miljoen EUR en wordt [verzoekster] hoofdelijk aansprakelijk gesteld ten belope van 7,73 miljoen EUR;
[...]
Artikel 3
De in artikel 1 genoemde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in het genoemde artikel vermelde inbreuken, voor zover dit nog niet is geschied.
Zij onthouden zich in de toekomst van elke in artikel 1 beschreven handeling of gedraging, alsmede van elke handeling of gedraging die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg heeft.
[...]”
Procesverloop en conclusies van partijen
22 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 februari 2006 heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
23 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
– gedeeltelijk nietig te verklaren artikel 1, lid 1, sub g, van de bestreden beschikking, voor zover het de periode betreft gedurende welke zij verantwoordelijk wordt gehouden voor de inbreuk;
– gedeeltelijk nietig te verklaren artikel 2, eerste alinea, sub f, van de bestreden beschikking, voor zover het de aan haar opgelegde geldboete betreft, en, subsidiair, het bedrag van deze geldboete te verlagen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
24 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
25 Na een wijziging in de samenstelling van de kamers van het Gerecht maakt de rechter-rapporteur deel uit van de Zesde kamer, waarop de onderhavige zaak aan deze kamer is toegewezen.
26 Bij beschikking van 15 juni 2010 heeft de president van de Zesde kamer besloten, na partijen te hebben gehoord, om de onderhavige zaak te voegen met zaak T‑26/06 (Trioplast Wittenheim/Commissie) voor de mondelinge behandeling, overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
27 Ter terechtzitting van 30 juni 2010 zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij de vragen van het Gerecht beantwoord.
In rechte
28 Verzoekster voert zes middelen aan ter ondersteuning van haar conclusies.
29 Het eerste middel ziet zowel op de rechtmatigheid van artikel 1, lid 1, sub g van de bestreden beschikking, als op de rechtmatigheid van de vaststelling van de geldboete van verzoekster door de Commissie. In het derde onderdeel van dit middel betwist verzoekster namelijk de rechtmatigheid van de bestreden beschikking, die het gevolg zou zijn van een fout in de vaststelling van de duur van de door verzoekster begane inbreuk. De eerste twee onderdelen van ditzelfde middel hebben respectievelijk betrekking op, enerzijds, de rechtmatigheid van de door de Commissie gebruikte berekeningsmethode ten aanzien van de geldboete en, anderzijds, de rechtmatigheid van de vaststelling van de zwaarte van de inbreuk, met name wat betreft de keuze van het referentiejaar. Het is daarom raadzaam om eerst het derde onderdeel van het eerste middel te behandelen en daarna het eerste en tweede onderdeel van het genoemde middel.
30 De volgende vijf middelen beogen de nietigverklaring van artikel 2, eerste alinea, sub f van de bestreden beschikking, voor zover het de hoogte van de aan verzoekster opgelegde geldboete betreft. In het tweede middel betwist verzoekster namelijk de juistheid van de weigering van de Commissie om ten opzichte van haar verzachtende omstandigheden toe te passen. Het derde middel ziet op de niet-naleving van het plafond van 10 % van de omzet. Het vierde middel is erop gericht om aan te tonen dat de Commissie een beoordelingfout heeft gemaakt ten aanzien van de medewerking van verzoekster in het kader van de clementieregeling. Het vijfde middel betreft de schending van het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel door de Commissie. Het zesde middel ten slotte ziet op de niet-naleving van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het rechtszekerheidsbeginsel in het kader van de vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid van verzoekster.
31 Ter terechtzitting heeft verzoekster afstand gedaan van het derde middel. Dit hoeft derhalve niet meer te worden behandeld.
1. De conclusies betreffende de gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking
Eerste middel: fouten bij de vaststelling van de duur van de inbreuk en de hoogte van de geldboete
Derde onderdeel van het eerste middel: de rechtmatigheid van de vaststelling van de duur van de inbreuk
– Argumenten van partijen
32 Verzoekster is het oneens met het onderzoek van de Commissie waaruit blijkt dat de door Trioplast Wittenheim begane inbreuk 20 jaar en 5 maanden heeft geduurd, te weten van januari 1982 tot juni 2002. Zij is van mening dat de geldboete verlaagd dient te worden op grond van de argumenten die zij naar voren brengt ten aanzien van de duur van de deelname van Trioplast Wittenheim aan de inbreuk.
33 Allereerst betoogt verzoekster dat tijdens de bijeenkomst van Valveplast van 23 maart 1999 een einde is gemaakt aan de deelname van Trioplast Wittenheim aan de concurrentiebeperkende praktijken. De duur van de inbreuk van Trioplast Wittenheim zou derhalve 17 jaar en 2 maanden hebben bedragen, en de periode waarover verzoekster hoofdelijk aansprakelijk zou zijn zou volgens haar van 21 januari tot 23 maart 1999 lopen. Tijdens de bijeenkomst van 23 maart 1999 zou verzoekster, die enkele weken daarvoor Trioplast Wittenheim had verkregen, namelijk voor het eerst kennis hebben gekregen van de in het geding zijnde concurrentiebeperkende praktijken. Volgens verzoekster zou B., een van haar directieleden, die later voorzitter van de Raad van Bestuur van Trioplast Wittenheim is geworden en die deze laatste vertegenwoordigde, zich niet hebben gemengd in de ongeoorloofde besprekingen. Verzoekster zou daarna een interne richtlijn hebben opgesteld om een einde te maken aan de inbreuk.
34 Hoewel Trioplast Wittenheim erkent dat zij in 2001 drie bijeenkomsten van Valveplast heeft bijgewoond, blijft verzoekster van mening dat tijdens deze bijeenkomsten branchegerichte besprekingen werden gevoerd met betrekking tot twee projecten die als legaal werden beschouwd, te weten, enerzijds, een prijscalculatieschema voor FFS-buisfolies om de overgang naar dunnere folies te vergemakkelijken, en, anderzijds, het vaststellen van parameters voor internetveilingen. Voor zover is gebleken dat de besprekingen concurrentiebeperkend van aard waren, zou Trioplast Wittenheim daar geen belang aan hebben gehecht. Trioplast Wittenheim zou derhalve niet de bedoeling hebben gehad om het kartel in haar eigen voordeel te gebruiken.
35 Voor het geval dat het Gerecht zou oordelen dat Trioplast Wittenheim aan de inbreuk heeft deelgenomen door aanwezig te zijn bij de drie bijeenkomsten van Valveplast die in 2001 zijn gehouden, verklaart verzoekster dat Trioplast Wittenheim zich uit het kartel heeft teruggetrokken tussen 23 maart 1999 en 27 maart 2001 en dat laatstgenoemde in juli 2001 definitief een einde aan haar deelname aan het kartel heeft gemaakt. Uitgaande van deze veronderstelling zou de inbreuk van Trioplast Wittenheim maximaal 17 jaar en 6 maanden hebben geduurd.
36 Ten aanzien van het feit dat haar dochteronderneming niet heeft deelgenomen aan het kartel tussen 1999 en 2001, brengt verzoekster naar voren dat, gedurende de betrokken periode, Trioplast Wittenheim de bedoeling had om een einde te maken aan de ongeoorloofde samenwerking, die door de vorige eigenaren of directie in gang was gezet, om zelfstandig en marktconform te handelen en derhalve om haar marktvolume en marktaandeel te vergroten, alsmede om in haar handelsbetrekkingen de informatie die zij naar aanleiding van de in het geding zijnde concurrentiebeperkende praktijken had verkregen, buiten beschouwing te laten.
37 Dat Trioplast Wittenheim zich definitief uit Valveplast heeft teruggetrokken, blijkt volgens verzoekster uit het feit dat zij na 12 juli 2001 geen bijeenkomsten meer heeft bijgewoond. Verzoekster voegt daaraan toe dat het concern Trioplast in november 2001 een compliance programma heeft ingevoerd, hetgeen zou bewijzen dat zij afstand had genomen van ieder concurrentiebeperkend gedrag. Verzoekster voert voorts aan dat Trioplast Wittenheim nooit heeft deelgenomen aan een eventuele onderlinge afstemming bij internetveilingen, een onderwerp dat ter sprake was gekomen tijdens de bijeenkomsten waar zij bij aanwezig was. Trioplast Wittenheim zou destijds slechts aan een enkele veiling hebben deelgenomen, waarbij echter geen sprake was van onderlinge afstemming.
38 De Commissie concludeert tot afwijzing van het onderhavige onderdeel van het eerste middel.
– Beoordeling door het Gerecht
39 Volgens de rechtspraak dient de Commissie niet alleen bewijzen aan te voeren met betrekking tot het bestaan van een kartel, maar ook met betrekking tot de duur ervan. In dit opzicht is het van belang dat bij ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, de Commissie ten minste bewijzen moet aanvoeren die betrekking hebben op feiten die in de tijd voldoende dichtbij elkaar liggen, zodat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee precieze tijdstippen ononderbroken heeft voortgeduurd (arresten Gerecht van 7 juli 1994, Dunlop Slazenger/Commissie, T‑43/92, Jurispr. blz. II‑441, punt 79, en 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T‑120/04, Jurispr. blz. II‑4441, punt 51). Voorts zij erop gewezen dat de periode tussen twee manifestaties van een inbreukmakende gedraging weliswaar een relevant criterium is om het voortdurende karakter van een inbreuk te bewijzen, maar dat de vraag of die periode al dan niet lang genoeg is om als een onderbreking van de inbreuk te worden aangemerkt, niet in abstracto kan worden onderzocht. Deze vraag moet integendeel in de context van de werking van de betrokken mededingingsregeling worden beoordeeld (arrest Gerecht van 19 mei 2010, IMI e.a./Commissie, T‑18/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 89).
40 De verdeling van de bewijslast kan evenwel variëren, aangezien de door een partij aangevoerde feiten van dien aard kunnen zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij ontbreken waarvan mag worden geconcludeerd dat het bewijs is geleverd (arrest Gerecht Peróxidos Orgánicos/Commissie, punt 39 supra, punt 53; zie ook in die zin arresten Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 79, en 17 juni 2010, Lafarge/Commissie, C‑413/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 21).
41 In deze context geldt dat, indien de deelname aan een kartel, de mate van deze deelname of de duur daarvan betwist zijn, het volstaat dat de Commissie aantoont dat de betrokken onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten tijdens welke mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten, en zich daar niet duidelijk tegen heeft verzet, om de deelneming van die onderneming aan de mededingingsregeling genoegzaam te bewijzen. Wanneer de deelneming aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, dient die onderneming aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelneming aan die bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt, dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 40 supra, punt 81).
42 Indien een onderneming aan een bijeenkomst deelneemt zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, wekt zij bij de andere deelnemers de indruk dat zij het eens is met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zal houden (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 40 supra, punt 82).
43 In casu staat vast dat Trioplast Wittenheim heeft deelgenomen aan het kartel van januari 1982 tot 23 maart 1999 en dat verzoekster inbreuk heeft gemaakt op artikel 81 EG tussen 21 januari 1999 en 23 maart 1999, aangezien zij deel uitmaakte van dezelfde economische eenheid als Trioplast Wittenheim. Verzoekster betwist echter dat Trioplast Wittenheim heeft deelgenomen aan het kartel gedurende de periode van 23 maart 1999 tot juni 2002. Subsidiair is verzoekster van mening dat Trioplast Wittenheim zich uit het kartel heeft teruggetrokken gedurende de periode tussen 23 maart 1999 en 27 maart 2001 en dat aan haar deelname aan de bijeenkomsten van Valveplast definitief een einde kwam op 12 juli 2001.
44 In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat verzoekster erkent dat Trioplast Wittenheim heeft deelgenomen aan de concurrentiebeperkende bijeenkomsten van Valveplast van 23 maart 1999 en van 27 maart, 8 juni en 12 juli 2001, die met name waren gewijd aan het prijscalculatieschema voor buisfolies en aan de onderlinge afstemming bij internetveilingen. Uit het dossier blijkt dat B., die destijds directielid was van het concern Trioplast alsmede voorzitter van de raad van bestuur van Trioplast Wittenheim, deze laatstgenoemde heeft vertegenwoordigd tijdens deze bijeenkomsten, met uitzondering van de bijeenkomst van 12 juli 2001, waarbij een zekere W. aanwezig zou zijn geweest.
45 Aldus dient te worden overwogen dat, aangezien vaststaat dat Trioplast Wittenheim aan deze bijeenkomsten heeft deelgenomen, verzoekster gehouden was om zodanige bewijzen aan te voeren dat vast zou komen te staan dat de deelname van Trioplast Wittenheim aan de genoemde bijeenkomsten in het geheel geen concurrentiebeperkend karakter had. Hoewel verzoekster aangeeft dat Trioplast Wittenheim met haar aanwezigheid bij de betrokken bijeenkomsten niet de bedoeling heeft gehad om deel te nemen aan een verboden kartel en zich niet heeft gemengd in de ongeoorloofde besprekingen, toont zij niet aan dat Trioplast Wittenheim zich publiekelijk heeft gedistantieerd van de inhoud van deze bijeenkomsten. Derhalve kan de bewering van verzoekster, dat Trioplast Wittenheim op 23 maart 1999 een einde heeft gemaakt aan haar deelname aan het kartel, geen stand houden.
46 In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat, voor wat betreft de periode tussen 23 maart 1999 en 27 maart 2001, uit de bestreden beschikking, en met name uit bijlage 1 hiervan betreffende de details van de bijeenkomsten van Valveplast, blijkt, dat de Commissie niet over directe bewijzen beschikt dat Trioplast Wittenheim heeft deelgenomen aan de bijeenkomsten van Valveplast die zouden hebben plaatsgevonden tijdens de genoemde periode. De Commissie betwist dit niet.
47 Daarentegen staat vast dat Trioplast Wittenheim is uitgenodigd om aan deze bijeenkomsten deel te nemen en dat zij zich meerdere keren heeft laten verontschuldigen. Enerzijds heeft de Commissie deze omstandigheid uitgebreid ter sprake gebracht zowel in haar memories als tijdens de zitting, zonder dat verzoekster haar op enig moment heeft tegengesproken. Anderzijds wordt de bewering van de Commissie gestaafd met verschillende dossierstukken, waarvan verzoekster noch het bestaan noch de inhoud heeft betwist. Het gaat met name om de verslagen van de bijeenkomsten van 27 augustus en 25 november 1999, en van 23 maart en 18 augustus 2000, waaruit blijkt dat Trioplast Wittenheim zich heeft laten verontschuldigen voor haar afwezigheid, en het verslag betreffende de bijeenkomst van 5 december 2000, waaruit blijkt dat laatstgenoemde daar in ieder geval voor is uitgenodigd.
48 Gezien deze omstandigheden kan worden gesteld dat, op basis van de door de Commissie aangedragen argumenten, de inbreuk ononderbroken heeft voortgeduurd van 23 maart 1999 tot 27 maart 2001. Bovendien heeft verzoekster geen enkel argument aangedragen waaruit blijkt dat Trioplast Wittenheim zich tijdens de bijeenkomst van 23 maart 1999 of gedurende de periode daarna van het kartel heeft gedistantieerd. De bewering van verzoekster dat Trioplast Wittenheim zelfstandig en marktgericht heeft gehandeld zonder daarbij rekening te houden met de informatie die zij eerder had verkregen door middel van de contacten met de andere deelnemers van het kartel, doet hier niets aan af.
49 In de derde plaats kan, met betrekking tot de periode tussen de bijeenkomst van 12 juli 2001 en 26 juni 2002, worden volstaan met vast te stellen dat verzoekster niet heeft aangetoond dat Trioplast Wittenheim zich tijdens deze bespreking of in de periode daarna, ten opzichte van de andere deelnemers, expliciet heeft gedistantieerd van de inhoud van de bijeenkomst van 12 juli 2001. Ook is niet vast komen te staan dat Trioplast Wittenheim zich, in de zin van de rechtspraak, van het kartel heeft gedistantieerd gedurende de periode tussen 12 juli 2001 en 26 juni 2002.
50 In verband hiermee dient rekening te worden gehouden met het feit dat uit het dossier blijkt dat Trioplast Wittenheim op 10 december 2001 door T. schriftelijk is uitgenodigd om deel te nemen aan de bijeenkomst die de dag erna te Parijs zou plaatsvinden. Bovendien blijkt uit de aantekeningen die tijdens deze bijeenkomst zijn gemaakt, dat de andere deelnemers niet wisten wat de bedoelingen van Trioplast Wittenheim waren ten aanzien van haar deelname aan het kartel. Zo staat in de aanhef van de genoemde aantekeningen het volgende: „Deelnemers: alleen Fardem, B-K, RKW, Cofira en wij, BPI komt niet meer, en van TRIO [Trioplast] weten wij het niet.”
51 Derhalve treft de bewering van verzoekster dat Trioplast Wittenheim op 12 juli 2001 definitief een einde heeft gemaakt aan haar deelname aan het kartel, geen doel.
52 Bijgevolg stelt verzoekster ten onrechte dat de bestreden beschikking onwettig is met betrekking tot de vaststelling van de duur van de door haar dochteronderneming, Trioplast Wittenheim, begane inbreuk en dientengevolge, in haar hoedanigheid van moederonderneming, met betrekking tot de vaststelling van haar eigen inbreuk.
53 Mitsdien moet het derde onderdeel van het eerste middel worden verworpen, en dientengevolge ook de conclusie die strekt tot de gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1, lid 1, sub g van de bestreden beschikking.
Eerste onderdeel van het eerste middel: de rechtmatigheid van de berekeningsmethode van de geldboete
– Argumenten van partijen
54 Verzoekster betoogt dat de door de Commissie gebruikte methode om de hoogte van de aan haar opgelegde geldboete te berekenen, berust op een essentiële fout en dat deze bovendien in strijd zou zijn met de rechtspraak. Volgens verzoekster is deze methode nooit eerder toegepast.
55 Zij wijst erop dat zij niet aansprakelijk wordt gehouden vanwege het feit dat zij zelf de mededingingsregels heeft overtreden. Zij wordt slechts hoofdelijk aansprakelijk geacht op grond van de deelname van Trioplast Wittenheim aan de concurrentiebeperkende praktijken gedurende de periode waarin verzoekster eigenaar van deze onderneming was, te weten de periode van 21 januari 1999 tot 26 juni 2002.
56 De fout die de Commissie heeft gemaakt, zou bestaan uit het feit dat zij bij de berekening van de geldboete geen rekening heeft gehouden met het feit dat de door Trioplast Wittenheim begane inbreuk zich uitstrekte over drie afzonderlijke periodes, te weten de periode waarin zij in handen was van de Compagnie de Saint-Gobain, de periode waarin zij in handen was van FLS Plast en FLSmidth en de periode dat zij behoorde tot het concern Trioplast. Voor FLS Plast, FLSmidth en verzoekster zou de door de Commissie gehanteerde berekeningswijze tot gevolg hebben dat de hoofdelijke aansprakelijkheden van deze ondernemingen tezamen hoger zijn dan het totaalbedrag van de geldboete die aan Trioplast Wittenheim is opgelegd, wat geen steek houdt. De genoemde ondernemingen zouden ook een hoofdelijke geldboete opgelegd hebben gekregen voor de periode waarin geen van hen Trioplast Wittenheim in handen had. Deze handelswijze zou in strijd zijn met de rechtspraak en met name met het arrest van het Hof van 16 november 2000, Cascades/Commissie (C‑279/98 P, Jurispr. blz. I‑9693).
57 Verzoekster merkt enerzijds op dat de fundamentele beginselen met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkheid inhouden dat deze aansprakelijkheid gelijk is aan de aansprakelijkheid van degene waarmee men hoofdelijk verbonden is en niet op een verschillende manier tot stand kan komen. Zij zou derhalve met Trioplast Wittenheim hoofdelijk aansprakelijk moeten zijn voor het gedeelte van de geldboete dat overeenkomt met de duur van de periode dat zij deze dochteronderneming in handen had, dat wil zeggen drie jaar. Anderzijds merkt verzoekster op dat de door de Commissie gebruikte methode inhoudt dat de drie jaar gedurende welke verzoekster Trioplast Wittenheim in handen had, dubbel worden gerekend, aangezien de betrokken jaren zowel aan Trioplast Wittenheim als aan haar worden toegerekend.
58 Wat haar bewering betreft dat de berekeningsmethode nooit eerder zou zijn toegepast, stelt verzoekster dat de omstandigheid waar de Commissie zich op beroept, namelijk dat de genoemde methode zou zijn toegepast in een reeks beschikkingen sinds de zaak AstraZeneca (Zaak COMP/A.37.507/F3 – AstraZeneca, PB 2006, L 332, blz. 24), ongegrond is. De communautaire rechtsprekende instanties zouden zich niet hebben uitgesproken over de betrokken beschikkingen en deze zouden geen gevestigde praktijk vormen.
59 Verzoekster is van mening dat, gezien de nadelen van de toegepaste methode, de Commissie de methode had moeten toepassen die zij voorheen in enkele zaken had gebruikt, waaronder de zaak Organische peroxides (Zaak COMP/E-2/37.857 – Organische peroxides, PB 2005, L 110, blz. 44). In deze zaak, die een dochteronderneming betreft die langer aan de betrokken inbreuk had deelgenomen dan haar moederonderneming, zou de Commissie slechts één basisbedrag van de geldboete hebben vastgesteld en zou zij dit bedrag, anders dan in het geval van Trioplast Wittenheim en haar moederondernemingen, hebben verdeeld over de twee economische eenheden die er achtereenvolgens bij betrokken waren, te weten de eenheid die de dochteronderneming vormt en de eenheid die de dochter- en de moederonderneming tezamen vormen. Vervolgens zou voor elk van deze economische eenheden het basisbedrag van de geldboete zijn aangepast, rekening houdende met de duur van de deelname, de verzwarende en de verzachtende omstandigheden en het plafond van 10 % van de omzet. Uitgaande van de parameters zoals die door de Commissie zijn vastgesteld in het geval van verzoekster, zou het resultaat van deze methode zijn dat zij samen met Trioplast Wittenheim hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor een bedrag ten belope van 2,58 miljoen EUR.
60 Een tweede methode die de Commissie, volgens verzoekster, had kunnen gebruiken, zou erin bestaan het totaalbedrag van de geldboete van Trioplast Wittenheim, dat wil zeggen 17,85 miljoen EUR, te delen door 20 jaar, ofwel de totale duur van de inbreuk, waarmee een uitkomst van 0,89 miljoen EUR per jaar wordt verkregen. Om het bedrag vast te stellen waarvoor FLS Plast en FLSmidth, enerzijds, en verzoekster, anderzijds, hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn, moet de Commissie, volgens deze methode, het bedrag per jaar vermenigvuldigen met 8 jaar respectievelijk 3 jaar. Volgens deze methode zouden verzoekster en Trioplast Wittenheim samen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een bedrag van 2,67 miljoen EUR.
61 Voor het geval dat het Gerecht de berekeningsmethode die in casu werd toegepast, zou aanvaarden, is verzoekster van mening dat zij ongelijk is behandeld ten opzichte van de ondernemingen die een geldboete opgelegd hebben gekregen op grond van de beginselen die ten grondslag liggen aan de beschikkingen die in de zaken Organische peroxides en Koperen leidingbuizen zijn aangenomen (Zaak C.38.069 – Koperen leidingbuizen, PB 2006, L 192, blz. 21). Voorts stelt verzoekster dat zij ongelijk is behandeld ten opzichte van de ondernemingen die tot een geldboete zijn veroordeeld overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „nieuwe richtsnoeren voor de berekening van geldboeten”), bij toepassing waarvan de geldboete voor haar aanzienlijk lager zou zijn uitgevallen.
62 De Commissie concludeert tot afwijzing van het onderhavige onderdeel van het eerste middel.
– Beoordeling door het Gerecht
63 Opgemerkt dient te worden dat artikel 1 van de bestreden beschikking bepaalt dat Trioplast Wittenheim, FLS Plast, FLSmidth alsmede verzoekster inbreuk hebben gemaakt op artikel 81 EG. Er staat vermeld dat de inbreuk van Trioplast Wittenheim heeft geduurd van 6 januari 1982 tot 26 juni 2002, die van FLS Plast en FLSmidth van 31 december 1990 tot 19 januari 1999 en die van verzoekster van 21 januari 1999 tot 26 juni 2002. Ingevolge artikel 2, eerste alinea, sub f, van de bestreden beschikking is een geldboete van 17,85 miljoen EUR opgelegd aan Trioplast Wittenheim en worden FLS Plast en FLSmidth, voor dit bedrag, hoofdelijk aansprakelijk gesteld ten belope van 15,3 miljoen EUR en verzoekster ten belope van 7,73 miljoen EUR.
64 In het kader van het onderhavige middel betwist verzoekster in wezen de juistheid van de door de Commissie gebruikte berekeningsmethode om de hoogte van de „geldboeten” vast te stellen. Allereerst constateert het Gerecht in verband hiermee dat de Commissie met name in overweging 879 van de bestreden beschikking onderscheid maakt tussen, enerzijds, de geldboeten die worden opgelegd aan bepaalde adressaten en, anderzijds, de bedragen waarvoor andere adressaten van de bestreden beschikking hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. In dit opzicht is het opmerkelijk dat de Commissie, in genoemde overweging 879 van de bestreden beschikking, in sommige gevallen de bedragen die het resultaat zijn van haar berekeningsmethode oplegt aan de dochterondernemingen die direct hebben deelgenomen aan het kartel, als boete, en aan de moederondernemingen, als plafond waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. In andere gevallen gebeurt het tegenovergestelde en worden de genoemde bedragen aan de moederondernemingen opgelegd als boete en aan de dochterondernemingen die direct hebben deelgenomen aan het kartel als plafond waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de geldboete.
65 Bovendien moet worden geconstateerd dat de Commissie bij het gebruik van de term „geldboete” geen onderscheid maakt tussen de geldboete als zodanig en het plafond waarvoor de adressaat hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van de geldboete. Dit gebruik zonder onderscheid van de term „geldboete” blijkt met name uit de overwegingen 784, 841 en 867 van de bestreden beschikking, waarin de Commissie, zoals blijkt uit het dictum van de bestreden beschikking, de vastgestelde bedragen aanduidt zowel met geldboete als met hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de genoemde geldboete.
66 Aldus dient te worden geconstateerd dat de door de Commissie gebruikte berekeningmethode alleen ziet op de bepaling van de bedragen die voor de adressaten van de bestreden beschikking moeten worden vastgesteld, en niet op de aard van het voor hen vastgestelde bedrag. Aangezien de genoemde berekeningsmethode van de Commissie geen duidelijkheid verschaft over de aard van de bedragen die voor de adressaten van de bestreden beschikking worden vastgesteld, ofwel als geldboete of als plafond waarvoor de onderneming hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van de geldboete, zal het Gerecht zich, in het kader van het onderhavige middel, beperken tot het onderzoeken van de juistheid van de betwiste, door de Commissie gebruikte berekeningsmethode, voor zover deze methode de bepaling van de vastgestelde bedragen betreft.
67 Wat allereerst de berekening betreft van het voor Trioplast Wittenheim vastgestelde bedrag, is in voornoemde punten 17 tot en met 20 aangegeven dat de Commissie op een eindbedrag van 17,85 miljoen EUR is uitgekomen door haar, in het kader van een gedifferentieerde behandeling en op grond van het marktaandeel dat zij met het betrokken product op het relevante grondgebied had gerealiseerd, in te delen in de vijfde categorie en voor haar een basisbedrag van 8,5 miljoen EUR vast te stellen. Vervolgens heeft de Commissie het basisbedrag van 8,5 miljoen EUR verhoogd met 200 % op grond van de duur van haar deelname aan het kartel, die is vastgesteld op 20 jaar en 5 maanden, hetgeen heeft geleid tot een basisbedrag van 25,5 miljoen EUR. Aangezien er geen sprake was van verzwarende en verzachtende omstandigheden en het plafond van 10 % van de omzet niet relevant was, heeft de Commissie alleen een vermindering van 30 % van het basisbedrag toegepast in verband met de clementieregeling.
68 Vervolgens heeft de Commissie zich met betrekking tot de berekening van het voor verzoekster vastgestelde bedrag gebaseerd op hetzelfde basisbedrag als voor Trioplast Wittenheim. Daarna heeft de Commissie het basisbedrag met 30 % verhoogd, zodat het basisbedrag de duur van de deelname van verzoekster aan de inbreuk weergeeft, te weten 3 jaar. Het basisbedrag van 11,05 miljoen EUR is met 30 % verminderd op grond van de clementieregeling. Dientengevolge bedraagt het bedrag dat voor verzoekster wordt vastgesteld 7,73 miljoen EUR.
69 Dezelfde methode is toegepast op de voormalige moederonderneming van Trioplast Wittenheim, FLS Plast, en op haar holding, FLSmidth, voor wie een bedrag van 15,3 miljoen EUR is vastgesteld. In hun geval is geen vermeerdering of vermindering toegekend op grond van verzwarende of verzachtende omstandigheden, en anders dan voor verzoekster, ook geen vermindering op grond van de clementieregeling.
70 In het licht van deze overwegingen dient te worden geoordeeld dat, onder voorbehoud van de beoordeling van de andere middelen waar verzoekster zich op beroept, laatstgenoemde niet heeft aangetoond dat de Commissie, in het kader van de bepaling van de voor Trioplast Wittenheim en voor verzoekster vastgestelde bedragen, verordening nr. 1/2003 heeft geschonden of dat zij geen rekening heeft gehouden met de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die worden opgelegd uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en van artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren voor de berekening van geldboeten”). Verzoekster heeft in het kader van het onderhavige onderdeel van het eerste middel geen enkel argument aangedragen, waaruit kan worden afgeleid dat de berekeningsmethode als zodanig zou berusten op een fundamentele fout of in strijd zou zijn met de rechtspraak.
71 In de eerste plaats dient te worden vastgesteld dat de bewering van verzoekster dat zij niet zelf de mededingingsregels heeft overtreden, geen stand kan houden. Zo is voor verzoekster, aan wie de concurrentiebeperkende praktijken van Trioplast Wittenheim tijdens de periode van 21 januari 1999 tot 26 juni 2002 worden toegerekend, ingevolge artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 een bedrag vastgesteld op grond van haar aansprakelijkheid voor een inbreuk die zij vanwege deze toerekening wordt geacht zelf te hebben begaan (zie in die zin arrest Hof van 16 november 2000, Metsä-Serla e.a./Commissie, C‑294/98 P, Jurispr. blz. I‑10065, punt 28). In dit opzicht dient te worden benadrukt dat de toerekening van het gedrag van Trioplast Wittenheim aan verzoekster op geen enkele wijze wordt betwist.
72 In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat verzoekster ten onrechte aanvoert dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat Trioplast Wittenheim tijdens het kartel, dat meer dan 20 jaar heeft geduurd, heeft toebehoord aan drie achtereenvolgende moederondernemingen. Uit de bestreden beschikking blijkt dat bij de bepaling van de voor verzoekster alsmede voor FLS Plast en FLSmidth vastgestelde bedragen, de Commissie wel degelijk is uitgegaan van een nauwe samenhang tussen deze bedragen en de duur van de betrokkenheid van elk van de moederondernemingen van Trioplast Wittenheim. Zoals uit voornoemd punt 68 is gebleken, heeft de Commissie in het geval van verzoekster het basisbedrag van 8,5 miljoen EUR met 30 % verhoogd, dat wil zeggen 10 % voor ieder heel jaar dat verzoekster het kapitaal van Trioplast Wittenheim in handen had. Dezelfde methode is toegepast bij FLS Plast en FLSmidth.
73 Mitsdien is de bewering van verzoekster dat zij aansprakelijk zou zijn gesteld voor een inbreuk die zij niet heeft begaan, ongegrond. In dit opzicht is het arrest Cascades/Commissie, punt 56 supra, waar verzoekster zich op beroept, niet relevant, aangezien het, in tegenstelling tot het onderhavige geval, de aansprakelijkheid van de moederonderneming betreft voor inbreuken die door de dochterondernemingen zijn begaan voordat zij in handen kwamen van de moederonderneming.
74 Voorts kan, voor zover verzoekster heeft aangevoerd dat de Commissie het basisbedrag door drie had moeten delen alvorens het aan te passen aan de specifieke omstandigheden, worden volstaan met vast te stellen dat enerzijds verzoekster geen enkele rechtsregel of -beginsel heeft aangevoerd die de Commissie een verplichting in die zin oplegt. Anderzijds kan een benadering waarbij voor een moederonderneming hetzelfde basisbedrag wordt vastgesteld als voor de dochteronderneming die direct aan het kartel heeft deelgenomen, zonder dat dit basisbedrag, in het geval van meerdere in de tijd achtereenvolgende moederondernemingen, wordt opgedeeld, op zichzelf niet als onjuist worden beschouwd. In het kader van de doelmatigheid die de Commissie met het gebruik van deze berekeningsmethode nastreeft, is het inderdaad mogelijk dat voor een moederonderneming, die voor een inbreuk aansprakelijk wordt gesteld op grond van toerekening ervan aan haar, hetzelfde basisbedrag wordt vastgesteld als voor een moederonderneming die zelf direct aan het kartel heeft deelgenomen. Dit is in overeenstemming met de doelstelling van het mededingingsbeleid en, in het bijzonder, het daarop gebaseerde boetebeleid, dat erop gericht is om het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat zij de mededingingsregels naleven (zie in die zin arrest Gerecht van 6 april 1995, Martinelli/Commissie, T‑150/89, Jurispr. blz. II‑1165, punt 59).
75 In ieder geval kan een verplichting om het basisbedrag te splitsen onder de voorwaarden zoals weergegeven in voornoemd punt 74, niet voortvloeien uit de enkele omstandigheid dat een dergelijke splitsing zou zijn toegepast bij de behandeling van eerdere zaken, zoals de zaak Organische peroxides. Voor zover er sprake zou zijn van een gevestigde beschikkingspraktijk van de Commissie betreffende de berekeningsmethode van bedragen ten tijde van de door verzoekster bedoelde beschikkingen, zou niets eraan in de weg staan dat deze praktijk in de onderhavige zaak opzij wordt gezet of dat ervan wordt afgeweken. Het is namelijk vaste rechtspraak dat de bestaande beschikkingspraktijk van de Commissie op zichzelf geen juridisch kader vormt voor de berekening van geldboeten in mededingingszaken, daar dit kader uitsluitend is neergelegd in verordening nr. 1/2003 (zie in die zin arrest Hof van 24 september 2009, Erste Bank der österreichischen Sparkassen/Commissie, C‑125/07 P, C‑133/07 P, C‑135/07 P en C‑137/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 233, en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook, voor een analoge toepassing, arrest Gerecht van 20 maart 2002, LR AF 1998/Commissie, T‑23/99, Jurispr. blz. II‑1705, punt 234).
76 In de derde plaats dient, in het verlengde van de vorige punten, te worden opgemerkt dat de omstandigheid dat de som van de voor verzoekster enerzijds en voor FLS Plast en FLSmidth anderzijds vastgestelde bedragen hoger is dan het bedrag dat is vastgesteld voor hun dochteronderneming Trioplast Wittenheim, op zichzelf niet kan leiden tot de conclusie dat de door de Commissie toegepaste berekeningsmethode kennelijk onjuist is. Rekening houdende met de toepassing van de methodiek zoals uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten en van het beginsel van de individualiteit van straffen en sancties in de onderhavige omstandigheden, staat het de Commissie vrij om, aangezien het bestaan van een economische eenheid die heeft deelgenomen aan de inbreuk vaststaat, een van de rechtspersonen die daartoe behoort of heeft behoord, of het nu gaat om de moederonderneming of een dochteronderneming, aansprakelijk te stellen voor de betaling van een bedrag dat hoger is dan dat waartoe de andere rechtspersoon of rechtspersonen, die de genoemde economische eenheid vormen of hebben gevormd, gehouden zijn. Hieruit volgt dat, indien een inbreuk is begaan door een dochteronderneming die tijdens de inbreuk achtereenvolgens aan meerdere economische eenheden heeft toebehoord, niet bij voorbaat als onjuist kan worden aangenomen dat de som van de voor de moederondernemingen vastgestelde bedragen hoger ligt dan het bedrag, of de som van de bedragen, die voor de genoemde dochteronderneming zijn vastgesteld.
77 In de vierde plaats dient met betrekking tot de bewering van verzoekster dat de Commissie de bij hoofdelijke aansprakelijkheid geldende fundamentele beginselen zou hebben geschonden, te worden opgemerkt dat verzoekster, in het kader van de onderbouwing van het onderhavige middel, de aard of de strekking van deze beginselen niet nader omschrijft. Ingeval verzoekster van mening is dat de drie argumenten in voornoemde punten 71 tot en met 76 daadwerkelijk een schending van deze beginselen inhouden, kan worden volstaan met te herhalen dat deze argumenten niet zijn onderbouwd, ongeacht wat de aard of de strekking van de betrokken beginselen is. Derhalve kan deze grief geen stand houden.
78 Voorts dient, voor zover verzoekster het bedrag waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de betaling van de aan Trioplast Wittenheim opgelegde geldboete betwist op grond dat de som van de bedragen van haar hoofdelijke aansprakelijkheid, enerzijds, en die van FLS Plast en FLSmidth, anderzijds, hoger zou zijn dan de geldboete die als hoofdsom aan Trioplast Wittenheim is opgelegd, te worden vastgesteld dat deze grief bij het zesde middel hoort. Hierop zal derhalve nader worden ingegaan bij de behandeling van het genoemde middel.
79 In de vijfde plaats dient te worden opgemerkt dat, met betrekking tot de bewering dat de drie jaar, gedurende welke Trioplast Wittenheim in handen van verzoekster was, bij de toepassing van de berekeningsmethode twee keer zijn meegerekend, niets zich ertegen verzet dat de Commissie rekening houdt met deze periode van drie jaar zowel bij de bepaling van het voor verzoekster vastgestelde bedrag als bij de bepaling van het voor Trioplast Wittenheim vastgestelde bedrag. Aangezien, in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid, de vordering van elke schuldeiser, ten opzichte van de hoofdschuldenaar en van degenen die met hem aansprakelijk zijn, vervalt door elke betaling, ongeacht van welke persoon die afkomstig is, kan een hoofdelijke aansprakelijkheid nooit worden gesplitst.
80 In de laatste plaats is de stelling van verzoekster dat de berekeningsmethode niet eerder zou zijn toegepast, feitelijk onjuist, aangezien uit de mondelinge behandeling voor het Gerecht is gebleken dat de Commissie deze berekeningsmethode daadwerkelijk in een reeks beschikkingen voorafgaand aan de bestreden beschikking heeft toegepast. Het enkele feit dat de communautaire rechterlijke instanties zich destijds niet hebben uitgesproken over de genoemde beschikkingen, doet niets af aan deze constatering. Voorts is, gezien de in voornoemd punt 75 aangehaalde rechtspraak, de omstandigheid dat de Commissie een andere methode heeft toegepast in de zaken voorafgaand aan de zaak AstraZeneca, niet relevant.
81 Rekening houdende met de door verzoekster aangevoerde argumenten in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel, kan niet worden geoordeeld dat zij heeft aangetoond dat de Commissie niet gerechtigd was om de onderhavige berekeningsmethode te gebruiken bij de bepaling van het voor verzoekster vastgestelde bedrag. Er zijn ook geen redenen om de grief betreffende de schending, door de Commissie, van het gelijkheidsbeginsel en de nieuwe richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten, die in casu overigens niet van toepassing zijn, te aanvaarden. Het volstaat in dit opzicht om te verwijzen naar de in voornoemd punt 75 aangehaalde rechtspraak betreffende de beschikkingspraktijk van de Commissie en naar de rechtspraak volgens welke de enkele omstandigheid dat de toepassing van de methode zoals beschreven in de nieuwe richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten, tot een lagere geldboete kan leiden dan die welke bij de bestreden beschikking is opgelegd, de onevenredigheid daarvan niet kan aantonen (zie in die zin arrest Gerecht van 27 september 2006, Archer Daniels Midland/Commissie, T‑329/01, Jurispr. blz. II‑3255, punt 380).
82 Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het eerste middel te worden afgewezen, zonder dat nader behoeft te worden ingegaan op de door verzoekster voorgestelde berekeningsmethoden.
Tweede onderdeel van het eerste middel: de rechtmatigheid van de vaststelling van de zwaarte van de inbreuk in het kader van de berekening van de geldboete
– Argumenten van partijen
83 Verzoekster verwijt de Commissie dat zij zich bij de vaststelling van het basisbedrag heeft gebaseerd op het marktaandeel van Trioplast Wittenheim in 1996, dat volgens de bestreden beschikking het laatste jaar van de inbreuk was waarin alle ondernemingen aan wie de bestreden beschikking was gericht, nog actief waren op de markt van de industriezakken.
84 Door, in het kader van de gedifferentieerde behandeling, te kiezen voor het jaar 1996 als referentiejaar zou de Commissie de praktijk hebben verloochend die zij zelf had gevestigd om de zwaarte van een inbreuk vast te stellen. Volgens deze praktijk, die door de communautaire rechterlijke instanties zou zijn erkend, zou het referentiejaar het laatste gehele jaar moeten zijn waarin de inbreuk heeft voortgeduurd ten einde de economische macht van elk van de deelnemers op de meest adequate wijze vast te kunnen stellen. Dientengevolge zou het referentiejaar in de onderhavige zaak het jaar 2001 moeten zijn.
85 Verzoekster is eveneens van mening dat, ook al had de methode van de Commissie inderdaad ten doel om aan FLS Plast en FLSmidth alsmede aan haarzelf een basisbedrag op te leggen dat aangepast was aan hun situatie en dus verschillend was van dat van Trioplast Wittenheim, dit bedrag betrekking zou moeten hebben op de periode gedurende welke de moederondernemingen Trioplast Wittenheim respectievelijk in handen hadden. Bijgevolg zou het voor haar vastgestelde basisbedrag wettelijk gezien niet op het marktaandeel van Trioplast Wittenheim in 1996 kunnen zijn gebaseerd, daar zij laatstgenoemde pas in 1999 heeft overgenomen.
86 Voor het geval dat het Gerecht het toch eens zou zijn met de keuze voor het jaar 1996 als referentiejaar, betoogt verzoekster dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Door zich te baseren op het marktaandeel van Trioplast Wittenheim in 1996, te weten 2,8 %, zou de Commissie de productie van openmondzakken en ventielzakken hebben meegerekend, die echter door Trioplast Wittenheim in 1997 is afgestoten. Gezien het feit dat het marktaandeel van Trioplast Wittenheim in 2001 ongeveer 0,4 % bedroeg, had de Commissie Trioplast Wittenheim in moeten delen in de zesde categorie van ondernemingen of zelfs in de zevende, maar niet in de vijfde.
87 Onder verwijzing naar de beoordelingsmarge waar zij in dit opzicht over beschikt, bevestigt de Commissie dat de keuze voor het jaar 1996 als referentiejaar gerechtvaardigd is, aangezien de Commissie op grond van de in dat jaar gerealiseerde omzet in staat was om de omvang en de economische macht van elke onderneming in de sector alsmede de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk te beoordelen. Het gelijkheidsbeginsel zou vereisen dat de Commissie één specifiek referentiejaar aanhoudt, zelfs als de keuze van een gegeven jaar als referentiejaar noodzakelijkerwijs zou inhouden dat sommige ondernemingen in vergelijking met andere jaren uitkomen op een hogere of een lagere omzet.
88 Volgens de Commissie was het gerechtvaardigd om het jaar 1996 als referentiejaar te kiezen, zelfs al heeft verzoekster Trioplast Wittenheim pas in 1999 van FLS Plast overgenomen. Zo zou de deelname van Trioplast Wittenheim aan het kartel zijn doorgegaan, zelfs nadat zij een andere moederonderneming had gekregen. De Commissie merkt op dat het referentiejaar kan liggen ofwel in de periode waarin FLS Plast erbij betrokken was ofwel in die waarin verzoekster dat was, maar niet tegelijkertijd in allebei.
89 Met betrekking tot de vermeende schending van het evenredigheidsbeginsel, legt de Commissie er de nadruk op dat het feit dat Trioplast Wittenheim in 1997 een bepaalde productie heeft afgestoten, juist een omstandigheid is die pleit voor de keuze van het jaar 1996 als referentiejaar, daar dit jaar een beter beeld geeft van de positie van Trioplast Wittenheim op de markt en ten opzichte van de andere leden van het kartel gedurende het grootste gedeelte (ongeveer drie kwart) van de totale duur van de inbreuk.
– Beoordeling door het Gerecht
90 Allereerst dient te worden opgemerkt dat, zoals uit voornoemd punt 75 blijkt, de Commissie niet is gebonden aan haar eerdere beschikkingen. Zelfs al zou de vaststelling van het referentiejaar in de onderhavige zaak een verandering van de gevestigde praktijk betekenen, dan nog zou deze omstandigheid op zich geen enkele invloed hebben op de rechtmatigheid van de bestreden beschikking.
91 Voorts is het vaste rechtspraak dat bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk wordt uitgegaan van de economische realiteit zoals die was op het tijdstip waarop de genoemde inbreuk werd begaan. De factoren die in dit opzicht relevant zijn voor de beoordeling, zijn namelijk de omvang en de economische macht van elke onderneming alsmede de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk (arrest Gerecht van 14 mei 1998, Sarrió/Commissie, T‑334/94, Jurispr. blz. II‑1439, punt 397, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bij de beoordeling van deze factoren moet noodzakelijkerwijs worden uitgegaan van de omzet in de betrokken periode (arrest Hof van 16 november 2000, Sarrió/Commissie, C‑291/98 P, Jurispr. blz. I‑9991, punt 86, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92 Indien het waar is, zoals verzoekster beweert, dat in de zaak die heeft geleid tot de arresten van 14 mei 1998, Sarrió/Commissie, punt 91 supra, en van 16 november 2000, Sarrió/Commissie, punt 91 supra, de toegepaste berekeningsmethode was gebaseerd op de omzet van het laatste volledige jaar van de inbreuk, houdt dit niet in dat altijd aan deze keuze moet worden vastgehouden. Uit dezelfde rechtspraak blijkt namelijk dat een berekeningsmethode gekozen moet worden waarmee de omvang en de economische macht van elke onderneming alsmede de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk kan worden beoordeeld met inachtneming van de economische realiteit zoals deze was op het tijdstip waarop de inbreuk werd gepleegd (arrest van 16 november 2000, Sarrió/Commissie, punt 91 supra, punt 88). Bovendien heeft het Gerecht overwogen dat de in aanmerking te nemen periode op dusdanige wijze moet worden bepaald, dat de verkregen omzetten zo veel mogelijk vergelijkbaar zijn (arrest Gerecht van 14 mei 1998, Fiskeby Board/Commissie, T‑319/94, Jurispr. blz. II‑1331, punt 42).
93 Dientengevolge moet de stelling van verzoekster dat het referentiejaar noodzakelijkerwijs het laatste volledige jaar van de inbreuk moet zijn, worden verworpen.
94 In casu moet echter worden opgemerkt dat de inbreuk gedurende meer dan 20 jaar heeft voortgeduurd en dat het aantal bij de inbreuk betrokken ondernemingen alsmede de vorm van elk van hen kunnen zijn veranderd gedurende deze 20 jaar, evenals de omvang en de economische macht van elk van hen. In dit opzicht moet worden vastgesteld dat verzoekster, hoewel zij onmiskenbaar één van de adressaten van de omstreden beschikking is, niet behoort, zoals blijkt uit overweging 767 van de beschikking, tot het geheel van ondernemingen zijnde adressaat van de bestreden beschikking, die, tijdens het als referentiejaar gekozen jaar 1996, actief waren op de markt van kunststof industriezakken. Bovendien blijkt uit het dossier dat de economische eenheid waartoe verzoekster behoorde in de periode tussen 21 januari 1999 en 26 juni 2002, dat wil zeggen de laatste jaren van de periode waarin de inbreuk plaatsvond, niet meer actief was in de productie van twee tot de sector van kunststof industriezakken behorende producten die voorheen door Trioplast Wittenheim werden gemaakt, en dat haar marktaandeel tijdens deze periode rond de 0,4 tot 0,5 % lag. Onder deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat de omzet en het marktaandeel waarop de Commissie zich baseert, te weten die van Trioplast Wittenheim in het jaar 1996, een afspiegeling vormen van de relatieve omvang en de economische macht van de onderneming waar verzoekster vanaf 1999 deel van uitmaakte.
95 Vanuit ditzelfde perspectief bezien, dient te worden opgemerkt dat uit de bestreden beschikking blijkt dat, in het kader van de berekening van de geldboeten, de Commissie heeft gekozen voor een geïndividualiseerde benadering, waarbij de adressaten van de bestreden beschikking die slechts hoofdelijk aansprakelijk waren gesteld op grond van hun hoedanigheid als moederonderneming, worden behandeld als directe deelnemer aan de inbreuk. Aldus kan er, voor zover verzoekster en Trioplast Wittenheim een economische eenheid vormden die niet heeft bestaan vóór 1999, bij ontbreken van enige andere relevante aanwijzing, voor deze eenheid geen verband bestaan tussen de keuze voor het jaar 1996 als referentiejaar en de economische realiteit zoals deze was op het tijdstip waarop deze onderneming deelnam aan de inbreuk. Derhalve kan dit referentiejaar geen indicatie vormen voor de omvang van de door verzoekster gepleegde inbreuk.
96 De door de Commissie aangevoerde argumenten met betrekking hiertoe kunnen aan deze gevolgtrekking niet afdoen. Voor zover de Commissie, met name in haar antwoord op de vragen van het Gerecht, de bedoeling had te verwijzen naar haar discretionaire bevoegdheid in deze, blijkt uit voornoemde punten 94 en 95 dat met de indeling van verzoekster, in het kader van de gedifferentieerde aanpak, in dezelfde categorie als die waarin Trioplast Wittenheim op grond van haar marktaandeel in 1996 was ingedeeld, de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Indien, in een veranderde situatie zoals in casu, wordt uitgegaan van het marktaandeel van een referentiejaar dat niet vergeleken kan worden met eerdere jaren, kan een ongelijke behandeling ontstaan wanneer vanuit temporeel oogpunt verschillende situaties worden beoordeeld op grond van één en hetzelfde referentiecriterium.
97 Het argument dat het jaar 1996 een goede afspiegeling zou zijn van de positie van Trioplast Wittenheim op de betrokken markt tijdens de gehele duur van de inbreuk, beter dan haar positie na het afstoten, in 1997, van de productie van bepaalde tot de sector industriezakken behorende producten, miskent bovendien het feit dat voor verzoekster, in de onderhavige zaak, bij de berekening van de geldboete door de Commissie een ander bedrag is vastgesteld dan voor haar dochteronderneming. In dit opzicht is het argument dat het marktaandeel van Trioplast Wittenheim als uitgangspunt dient in de gedifferentieerde behandeling van verzoekster, onjuist, aangezien deze gedifferentieerde behandeling is gebaseerd op een omzet waaraan verzoekster geen aandeel heeft gehad. Dientengevolge kan er geen verband bestaan tussen deze omzet en de economische realiteit op het tijdstip waarop verzoekster een economische eenheid met Trioplast Wittenheim vormde.
98 Gezien het bovenstaande, dient te worden vastgesteld dat het tweede onderdeel van het eerste middel moet worden aanvaard. Bijgevolg dient de bestreden beschikking nietig te worden verklaard, voor zover het voor verzoekster vastgestelde basisbedrag gebaseerd is op het in het referentiejaar 1996 gerealiseerde marktaandeel van Trioplast Wittenheim.
Tweede middel: de gegrondheid van de weigering van de Commissie om verzachtende omstandigheden toe te passen
Argumenten van partijen
99 Verzoekster is, in het kader van de vaststelling van de geldboete, van mening dat de Commissie rekening had moeten houden met de verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de deelname van Trioplast Wittenheim aan de inbreuk.
100 In de eerste plaats beweert verzoekster dat Trioplast Wittenheim slechts sporadisch heeft deelgenomen aan de ongeoorloofde bijeenkomsten. In dit opzicht beroept verzoekster zich op verschillende verslagen van de bijeenkomsten, waaruit met name zou blijken dat de andere deelnemers de deelname van Trioplast Wittenheim in twijfel trokken en dat laatstgenoemde regelmatig afwezig was bij de bijeenkomsten. Diezelfde documenten zouden bovendien bevestigen dat Trioplast Wittenheim economisch gezien van marginale betekenis was, gezien haar geringe marktaandeel, en dat deze onderneming geen proactieve houding aannam tijdens de discussies in het kader van de concurrentiebeperkende praktijken.
101 In de tweede plaats benadrukt verzoekster dat Trioplast Wittenheim slechts heeft deelgenomen aan drie van de zes subgroepen, te weten de subgroepen „Frankrijk”, „Benelux” en „blokzakken”, en dat Trioplast Wittenheim daar uiterlijk in februari 1997 uit is gestapt. Voor zover de deelname aan de subgroepen essentieel is geweest voor de inbreuk op artikel 81 EG, is verzoekster van mening dat deze inbreuk van Trioplast Wittenheim door de verjaringsvoorschriften is gedekt. In elk geval moet zowel het feit dat de deelname van Trioplast Wittenheim beperkt is gebleven tot het niveau van de subgroepen als het feit dat zij relatief vroegtijdig is gestopt, aangemerkt worden als een verzachtende omstandigheid.
102 In de derde plaats beweert verzoekster, voor het geval dat het Gerecht zou oordelen dat Trioplast Wittenheim na 23 maart 1999 aan de inbreuk heeft deelgenomen, dat de bijzondere rol van deze onderneming binnen Valveplast, gedurende de periode waarin zij haar dochteronderneming is geweest, moet worden beschouwd als een verzachtende omstandigheid. Verzoekster benadrukt in dit verband dat zij zich tijdens de bijeenkomst van 23 maart 1999 voor het eerst bewust werd van de concurrentiebeperkende praktijken van Valveplast. Dit zou blijken uit de overeenkomst tot overdracht van aandelen tussen FLS Plast en Trioplanex France en uit het arbitrale vonnis in een procedure betreffende de eventuele niet-naleving van deze overeenkomst. Bovendien zou, na deze bijeenkomst, een gedragsverandering binnen Trioplast Wittenheim hebben plaatsgevonden, waarbij haar werknemers een verbod opgelegd hebben gekregen om deel te nemen aan de concurrentiebeperkende praktijken van Valveplast, en is Trioplast Wittenheim te goeder trouw naar slechts drie bijeenkomsten, die in 2001 plaatsvonden, teruggekeerd, in de hoop legale aangelegenheden te bespreken.
103 In het verlengde van deze argumenten benadrukt verzoekster dat de feiten waar de Commissie zich op beroept en die tegen het bestaan van verzachtende omstandigheden pleiten, zoals de deelname aan de subgroepen, in haar geval niet relevant zijn, omdat zij betrekking hebben op een periode waarin zij Trioplast Wittenheim nog niet had overgenomen. Voor het geval dat de berekening van een geïndividualiseerde geldboete door het Gerecht in overweging zou worden genomen, is verzoekster van mening dat de Commissie rekening moet houden met de verzachtende omstandigheden die na de genoemde overname van toepassing waren, in ieder geval wat betreft haar aansprakelijkheid.
104 De Commissie concludeert tot afwijzing van het onderhavige middel.
Beoordeling door het Gerecht
105 Uit de rechtspraak volgt dat, voor zover een inbreuk door meerdere ondernemingen is begaan, de relatieve zwaarte van ieders deelneming aan die inbreuk in aanmerking dient te worden genomen (arrest Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73–48/73, 50/73, 54/73–56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punt 623) om vast te stellen of er rekening moet worden gehouden met verzachtende of verzwarende omstandigheden.
106 Volgens punt 3, eerste streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten vormt het feit dat de onderneming „een louter passieve rol vervulde of slechts meeloopster was” bij de totstandbrenging van de inbreuk, indien bewezen, een verzachtende omstandigheid. Een passieve rol houdt in dat de onderneming zich „op de achtergrond” houdt, dat wil zeggen niet actief deelneemt aan de uitwerking van de mededingingsverstorende overeenkomsten (zie in die zin arrest Gerecht van 9 juli 2003, Cheil Jedang/Commissie, T‑220/00, Jurispr. blz. II‑2473, punt 167).
107 In dit opzicht blijkt uit de rechtspraak dat als indicatie voor de passieve rol van een onderneming in een kartel onder meer in aanmerking kunnen worden genomen het feit dat zij de vergaderingen veel onregelmatiger heeft bijgewoond dan de gewone leden van het kartel, het feit dat zij pas later op de markt is gekomen waarop de inbreuk betrekking had, ongeacht de duur van haar deelneming hieraan, of het feit dat vertegenwoordigers van andere ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, een uitdrukkelijke verklaring in die zin hebben afgelegd (arresten Gerecht Cheil Jedang/Commissie, punt 106 supra, punt 168, en van 29 april 2004, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑236/01, T‑239/01, T‑244/01–T‑246/01, T‑251/01 en T‑252/01, Jurispr. blz. II‑1181, punt 331).
108 Bovendien heeft het Gerecht eerder reeds verklaard dat het feit dat andere ondernemingen die aan één en hetzelfde kartel deelnemen, actiever zijn dan een bepaalde deelnemer, niet inhoudt dat laatstgenoemde een louter passieve rol heeft vervuld of slechts meeloopster was. Alleen totale passiviteit zou in aanmerking kunnen worden genomen en moet worden aangetoond door de partij die zich erop beroept (zie in die zin arrest Gerecht van 26 april 2007, Bolloré e.a./Commissie, T‑109/02, T‑118/02, T‑122/02, T‑125/02 en T‑126/02, T‑128/02 en T‑129/02, T‑132/02 en T‑136/02, Jurispr. blz. II‑947, punt 611).
109 In casu dient te worden overwogen dat geen enkel argument met betrekking tot de passieve rol of de rol van meeloopster die verzoekster in het kader van het kartel zou hebben gespeeld, kan worden aanvaard. Deze argumenten zijn in drie groepen te verdelen: de eerste heeft met name betrekking op de afwezigheid van Trioplast Wittenheim bij de bijeenkomsten van Valveplast en op haar positie op de markt, de tweede betreft haar deelname aan de subgroepen en de laatste heeft te maken met de omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode na 1999.
110 In de eerste plaats blijkt uit bijlage 1 van de bestreden beschikking, waar veel bijzonderheden in vermeld staan over de bijeenkomsten van Valveplast die tussen 1984 en 2002 hebben plaatsgevonden, dat, behalve in de periode na 1999, waar in voornoemde punten 44 tot en met 50 op wordt ingegaan, Trioplast Wittenheim regelmatig aanwezig was bij de bijeenkomsten van Valveplast en dat zij zich meerdere malen heeft verontschuldigd wegens afwezigheid. Aangezien deze feiten niet zijn weersproken, en zonder dat het in dit stadium nodig is om nader in te gaan op de frequentie van de deelname van Trioplast Wittenheim aan de bijeenkomsten van de subgroepen, kan de Commissie in casu niet worden verweten dat zij niet heeft vastgesteld dat in het geval van deze onderneming sprake is van een passieve rol of een rol van meeloopster op grond van een beperkte frequentie van haar deelname aan de bijeenkomsten van Valveplast.
111 In dit opzicht dient te worden benadrukt dat er voor de Commissie ook geen reden was om te veronderstellen dat de andere betrokkenen reële twijfels hadden omtrent de deelname van Trioplast Wittenheim. Verzoekster heeft dienaangaande geen bewijs aangevoerd, zoals verklaringen van andere deelnemers aan het kartel over de specifieke rol die Trioplast Wittenheim zou hebben gespeeld. De beweringen van verzoekster berusten uitsluitend op de inhoud van de verslagen van de bijeenkomsten van Valveplast, die niet van dien aard is dat het een bewijs is van de conclusies die verzoekster eraan wil verbinden. De opmerking in het verslag van de bijeenkomst van 2 maart 1993 betreffende de verandering van de „passieve deelname” van G., die Trioplast Wittenheim vertegenwoordigde, in een „actieve deelname”, betekent niet noodzakelijkerwijs dat er bij de andere leden twijfel bestond ten aanzien van de betrokkenheid van deze onderneming als zodanig, want vóór 1992 werd zij door andere personen vertegenwoordigd. In ieder geval geeft het verslag aan dat G. vanaf maart 1993 actief is gaan deelnemen aan het kartel. De omstandigheid dat een deelnemer van Valveplast, in 2000, opdracht zou hebben gekregen om contact op te nemen met de vertegenwoordiger van Trioplast Wittenheim om de toekomstige vertegenwoordiging van laatstgenoemde te bespreken, vormt op zich evenmin een grond om te twijfelen aan haar deelname aan het kartel.
112 Met betrekking tot de bewering dat Trioplast Wittenheim een marginale rol op de markt zou hebben gespeeld, moet worden benadrukt dat dit niet het geval is en dat Trioplast Wittenheim heel actief was zowel op de relevante markt als binnen Valveplast en de subgroepen. Zo blijkt uit de overwegingen 134, 135 en 400 van de bestreden beschikking dat Trioplast Wittenheim alle vier de producten waar het in het kartel om gaat, heeft geproduceerd, te weten de openmondzakken, de ventielzakken, de FFS-buisfolies en de blokzakken. In dit verband heeft Trioplast Wittenheim, zoals blijkt uit de overwegingen 173, 179, 185 en 205 van de bestreden beschikking, niet alleen aan de activiteit van Valveplast, maar ook aan de subgroepen „blokzakken”, „Frankrijk” en „Benelux” deelgenomen.
113 De bewering dat Trioplast Wittenheim geen proactieve houding zou hebben aangenomen tijdens de discussies in het kader van de concurrentiebeperkende praktijken is eveneens ongegrond. Zoals blijkt uit de bestreden beschikking, en met name uit overweging 802 daarvan, heeft Trioplast Wittenheim, die één van de oprichters van het kartel was, meermaals deelgenomen aan verschillende van de bedoelde heimelijke praktijken, met name aan het systeem van informatie-uitwisseling met betrekking tot verkoopvolumes en marktaandelen en aan de verdeling van afnemers.
114 In de tweede plaats dient, met betrekking tot de omstandigheid dat Trioplast Wittenheim aan slechts drie van de zes subgroepen zou hebben deelgenomen en de genoemde subgroepen uiterlijk in 1997 zou hebben verlaten, te worden opgemerkt dat, enerzijds, de deelname aan drie subgroepen niet zo ongebruikelijk is in vergelijking met de andere leden van het kartel, zodat sprake is van een vergelijkbare mate van betrokkenheid wat betreft de subgroepen. Uit de overwegingen 173 tot en met 185 van de bestreden beschikking blijkt dat alleen de ondernemingen Wavin en Fardem Packaging bijeenkomsten bijwoonden van meer dan drie subgroepen. Anderzijds, rekening houdende met het feit dat Trioplast Wittenheim inderdaad heeft deelgenomen aan de drie bovengenoemde subgroepen gedurende ongeveer drie kwart van de duur van de inbreuk, is er geen aanleiding om te concluderen dat het stoppen met deze subgroepen blijkt geeft van een passieve rol van Trioplast Wittenheim.
115 Wat betreft het argument van verzoekster dat de inbreuk van Trioplast Wittenheim, voor zover het de deelname aan de subgroepen betreft, was verjaard, volstaat het om aan te geven dat verzoekster de kwalificatie één enkele en voortdurende inbreuk niet betwist. Gezien het feit dat de inbreuk, zijnde één enkele en voortdurende inbreuk, op 26 juni 2002 is beëindigd en derhalve niet verjaard kan zijn, is het einde van de deelname van Trioplast Wittenheim aan de subgroepen niet relevant.
116 In de derde plaats dient te worden opgemerkt dat verzoekster, zelfs als ervan wordt uitgegaan dat zij zich in het geheel niet bewust is geweest van de concurrentiebeperkende praktijken binnen Valveplast ten tijde van de overname van Trioplast Wittenheim in 1999, niet heeft aangetoond dat er sprake is van een totale passiviteit van haar dochteronderneming, in de zin van de in voornoemd punt 108 aangehaalde rechtspraak, voor wat betreft de deelname van laatstgenoemde aan het kartel in de periode van januari 1999 tot juni 2002. Zoals uit de beoordeling van het derde onderdeel van het eerste middel blijkt, en in het bijzonder uit voornoemde punten 44 en 45, heeft Trioplast Wittenheim in 2001 drie bijeenkomsten bijgewoond, tijdens welke twee belangrijke elementen van het kartel zijn uitgewerkt, te weten het prijscalculatieschema en de coördinatie van de internetveilingen.
117 Gezien het feit dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door geen vermindering van het bedrag waarvoor verzoekerster hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de betaling van de geldboete, op grond van verzachtende omstandigheden, toe te kennen, dient het tweede middel te worden verworpen.
Vierde middel: de clementieaanvraag
Argumenten van partijen
118 Verzoekster stelt dat de vermindering van de oorspronkelijke geldboete met 30 %, die haar door de Commissie op grond van deel D van de clementieregeling is toegekend, had moeten worden verhoogd.
119 Verzoekster merkt allereerst op dat Trioplast Wittenheim en zijzelf naar aanleiding van hun verzoek tot vermindering van de geldboete aan de Commissie volledige medewerking hebben verleend. Zij beweert, enerzijds, dat zij verklaringen en documenten heeft verstrekt, die ertoe hebben bijgedragen dat de Commissie het bestaan van de inbreuk kon vaststellen en, anderzijds, dat het feit dat zij tijdens de administratieve procedure bepaalde feiten zoals die uit de mededeling van punten van bezwaar bleken, heeft betwist, niet had mogen leiden tot een beperking van de vermindering van de geldboete. Verzoekster zou alleen bepaalde omstandigheden die de Commissie niet goed had begrepen, hebben benadrukt, zonder ooit het bestaan van de concurrentiebeperkende praktijken te hebben betwist. De Commissie zou vervolgens verschillende wijzigingen hebben aangebracht ten aanzien van de weergave van de feiten. In dit opzicht is verzoekster van mening dat zij het recht heeft gewag te maken van een beoordeling van de feiten die „marginaal” anders is dan die van de Commissie, zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de behandeling van haar clementieaanvraag.
120 Voorts merkt verzoekster op dat de Commissie een vermindering van 25 % aan de onderneming Bischof+Klein heeft toegekend en dat, volgens de bestreden beschikking, de omstandigheid dat de feiten, zoals verwoord in de mededeling van punten van bezwaar, niet fundamenteel waren betwist, heeft bijgedragen aan de vermindering van de geldboete van deze onderneming. Aangezien ook verzoekster de concurrentiebeperkende praktijk niet fundamenteel heeft betwist en zij meer bewijsstukken heeft geleverd dan Bischof+Klein, zou aan haar een hogere vermindering moeten worden toegekend.
121 De Commissie concludeert tot de verwerping van het onderhavige middel.
Beoordeling door het Gerecht
122 Er zij aan herinnerd dat de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt ter zake van de methode voor de berekening van de geldboeten en dat zij daarbij rekening kan houden met een groot aantal factoren, waaronder de medewerking van de betrokken ondernemingen tijdens het door de diensten van deze instelling gevoerde onderzoek. In dit verband moet de Commissie ingewikkelde feitelijke beoordelingen verrichten, onder meer met betrekking tot de medewerking van elk van deze ondernemingen (arrest Hof van 10 mei 2007, SGL Carbon/Commissie, C‑328/05 P, Jurispr. blz. I‑3921, punt 81).
123 De Commissie beschikt in dit opzicht over een ruime beoordelingsmarge bij de waardering van de kwaliteit en de bruikbaarheid van de door een onderneming verleende medewerking, met name in vergelijking met de bijdragen van andere ondernemingen (arrest SGL Carbon/Commissie, punt 122 supra, punt 88). In het kader van deze beoordeling mag zij evenwel het gelijkheidsbeginsel niet schenden (arrest Gerecht van 28 april 2010, BST/Commissie, T‑452/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 142).
124 In de clementieregeling heeft de Commissie de voorwaarden vastgesteld waaronder de ondernemingen, die gedurende het onderzoek naar een kartel aan haar hun medewerking verlenen, in aanmerking kunnen komen voor het niet opleggen of verminderen van de geldboete die hun anders zou zijn opgelegd.
125 Deel D van de clementieregeling bepaalt:
„1. Wanneer een onderneming haar medewerking verleent zonder dat aan alle in deel B of C genoemde voorwaarden is voldaan, komt zij in aanmerking voor een vermindering van 10 tot 50 % van de geldboete die haar zou zijn opgelegd.
2. Dit kan met name het geval zijn indien:
– een onderneming, voordat een mededeling van punten van bezwaar is verzonden, aan de Commissie inlichtingen dan wel schriftelijke of andere bewijsstukken verstrekt die bijdragen tot het bewijs van het bestaan van de inbreuk,
– de onderneming na ontvangst van de mededeling van punten van bezwaar aan de Commissie mededeelt dat zij de feiten waarop de Commissie haar beschuldigingen baseert, niet fundamenteel betwist.”
126 In het onderhavige geval dient enerzijds te worden opgemerkt dat de Commissie in de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat de gedetailleerde verklaringen van verzoekster over het functioneren van het kartel binnen Valveplast en de subgroepen, met name de subgroep „Frankrijk”, alsmede over de quota’s, de toewijzing van afnemers en de betekenis van de overzichten van de marktaandelen ertoe hadden bijgedragen dat het bestaan van de inbreuk kon worden bevestigd. Anderzijds heeft de Commissie het feit in aanmerking genomen dat verzoekster sommige feiten zoals die uit de mededeling van punten van bezwaar bleken, had betwist. Op grond van deze overwegingen heeft de Commissie de geldboete van verzoekster met 30 % verminderd.
127 Allereerst kan met betrekking tot de vaststelling, door de Commissie, dat verzoekster bepaalde feiten zoals die uit de mededeling van punten van bezwaar bleken, had betwist, en de toekenning van een, om die reden lagere, vermindering van het bedrag waarvoor verzoekster hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, niet worden geoordeeld dat er sprake is van een kennelijke beoordelingsfout.
128 Zo blijkt uit de bestreden beschikking dat verzoekster bepaalde feiten uit de mededeling van punten van bezwaar heeft betwist op een manier die verder gaat dan de enkele aanduiding van feiten die de Commissie verkeerd zou hebben geïnterpreteerd. Volgens de overwegingen 275 en 276 van de bestreden beschikking heeft verzoekster beweerd dat Trioplast Wittenheim niet betrokken is geweest bij het opzetten van het systeem voor de coördinatie van internetveilingen. Het staat evenwel vast dat Trioplast Wittenheim de bijeenkomst van 8 juni 2001 heeft bijgewoond, waarbij deze kwestie is besproken, en dat zij zich niet publiekelijk van de inhoud van de bijeenkomst heeft gedistantieerd. Volgens overweging 301 van de bestreden beschikking heeft verzoekster iedere betrokkenheid van Trioplast Wittenheim bij de ontwikkeling van het prijscalculatieschema voor FFS-buisfolies ontkend, terwijl vaststaat dat laatstgenoemde heeft deelgenomen aan de bijeenkomst van Valveplast van 15 september 2000, waarbij een werkgroep is ingesteld die hiermee was belast. Trioplast Wittenheim heeft zich ook niet gedistantieerd van de inhoud van deze bijeenkomst.
129 Deze tijdens de administratieve procedure geformuleerde betwistingen van verzoekster kunnen niet worden beschouwd als beoordelingen van feiten die slechts „marginaal” verschillen van die van de Commissie. Zij hebben betrekking op twee essentiële aspecten van het kartel, te weten de coördinatie van internetveilingen en het prijscalculatieschema. Bovendien wordt aan deze beoordeling niet afgedaan door het feit dat, naar aanleiding van het antwoord van verzoekster, de bestreden beschikking met betrekking tot de weergave van de feiten enkele verschillen vertoont ten opzichte van de mededeling van punten van bezwaar.
130 Vervolgens dient met betrekking tot de situatie van verzoekster in vergelijking met die van Bischof+Klein, die overigens een vermindering toegekend heeft gekregen die lager is dan de aan verzoekster toegekende 30 %, te worden opgemerkt dat uit overweging 851 van de bestreden beschikking blijkt dat Bischof+Klein in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar heeft aangegeven dat zij de feiten zoals die uit de genoemde mededeling blijken, niet fundamenteel betwist. Zij voldoet derhalve aan punt D.2, tweede streepje, van de clementieregeling, in tegenstelling tot verzoekster, die, zoals uit het dossier blijkt, nooit expliciet een beroep heeft gedaan op deze bepaling.
131 Voorts heeft verzoekster, terwijl vaststaat dat zij tijdens de administratieve procedure bepaalde feiten heeft betwist, geen argumenten aangevoerd om aan te tonen dat, in weerwil van de verklaring die in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar staat, Bischof+Klein de feiten tijdens de genoemde procedure fundamenteel zou hebben betwist. Bijgevolg kan, zelfs in het geval dat de Commissie, enerzijds, een vermindering van de aan Bischof+Klein opgelegde geldboete zou hebben toegekend, of haar een hogere vermindering zou hebben toegekend dan zij haar anders zou hebben toegekend op grond van het feit dat deze onderneming de feiten niet fundamenteel had betwist en, anderzijds, verzoekster een dergelijke vermindering zou hebben onthouden, niet worden aangenomen dat er sprake is van een kennelijke beoordelingsfout.
132 Ten slotte dient te worden opgemerkt dat verzoekster noch heeft beweerd noch, a fortiori, heeft aangetoond dat de bewijzen die zij aan de Commissie heeft overgelegd, een belangrijkere bijdrage hebben geleverd aan de bevestiging van de inbreuk dan die van Bischof+Klein. Dientengevolge kan ook op deze grond niet worden aangenomen dat er sprake is van een onjuiste beoordeling door de Commissie.
133 Mitsdien moet het vierde middel worden afgewezen.
Vijfde middel: de naleving van het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel
Argumenten van partijen
134 Verzoekster stelt dat de Commissie in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.
135 In de eerste plaats voert zij aan dat het disproportioneel is dat de geldboeten van alle bij de inbreuk betrokken ondernemingen tezamen, dat wil zeggen een bedrag van 290,71 miljoen EUR na toepassing van het plafond van 10 % van de omzet en de clementieregeling (en voordien van meer dan 600 miljoen EUR), hoger is dan de jaarlijkse omzet van de gehele relevante markt, te weten ongeveer 250 miljoen EUR. Tevens verwijt verzoekster de Commissie dat de geldboete van Trioplast Wittenheim alsmede die van haar, die haar op grond van haar hoofdelijke aansprakelijkheid is opgelegd, te hoog zijn in vergelijking met de op de betrokken markt gerealiseerde omzet. In dit opzicht betwist verzoekster dat het arrest van het Gerecht van 9 juli 2003, Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie (T‑224/00, Jurispr. blz. II‑2597), in het onderhavige geval van toepassing is, omdat Archer Daniels Midland, in tegenstelling tot verzoekster, een leidinggevende rol in het betrokken kartel zou hebben gespeeld.
136 In de tweede plaats is zij van mening dat de Commissie in vergelijkbare gevallen verschillend heeft gehandeld en zich niet aan haar eigen praktijk ten aanzien van de geldboeten heeft gehouden. Enerzijds beroept verzoekster zich op andere zaken, waaronder bijvoorbeeld de zaak Methionine (Zaak C.37.519 – Methionine, PB 2003, L 255, blz. 1), waarin de verhouding tussen de opgelegde geldboete en de op de relevante markt gerealiseerde omzet redelijker zou zijn geweest. Anderzijds is verzoekster van mening dat de geldboete van Trioplast Wittenheim, ten opzichte van haar omzet, disproportioneler is dan die van andere adressaten van de bestreden beschikking, zoals de ondernemingen Bischof+Klein, Nordenia International en Cofira-Sac.
137 Verzoekster meent voorts dat de verhouding tussen de basisbedragen die voor de ondernemingen van de eerste categorie zijn vastgesteld en de basisbedragen die voor de ondernemingen van de vierde categorie zijn vastgesteld, ongeveer vier op een is. Volgens haar zou het eindbedrag van de geldboete van Trioplast Wittenheim moeten worden verminderd om uit te komen op ten minste een kwart (ongeveer) van het eindbedrag van de geldboete van Bischof+Klein, die in de eerste categorie was ingedeeld.
138 In de derde plaats beweert zij dat Trioplast Wittenheim economisch gezien een bescheiden rol heeft gespeeld, zonder belangrijke invloed op de markt, en dat zij geen enkel voordeel heeft gehad bij haar deelname aan de concurrentiebeperkende praktijken. In dit opzicht stelt verzoekster dat de geldboete ten bedrage van 7,3 miljoen EUR, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, 21 keer hoger is dan de cumulatieve winst van de verkopen van de betrokken producten van het concern Trioplast in 1999, 2000 en 2001. Bovendien zou de Commissie bij het vaststellen van de geldboete geen rekening hebben gehouden met de daadwerkelijke betalingscapaciteit van Trioplast Wittenheim. Volgens verzoekster had het faillissement van laatstgenoemde kunnen worden voorkomen als de Commissie haar precaire situatie in aanmerking had genomen en als de Commissie bij het vaststellen van de bestreden beschikking had erkend, dat haar vorige eigenaar, te weten FLS Plast, de directe financiële verantwoordelijke was.
139 In de vierde plaats beweert zij dat de in casu opgelegde geldboeten aanmerkelijk lager zouden zijn geweest als de nieuwe richtsnoeren voor de berekening van geldboeten waren toegepast.
140 De Commissie concludeert tot afwijzing van het onderhavige middel.
Beoordeling door het Gerecht
141 In de eerste plaats dient, voor zover het vijfde middel een schending van het evenredigheidsbeginsel betreft, de jurisprudentie in aanmerking te worden genomen op grond waarvan de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van elke geldboete over een beoordelingsmarge beschikt en niet verplicht is om daarbij een bepaalde wiskundige formule toe te passen (arrest Hof van 16 november 2000, Mo och Domsjö/Commissie, C‑283/98 P, Jurispr. blz. I‑9855, punt 47, en arrest Gerecht van 5 december 2006, Westfalen Gassen Nederland/Commissie, T‑303/02, Jurispr. blz. II‑4567, punt 151). Bovendien wordt de geldboete op grond van artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 vastgesteld op grond van de zwaarte en de duur van de inbreuk. Verder is dit bedrag het resultaat van een reeks cijfermatige beoordelingen door de Commissie overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten. Dit bedrag wordt met name bepaald op basis van verschillende omstandigheden in verband met de individuele gedragingen van de betrokken onderneming zoals het bestaan van verzwarende of verzachtende omstandigheden (zie in die zin arrest Gerecht van 4 juli 2006, Hoek Loos/Commissie, T‑304/02, Jurispr. blz. II‑1887, punten 82 en 85).
142 Uit dit rechtskader kan niet worden afgeleid dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de hoogte van de aldus berekende en aan de deelnemers van het kartel opgelegde boeten in verhouding staat tot het totale marktvolume van het betrokken product in een bepaald jaar van de inbreuk, wanneer de inbreuk meer dan 20 jaar heeft geduurd en de hoogte van de boeten ook afhangt van andere omstandigheden, die verband houden met het individuele gedrag van de betrokken ondernemingen (zie in deze zin arrest Gerecht van 18 juni 2008, Hoechst/Commissie, T‑410/03, Jurispr. blz. II‑881, punt 342).
143 Voor zover het gaat om de verhouding tussen de jaarlijkse omzet van verzoekster en de hoogte van de aan haar opgelegde geldboete moet opgemerkt worden, enerzijds, dat de Commissie zich bij de vaststelling van de zwaarte van de door verzoekster begane inbreuk inderdaad heeft gebaseerd op de in 1996 gerealiseerde omzet en, anderzijds, dat het daaruit voortvloeiende basisbedrag van 8,5 miljoen EUR lager was dan het basisbedrag dat de Commissie op grond van punt A, derde streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten had kunnen opleggen, namelijk 20 miljoen EUR (zie in die zin arrest Gerecht van 28 april 2010, Amann & Söhne en Cousin Filterie/Commissie, T‑446/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 180). De omstandigheid dat de Commissie de omzet van een jaar waarin verzoekster actief was op de relevante markt in aanmerking had moeten nemen, kan op zich geen invloed hebben op deze analyse.
144 Per slot van rekening is artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bedoeld om te voorkomen dat de geldboeten onevenredig zijn. Aangezien het eindbedrag van de geldboete in casu niet hoger is dan het plafond van 10 % van de omzet, kan het niet onevenredig worden geacht op grond dat het totale bedrag van de geldboeten het totale volume van de relevante markt overschrijdt noch op grond dat de geldboete van Trioplast Wittenheim en die van verzoekster de jaarlijkse omzet die zij respectievelijk met het betrokken product hebben gerealiseerd, overschrijdt (zie in die zin arrest Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, punt 135 supra, punt 200). In tegenstelling tot hetgeen verzoekster beweert, moet het plafond van 10 % worden toegepast ongeacht de specifieke rol van een onderneming in het kartel.
145 In de tweede plaats moet met betrekking tot de vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel worden geconstateerd, enerzijds, voor wat betreft de door verzoekster gemaakte vergelijkingen met andere beschikkingen van de Commissie inzake geldboeten, met name ten aanzien van de verhouding tussen het totaal van de geldboeten en het volume van de betrokken markt, dat die beschikkingen enkel relevant kunnen zijn met betrekking tot de inachtneming van het gelijkheidsbeginsel indien wordt aangetoond dat de omstandigheden van de zaken waarover het ging in die andere beschikkingen, zoals de betrokken markten, producten, landen, ondernemingen en periodes vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak (zie in die zin arrest Gerecht van 27 september 2006, Archer Daniels Midland/Commissie, T‑59/02, Jurispr. blz. II‑3627, punt 316).
146 Het feit dat verzoekster alleen de totale geldboeten en de op de betrokken markten gerealiseerde omzetten heeft genoemd met betrekking tot de in het geding zijnde beschikkingen, volstaat niet om aan te nemen dat de omstandigheden in casu dezelfde waren. Zo heeft verzoekster niet vastgesteld dat de betrokken markten, producten, landen, ondernemingen en periodes vergelijkbaar waren met die van de onderhavige zaak.
147 Anderzijds, voor wat betreft de door verzoekster gemaakte vergelijking met andere adressaten van de bestreden beschikking, dient te worden opgemerkt dat het plafond van 10 % van de omzet in casu werd toegepast op de ondernemingen Bischof+Klein, Nordenia International en Cofira-Sac. Deze regel heeft daarentegen niet geleid tot een vermindering van het bedrag waarvoor verzoekster hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, hetgeen grotendeels de door verzoekster aangeduide onevenredigheid tussen de eindbedragen verklaart. Volgens de rechtspraak kan deze omstandigheid niet worden beschouwd als een ongelijke behandeling. Het verschil in behandeling is namelijk het directe gevolg van de in verordening nr. 1/2003 vastgestelde bovengrens voor geldboeten, waarvan de rechtmatigheid niet in het geding is en die vanzelfsprekend uitsluitend van toepassing is op gevallen waarin de voorgenomen geldboete hoger is dan 10 % van de omzet van de betrokken onderneming (arrest Gerecht van 20 maart 2002, ABB Asea Brown Boveri/Commissie, T‑31/99, Jurispr. blz. II‑1881, punt 185).
148 In de derde plaats dient met betrekking tot het feit dat het kartel verzoekster geen voordeel heeft opgeleverd, te worden benadrukt dat het feit dat een onderneming uit een inbreuk geen profijt heeft getrokken, de oplegging van een geldboete evenwel niet kan beletten, omdat deze anders haar preventieve werking zou verliezen. Derhalve is de Commissie niet verplicht bij de vaststelling van de geldboeten aan te tonen, dat de inbreuk de betrokken ondernemingen een onrechtmatig voordeel heeft opgeleverd, noch om desgevallend rekening te houden met het feit dat uit die inbreuk geen profijt is getrokken (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punt 4881). Dientengevolge is het argument ongegrond.
149 Voor wat betreft de grief dat de precaire financiële situatie van Trioplast Wittenheim ten tijde van de administratieve procedure niet in aanmerking is genomen, dient te worden opgemerkt dat de Commissie volgens de rechtspraak niet verplicht is om bij de vaststelling van de geldboete rekening te houden met de deficitaire financiële situatie van een onderneming, aangezien de erkenning van een dergelijke verplichting zou neerkomen op het verschaffen van een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel aan de ondernemingen die het minst zijn aangepast aan de eisen van de markt (arrest Hof van 8 november 1983, IAZ International Belgium e.a./Commissie, 96/82–102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, Jurispr. blz. 3369, punten 54 en 55).
150 Overigens moet worden opgemerkt dat, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de verwijzing van de Commissie naar punt 5, sub b, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, waarin staat dat rekening moet worden gehouden met het vermogen van een onderneming om daadwerkelijk te kunnen betalen, maar waar verzoekster zich niet op beroept, deze richtsnoeren niets af doen aan de genoemde rechtspraak. Dit vermogen speelt immers alleen een rol in een „bepaalde sociale context”, namelijk tegen de achtergrond van de gevolgen die de betaling van de geldboete zou kunnen hebben in termen van met name stijging van de werkloosheid of verslechtering van de economische situatie van de sectoren die aan de betrokken onderneming leveren of haar producten afnemen (arrest Hof van 29 juni 2006, SGL Carbon/Commissie, C‑308/04 P, Jurispr. blz. I‑5977, punten 105 en 106). In casu is echter tijdens de administratieve procedure geen enkele bijzonderheid naar voren gebracht tot staving van het bestaan van een dergelijke context.
151 Met betrekking tot de verwijzing van verzoekster naar de situatie van FLS Plast, moet worden vastgesteld dat, ondanks het feit dat zij door het Gerecht in de gelegenheid is gesteld om tijdens de hoorzitting haar situatie toe te lichten, verzoekster geen informatie heeft aangedragen op grond waarvan een verband kon worden vastgesteld tussen het faillissement van Trioplast Wittenheim en de manier waarop de Commissie FLS Plast heeft behandeld.
152 In de vierde plaats is er geen aanleiding om een vergelijking te maken tussen de in casu opgelegde geldboeten en hypothetische geldboeten die gebaseerd zouden zijn op de nieuwe richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, zoals verzoekster voorstelt. De richtsnoeren voor de berekening van geldboeten vormen in de onderhavige zaak het relevante rechtskader en het feit dat de Commissie later de nieuwe richtlijnen voor de berekening van geldboeten heeft uitgevaardigd, heeft geen enkele invloed op de toepasselijkheid ratione temporis van de voorgaande richtsnoeren.
153 Gelet op al het voorafgaande moet het vijfde middel worden verworpen.
Zesde middel: de naleving van het beginsel van behoorlijk bestuur en het rechtszekerheidsbeginsel
Argumenten van partijen
154 Verzoekster verwijt de Commissie enerzijds een schending van de bepalingen van verordening nr. 1/2003 alsmede van de beginselen die ten grondslag liggen aan artikel 23, lid 1, van deze verordening, en anderzijds een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, zoals omschreven in de rechtspraak en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat is afgekondigd op 7 december 2000 te Nice (PB C 364, blz. 1). Volgens verzoekster moet iedere handeling van de instellingen die juridische gevolgen heeft, op grond van deze beginselen duidelijk en nauwkeurig omschreven zijn en op zodanige wijze aan de adressaat bekend worden gemaakt dat hem volkomen duidelijk is wat de gevolgen en consequenties van deze handeling zijn.
155 In dit opzicht is verzoekster van mening dat de bestreden beschikking niet duidelijk aangeeft in hoeverre zij aansprakelijk is voor de inbreuk van Trioplast Wittenheim en wat het exacte bedrag van de geldboete is dat zij uiteindelijk zal moeten betalen. Zo zou niet nauwkeurig zijn omschreven hoe de betaling van de aan Trioplast Wittenheim opgelegde geldboete van 17,85 miljoen EUR moet worden verdeeld tussen verzoekster enerzijds en FLS Plast en FLSmidth anderzijds, gelet op de omstandigheid dat de som van de bedragen waarvoor de moederondernemingen hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld hoger is dan het bedrag dat voor Trioplast is vastgesteld. De bestreden beschikking zou derhalve een juridische onzekerheid in het leven hebben geroepen, die zou kunnen leiden tot een geschil tussen de verschillende moederondernemingen voor de nationale rechtsprekende instanties of voor een arbiter, wanneer zij alsnog duidelijkheid willen over de verdeling van hun onderlinge aansprakelijkheden.
156 Verzoekster is van mening dat, rekening houdende met het feit dat de som van de bedragen waarvoor de respectievelijke moederondernemingen hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld hoger is dan de aan Trioplast Wittenheim opgelegde geldboete, de Commissie geen gebruik mag maken van haar discretionaire bevoegdheid om de betaling van de geldboete te vorderen van de onderneming die, naar alle waarschijnlijkheid, in staat is om te betalen. In dit verband merkt zij op dat elke moederonderneming samen met Trioplast Wittenheim slechts hoofdelijk aansprakelijk is voor een verschillend gedeelte van de inbreuk. Volgens verzoekster geeft de hoofdelijke aansprakelijkheid aan de Commissie alleen het recht om een gedeelte van de geldboete op te eisen, afhankelijk van de betrokken periode, ofwel bij FLS Plast en FLSmidth of Trioplast Wittenheim, ofwel bij verzoekster of Trioplast Wittenheim. In het onderhavige geval zou de Commissie in feite een hoofdelijke aansprakelijkheid in het leven hebben geroepen tussen FLS Plast en FLSmidth enerzijds en verzoekster anderzijds, waarvoor geen juridische grondslag zou bestaan.
157 Anderzijds herhaalt verzoekster de argumenten die zij naar voren heeft gebracht in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel, betreffende de miskenning van het feit dat Trioplast Wittenheim deel heeft uitgemaakt van de Compagnie de Saint-Gobain en dat de gezamenlijke aansprakelijkheid van de moederondernemingen de aan Trioplast Wittenheim opgelegde geldboete overschrijdt. Zij benadrukt dat de Commissie één van de berekeningsmethodes had moet gebruiken die zij heeft voorgesteld.
158 De Commissie wijst er allereerst op dat uit de bestreden beschikking blijkt dat Trioplast Wittenheim een bedrag van 17,85 miljoen EUR is verschuldigd. Voor dit bedrag zouden FLS Plast en FLSmidth gehouden zijn om, op grond van hun hoofdelijke aansprakelijkheid, een bedrag van ten hoogste 15,3 miljoen EUR te betalen en verzoekster een bedrag van ten hoogste 7,73 miljoen EUR. Elke betaling namens één van deze vier ondernemingen moet, volgens de Commissie, in mindering worden gebracht op het totale bedrag van 17,85 miljoen EUR. Laatstgenoemde stelt dat zij de discretionaire bevoegdheid heeft om betaling te vorderen van de onderneming die het beste in staat is om aan deze verplichting te voldoen. Nadat één of meerdere ondernemingen die hoofdelijk aansprakelijk zijn, hebben betaald, is het aan hen om vast te stellen welk gedeelte van de betaling elke adressaat voor zijn rekening moet nemen en welke bedragen eventueel onderling moeten worden verrekend.
159 De Commissie geeft aan dat zij niet beweert dat er een hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat tussen FLS Plast en FLSmidth enerzijds en verzoekster anderzijds. Verzoekster zou samen met Trioplast Wittenheim slechts hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gedeelte van de duur van de inbreuk dat haar betreft. Bovendien is de Commissie van mening dat zij niet genoodzaakt was om nauwkeurig aan te geven hoe de betalingsverplichting uiteindelijk moet worden verdeeld tussen verzoekster en Trioplast Wittenheim of tussen FLS Plast en FLSmidth en Trioplast Wittenheim.
160 Vervolgens verwerpt de Commissie, onder verwijzing naar hetgeen zij in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel heeft aangevoerd, de argumenten met betrekking tot de aansprakelijkheid over de periode waarin Trioplast Wittenheim deel uitmaakte van de Compagnie de Saint-Gobain en tot het overschrijden van de aan Trioplast Wittenheim opgelegde geldboete.
Beoordeling door het Gerecht
161 Opgemerkt zij dat het rechtszekerheidsbeginsel een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht is, dat met name vereist dat iedere communautaire regeling, inzonderheid wanneer daarbij sancties worden opgelegd of op grond daarvan kunnen worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig is, zodat de betrokken personen ondubbelzinnig de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (zie in die zin arrest Hof van 22 mei 2008, Evonik Degussa/Commissie en Raad, C‑266/06 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 43, en arrest Gerecht van 5 april 2006, Degussa/Commissie, T‑279/02, Jurispr. blz. II‑897, punt 66).
162 Aangezien de som van de bedragen waarvoor verzoekster enerzijds en FLS Plast en FLSmidth anderzijds hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld hoger is dan de aan Trioplast Wittenheim opgelegde geldboete, zijn de grieven van verzoekster voornamelijk gebaseerd op het feit dat de bestreden beschikking niet precies aangeeft welk bedrag zij uiteindelijk zal moeten betalen en dat de Commissie in feite een hoofdelijke aansprakelijkheid in het leven heeft geroepen tussen verzoekster enerzijds en FLS Plast en FLSmidth anderzijds.
163 Opgemerkt moet worden dat wanneer een moederonderneming en een dochteronderneming in een dergelijke situatie deel uitmaken of hebben uitgemaakt van een economische eenheid die deel heeft genomen aan een kartel, de Commissie ze hoofdelijk aansprakelijk mag stellen voor de inbreuk op de mededingingsregels (zie in die zin arrest Hof van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 58 en 59).
164 In casu moet worden vastgesteld dat Trioplast Wittenheim deel heeft uitgemaakt van een economische eenheid met achtereenvolgens FLS Plast en FLSmidth, gedurende de periode van 31 december 1990 tot 19 januari 1999, en verzoekster, van 21 januari 1999 tot 26 juni 2002. Aldus staat de Commissie niets in de weg om zowel FLS Plast en FLSmidth als verzoekster hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de aan hun dochteronderneming Trioplast Wittenheim opgelegde geldboete. Bijgevolg heeft de Commissie aan Trioplast Wittenheim een geldboete opgelegd van 17,85 miljoen EUR en stelt zij FLS Plast en FLSmidth, enerzijds, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van deze geldboete en verzoekster, anderzijds, ten belope van een bedrag van respectievelijk 15,3 miljoen EUR en 7,73 miljoen EUR.
165 De Commissie is overigens de mening toegedaan dat het haar op grond van artikel 2, eerste alinea, sub f, van de bestreden beschikking vrij staat tot de inning van de geldboete over te gaan bij ieder van de betrokken rechtspersonen al naar gelang hun betalingsvermogen. Zo kan de Commissie besluiten om de gehele geldboete of een gedeelte daarvan bij de dochteronderneming te innen of bij één van de moederondernemingen of bij alle moederondernemingen die achtereenvolgens de dochteronderneming in handen hebben gehad, totdat zij volledige voldoening heeft gekregen. Ingeval de Commissie ervoor kiest om de gehele geldboete bij de moederondernemingen te innen, kan zij, in voorkomend geval, bij verzoekster het maximale bedrag innen waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, te weten 7,73 miljoen EUR, en het resterende bedrag van de geldboete bij FLS Plast en bij FLSmidth, welk bedrag noodzakelijkerwijs lager is dan het bedrag van 15,3 miljoen EUR, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld. Omgekeerd kan de Commissie er de voorkeur aan geven om FLS Plast en FLSmidth aan te spreken voor het maximale bedrag waarvoor hun hoofdelijke aansprakelijkheid is vastgesteld. In dat geval kan zij bij verzoekster slechts een bedrag innen dat lager is dan het bedrag waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk is gesteld.
166 Derhalve blijkt dat, nog afgezien van een rechtvaardiging van geldboeten op grond van hun afschrikwekkende werking, de keuzevrijheid van de Commissie bij de uitvoering van artikel 2, eerste alinea, sub f, van de bestreden beschikking met zich meebrengt dat het bedrag dat daadwerkelijk bij verzoekster wordt geïnd, afhangt van de bedragen die bij FLS Plast en bij FLSmidth worden geïnd, en vice versa.
167 Er zij evenwel op gewezen dat verzoekster enerzijds en FLS Plast en FLSmidth anderzijds samen nooit een gemeenschappelijke economische eenheid hebben gevormd. Deze moederondernemingen hebben, samen met Trioplast Wittenheim, achtereenvolgens twee verschillende economische eenheden gevormd, die ieder afzonderlijk verantwoordelijk waren voor het kartel, tijdens verschillende periodes en in verschillende omstandigheden. Aangezien er om die reden nooit sprake is geweest van een gezamenlijke hoofdelijke aansprakelijkheid van de achtereenvolgende moederondernemingen, is de Commissie op grond van de bestreden beschikking niet gerechtigd om het daadwerkelijk bij verzoekster te innen bedrag te laten afhangen van het bij de andere moederondernemingen te innen bedrag, en vice versa.
168 Wat dit betreft stelt de bestreden beschikking weliswaar ten aanzien van de betrokken inbreuk een persoonlijke aansprakelijkheid voor elk van de moederondernemingen vast door rekening te houden met de periode dat zij Trioplast Wittenheim in handen hadden, met de afwezigheid van verzwarende en verzachtende omstandigheden die op hen betrekking hebben en met de door hen aan de Commissie verleende medewerking tijdens het onderzoek, zoals blijkt uit de overwegingen 782, 783, 785 tot en met 812, 836 tot en met 841 en 862 tot en met 865. De aldus vastgestelde bedragen zijn echter maximumbedragen waarvoor de respectievelijke moederondernemingen samen met Trioplast Wittenheim door de Commissie hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld.
169 Aangezien verzoekster enerzijds en FLS Plast et FLSmidth anderzijds samen nooit een economische eenheid hebben gevormd, vereist het beginsel van de individualiteit van straffen en sancties dat het daadwerkelijk door verzoekster te betalen bedrag niet hoger is dan haar aandeel in de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit aandeel komt overeen met het gedeelte van het voor verzoekster vastgestelde bedrag in verhouding tot het totaal van de bedragen waarvoor de achtereenvolgende moederondernemingen respectievelijk hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de betaling van de aan Trioplast Wittenheim opgelegde geldboete. In dit opzicht is het van belang om op te merken dat het beginsel van de individualiteit van straffen en sancties, volgens hetwelk aan een economische eenheid slechts een sanctie kan worden opgelegd voor feiten die haar individueel ten laste worden gelegd, geldt in elke procedure die tot sancties op grond van de mededingingsregels kan leiden (zie in die zin arrest Gerecht van 29 november 2005, Union Pigments/Commissie, T‑62/02, Jurispr. blz. II‑5057, punt 119).
170 Aangezien artikel 2, eerste alinea, sub f, van de bestreden beschikking niet duidelijk aangeeft wat het aandeel van verzoekster is, maar de Commissie wel vrij laat bij de invordering van de respectievelijke hoofdelijke aansprakelijkheden van de achtereenvolgende moederondernemingen, die nooit een economische eenheid met elkaar hebben gevormd, is deze bepaling onverenigbaar met de verplichting van de Commissie om verzoekster, in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel, ondubbelzinnig op de hoogte te stellen van het exacte bedrag van de geldboete dat zij moet betalen met betrekking tot de periode waarvoor zij samen met Trioplast Wittenheim voor de inbreuk aansprakelijk is gesteld. Dientengevolge schendt de bestreden beschikking zowel het rechtszekerheidsbeginsel als het beginsel van de individualiteit van straffen en sancties.
171 Gelet op al het vorenstaande moet het zesde middel worden aanvaard. Bijgevolg dient, zonder dat het nodig is om het onderhavige middel aan het beginsel van behoorlijk bestuur te toetsen, artikel 2, eerste alinea, sub f, van de bestreden beschikking nietig te worden verklaard, voor zover het verzoekster betreft.
2. De conclusie betreffende de subsidiair gevorderde verlaging van de geldboete
172 Voor zover de middelen waar verzoekster zich op beroept naar voren zijn gebracht ter onderbouwing van haar conclusie strekkende tot verlaging van de geldboete, volgt uit bovengenoemde punten 94 tot en met 98 dat de bestreden beschikking een kennelijke beoordelingsfout bevat vanwege het feit dat de Commissie ten opzichte van verzoekster het jaar 1996 als referentiejaar heeft aangehouden voor de vaststelling van de zwaarte van de inbreuk. Het Gerecht dient derhalve, in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht, op grond van artikel 31 van verordening nr. 1/2003 een nieuw basisbedrag vast te stellen voor de berekening van het bedrag waarvoor verzoekster hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de aan haar dochteronderneming opgelegde geldboete. Gelet op vorenstaande overwegingen is het Gerecht van mening dat met de vaststelling van een basisbedrag van 3 miljoen EUR voor verzoekster blijk is gegeven van een juiste beoordeling van de onderhavige omstandigheden zoals zij uit het dossier blijken.
173 Dientengevolge moet, rekening houdende met enerzijds de verhoging op grond van de duur van de deelname van verzoekster aan het kartel en anderzijds de vermindering ingevolge de clementieregeling, die beide onvermijdelijk zijn, een bedrag van 2,73 miljoen EUR voor verzoekster worden vastgesteld. Uit de in punt 171 getrokken conclusie, volgens welke het zesde middel moet worden aanvaard, blijkt dat dit bedrag de basis is op grond waarvan het aandeel van verzoekster in de hoofdelijke aansprakelijkheden van de achtereenvolgende moederondernemingen moet worden bepaald ten behoeve van de betaling van de aan Trioplast Wittenheim opgelegde geldboete.
174 Aangezien de andere factoren die nodig zijn voor de berekening van het in punt 169 bedoelde aandeel dat voor rekening van verzoekster komt, zoals met name het bedrag dat voor de andere moederondernemingen van Trioplast Wittenheim is vastgesteld, nog niet definitief zijn en niet kunnen worden bepaald in het kader van de onderhavige procedure, is het aan de Commissie om op grond van haar verplichting om de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het onderhavige arrest overeenkomstig artikel 266 VWEU, het aandeel van verzoekster vast te stellen rekening houdende met de definitieve factoren die hiervoor noodzakelijk zijn.
Kosten
175 Ingevolge artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen, indien zij onderscheidenlijk op één of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen.
176 Gelet op het feit dat verzoekster in casu gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, bepaalt het Gerecht dat verzoekster de helft van haar eigen kosten draagt en de helft van de door de Commissie gemaakte kosten en dat laatstgenoemde de helft van haar eigen kosten draagt en de helft van de door verzoekster gemaakte kosten.
HET GERECHT (Zesde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Artikel 2, eerste alinea, sub f, van beschikking C (2005) 4634 def. van de Commissie van 30 november 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG (Zaak COMP/F/38.354 – Industriezakken) wordt nietig verklaard, voor zover het Trioplast Industrier AB betreft.
2) Voor Trioplast Industrier wordt het bedrag, op basis waarvan haar aandeel in de hoofdelijke aansprakelijkheid van de achtereenvolgende moederondernemingen voor de betaling van de aan Trioplast Wittenheim SA opgelegde geldboete moet worden bepaald, vastgesteld op 2,73 miljoen EUR.
3) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
4) Trioplast Industrier draagt de helft van haar eigen kosten, alsmede de helft van de kosten van de Commissie.
5) De Commissie draagt de helft van haar eigen kosten, alsmede de helft van de kosten van Trioplast Industrier.
Meij
Vadapalas
Truchot
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 september 2010.
Inhoud
Voorgeschiedenis van het geding
Administratieve procedure
Bestreden beschikking
Procesverloop en conclusies van partijen
In rechte
1. De conclusies betreffende de gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking
Eerste middel: fouten bij de vaststelling van de duur van de inbreuk en de hoogte van de geldboete
Derde onderdeel van het eerste middel: de rechtmatigheid van de vaststelling van de duur van de inbreuk
– Argumenten van partijen
– Beoordeling door het Gerecht
Eerste onderdeel van het eerste middel: de rechtmatigheid van de berekeningsmethode van de geldboete
– Argumenten van partijen
– Beoordeling door het Gerecht
Tweede onderdeel van het eerste middel: de rechtmatigheid van de vaststelling van de zwaarte van de inbreuk in het kader van de berekening van de geldboete
– Argumenten van partijen
– Beoordeling door het Gerecht
Tweede middel: de gegrondheid van de weigering van de Commissie om verzachtende omstandigheden toe te passen
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Vierde middel: de clementieaanvraag
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Vijfde middel: de naleving van het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Zesde middel: de naleving van het beginsel van behoorlijk bestuur en het rechtszekerheidsbeginsel
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
2. De conclusie betreffende de subsidiair gevorderde verlaging van de geldboete
Kosten
* Procestaal: Zweeds.
Full & Egal Universal Law Academy