ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid)
22 april 2016 ( *1 )
„Staatssteun — Richtlijn 92/81/EEG — Accijns op minerale oliën — Minerale oliën die als brandstof worden gebruikt bij de productie van aluminiumoxide — Accijnsvrijstelling — Bestaande steun of nieuwe steun — Artikel 1, onder b), i), iii) en iv), van verordening (EG) nr. 659/1999 — Rechtszekerheid — Gewettigd vertrouwen — Redelijke termijn — Beginsel van behoorlijk bestuur — Misbruik van bevoegdheid — Motiveringsplicht — Begrip staatssteun — Voordeel — Ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten — Distorsie van de mededinging”
In de gevoegde zaken T‑50/06 RENV II en T‑69/06 RENV II,
Ierland, vertegenwoordigd door E. Creedon, A. Joyce en E. McPhillips als gemachtigden, bijgestaan door P. McGarry, SC,
Aughinish Alumina Ltd, gevestigd te Askeaton (Ierland), vertegenwoordigd door C. Waterson, C. Little en J. Handoll, solicitors,
verzoekers,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Di Bucci, N. Khan, G. Conte, D. Grespan en K. Walkerová als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2006/323/EG van de Commissie van 7 december 2005 betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën (PB 2006, L 119, blz. 12), voor zover deze betrekking heeft op de vrijstelling van accijns op minerale oliën die als brandstof worden gebruikt bij de productie van aluminiumoxide in de regio Shannon (Ierland),
wijst
HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, I. Pelikánová (rapporteur), E. Buttigieg, S. Gervasoni en L. Madise, rechters,
griffier: S. Spyropoulos, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 mei 2015,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
Litigieuze vrijstelling
1
Aluminiumoxide is een wit poeder dat vooral in smelterijen wordt gebruikt om aluminium te produceren. Het wordt gewonnen uit bauxieterts via een zuiveringsproces, waarvan de laatste stap de calcinatie is. Meer dan 90 % van het gecalcineerde aluminiumoxide wordt gebruikt bij het smelten van aluminium. Het restant wordt verder verwerkt en in chemische toepassingen gebruikt. Er zijn twee afzonderlijke productmarkten, te weten de markt van aluminiumoxide voor de primaire aluminiumproductie (hierna: „SGA”) en de markt van aluminiumoxide voor chemische toepassingen (hierna: „CGA”). Bij de productie van aluminiumoxide kunnen minerale oliën als brandstof worden gebruikt.
2
Zowel in Ierland, Italië als Frankrijk is er slechts één aluminiumoxideproducent. In Ierland is dat Aughinish Alumina Ltd (hierna: „AAL”), die is gevestigd in de regio Shannon. Er zijn ook aluminiumoxideproducenten in Duitsland, Spanje, Griekenland, Hongarije en het Verenigd Koninkrijk.
3
Sinds 12 mei 1983 verleent Ierland accijnsvrijstelling voor minerale oliën die worden gebruikt bij de productie van aluminiumoxide (hierna: „litigieuze vrijstelling”). De litigieuze vrijstelling is in het Ierse recht ingevoerd bij het Statutory instrument No 126/1983, Imposition of Duties (No 265) (Excise Duty on Hydrocarbon Oils) Order, 1983 [verordening (nr. 265) betreffende de heffing van rechten (accijns op koolwaterstoffen)] van 12 mei 1983 (hierna: „Order van 1983”).
4
De toepassing van de litigieuze vrijstelling in de regio Shannon is goedgekeurd bij beschikking 92/510/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 waarbij de lidstaten toestemming wordt verleend om bestaande verlaagde accijnstarieven of vrijstellingen van accijnzen te blijven toepassen op bepaalde minerale oliën die voor bijzondere doeleinden worden gebruikt, in overeenstemming met de procedure van artikel 8, lid 4, van richtlijn 92/81/EEG (PB L 316, blz. 16). De Raad van de Europese Unie heeft deze goedkeuring opnieuw onderzocht en tot en met 31 december 1998 verlengd bij beschikking 97/425/EG van 30 juni 1997 waarbij de lidstaten toestemming wordt verleend op bepaalde, voor specifieke doeleinden gebruikte minerale oliën bestaande verlagingen of vrijstellingen van het accijnsrecht toe te passen en te blijven toepassen overeenkomstig de procedure van richtlijn 92/81/EEG (PB L 182, blz. 22). De Raad heeft deze goedkeuring nogmaals verlengd, tot en met 31 december 2000, bij beschikking 1999/880/EG van 17 december 1999 waarbij de lidstaten toestemming wordt verleend de voor bepaalde, voor specifieke doeleinden gebruikte minerale oliën bestaande verlagingen of vrijstellingen van het accijnsrecht toe te passen of te blijven toepassen overeenkomstig de procedure van richtlijn 92/81/EEG (PB L 331, blz. 73).
5
Bij beschikking 2001/224/EEG van de Raad van 12 maart 2001 houdende verlagingen en vrijstellingen van de accijns op bepaalde minerale oliën die gebruikt worden voor specifieke doeleinden (PB L 84, blz. 23), de laatste beschikking betreffende de litigieuze vrijstelling, is die vrijstelling verlengd tot en met 31 december 2006. Deze beschikking doet, volgens overweging 5 ervan, „geen afbreuk aan de uitkomst van eventuele procedures met betrekking tot verstoringen van de werking van de interne markt die met name krachtens de artikelen 87 [EG] en 88 [EG] kunnen worden ingesteld”, noch „aan het vereiste dat de lidstaten, overeenkomstig artikel 88 [EG], de Commissie op de hoogte brengen van voorgenomen steunmaatregelen”.
Administratieve procedure
6
Bij brief van 28 januari 1983 heeft Ierland de Commissie van de Europese Gemeenschappen ervan op de hoogte gebracht dat het van plan was, uitvoering te geven aan een toezegging die het in april 1970 aan Alcan Aluminium Ltd (hierna: „Alcan”) had gedaan in verband met de bouw van een fabriek voor de productie van aluminiumoxide in de regio Shannon – welke fabriek later aan AAL is verkocht – en die betrekking had op een accijnsvrijstelling voor minerale oliën die in die fabriek als brandstof worden gebruikt bij de productie van aluminiumoxide. Bij brief van 22 maart 1983 heeft de Commissie laten weten dat deze vrijstelling aan te melden staatssteun vormde. Zij heeft ook verklaard dat, voor het geval dat de steun pas op het tijdstip van haar brief tot uitvoering zou worden gebracht, zij de brief van 28 januari 1983 als aanmelding in de zin van artikel 88, lid 3, EG zou kunnen aanmerken. Bij brief van 6 mei 1983 heeft Ierland de Commissie verzocht om die brief als aanmelding aan te merken. De Commissie heeft geen enkele beslissing genomen ten vervolge op die correspondentie.
7
Bij brief van 17 juli 2000 heeft de Commissie Ierland verzocht de litigieuze vrijstelling bij haar aan te melden. Bij brief van 27 september 2000 heeft zij dit verzoek aan Ierland herhaald en daarbij om aanvullende informatie verzocht. Ierland heeft daarop geantwoord bij brief van 18 oktober 2000.
8
Bij besluit C(2001) 3296 van 30 oktober 2001 heeft de Commissie de procedure van artikel 88, lid 2, EG geopend met betrekking tot de litigieuze vrijstelling (hierna: „formele onderzoeksprocedure”). Dit besluit is aan Ierland officieel ter kennis gebracht bij brief van 5 november 2001 en is op 2 februari 2002 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 30, blz. 25).
9
Bij faxbericht van 1 december 2001 heeft Ierland om verlenging van de termijn verzocht. Deze verlenging is toegekend op 7 december 2001, waarna Ierland bij brief van 8 januari 2002 zijn opmerkingen heeft ingediend.
10
Bij brief van 18 februari 2002 heeft de Commissie Ierland om aanvullende inlichtingen verzocht.
11
Bij brieven van 26 en 28 februari en 1 maart 2002 heeft de Commissie de opmerkingen van respectievelijk AAL, Eurallumina SpA, Alcan Inc. en de European Aluminium Association ontvangen. Deze opmerkingen zijn bij brieven van 26 maart 2002 aan Ierland meegedeeld.
12
Bij brief van 26 april 2002 heeft Ierland geantwoord op het verzoek dat de Commissie in haar brief van 18 februari 2002 had geformuleerd.
Aluminiumoxide I-beschikking
13
Op 7 december 2005 heeft de Commissie beschikking 2006/323/EG betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën (PB 2006, L 119, blz. 12; hierna: „aluminiumoxide I-beschikking”) vastgesteld.
14
De aluminiumoxide I-beschikking betreft de periode vóór 1 januari 2004, de datum van ingang van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz. 51), waarbij richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (PB L 316, blz. 12) en richtlijn 92/82/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën (PB L 316, blz. 19) per 31 december 2003 zijn ingetrokken (overweging 57). Zij breidt de formele onderzoeksprocedure niettemin uit tot de periode na 31 december 2003 (overweging 92).
15
In het dispositief van de aluminiumoxide I-beschikking staat onder meer:
„Artikel 1
De accijnsvrijstellingen die Frankrijk, Ierland en Italië ten behoeve van bij de productie van aluminiumoxide gebruikte zware stookolie tot en met 31 december 2003 hebben verleend, vormen staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, [EG].
Artikel 2
De steun die tussen 17 juli 1990 en 2 februari 2002 is verleend, moet, voor zover deze met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is, niet worden teruggevorderd, aangezien zulks met de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht strijdig zou zijn.
Artikel 3
De in artikel 1 bedoelde steun die tussen 3 februari 2002 en 31 december 2003 werd verleend, is overeenkomstig artikel 87, lid 3, [EG] met de gemeenschappelijke markt verenigbaar voor zover de begunstigden een tarief van minstens 13,01 EUR per 1000 kg zware stookolie betalen.
Artikel 4
De [...] steun die tussen 3 februari 2002 en 31 december 2003 werd verleend, is overeenkomstig artikel 87, lid 3, [EG] met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar voor zover de begunstigden niet een tarief van 13,01 EUR per 1000 kg zware stookolie betaalden.
Artikel 5
1. Frankrijk, Ierland en Italië nemen alle nodige maatregelen om de in artikel 4 bedoelde onrechtmatige steun van de begunstigden terug te vorderen.
[...]
5. Frankrijk, Ierland en Italië gelasten, binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking, de begunstigden van de in artikel 4 bedoelde onrechtmatige steun de onwettig verleende steun terug te betalen, vermeerderd met rente.”
Procedure en conclusies van partijen
16
Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 en 23 februari 2006, hebben respectievelijk Ierland en AAL de onderhavige beroepen ingesteld, die zijn ingeschreven onder nummer T‑50/06 respectievelijk T‑69/06.
17
Bij afzonderlijke akte, ingekomen ter griffie van het Gerecht op 22 maart 2006, heeft AAL krachtens artikel 242 EG een verzoek in kort geding ingediend strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de aluminiumoxide I-beschikking voor zover deze op haar betrekking heeft. Dit verzoek is ingeschreven onder nummer T‑69/06 R. Bij beschikking van 2 augustus 2006 heeft de president van het Gerecht dat verzoek afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
18
Krachtens artikel 14 van zijn Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 heeft het Gerecht, op voorstel van zijn Tweede kamer, de partijen gehoord, overeenkomstig artikel 51 van dat Reglement de onderhavige zaak verwezen naar een uitgebreide rechtsprekende formatie.
19
Bij beschikking van 24 mei 2007 heeft de president van de Tweede kamer (uitgebreid) van het Gerecht, de partijen gehoord, de zaken T‑50/06, T‑56/06, T‑60/06, T‑62/06 en T‑69/06 (hierna: „aluminiumoxide I-zaken”) overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 gevoegd voor de mondelinge behandeling.
20
Bij arrest van 12 december 2007, Ierland e.a./Commissie (T‑50/06, T‑56/06, T‑60/06, T‑62/06 en T‑69/06, EU:T:2007:383), heeft het Gerecht de aluminiumoxide I-zaken gevoegd voor het arrest, de aluminiumoxide I-beschikking nietig verklaard en, in zaak T‑62/06, het beroep verworpen voor het overige.
21
Bij verzoekschrift van 26 februari 2008 heeft de Commissie hogere voorziening ingesteld tegen dit arrest van het Gerecht.
22
Bij arrest van 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a. (C‑89/08 P, Jurispr., EU:C:2009:742), heeft het Hof het arrest Ierland e.a./Commissie, punt 20 supra (EU:T:2007:383), vernietigd voor zover het Gerecht de aluminiumoxide I-beschikking nietig had verklaard, en heeft het de aluminiumoxide I-zaken naar het Gerecht terugverwezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
23
Ten vervolge op het arrest Commissie/Ierland e.a, punt 22 supra (EU:C:2009:742), zijn de aluminiumoxide I-zaken overeenkomstig artikel 118, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 bij beslissing van de president van het Gerecht van 18 december 2009 toegewezen aan de Tweede kamer (uitgebreid).
24
Bij beschikking van de president van de Tweede kamer (uitgebreid) van 1 maart 2010 zijn de aluminiumoxide I-zaken gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest. Bij beslissing van de president van het Gerecht van 20 september 2010 zijn de aluminiumoxide I-zaken toegewezen aan de Vierde kamer (uitgebreid).
25
Bij arrest van 21 maart 2012, Ierland/Commissie (T‑50/06 RENV, T‑56/06 RENV, T‑60/06 RENV, T‑62/06 RENV en T‑69/06 RENV, Jurispr., EU:T:2012:134), heeft het Gerecht de aluminiumoxide I-beschikking nietig verklaard, voor zover daarin was vastgesteld, of op de vaststelling berustte, dat de door de Franse Republiek, Ierland en de Italiaanse Republiek tot en met 31 december 2003 verleende accijnsvrijstellingen voor minerale oliën die als brandstof worden gebruikt bij de productie van aluminiumoxide (hierna: „accijnsvrijstellingen”) staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG vormden, en voor zover de Franse Republiek, Ierland en de Italiaanse Republiek daarbij werd gelast alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om de steun die in de vorm van deze vrijstellingen is verleend, van de begunstigden terug te vorderen, voor zover laatstgenoemden geen accijns van ten minste 13,01 EUR per 1000 kg zware stookolie hadden betaald.
26
Bij verzoekschrift van 1 juni 2012 heeft de Commissie hogere voorziening ingesteld tegen dat arrest van het Gerecht.
27
Bij arrest van 10 december 2013, Commissie/Ierland e.a. (C‑272/12 P, Jurispr., EU:C:2013:812), heeft het Hof het arrest Ierland/Commissie, punt 25 supra (EU:T:2012:134), vernietigd, de aluminiumoxide I-zaken naar het Gerecht terugverwezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
28
Ten vervolge op het arrest Commissie/Ierland e.a, punt 27 supra (EU:C:2013:812), zijn de aluminiumoxide I-zaken bij beslissingen van de president van het Gerecht van 21 januari en 10 maart 2014 toegewezen aan de Eerste kamer.
29
Overeenkomstig artikel 119, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 hebben partijen hun schriftelijke opmerkingen neergelegd, te weten Ierland op 21 februari 2014, de Commissie op 14 april 2014 in zaak T‑50/06 RENV II, AAL op 26 februari 2014 en de Commissie op 15 april 2014 in zaak T‑69/06 RENV II. In hun schriftelijke opmerkingen hebben verzoekers echter verklaard dat zij alle middelen handhaafden die zij in hun ter ondersteuning van de in de onderhavige beroepen geformuleerde vorderingen hadden aangevoerd. De Commissie heeft daarvan akte genomen in haar schriftelijke opmerkingen.
30
Bij beslissing van de president van het Gerecht van 30 september 2014 zijn de aluminiumoxide I-zaken overeenkomstig artikel 118, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 toegewezen aan de Eerste kamer (uitgebreid).
31
Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten over te gaan tot de mondelinge behandeling, en in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64, lid 3, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 heeft het Ierland in zaak T‑50/06 RENV II verzocht, de brieven van 8 januari en 26 april 2002 over te leggen (zie punten 9 en 12 hierboven). Ierland heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
32
Bij beschikking van de president van de Eerste kamer (uitgebreid) van 23 maart 2015 zijn de onderhavige zaken gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
33
Ter terechtzitting van 6 mei 2015 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht.
34
Ierland verzoekt het Gerecht:
—
de aluminiumoxide I-beschikking nietig te verklaren voor zover deze betrekking heeft op de litigieuze vrijstelling;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
35
AAL verzoekt het Gerecht:
—
de aluminiumoxide I-beschikking nietig te verklaren voor zover deze haar betreft;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
36
De Commissie verzoekt het Gerecht:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekers te verwijzen in de kosten.
In rechte
37
Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat de twee onderhavige beroepen aldus moeten worden opgevat dat zij in wezen strekken tot nietigverklaring van de aluminiumoxide I-beschikking voor zover daarin wordt vastgesteld dat Ierland tussen 3 februari 2002 en 31 december 2003 door middel van de litigieuze vrijstelling staatssteun heeft verleend (hierna: „litigieuze steun”), en Ierland wordt gelast die steun terug te vorderen (hierna: „litigieuze beschikking”). In zoverre hebben deze beroepen hetzelfde voorwerp.
38
Ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II voert Ierland in wezen vier middelen aan. Het eerste middel betreft een onjuiste rechtsopvatting bij de kwalificatie van de litigieuze steun ten aanzien van artikel 88 EG. Het tweede middel betreft schending van het rechtszekerheidsbeginsel, van het beginsel van estoppel en van artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81. Het derde middel betreft schending van het beginsel van eerbiediging van het gewettigd vertrouwen. Het vierde middel betreft, zakelijk weergegeven, schending van het beginsel van estoppel en misbruik van bevoegdheid.
39
Ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II voert AAL in wezen zes middelen aan. Het eerste middel betreft, zakelijk weergegeven, een onjuiste rechtsopvatting bij de kwalificatie van de litigieuze vrijstelling ten aanzien van artikel 88 EG. Het tweede middel betreft, zakelijk weergegeven, schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van nuttig effect van de handelingen van de instellingen, alsmede bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van bevoegdheid. Het derde middel betreft het niet voldoen aan de eisen van artikel 3, lid 1, onder m), EG en van artikel 157 EG. Het vierde middel betreft schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van het rechtszekerheidsbeginsel. Het vijfde middel betreft, zakelijk weergegeven, schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur in verband met de overdreven lange duur van de formele onderzoeksprocedure. Het zesde middel betreft, zakelijk weergegeven, niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van artikel 87, lid 1, EG.
40
Allereerst dienen de middelen te worden onderzocht waarmee verzoekers in wezen betwisten dat de regels inzake steunmaatregelen van de staten van toepassing zijn op de litigieuze vrijstelling, te weten, enerzijds, het tweede middel, betreffende schending van het rechtszekerheidsbeginsel, van het beginsel van estoppel en van artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81, en het vierde middel, betreffende schending van het beginsel van estoppel en misbruik van bevoegdheid, die zijn aangevoerd ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II, en anderzijds, het tweede middel, betreffende schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van nuttig effect van de handelingen van de instellingen, alsmede bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van bevoegdheid, en het derde middel, betreffende het niet voldoen aan de eisen van de artikel 3, lid 1, onder m), EG en van artikel 157 EG, die zijn aangevoerd ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II.
41
Vervolgens dient het middel te worden onderzocht waarmee AAL in wezen opkomt tegen de kwalificatie van de litigieuze vrijstelling als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG voor de periode tot en met 31 december 2003, te weten het zesde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van artikel 87, lid 1, EG.
42
Daarna dienen de middelen te worden onderzocht waarmee verzoekers in wezen kritiek leveren op de kwalificatie van de litigieuze vrijstelling als nieuwe steun en niet als bestaande steun in de zin van artikel 88 EG, te weten het eerste ter ondersteuning van elk van de onderhavige beroepen aangevoerde middel, betreffende een onjuiste rechtsopvatting bij de kwalificatie van de litigieuze steun ten aanzien van artikel 88 EG.
43
Ten slotte dienen de middelen te worden onderzocht waarmee verzoekers in wezen opkomen tegen de terugvordering van de litigieuze steun, te weten, enerzijds, het derde middel, betreffende schending van het beginsel van eerbiediging van het gewettigd vertrouwen, dat is aangevoerd ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II, en anderzijds, het vierde middel, betreffende schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van het rechtszekerheidsbeginsel, en het vijfde middel, betreffende schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn, van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van behoorlijk bestuur in verband met de overdreven lange duur van de formele onderzoeksprocedure, die zijn aangevoerd ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II.
Tweede middel, betreffende schending van het rechtszekerheidsbeginsel, van het beginsel van estoppel en van artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81, en vierde middel, betreffende schending van het beginsel van estoppel en misbruik van bevoegdheid, die zijn aangevoerd ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II, en tweede middel, betreffende schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van nuttig effect van de handelingen van de instellingen, alsmede bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van bevoegdheid, dat is aangevoerd ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II
44
In het kader van het tweede ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel verwijt Ierland de Commissie dat deze het rechtszekerheidsbeginsel, zoals dat in de rechtspraak is uitgelegd, heeft geschonden door met betrekking tot de litigieuze vrijstelling een beschikking te hebben gegeven die gevolgen sorteert welke in strijd zijn met die van beschikking 2001/224, aangezien, ofschoon de Raad Ierland bij laatstgenoemde beschikking had toegestaan de litigieuze vrijstelling verder toe passen tot en met 31 december 2006, de Commissie bij de aluminiumoxide I-beschikking heeft beslist dat de litigieuze steun een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steun in de zin van artikel 87, lid 3, EG vormde en dus moest worden teruggevorderd. Verder betoogt Ierland dat de Commissie het beginsel van estoppel heeft geschonden door de bestreden beschikking, die gevolgen heeft gesorteerd welke in strijd zijn met die van beschikking 2001/224, te hebben vastgesteld zonder op grond van artikel 230 EG een beroep tot nietigverklaring van laatstgenoemde beschikking te hebben ingesteld. Ten slotte betoogt Ierland dat de Commissie, door de bestreden beschikking vast te stellen, artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81 heeft geschonden, aangezien de Commissie, indien zij van oordeel was dat de litigieuze vrijstelling, die Ierland op grond van beschikking 2001/224 tot en met 31 december 2006 mocht blijven toepassen, een distorsie van de mededinging veroorzaakte of onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt, de procedure had moeten volgen waarin dit artikel voorziet, en de Raad passende voorstellen had moeten doen om de verleende goedkeuring in te trekken of te wijzigen.
45
In het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel voert Ierland, zakelijk weergegeven, aan dat de Commissie, door de bestreden beschikking vast te stellen, het beginsel van estoppel heeft geschonden en misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid. Volgens Ierland stond het beginsel van estoppel eraan in de weg dat de Commissie de bestreden beschikking vaststelde, omdat zij, in weerwil van het feit dat zij kennis had van de litigieuze vrijstelling en van de toepassing daarvan in overeenstemming met beschikking 2001/224, te lang heeft gewacht met de vaststelling van aluminiumoxide I-beschikking. Ierland baseert zich ten eerste op het feit dat de litigieuze vrijstelling begin 1983 is aangemeld bij de Commissie, die daarop een positieve beschikking heeft gegeven. Ten tweede baseert Ierland zich op het feit dat het de Commissie vanaf 1995 periodiek informatie over de geraamde bedragen van de litigieuze steun heeft toegestuurd, die de Commissie heeft overgenomen voor haar aanmelding van de steun bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Ten derde verwijst Ierland naar de door de Raad in 1997, 1999 en 2001 op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen vastgestelde goedkeuringsbeschikkingen. Ten vierde beroept Ierland zich op het ontbreken van voorstellen van de Commissie aan de Raad op grond van artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81, die in overeenstemming met de lex specialis van artikel 93 EG was vastgesteld. Ten vijfde beroept Ierland zich op het feit dat de Commissie heeft nagelaten, op grond van artikel 230 EG een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2001/224 in te stellen. Ten zesde voert Ierland aan dat de Commissie te lang heeft gewacht met de vaststelling van de aluminiumoxide I-beschikking en daardoor niet heeft voldaan aan het vereiste van inachtneming van een redelijke termijn, daar die beschikking is gegeven meer dan 43 maanden nadat de Commissie in april 2002 het antwoord van Ierland op haar laatste verzoek om aanvullende inlichtingen had ontvangen. Ten zevende beroept Ierland zich op de verklaringen van de Commissie en de goedkeuringsbeschikkingen van de Raad tijdens de formele onderzoeksprocedure, op grond waarvan mocht worden aangenomen dat de litigieuze steun was toegestaan. Ten achtste baseert Ierland zich op de houding van de Commissie, die de litigieuze steun in alle omstandigheden als bestaande steun heeft behandeld. Ten negende wijst Ierland erop dat de Commissie heeft nagelaten, op grond van artikel 11, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG] (PB L 83, blz. 1) opschorting van de steun te gelasten, een maatregel waardoor de gevolgen van de steun voor de gemeenschappelijke markt en de gevolgen van de terugvordering van die steun voor AAL hadden kunnen worden getemperd. Verder betoogt Ierland dat de Commissie de bestreden beschikking heeft gegeven om de gevolgen te neutraliseren van beschikking 2001/224, waarbij aan Ierland toestemming was verleend om de litigieuze vrijstelling toe te passen tot en met 31 december 2006, ofschoon de Commissie de Raad had voorgesteld dit slechts tot en met 31 december 2002 toe te staan.
46
In het kader van het tweede ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel betoogt AAL dat de Commissie het rechtszekerheidsbeginsel, zoals dat in de rechtspraak is uitgelegd, en het beginsel van nuttig effect van de handelingen van de instellingen heeft geschonden en grenzen van haar bevoegdheid heeft overschreden doordat de bestreden beschikking ten aanzien van de litigieuze vrijstelling gevolgen sorteert die in strijd zijn met de gevolgen van beschikking 2001/224, aangezien, ofschoon de Raad bij laatstgenoemde beschikking de aan Ierland verleende toestemming om de litigieuze vrijstelling toe te passen tot en met 31 december 2006 heeft verlengd, in de aluminiumoxide I-beschikking wordt vastgesteld dat de op grond van de litigieuze vrijstelling verleende steun ten dele onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt was en in zoverre van de begunstigde diende te worden teruggevorderd, behalve voor de periode van 17 juli 1990 tot en met 2 februari 2002. Dienaangaande baseert AAL zich ten eerste op richtlijn 92/81, die in overeenstemming met de lex specialis van artikel 93 EG was vastgesteld, en Ierland overeenkomstig artikel 87, lid 1, EG toestond om af te wijken van de lex generalis van de regels inzake steunmaatregelen van de staten, aangezien de goedkeuringsbeschikkingen van de Raad met name berustten op de vaststelling dat de litigieuze vrijstelling de mededinging niet ongunstig beïnvloedde en geen distorsie van de werking van de gemeenschappelijke markt meebracht. Ten tweede beroept AAL zich op het feit dat de Commissie geen gebruik heeft gemaakt van de procedure van artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81 voor het oplossen van eventuele problemen van distorsie van de mededinging als gevolg van de litigieuze vrijstelling zoals die door de Raad was toegestaan, en heeft nagelaten op grond van artikel 230 EG een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2001/224 in te stellen. Ten derde baseert AAL zich op het voorstel voor een goedkeuringsbeschikking van de Raad van 29 november 1999 en op artikel 3 van het voorstel voor een goedkeuringsbeschikking van de Raad van 15 november 2000, waaruit bleek dat de Commissie niet van plan was een negatieve eindbeschikking inzake staatssteun te geven vóór het verstrijken van de goedkeuringsbeschikkingen van de Raad, en dat zij de litigieuze steun niet ter discussie stelde. Ten vierde baseert AAL zich op de aan beschikking 2001/224 voorafgaande goedkeuringsbeschikkingen van de Raad, waarin geen melding was gemaakt van de mogelijkheid van een parallelle toepassing van de regels inzake steunmaatregelen van de staten. Ten vijfde wijst zij erop dat overweging 5 van beschikking 2001/224 niet van toepassing is op de litigieuze vrijstelling, die een in januari 1983 aangemelde bestaande steun is. Ten zesde verwijst zij naar de beleidswijziging die voortvloeit uit het feit dat de Commissie met betrekking tot de litigieuze vrijstelling de formele onderzoeksprocedure heeft geopend bij besluit van 30 oktober 2001, te weten ongeveer veertien maanden vóór het verstrijken van de door haarzelf aan de Raad voorgestelde datum einddatum van 31 december 2002 voor de toestemming om die vrijstelling verder toe te passen. Ten zevende stelt zij dat de Commissie onrechtmatig heeft gehandeld door bij wege van vaststelling van de bestreden beschikking de door de Raad bij beschikking 2001/224 gegeven toestemming om de litigieuze vrijstelling tot met 31 december 2006 verder toe te passen, ongedaan te maken en richtlijn 92/81 daardoor elke zin en elk nuttig effect te ontnemen.
47
AAL betoogt dat de Commissie hoe dan ook, zelfs uitsluitend binnen het kader van de toepassing van de regels inzake steunmaatregelen van de staten, misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid door in de bestreden beschikking de litigieuze steun verkeerdelijk als onrechtmatige steun aan merken ofschoon de Raad die steun had goedgekeurd. Aan deze slotsom zou niet worden afgedaan door het feit dat de Raad de steun voor een langere periode heeft goedgekeurd dan de Commissie had voorgesteld, aangezien de Raad rechtmatig in het kader van zijn bevoegdheid op het gebied van fiscale harmonisatie heeft gehandeld.
48
Volgens de Commissie zijn de onderhavige middelen ongegrond.
49
Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel, voor zover het verwijst naar een stilzwijgende goedkeuring die overeenkomstig artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 zou zijn verleend nadat de litigieuze vrijstelling begin 1983 bij de Commissie was aangemeld, en die de aangemelde steun in bestaande steun zou hebben veranderd, samenvalt met het eerste onderdeel van het eerste ter ondersteuning van dat beroep aangevoerde middel, en dient dan ook te worden verwezen naar de behandeling van dat onderdeel (zie punten 135‑163 hieronder).
50
Vervolgens kan, voor zover Ierland de Commissie met datzelfde middel lijkt te verwijten dat deze, door te lang te wachten met de vaststelling van de aluminiumoxide I-beschikking, het gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de litigieuze vrijstelling heeft geschonden dat zijzelf bij AAL had gecreëerd, dit middel aldus worden begrepen dat het in wezen is ontleend aan schending van het beginsel van eerbiediging van het gewettigd vertrouwen. In zoverre valt het samen met het derde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en dient dan ook te worden verwezen naar de behandeling van dat middel (zie punten 205‑263 hieronder).
51
Ten slotte formuleert Ierland, voor zover het in het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel de Commissie verwijt dat deze te lang heeft gewacht met de vaststelling van de bestreden beschikking, in wezen een grief inzake schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn, een grief die overeenkomt met die welke AAL in het kader van het vijfde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel heeft geformuleerd, en dient deze grief samen met dat laatste middel te worden onderzocht (zie punten 264‑273 hieronder).
52
Voor het overige stellen de onderhavige middelen in wezen de vraag aan de orde, of de Commissie het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van nuttig effect van de handelingen van de instellingen heeft geschonden doordat de bestreden beschikking rechtsgevolgen sorteert die in strijd zijn met die van beschikking 2001/224, waarbij aan Ierland uitdrukkelijk toestemming zou zijn verleend om de litigieuze vrijstelling verder toe te passen tot en met 31 december 2006, met name op grond dat die vrijstelling geen distorsie van de mededinging meebracht.
53
Bovendien stellen het tweede en het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel de vraag aan de orde, of er sprake is van schending van het beginsel van estoppel doordat de bestreden beschikking rechtsgevolgen sorteert die in strijd zijn met die van beschikking 2001/224, en of er sprake is van schending van artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81 doordat de Commissie heeft nagelaten de procedure van artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81 te volgen om wijziging of intrekking van beschikking 2001/224 te verkrijgen, alvorens de bestreden beschikking vast te stellen.
54
Verder verwijt Ierland de Commissie in het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel dat deze in het onderhavige geval heeft nagelaten, op grond van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 659/1999 opschorting van de litigieuze steun te gelasten.
55
Ten slotte impliceren het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en het tweede ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, dat moet worden nagegaan of de Commissie bij de vaststelling van de litigieuze beschikking misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid.
56
Wat, in de eerste plaats, de grief inzake schending van het beginsel estoppel betreft, die in het kader van het tweede en het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel is geformuleerd, dient te worden opgemerkt dat het beginsel van estoppel een Angelsaksische rechtsfiguur is die als zodanig niet bestaat in het recht van de Europese Unie, wat niet wegneemt dat bepaalde in het Unierecht verankerde beginselen, zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, en regels, zoals de regel nemo potest venire contra factum proprium, als verbonden met of verwant aan dat beginsel kunnen worden beschouwd. Bijgevolg moet deze grief wegens gebrek aan rechtsgrondslag worden afgewezen voor zover hij op schending van het beginsel van estoppel is gebaseerd, wat niet wegneemt dat de argumenten van Ierland kunnen worden onderzocht wanneer kan worden geoordeeld dat zij zijn aangevoerd ter ondersteuning van een middel dat in wezen aan het rechtszekerheidsbeginsel of aan het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen is ontleend.
57
Wat, in de tweede plaats, de grieven inzake schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van nuttig effect van de handelingen van de instellingen, inzake schending van artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81 alsmede inzake bevoegdheidsoverschrijding betreft, die in het kader van het tweede ter ondersteuning van elk van de onderhavige beroepen aangevoerde middel en of in het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel zijn geformuleerd, dient er allereerst aan te worden herinnerd dat op grond van het in artikel 5 EG en artikel 7 EG verankerde beginsel van toegedeelde bevoegdheden de Europese Gemeenschap binnen de grenzen van de haar door het EG-Verdrag toegedeelde bevoegdheden en toegewezen doelstellingen handelt, en elke instelling binnen de haar door hetzelfde Verdrag toegedeelde bevoegdheden handelt.
58
Daarbij komt dat, volgens de rechtspraak, de handelingen van de instellingen in beginsel worden vermoed rechtsgeldig te zijn, en bijgevolg rechtsgevolgen sorteren zolang zij niet zijn ingetrokken, in het kader van een beroep tot nietigverklaring nietig zijn verklaard of ten vervolge op een prejudiciële verwijzing of een exceptie van onwettigheid ongeldig zijn verklaard (zie in die zin arresten van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a.,C‑137/92 P, Jurispr., EU:C:1994:247, punt 48; 8 juli 1999, Chemie Linz/Commissie,C‑245/92 P, Jurispr., EU:C:1999:363, punt 93, en 5 oktober 2004, Commissie/Griekenland,C‑475/01, Jurispr., EU:C:2004:585, punt 18).
59
Ten slotte dient eraan te worden herinnerd dat het rechtszekerheidsbeginsel een algemeen beginsel van het Unierecht vormt (zie beschikking van 8 november 2007, Fratelli Martini en Cargill, C‑421/06, EU:C:2007:662, punt 56en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens vaste rechtspraak strekt dit beginsel ertoe, te waarborgen dat door het Unierecht beheerste rechtssituaties en rechtsbetrekkingen voorzienbaar zijn (arresten van 10 april 2003, Schulin,C‑305/00, Jurispr., EU:C:2003:218, punt 58, en 15 september 2005, Ierland/Commissie,C‑199/03, Jurispr., EU:C:2005:548, punt 69). Hiertoe is het van wezenlijk belang dat de instellingen de onaantastbaarheid eerbiedigen van door hen vastgestelde handelingen die de juridische en materiële situatie van rechtssubjecten beïnvloeden, zodat zij deze handelingen slechts zullen kunnen wijzigen met inachtneming van de bevoegdheids- en vormvoorschriften (zie arrest van 21 oktober 1997, Deutsche Bahn/Commissie,T‑229/94, Jurispr., EU:T:1997:155, punt 113en aldaar aangehaalde rechtspraak). De eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel vereist eveneens dat de instellingen in beginsel de incoherenties vermijden die bij de tenuitvoerlegging van de verschillende Unierechtelijke bepalingen kunnen ontstaan, in het bijzonder wanneer deze bepalingen een zelfde doel, zoals een niet-vervalste mededinging binnen de gemeenschappelijke markt, hebben (zie, in die zin en naar analogie, arresten van 15 juni 1993, Matra/Commissie,C‑225/91, Jurispr., EU:C:1993:239, punten 41 en 42, en 31 januari 2001, RJB Mining/Commissie,T‑156/98, Jurispr., EU:T:2001:29, punt 112en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
Artikel 8, lid 5, van richtlijn nr. 92/81 luidt als volgt:
„Indien de Commissie van oordeel is dat de in lid 4 bedoelde vrijstellingen of verlagingen niet langer aanvaardbaar zijn, met name uit een oogpunt van eerlijke mededinging, distorsie van de werking van de interne markt of communautair milieubeleid, dient zij bij de Raad passende voorstellen in. De Raad spreekt zich met eenparigheid van stemmen over deze voorstellen uit.”
61
In het onderhavige geval wordt, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, het betoog dat ten grondslag ligt aan de onderhavige grieven, rechtstreeks weerlegd door het arrest Commissie/Ierland e.a., punt 27 supra (EU:C:2013:812).
62
In de punten 45 tot en met 48 van het arrest Commissie/Ierland e.a., punt 27 supra (EU:C:2013:812), heeft het Hof immers een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de respectieve bevoegdheden van de Raad en de Commissie op het gebied van de harmonisatie van de wetgevingen betreffende accijns enerzijds en op het gebied van steunmaatregelen van de staten anderzijds. Verder heeft het Hof voor recht verklaard dat de procedure van artikel 8, lid 4, van richtlijn 92/81 een ander doel en een andere werkingssfeer had dan de regeling van artikel 88 EG.
63
In punt 49 van dat arrest heeft het Hof daaruit afgeleid dat een beschikking van de Raad waarbij een lidstaat overeenkomstig artikel 8, lid 4, van richtlijn 92/81 de toestemming krijgt om een accijnsvrijstelling in te voeren, de Commissie dus niet kon beletten de haar door het EG-Verdrag toegedeelde bevoegdheden uit te oefenen en bijgevolg de in artikel 88 EG bedoelde procedure in te leiden teneinde te onderzoeken of die vrijstelling staatssteun vormde, en in voorkomend geval na afloop van deze procedure een beschikking zoals de aluminiumoxide I-beschikking geven.
64
Verder heeft het Hof, in punt 50 van het arrest Commissie/Ierland e.a., punt 27 supra (EU:C:2013:812), gepreciseerd dat de omstandigheid dat de goedkeuringsbeschikkingen van de Raad volledige accijnsvrijstelling verleenden en daarbij nauwkeurige geografische voorwaarden en tijdsvoorwaarden stelden, en dat de lidstaten deze voorwaarden nauwgezet hadden nageleefd, de bevoegdheidsverdeling tussen de Raad en de Commissie onverlet liet en de Commissie dus niet kon beletten haar eigen bevoegdheden uit te oefenen.
65
In punt 51 van hetzelfde arrest heeft het Hof erop gewezen dat, overigens met inachtneming van die bevoegdheidsverdeling, in overweging 5 van beschikking 2001/224, die van kracht was in de periode waarvoor bij de bestreden beschikking terugvordering van de litigieuze steun is gelast, is verklaard dat deze beschikking geen afbreuk deed aan de uitkomst van eventuele procedures die krachtens de artikelen 87 EG en 88 EG zouden kunnen worden ingesteld, en de lidstaten niet vrijstelde van de verplichting „de Commissie op de hoogte [te] brengen van voorgenomen steunmaatregelen”.
66
Ten slotte heeft het Hof in de punten 52 en 53 van het arrest Commissie/Ierland e.a., punt 27 supra (EU:C:2013:812), nogmaals verklaard dat de omstandigheid dat de goedkeuringsbeschikkingen van de Raad op voorstel van de Commissie waren vastgesteld, en dat laatstgenoemde instelling nooit gebruik had gemaakt van de bevoegdheden waarover zij krachtens artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81 of de artikelen 230 EG en 241 EG beschikte om intrekking of wijziging van die goedkeuringsbeschikkingen te verkrijgen, niet eraan in de weg kon staan dat de accijnsvrijstellingen als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG werden aangemerkt, indien was voldaan aan de voorwaarden om van staatssteun te kunnen spreken.
67
Volgens artikel 61, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is, indien de zaak wordt terugverwezen, het Gerecht gebonden aan de beslissing van het Hof over de rechtsvragen. Gelet op punt 54 van dit arrest staat vast dat de in de punten 62 tot en met 66 hierboven aangehaalde rechtsoverwegingen de noodzakelijk steun bieden aan het dictum van dat arrest, waarbij het Hof het arrest Ierland/Commissie, punt 25 supra (EU:T:2012:134), heeft vernietigd en de aluminiumoxide I-zaken naar het Gerecht heeft terugverwezen.
68
Uit die rechtsoverwegingen blijkt namelijk dat de Commissie, door de procedure van artikel 88 EG toe te passen om te onderzoeken of de litigieuze vrijstelling staatssteun vormde, en door na afloop van die procedure de aluminiumoxide I-beschikking te geven, slechts de bevoegdheden heeft uitgeoefend die het EG-Verdrag haar op het gebied van steunmaatregelen van de staten had toegekend, en door aldus te handelen geen afbreuk heeft kunnen doen aan de bevoegdheden die het EG-Verdrag aan de Raad had toegekend op het gebied van de harmonisatie van de wetgevingen betreffende accijns, of aan de handelingen die Raad in de uitoefening van die bevoegdheden had vastgesteld.
69
Hieruit volgt dat de Commissie, door zonder eerst de procedure van artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81 te volgen de procedure van artikel 88 EG toe te passen om te onderzoeken of de litigieuze vrijstelling staatssteun vormde, en door na afloop van die procedure de aluminiumoxide I-beschikking te geven, ofschoon artikel 1, lid 2, van beschikking 2001/224 Ierland uitdrukkelijk toestond de litigieuze vrijstelling verder toe te passen tot en met 31 december 2006, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van nuttig effect van de handelingen van de instellingen niet heeft geschonden en, anders dan Ierland heeft gesteld, evenmin artikel 8, lid 5, van 92/81 heeft geschonden. De op voorstel van de Commissie vastgestelde goedkeuringsbeschikkingen van de Raad konden immers slechts rechtsgevolgen sorteren binnen de werkingssfeer van de regels inzake de harmonisatie van de wetgevingen betreffende accijns en lieten de gevolgen van een beschikking die de Commissie eventueel in de uitoefening van haar bevoegdheden op het gebied van steunmaatregelen van de staten kon geven, zoals de aluminiumoxide I-beschikking, overlet.
70
Bovendien vloeit uit de punten 52 en 53 van het arrest Commissie/Ierland e.a., punt 27 supra (EU:C:2013:812), waarin het Hof eraan heeft herinnerd dat het begrip staatssteun beantwoordt aan een objectieve situatie en niet kan afhangen van het gedrag of de verklaringen van de instellingen, voort dat het feit dat de Commissie bij de vaststelling van de goedkeuringsbeschikkingen van de Raad had geoordeeld dat de accijnsvrijstellingen geen distorsie van de mededinging meebrachten en de goede werking van de gemeenschappelijke markt niet belemmerden, niet eraan in de weg kon staan dat die vrijstellingen als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG werden aangemerkt, indien was voldaan aan de voorwaarden om van staatssteun te kunnen spreken.
71
Uit de door het Hof gekozen oplossing volgt a fortiori dat de Commissie voor de kwalificatie van de accijnsvrijstellingen als staatssteun niet was gebonden aan het door de Raad in zijn beschikkingen op het gebied van de harmonisatie van de wetgevingen betreffende accijns geformuleerde oordeel dat die vrijstellingen geen distorsie van de mededinging meebrachten en de goede werking van de gemeenschappelijke markt niet belemmerden.
72
AAL kan dus niet op goede gronden stellen dat de Commissie haar bevoegdheden heeft overschreden door de bestreden beschikking vast te stellen. Verzoekers kunnen dus niet op goede gronden stellen dat de bestreden beschikking rechtsgevolgen sorteert die ingaan tegen die van beschikking 2001/224.
73
Voor zover AAL, zakelijk weergegeven, de Commissie in het kader van het tweede ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel verwijt, de litigieuze vrijstelling als onrechtmatige steun te hebben aangemerkt, hoewel die vrijstelling door de Raad was goedgekeurd, hoeft er voor de ongegrondverklaring van deze grief slechts aan te worden herinnerd dat, zoals in punt 49 van het arrest Commissie/Ierland e.a, punt 27 supra (EU:C:2013:812), is verklaard, de beschikking waarbij de Raad goedkeuring heeft verleend ten aanzien van de regels inzake de harmonisatie van de wetgevingen betreffende accijns, de Commissie niet kon beletten haar bevoegdheden op het gebied van steunmaatregelen van de staten uit te oefenen en na afloop van de procedure van artikel 88 EG in voorkomend geval een beschikking zoals de bestreden beschikking te geven.
74
Bijgevolg dienen de grieven inzake schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van nuttig effect van de handelingen van de instellingen, inzake schending van artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81 of inzake bevoegdheidsoverschrijding ongegrond te worden verklaard.
75
Wat, in de derde plaats, de grieven inzake misbruik van bevoegdheid door de Commissie betreft, die in het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en van het tweede ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel zijn geformuleerd, dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het begrip misbruik van bevoegdheid in het Unierecht een welbepaalde inhoud heeft en ziet op de situatie dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt voor een ander doel dan dat waarvoor deze zijn verleend. Bij een beschikking is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat zij is gegeven ter bereiking van andere doeleinden dan die welke zijn aangevoerd (zie arrest van 9 september 2008, Bayer CropScience e.a./Commissie,T‑75/06, Jurispr., EU:T:2008:317, punt 254en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76
In het onderhavige geval dragen verzoekers, om het bestaan van misbruik van bevoegdheid aan te tonen, geen objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen aan op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de bestreden beschikking is vastgesteld voor andere doeleinden dan die welke zijn aangevoerd, namelijk de terugvordering van staatssteun die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, EG.
77
Ook de grieven inzake misbruik van bevoegdheid door de Commissie dienen dus ongegrond te worden verklaard.
78
In de vierde plaats dient, voor zover Ierland in het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel de Commissie verwijt, dat deze in het onderhavige geval heeft nagelaten, op grond van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 659/1999 opschorting van de litigieuze steun te gelasten, eraan te worden herinnerd dat volgens deze bepaling „[de Commissie, na] de betrokken lidstaat de gelegenheid te hebben gegeven zijn opmerkingen in te dienen, [...] een beschikking [kan] geven waarbij de lidstaat wordt gelast alle onrechtmatige steun op te schorten, totdat de Commissie een beschikking heeft gegeven over de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt”.
79
Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 659/1999 legt de Commissie niet de verplichting op, een opschortingsbevel te geven wanneer bepaalde voorwaarden zijn vervuld, maar bepaalt alleen dat de Commissie een dergelijk bevel kan geven wanneer zij dat nodig acht. Hieruit volgt dat Ierland de Commissie, die heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval geen opschortingsbevel diende te worden gegeven, niet op goede gronden kan verwijten artikel 11, lid 1, van verordening nr. 659/1999 te hebben geschonden.
80
Bijgevolg dient de in wezen aan schending van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 659/1999 ontleende grief te worden afgewezen.
81
Onverminderd de grieven die hetzij in het kader van andere middelen (zie punten 49 en 50 hierboven) hetzij afzonderlijk (zie punt 51 hierboven) dienen te worden onderzocht, dienen, aangezien de andere grieven die in het kader van het tweede ter ondersteuning van elk van de onderhavige beroepen aangevoerde middel en in het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel zijn geformuleerd, volledig zijn afgewezen, deze middelen zelf ongegrond te worden verklaard.
Derde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende het niet voldoen aan de eisen van artikel 3, lid 1, onder m), EG en van artikel 157 EG
82
AAL betoogt dat de Commissie is voorbijgegaan aan de eisen van artikel 3, lid 1, onder m), EG en van artikel 157 EG doordat de bestreden beschikking, in de plaats van het concurrentievermogen van de communautaire ondernemingen te bevorderen, de Gemeenschap minder concurrentieel heeft gemaakt en haar in een ongunstige situatie heeft gebracht op de wereldmarkt, waarop zij het merendeel van haar producten uitvoerde. De goedkeuringsbeschikkingen van de Raad zouden zijn gebaseerd op het feit dat de litigieuze vrijstelling geen distorsie van de mededinging meebracht, wat de Commissie aanvankelijk zou hebben aanvaard en wat zelfs in de vierde overweging van beschikking 92/510 zou zijn vermeld.
83
Volgens de Commissie is het onderhavige middel ongegrond.
84
Het onderhavige middel betreft in wezen de vraag, of de Commissie door vaststelling van de bestreden beschikking is voorbijgegaan aan de eisen van artikel 3, lid 1, onder m), EG en van artikel 157 EG door de toepassing te belemmeren van een maatregel, te weten de litigieuze vrijstelling, die erop was gericht het concurrentievermogen van AAL op de wereldmarkt van de productie van aluminiumoxide te versterken zonder een distorsie van de mededinging mee te brengen, zoals uit beschikking 2001/224 zou blijken.
85
Artikel 3 EG bepaalt met name:
„Teneinde de in artikel 2 genoemde doelstellingen te bereiken, omvat het optreden van de Gemeenschap onder de voorwaarden en volgens het tijdschema waarin dit Verdrag voorziet:
[...]
m)
het versterken van het concurrentievermogen van de industrie van de Gemeenschap [...]”
86
Artikel 157 EG bepaalt met name:
„1. De Gemeenschap en de lidstaten dragen er zorg voor dat de omstandigheden nodig voor het concurrentievermogen van de industrie van de Gemeenschap, aanwezig zijn.
Hiertoe is hun optreden, overeenkomstig een systeem van open en concurrerende markten, erop gericht:
—
de aanpassing van de industrie aan structurele wijzigingen te bespoedigen;
—
een gunstig klimaat voor het ontplooien van initiatieven en voor de ontwikkeling van ondernemingen in de gehele Gemeenschap, met name van het midden- en kleinbedrijf, te bevorderen;
—
een gunstig klimaat voor de samenwerking tussen ondernemingen te bevorderen;
—
een betere benutting van het industriële potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren.
[...]
3. De Gemeenschap draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van lid 1 door middel van haar beleid en optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag. De Raad kan volgens de procedure van artikel 251 [CE] na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité specifieke maatregelen vaststellen ter ondersteuning van de activiteiten die in de lidstaten worden ondernomen om de doelstellingen van lid 1 te verwezenlijken.
Deze titel verschaft geen grondslag voor invoering door de Gemeenschap van maatregelen waardoor de mededinging kan worden vervalst.”
87
Zoals de Commissie terecht aanvoert, bepaalde artikel 3, lid 1, onder g), EG ook dat het optreden van de Gemeenschap „een regime [omvatte] waardoor [werd] verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet [werd] vervalst”. Bovendien bepaalde artikel 157 EG dat het geen grondslag verschafte voor invoering door de Gemeenschap van maatregelen waardoor de mededinging kon worden vervalst.
88
Ofschoon het Hof, in punt 52 van het arrest Commissie/Ierland e.a, punt 27 supra (EU:C:2013:812), heeft vastgesteld dat de Commissie, toen de Raad op grond van de regels inzake harmonisatie van de belastingwetgeving de goedkeuringsbeschikkingen vaststelde, had geoordeeld dat de litigieuze vrijstelling geen distorsie van de mededinging meebracht en de goede werking van de gemeenschappelijke markt niet belemmerde, heeft het in punt 53 van datzelfde arrest ook opgemerkt dat dit niet eraan in de weg stond dat die vrijstelling als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG zou worden aangemerkt, indien was voldaan aan de voorwaarden om van staatssteun te kunnen spreken, met dien verstande dat het begrip staatssteun beantwoordt aan een objectieve situatie en niet kan afhangen van het gedrag of de verklaringen van de instellingen.
89
In de aluminiumoxide I-beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat de litigieuze vrijstelling als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 3, EG moest worden aangemerkt, met name omdat, zoals in de overwegingen 61 en 62 van die beschikking was opgemerkt, kon worden vermoed dat zij de mededinging vervalste of dreigde te vervalsen, ook al werd een groot gedeelte van de aluminiumoxideproductie in de aluminiumfabrieken verbruikt, aangezien de litigieuze vrijstelling uitdrukkelijk het concurrentievermogen van de begunstigden ten opzichte van de met name in Griekenland, Spanje, Duitsland en Hongarije (vanaf de toetreding van dit land tot de Unie op 1 mei 2004) gevestigde communautaire concurrenten beoogde te versterken door hun productiekosten te verlagen.
90
In het kader van het onderhavige middel beperkt AAL zich tot de opmerking dat het in punt 89 hierboven vermelde oordeel van de Commissie in tegenspraak is met het oordeel dat ten grondslag ligt aan de goedkeuringsbeschikkingen die de Raad op voorstel van de Commissie op het gebied van harmonisatie van de belastingwetgevingen heeft gegeven, zonder de gegrondheid van dit oordeel specifiek te betwisten.
91
Aangezien de Commissie om de in punt 88 hierboven uiteengezette redenen in het onderhavige geval niet was gebonden aan het oordeel dat besloten lag in de goedkeuringsbeschikkingen die de Raad op voorstel van de Commissie op het gebied van harmonisatie van de belastingwetgevingen had gegeven, staat vast dat zij door vaststelling van de bestreden beschikking geen inbreuk heeft gemaakt op artikel 3, lid 1, onder m), EG en op artikel 157 EG.
92
Bijgevolg moet het derde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel ongegrond worden verklaard.
93
Deze ongegrondverklaring doet geen afbreuk aan het in het kader van het zesde ter ondersteuning van hetzelfde beroep aangevoerde middel te verrichten onderzoek, of de Commissie is tekortgeschoten in de op haar rustende motiveringsplicht en artikel 87, lid 1, EG heeft geschonden door in de overwegingen 61 en 62 van de aluminiumoxide I-beschikking vast te stellen dat de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van de mededinging en van het handelsverkeer tussen de lidstaten in het onderhavige geval was vervuld (zie punten 94‑131 hieronder).
Zesde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van artikel 87, lid 1, EG
94
In de eerste plaats betoogt AAL dat de Commissie de op haar rustende motiveringsplicht niet is nagekomen door in de bestreden beschikking geen passende motivering te verstrekken betreffende de inachtneming van bepaalde voorwaarden om de litigieuze steun als staatssteun in de zin artikel 87, lid 1, EG te kunnen aanmerken, te weten de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten en de voorwaarde van distorsie van de mededinging. De Commissie had, overeenkomstig de wens van enkele van haar leden, in de bestreden beschikking moeten uiteenzetten waarom zij aan het einde van een volledige en actuele economische analyse van de gevolgen van de litigieuze steun voor de mededinging en voor het handelsverkeer tussen de lidstaten tot de slotsom was gekomen dat bovengenoemde voorwaarden in het onderhavige geval waren vervuld.
95
In de tweede plaats betoogt AAL dat de Commissie artikel 87, lid 1, EG heeft geschonden door, als gevolg van het feit van geen ernstige economische analyse te hebben verricht, in de bestreden beschikking verkeerdelijk te hebben vastgesteld dat de litigieuze steun een voordeel verleende, het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedde of de mededinging vervalste of dreigde te vervalsen. In dit verband baseert AAL zich ten eerste op het feit dat de Commissie, bij haar analyse van de gevolgen voor het handelsverkeer en de handel tussen de lidstaten in overweging 62 van de aluminiumoxide I-beschikking, geen rekening heeft gehouden met het feit dat het hier gaat om twee verschillende producten, te weten SGA en CGA, terwijl AAL als producent van SGA vooral concurreert met niet-Europese producenten en niet met de andere Europese producenten en met name niet met degenen die CGA produceren. Ten tweede baseert AAL zich op het onjuiste beeld dat de Commissie in overweging 61 van de aluminiumoxide I-beschikking van de situatie geeft waar zij verklaart dat de litigieuze steun erop was gericht het concurrentievermogen van AAL ten opzichte van de concurrenten te versterken door haar kosten te verlagen, terwijl dit slechts het geval was ten opzichte van de niet-Europese producenten van aluminiumoxide, maar niet ten opzichte van de Europese producenten van aluminiumoxide, tussen dewelke er slechts geringe concurrentie bestond, gelet op het feit dat de Gemeenschap een netto-importeur van aluminiumoxide was en dat een groot deel van de communautaire aluminiumoxideproductie voor eigen gebruik was bestemd. Ten derde wijst AAL op het feit dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met, enerzijds, de omstandigheid dat de Europese producenten van aluminiumoxide, met name die welke in Duitsland zijn gevestigd, vrijstelling genoten voor de door hen gebruikte energie, die al goedkoper was, en anderzijds, de omstandigheid dat AAL wegens de verschillen tussen de wettelijke regelingen inzake vergunningen en milieubescherming, wat de kosten betreft, in een ongunstige situatie verkeerde ten opzichte van andere Europese producenten van aluminiumoxide.
96
Volgens de Commissie is het onderhavige middel ongegrond.
97
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak de in artikel 253 EG bedoelde motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift is, dat moet worden onderscheiden van de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de litigieuze handeling betreft (zie arresten van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie,C‑521/09 P, Jurispr., EU:C:2011:620, punt 146en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 mei 2014, Donau Chemie/Commissie,T‑406/09, Jurispr., EU:T:2014:254, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak).
98
In de eerste plaats dient dus de grief inzake niet-nakoming van de in artikel 253 EG geformuleerde motiveringsplicht te worden behandeld, en vervolgens, in de tweede plaats, de grief inzake schending van artikel 87, lid 1, EG.
99
Wat in de eerste plaats de grief inzake niet-nakoming van de in artikel 253 EG geformuleerde motiveringsplicht betreft, dient eraan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak de door artikel 253 EG geëiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechterlijke instantie haar toezicht kan uitoefenen (zie arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, Jurispr., EU:C:1998:154, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak). De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben (zie arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France, reeds aangehaald, EU:C:1998:154, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100
Toegepast op de kwalificatie van een maatregel als staatssteun verlangt de motiveringsplicht dat wordt aangegeven waarom de Commissie van mening is dat de betrokken maatregel binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG valt (zie arrest van 15 juni 2010, Mediaset/Commissie,T‑177/07, Jurispr., EU:T:2010:233, punt 144en aldaar aangehaalde rechtspraak), de bepaling die steunmaatregelen verbiedt die het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden of de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (arrest van 4 september 2009, Italië/Commissie,T‑211/05, Jurispr., EU:T:2009:304, punt 151).
101
De redenen die de Commissie dienaangaande zou moeten aangeven, moeten worden bepaald aan de hand van de eisen die in de rechtspraak zijn geformuleerd om vast te stellen of is voldaan aan de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten en aan de voorwaarde van distorsie van de mededinging, die in de punten 112 tot en met 115 hieronder in herinnering zullen worden gebracht.
102
Tegen de achtergrond van de rechtspraak die, enerzijds, in de punten 99 en 100 hierboven in herinnering is gebracht, en anderzijds, in de punten 112 tot en met 115 hieronder in herinnering zal worden gebracht, dient in het onderhavige geval dus te worden beoordeeld of de Commissie de bestreden beschikking afdoende heeft gemotiveerd ter zake van het voldoen aan de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de staten en aan de voorwaarde van distorsie van de mededinging.
103
In het onderhavige geval heeft de Commissie in de overwegingen 60 tot en met 62 van de bestreden beschikking de volgende motivering verstrekt:
„(60)
Dankzij de accijnsvrijstellingen worden de kosten van een belangrijke input verlaagd en krijgen de begunstigde ondernemingen dus een voordeel verleend, waardoor zij in een gunstigere financiële positie worden geplaatst ten opzichte van andere ondernemingen die minerale oliën in andere sectoren of regio’s gebruiken.
(61)
In hun opmerkingen hebben de begunstigde ondernemingen en Frankrijk zich op het standpunt gesteld dat door de vrijstellingen er geen mededingingsdistorsie wordt gecreëerd, noch dat de werking van de interne markt er ongunstig door wordt beïnvloed, omdat [de Gemeenschap netto-importeur van aluminiumoxide is,] de producenten in de Gemeenschap internationaal moesten concurreren en door de hoge energieprijzen werden benadeeld. Bovendien zou het stopzetten van de vrijstelling de marktsituatie voor aluminiumoxide op communautair niveau niet verbeteren en zou de leveringszekerheid van primaire grondstoffen voor de aluminiumproductie verminderen. Volgens hen zou het feit dat er geen verstoring van de mededinging is, ook worden bevestigd doordat geen enkele concurrent opmerkingen maakte bij het besluit van de Commissie om de [formele onderzoeksprocedure] in te leiden. Een en ander doet echter niet af aan de beoordeling in overweging 60. Integendeel, het bevestigt juist dat de accijnsverminderingen uitdrukkelijk waren bedoeld om de concurrentiepositie van de begunstigde ondernemingen ten opzichte van hun concurrenten te verbeteren, door hun kosten te verlagen. De Commissie doet opmerken dat aluminiumoxide ook in Griekenland, Spanje, Duitsland en Hongarije wordt geproduceerd (al is Hongarije pas sinds 1 mei 2004 een lidstaat).
(62)
Er is handelsverkeer tussen de lidstaten voor aluminiumoxide (zowel SGA als CGA), maar ook voor aluminium; deze laatste markt is eng verwant met die voor aluminiumoxide. Bijgevolg mag de steun worden geacht het intracommunautaire handelsverkeer ongunstig te beïnvloeden en het handelsverkeer te verstoren of dreigen te verstoren, zelfs indien belangrijke hoeveelheden van de aluminiumoxideproductie worden verbruikt in nabijgelegen aluminiumfabrieken.”
104
Voor zover de Commissie in overweging 62 van de bestreden beslissing verwijst naar „aluminiumoxide (zowel SGA als CGA)”, dient te worden gepreciseerd dat zij in overweging 16 van die beschikking had verklaard:
„[...] In meerdere concentratiebeschikkingen [...] is de Commissie tot de bevinding gekomen dat er twee afzonderlijke productmarkten zijn: aluminiumoxide voor de primaire aluminiumproductie (smelter-grade alumina – hierna ook ‚SGA’ genoemd) en aluminiumoxide voor chemische toepassingen (chemical-grade alumina – hierna ook ‚CGA’ genoemd). CGA is een product met een veel grotere toegevoegde productwaarde dan SGA. Is de geografische markt voor SGA wereldwijd, dan is die voor CGA niet ruimer dan Europa.”
105
In de overwegingen 61 en 62 van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat, volgens de analyses verricht in beschikking 2002/174/EG van de Commissie van 3 mei 2000 waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de gemeenschappelijke markt en met de EER-Overeenkomst (zaak nr. COMP/M.1693 – Alcoa/Reynolds) (PB 2002, L 58, blz. 25; hierna: „Alcoa/Reynolds-beschikking”), aangehaald in de voetnoot bij overweging 16 van de bestreden beschikking, SGA en CGA twee afzonderlijke markten van Europese omvang vormden, omdat daarbij niet alleen producenten in Ierland, Italië en Frankrijk, maar ook producenten in Griekenland, Spanje, Duitsland en Hongarije (vanaf 1 mei 2004) waren betrokken. Verder heeft zij vastgesteld dat aluminiumoxide (SGA en CGA) het voorwerp van handel tussen de lidstaten was, die in beginsel betrekking had op het kleine gedeelte van de aluminiumoxideproductie dat niet in nabijgelegen aluminiumfabrieken werd verbruikt (hierna: „overschotaluminiumoxide”) en aan derden op de vrije markt werd aangeboden, in tegenstelling tot het „aluminiumoxide voor eigen gebruik” dat intern door geïntegreerde producenten werd gebruikt, volgens de analyse in overweging 13 van de Alcoa/Reynolds-beschikking.
106
Bovendien heeft de Commissie in de overwegingen 60 en 61 van de bestreden beschikking verklaard dat de accijnsvrijstellingen, zoals de litigieuze vrijstelling, de kostprijs verminderden van een belangrijke grondstof die werd gebruikt door de voor die vrijstelling in aanmerking komende aluminiumoxideproducenten, te weten de in de regio Shannon in Ierland, in de regio Gardanne in Frankrijk en op Sardinië in Italië gevestigde producenten, hetgeen erop neerkwam dat de Commissie van oordeel was, ook al heeft zij dat in de bestreden beschikking niet uitdrukkelijk gezegd, dat de litigieuze steun een aan die producenten verleende steun voor de bedrijfsvoering was die de productiviteit van die producenten versterkte ten opzichte van die van andere, in Griekenland, Spanje en Duitsland gevestigde, Europese aluminiumoxideproducenten die niet voor die vrijstellingen in aanmerking kwamen.
107
Ten slotte heeft de Commissie in overweging 61 van de bestreden beschikking de door de begunstigden, waaronder AAL, en de Franse Republiek tijdens de administratieve procedure geformuleerde bezwaren van de hand gewezen.
108
Op basis van de aldus gedane vaststellingen heeft de Commissie in overweging 62 van de bestreden beschikking geoordeeld dat in het onderhavige geval mocht worden vermoed dat de litigieuze steun het handelsverkeer tussen de staten ongunstig beïnvloedde en de mededinging vervalste of dreigde te vervalsen.
109
Gelet op de rechtspraak die, enerzijds, in de punten 99 en 100 hierboven in herinnering is gebracht, en anderzijds, in de punten 112 tot en met 115 hieronder in herinnering zal worden gebracht, heeft de Commissie de bestreden beschikking afdoende gemotiveerd ter zake van het voldoen aan de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten en van de voorwaarde van distorsie van de mededinging, door bondig maar duidelijk aan te geven waarom, gelet op het bestaan van handelsverkeer tussen de lidstaten en van markten van Europese omvang voor overschotaluminiumoxide (SGA en CGA) en op het feit dat de litigieuze steun voor de bedrijfsvoering was, mocht worden vermoed dat deze steun dit handelsverkeer ongunstig kon beïnvloeden en de mededinging op deze markten kon vervalsen door de concurrentiepositie van de in de regio Shannon in Ierland, in de regio Gardanne in Frankrijk en op Sardinië in Italië gevestigde aluminiumoxideproducenten te versterken ten opzichte van die van de andere, in Griekenland, Spanje en Duitsland gevestigde, Europese aluminiumoxideproducenten.
110
Bijgevolg dient de grief inzake niet-nakoming van de in artikel 253 EG geformuleerde motiveringsplicht ongegrond te worden verklaard.
111
Wat in de tweede plaats de grief inzake schending van artikel 87, lid 1, EG betreft, betoogt AAL, zakelijk weergegeven, dat de Commissie in het kader van de kwalificatie van een maatregel als staatssteun in de zin van artikel 87 EG blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de litigieuze steun AAL een voordeel verleende, het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedde en de mededinging vervalste of dreigde te vervalsen.
112
In dit verband dient er allereerst aan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak de Commissie in het kader van haar beoordeling of is voldaan aan de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten en van de voorwaarde van distorsie van de mededinging niet hoeft vast te stellen dat de verleende steun het handelsverkeer tussen de lidstaten daadwerkelijk beïnvloedt en de mededinging daadwerkelijk verstoort, maar alleen hoeft te onderzoeken of die steun dit handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen (zie arresten van 9 september 2009, Holland Malt/Commissie,T‑369/06, Jurispr., EU:T:2009:319, punt 37en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Italië/Commissie, punt 100 supra, EU:T:2009:304, punt 152en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat de Commissie geen economische analyse van de reële situatie op de betrokken markten, van het marktaandeel van de voor de steun in aanmerking komende ondernemingen, van de positie van de concurrerende ondernemingen en van het handelsverkeer tussen de lidstaten hoeft te maken (zie arrest Mediaset/Commissie, punt 100 supra, EU:T:2010:233, punt 145en aldaar aangehaalde rechtspraak).
113
Verder blijkt uit de rechtspraak dat de voorwaarde van beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten en de voorwaarde van distorsie van de mededinging in de regel onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden (arresten van 4 april 2001, Regione Autonoma Friuli-Venezia Giulia/Commissie,T‑288/97, Jurispr., EU:T:2001:115, punt 41, en 15 juni 2000, Alzetta e.a./Commissie,T‑298/97, T‑312/97, T‑313/97, T‑315/97, T‑600/97–T‑607/97, T‑1/98, T‑3/98–T‑6/98 en T‑23/98, Jurispr., EU:T:2000:151, punt 81). In het bijzonder blijkt uit de rechtspraak dat elke steun verleend aan een onderneming die actief is op de gemeenschappelijke markt, tot distorsie van de mededinging en tot ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten kan leiden (zie arresten van 11 juni 2009, ASM Brescia/Commissie,T‑189/03, Jurispr., EU:T:2009:193, punt 68een aldaar aangehaalde rechtspraak, en Italië/Commissie, T‑222/04, Jurispr., EU:T:2009:194, punt 43en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114
Wat de voorwaarde van distorsie van de mededinging betreft, erkent de rechtspraak overigens een vermoeden volgens hetwelk steun voor de bedrijfsvoering van een onderneming, te weten steun die erop is gericht die onderneming te bevrijden van de kosten die zij normaliter in het kader van haar gewone bedrijfsvoering of van haar normale werkzaamheden zelf zou moeten dragen, deze onderneming een kunstmatige financiële ondersteuning biedt die in beginsel de mededingingsvoorwaarden vervalst in de sectoren waarin hij wordt verleend (arresten van 8 juni 1995, Siemens/Commissie,T‑459/93, Jurispr., EU:T:1995:100, punten 48 en 77, en 29 september 2000, CETM/Commissie,T‑55/99, Jurispr., EU:T:2000:223, punt 83; zie ook, in die zin, arresten van 19 september 2000, Duitsland/Commissie,C‑156/98, Jurispr., EU:C:2000:467, punt 30, en 5 oktober 2000, Duitsland/Commissie, C‑288/96, punten, EU:C:2000:537, punten 77 en 78). Hieruit volgt dat, wanneer de Commissie het bestaan van steun voor de bedrijfsvoering vaststelt, zij niet gehouden is aan te geven om welke redenen deze steun de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen (zie in die zin arrest Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, EU:C:2000:537, punt 86).
115
Wat ten slotte de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten betreft, blijkt uit de rechtspraak dat, wanneer door een lidstaat verleende steun de positie van een onderneming ten opzichte andere concurrerende ondernemingen in het handelsverkeer tussen staten versterkt, dit handelsverkeer moet worden geacht door deze steun te worden beïnvloed (zie arresten van 14 september 1994, Spanje/Commissie,C‑278/92–C‑280/92, Jurispr., EU:C:1994:325, punt 40en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Italië/Commissie, punt 100 supra, EU:T:2009:304, punt 153en aldaar aangehaalde rechtspraak). Er is geen drempel waaronder het handelsverkeer tussen de lidstaten kan worden geacht niet ongunstig te worden beïnvloed (zie arresten ASM Brescia/Commissie, punt 113 supra, EU:T:2009:193, punt 69en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Italië/Commissie, punt 113 supra, EU:T:2009:194, punt 69en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het bijzonder hangt de voorwaarde dat de steunmaatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig moet kunnen beïnvloeden, niet af van de omvang van het betrokken werkterrein (arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C‑280/00, Jurispr., EU:C:2003:415, punt 82).
116
Wat allereerst de grief betreft waarmee AAL in wezen betwist dat de voorwaarde van een aan de begunstigde van de steun verleend voordeel was vervuld, dient eraan te worden herinnerd dat artikel 87 EG tot doel heeft, te voorkomen dat het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig wordt beïnvloed door voordelen van overheidswege die – in verschillende vormen – de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen (zie arrest van 15 maart 1994, Banco Exterior de España,C‑387/92, Jurispr., EU:C:1994:100, punt 12en aldaar aangehaalde rechtspraak).
117
Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip steun niet alleen positieve prestaties, zoals de subsidie zelf, maar ook maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die op het budget van een onderneming drukken en die – zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn – van dezelfde aard zijn en identieke gevolgen hebben (arrest van 13 juni 2000, EPAC/Commissie,T‑204/97 en T‑270/97, Jurispr., EU:T:2000:148, punt 65en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat een maatregel waarbij de overheid aan bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte die van de andere belastingplichtigen, een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 87, lid 1, EG vormt (arrest Banco Exterior de España, punt 116 supra, EU:C:1994:100, punt 14).
118
In het onderhavige geval blijkt uit overweging 60 van bestreden beschikking dat het door de litigieuze vrijstelling aan AAL verleende voordeel volgens de Commissie voortvloeide uit het feit dat „[d]ankzij de accijnsvrijstellingen [...] de kosten van een belangrijke input [werden] verlaagd„ en de begunstigden „in een gunstigere financiële positie [werden] geplaatst ten opzichte van andere ondernemingen die minerale oliën in andere sectoren of regio’s [gebruikten]”.
119
Gelet op de in punt 117 hierboven aldaar aangehaalde rechtspraak kon de Commissie aldus op goede gronden erop wijzen dat de accijnsvrijstellingen, een last, te weten de accijns op minerale oliën, wegnamen die normaliter drukte op het budget van ondernemingen die, zoals AAL, dergelijke oliën gebruikten als brandstof bij de productie van aluminiumoxide in de regio Shannon in Ierland, in de regio Gardanne in Frankrijk en op Sardinië in Italië, en daardoor aan deze ondernemingen een voordeel verleenden ten opzichte van andere ondernemingen die in andere sectoren of in andere regio’s eveneens minerale oliën gebruiken in het kader van hun productieproces.
120
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het argument van AAL dat in wezen berust op de compenserende functie die de litigieuze vrijstelling zou hebben vervuld, gelet op een objectief concurrentienadeel dat AAL op het niveau van de productiekosten zou hebben ten opzichte van andere Europese aluminiumoxideproducenten, met name die welke in Duitsland zijn gevestigd. In dit verband volstaat het immers, eraan te herinneren dat volgens vaste rechtspraak de omstandigheid dat een lidstaat via unilaterale maatregelen de mededingingsvoorwaarden in een bepaalde economische sector probeert aan te passen aan die welke in andere lidstaten heersen, aan die maatregelen niet het karakter van steun kan ontnemen (zie arrest van 29 april 2004, Italië/Commissie,C‑372/97, Jurispr., EU:C:2004:234, punt 67en aldaar aangehaalde rechtspraak).
121
Bijgevolg dient de grief inzake het niet voldoen aan de voorwaarde van een aan de begunstigde van de steun verleend voordeel ongegrond te worden verklaard.
122
Wat vervolgens de grief betreft waarmee AAL in wezen betwist dat de voorwaarde van distorsie van de mededinging was vervuld, dient eraan te worden herinnerd dat volgens de in de punten 113 en 114 hierboven aangehaalde rechtspraak, enerzijds, elke steun verleend aan een onderneming die actief is op de gemeenschappelijke markt, tot distorsie van de mededinging kan leiden, en anderzijds, de steun voor de bedrijfsvoering van een onderneming, te weten de steun die erop is gericht die onderneming te bevrijden van de kosten die zij normaliter in het kader van haar gewone bedrijfsvoering of van haar normale werkzaamheden zelf moet dragen, wordt vermoed de mededingingsvoorwaarden te vervalsen in de sectoren waarin hij wordt toegekend.
123
In het onderhavige geval blijkt uit punt 60 van de bestreden beschikking dat volgens de Commissie „[d]ankzij de accijnsvrijstellingen [...] de kosten van een belangrijke input [werden] verlaagd„ die door de in de regio Shannon in Ierland, in de regio Gardanne in Frankrijk en op Sardinië in Italië gevestigde aluminiumoxideproducenten werd gebruikt. Dit oordeel is gegrond, aangezien de ondernemingen die, zoals AAL, in bovengenoemde regio’s minerale oliën als brandstof gebruikten bij de productie van aluminiumoxide, normaliter de accijns op de minerale oliën hadden moeten betalen, en de kost van de accijns dus normaliter op het budget van deze ondernemingen zou hebben gedrukt. Zoals in punt 106 hierboven is opgemerkt, heeft de Commissie dan ook terecht in overweging 60 van de bestreden beschikking impliciet maar noodzakelijk geoordeeld dat de accijnsvrijstellingen overeenkwamen met steun voor de bedrijfsvoering in de zin van de in punt 114 hierboven aangehaalde rechtspraak ten gunste van de in de regio Shannon in Ierland, in de regio Gardanne in Frankrijk en op Sardinië in Italië gevestigde aluminiumoxideproducenten. Ten slotte heeft de Commissie, zoals in punt 105 hierboven is gezegd, in de overwegingen 61 en 62 van de bestreden beschikking vastgesteld, dat er, algemeen, handelsverkeer tussen lidstaten en markten van Europese omvang voor overschotaluminiumoxide (SGA en CGA) bestond. Deze vaststellingen zijn in het bijzonder gebaseerd op een economische analyse die de Commissie in de Alcoa/Reynolds-beschikking had verricht (zie punt 105 hierboven). In het kader van het onderhavige beroep heeft AAL echter geen enkele door bewijselementen gestaafde economische analyse overlegd die de gegrondheid van de algemene economische analyse in de Alcoa/Reynolds-beschikking, waarnaar in de bestreden beschikking wordt verwezen, in twijfel zou kunnen trekken. Bijgevolg kan de gegrondheid van deze laatste analyse in het onderhavige geval niet ter discussie worden gesteld. Gelet op al deze in de overwegingen 60 tot en met 62 van de bestreden beschikking gedane vaststellingen, kon de Commissie, overeenkomstig de in de punten 113 en 114 hierboven aangehaalde rechtspraak, op goede gronden vermoeden dat de litigieuze vrijstelling de mededinging tussen de in de regio Shannon in Ierland, in de regio Gardanne in Frankrijk en op Sardinië in Italië gevestigde aluminiumoxideproducenten, enerzijds, en de in Griekenland, Spanje en Duitsland gevestigde Europese aluminiumoxideproducenten, anderzijds, op de markten van Europese omvang voor overschotaluminiumoxide (SGA en CGA) vervalste of dreigde te vervalsen.
124
Het argument dat AAL in wezen ontleent aan de omstandigheid dat de Commissie de op de markten voor aluminiumoxide (SGA en CGA) heersende specifieke mededingingsvoorwaarden niet correct zou hebben opgevat, kan de gegrondheid van de bestreden beschikking op het punt van het voldoen aan de voorwaarde van distorsie van de mededinging niet ter discussie stellen. Er dient immers aan te worden herinnerd dat volgens de in punt 111 hierboven aangehaalde rechtspraak de Commissie niet verplicht was een nauwkeurige economische analyse van de betrokken markten te verrichten, en dat zij in het onderhavige specifieke geval waarin de litigieuze vrijstelling steun voor de bedrijfsvoering was, overigens op goede gronden kon vermoeden dat deze vrijstelling de mededinging vervalste, althans wat de aluminiumoxide (SGA en CGA) betreft die het voorwerp van handel tussen de lidstaten was en waarvan de markten een Europese omvang hadden (zie punt 123 hierboven). Voor zover AAL de Commissie verwijt, geen rekening te hebben gehouden met het feit dat een groot deel van de communautaire productie voor eigen gebruik was bestemd, mist haar grief feitelijke grondslag omdat de Commissie in overweging 62 van de bestreden beschikking, zakelijk weergegeven, heeft opgemerkt dat de handel tussen lidstaten slechts betrekking had op de overschotaluminiumoxide (SGA en CGA).
125
Daarbij komt dat, voor zover AAL, zakelijk weergegeven, stelt dat zij niet met de andere Europese aluminiumoxideproducenten, maar alleen met de niet-Europese aluminiumoxideproducenten concurreerde, haar argument de gegrondheid van de bestreden beschikking ter zake van het voldoen aan de voorwaarde van distorsie van de mededinging evenmin in twijfel kan trekken. Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat de stellingen van AAL niet zijn onderbouwd en overigens in tegenspraak zijn met de verklaringen van AAL volgens welke de litigieuze vrijstelling compensatie beoogde te bieden voor de ongunstige kostensituatie van een aluminiumoxideproducent die, zoals zijzelf, in Ierland was gevestigd, ten opzichte van de in andere lidstaten, zoals Duitsland, gevestigde aluminiumoxideproducenten. Uit de eigen stellingen van AAL blijkt aldus dat deze concurreerde met andere Europese aluminiumoxideproducenten.
126
Bijgevolg dient de grief inzake het niet voldaan aan de voorwaarde van distorsie van de mededinging ongegrond te worden verklaard.
127
Wat, ten slotte, de grief betreft waarmee AAL in wezen betwist dat de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten was vervuld, dient eraan te worden herinnerd dat, overeenkomstig de in de punten 113 en 115 hierboven aangehaalde rechtspraak, enerzijds, elke steun verleend aan een onderneming die werkzaam is op de Europese markt, het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, en anderzijds, wanneer door een lidstaat verleende steun de positie van een onderneming ten opzichte andere concurrerende ondernemingen in het handelsverkeer tussen staten versterkt, dit handelsverkeer moet worden geacht door deze steun te worden beïnvloed.
128
Zoals in punt 123 hierboven al is gezegd, heeft de Commissie op goede gronden vastgesteld dat er, algemeen, handelsverkeer tussen lidstaten en markten van Europese omvang voor overschotaluminiumoxide (SGA en CGA) bestond. Voor zover de accijnsvrijstellingen slechts ten goede kwamen aan de aluminiumoxideproducenten die, zoals AAL, in de regio Shannon in Ierland, in de regio Gardanne in Frankrijk en op Sardinië in Italië waren gevestigd, en niet aan de aluminiumoxideproducenten die in Griekenland, Spanje en Duitsland waren gevestigd en waarmee AAL concurreerde (zie punt 124 hierboven), kon de Commissie bovendien op goede gronden tot de slotsom komen dat de litigieuze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kon beïnvloeden.
129
Wat het argument betreft dat AAL in wezen ontleent aan de omstandigheid dat de Commissie zou zijn voorbijgegaan aan het feit dat een groot deel van de communautaire aluminiumoxideproductie voor eigen gebruik was bestemd, en dat de aluminiumoxide (SGA en CGA) niet tussen de lidstaten, maar tussen de lidstaten en derde staten werd verhandeld daar de Gemeenschap een netto-importeur van deze producten was, dit argument kan de gegrondheid van de bestreden beschikking op het punt van het voldoen aan de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de staten niet in twijfel trekken. Enerzijds mist die grief feitelijke grondslag voor zover hij betrekking heeft op de voor eigen gebruik bestemde aluminiumoxide. Zoals in punt 124 hierboven al is gezegd, heeft de Commissie in overweging 62 van de bestreden beschikking, zakelijk weergegeven, opgemerkt dat de handel tussen de lidstaten slechts betrekking had op de overschotaluminiumoxide (SGA en CGA). Anderzijds is deze grief, voor zover hij betrekking heeft op de handel in aluminiumoxide (SGA en CGA) tussen de lidstaten, niet onderbouwd en in tegenspraak met wat AAL zelf in haar schrifturen heeft aangevoerd, namelijk dat „[het] kleine gedeelte [van haar productie] dat in de vorm van aluminiumoxidetrihydraat werd verkocht [...] door een in Duitsland gevestigde producent van aluminiumoxide voor chemische toepassingen als grondstof werd gebruikt” en „alle door haar geproduceerde aluminiumoxide [...] via haar maritieme terminal [werd] uitgevoerd naar marken buiten Ierland, vooral naar het Verenigd Koninkrijk, naar Scandinavië en naar andere plaatsen in Europa”. Uit de stellingen van AAL zelf blijkt aldus dat deze interstatelijke handelsstromen in overschotaluminiumoxide (SGA en CGA) van producten voorzag.
130
Bijgevolg dient de grief inzake het niet-voldoen aan de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten ongegrond te worden verklaard.
131
Aangezien daarmee alle grieven zijn afgewezen die in het kader van het zesde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel waren geformuleerd, dient dit middel zelf volledig ongegrond te worden verklaard.
Eerste ter ondersteuning van elk van de onderhavige beroepen aangevoerde middel, betreffende onjuiste rechtsopvatting bij de kwalificatie van de litigieuze steun ten aanzien van artikel 88 EG
132
In het kader van het eerste ter ondersteuning van elk van de onderhavige beroepen aangevoerde middel verwijten verzoekers de Commissie dat deze in de bestreden beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de litigieuze steun als nieuwe steun in de zin van artikel 88, lid 3, EG aan te merken veeleer dan als bestaande steun in de zin van artikel 88, lid 1, EG, en door de procedure betreffende de bestaande steunregelingen niet op die steun toe te passen.
133
Het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel bestaat uit drie alternatieve onderdelen. Het eerste onderdeel betreft, zakelijk weergegeven, schending van artikel 88 EG en van de in artikel 1, onder b), iii), van verordening nr. 659/1999 gecodificeerde regel, alsmede, zakelijk weergegeven, schending van de procedurele regels betreffende de bestaande steunregelingen, zoals die zijn gecodificeerd in de artikelen 17 en 18 verordening nr. 659/1999. Het tweede onderdeel betreft schending van artikel 88 EG en van de artikelen 1, onder b), iv), en 15, lid 3, van verordening nr. 659/1999, in hun onderlinge samenhang gelezen, alsmede, zakelijk weergegeven, schending van de procedurele regels betreffende de bestaande steunregelingen, zoals die zijn gecodificeerd in de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 659/1999. Het derde onderdeel betreft, zakelijk weergegeven, schending van artikel 88 EG en van de in artikel 1, onder b), i), van verordening nr. 659/1999 gecodificeerde regel.
134
Het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel bestaat eveneens uit drie alternatieve onderdelen. Het eerste onderdeel betreft, zakelijk weergegeven, schending van artikel 88 EG en van de in artikel 1, onder b), i), van verordening nr. 659/1999 gecodificeerde regel. Het tweede onderdeel betreft schending van artikel 88 EG en van de in artikel 1, onder b), iii), van verordening nr. 659/1999 gecodificeerde regel. Het derde onderdeel betreft, zakelijk weergegeven, schending van artikel 88 EG en van de artikelen 1, onder b), iv), en 15, lid 3, van verordening nr. 659/1999, in hun onderlinge samenhang gelezen.
Eerste onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en tweede onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende schending van artikel 88 EG en van de in artikel 1, onder b), iii), van verordening nr. 659/1999 gecodificeerde regel, alsmede, in zaak T‑50/06 RENV II, schending van de procedurele regels betreffende de bestaande steunregelingen, zoals die zijn gecodificeerd in de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 659/1999
135
Verzoekers betogen, zakelijk weergegeven, dat de Commissie in de bestreden beschikking artikel 88 EG en de in artikel 1, onder b), iii), van verordening nr. 659/1999 gecodificeerde regel heeft geschonden doordat zij voor de kwalificatie van de litigieuze steun als nieuwe steun in de zin van artikel 88, lid 3, EG geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat die steun moest worden geacht te zijn goedgekeurd omdat de Commissie geen standpunt over de litigieuze vrijstelling had ingenomen binnen een redelijke termijn vanaf de datum waarop deze bij haar was aangemeld. In zaak T‑50/06 RENV II stelt Ierland ook schending van de procedurele regels betreffende de bestaande steunregelingen, zoals die zijn gecodificeerd in de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 659/1999.
136
In dit verband beroept Ierland zich ten eerste op de brief van 6 mei 1983, waaruit blijkt dat Ierland het door de Commissie in de brief van 22 maart 1983 geformuleerde aanbod om de brief van Ierland van 28 januari 1983, waarbij de Commissie op de hoogte werd gebracht van de voorgenomen litigieuze vrijstelling, als aanmelding in de zin van artikel 88, lid 8, EG te behandelen. Ten tweede beroept Ierland zich nogmaals op de brief van 6 mei 1983 waarbij het de Commissie vooraf op de hoogte heeft gebracht van zijn voornemen om de litigieuze vrijstelling tot uitvoering te brengen overeenkomstig de gecodificeerde regel van artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999. Ten derde beroept Ierland zich op het feit dat de Commissie geen beschikking heeft gegeven binnen de in artikel 4, lid 5, van verordening nr. 659/1999 gecodificeerde termijn van twee maanden vanaf de aanmelding van de litigieuze vrijstelling of binnen een redelijke termijn vanaf het voorgaande op de hoogte brengen van het voornemen om deze vrijstelling tot uitvoering te brengen, en op het feit dat Commissie tot 1992, te weten gedurende negen jaar na die aanmelding en kennisgeving, heeft stilgezeten en gezwegen. Ten vierde beklemtoont Ierland dat het feit dat zij de litigieuze vrijstelling tot uitvoering heeft gebracht zonder te wachten op een formele standpuntbepaling van de Commissie ten aanzien van de regels inzake steunmaatregelen van de staten, niet ter zake dienend is, gezien de Commissie haar standpunt niet binnen een redelijke termijn heeft bepaald en de litigieuze vrijstelling meer dan twee maanden na de kennisgeving aan de Commissie van 28 januari 1983 tot uitvoering is gebracht. Verder betoogt Ierland dat de Commissie zich heeft gedragen alsof zij de litigieuze steun als bestaande steun beschouwde. In dit verband baseert Ierland zich op de duidelijke en nauwkeurige tekst van de vierde overweging van beschikking 92/510, volgens welke „de Commissie en alle lidstaten het ermee eens [waren] dat al deze uitzonderingen gegrond [waren] uit hoofde van bijzondere beleidsdoelstellingen en geen aanleiding [gaven] tot concurrentievervalsingen noch de werking van de interne markt [verstoorden]”, die kan worden beschouwd als een positieve beschikking over de op 28 januari 1983 aangemelde litigieuze vrijstelling, of althans als een beginselverklaring die aangeeft dat de twijfel van de Commissie over de verenigbaarheid van de litigieuze steun met de gemeenschappelijke markt was weggenomen. In de tweede plaats baseert Ierland zich op de in de vijfde overweging van beschikking 97/425 en de vierde overweging van beschikking 1999/880 gebruikte terminologie, die overeenkomt met die welke de Commissie gebruikt bij het onderzoek van bestaande steunregelingen op basis van artikel 17 van verordening nr. 659/1999. In de derde plaats beroept Ierland zich op de voorstellen voor goedkeuringsbeschikkingen van de Raad van november 1999 en 2000 alsmede op overweging 5 van beschikking 2001/224, die geen enkele waarschuwing betreffende de onrechtmatigheid van de litigieuze steun bevatten. In de vierde plaats wijst Ierland erop dat in elk geval de Commissie zelf aan de Raad heeft voorgesteld, toe te staan dat de litigieuze vrijstelling ook na 1983 wordt toegepast. Verder verwijt Ierland de Commissie, zakelijk weergegeven, dat deze de procedure betreffende bestaande steunregelingen, zoals die in de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 659/1999 is gecodificeerd, heeft geschonden door te gelasten dat de litigieuze steun met terugwerkende kracht wordt teruggevorderd, zonder rekening te houden met het feit dat zij in het kader van het permanente toezicht op de bestaande steunregelingen slechts bevoegd was de afschaffing of wijziging van die steun binnen een door haar vast te stellen termijn op te leggen.
137
AAL beroept zich ten eerste op de brief van 6 mei 1983, waaruit blijkt dat Ierland het door de Commissie in de brief van 22 maart 1983 geformuleerde aanbod om de brief van 28 januari 1983, waarbij de Commissie op de hoogte werd gebracht van de voorgenomen litigieuze vrijstelling, als aanmelding in de zin van artikel 88, lid 2, EG te behandelen. Ten tweede wijst zij erop dat de litigieuze vrijstelling ongeveer drie maanden na het verzenden van de brief van 28 januari 1983 aan de Commissie tot uitvoering is gebracht. Ten derde beroept zij zich op de brief van 6 mei 1983, waarbij Ierland de Commissie vooraf op de hoogte heeft gebracht van zijn voornemen om de litigieuze vrijstelling tot uitvoering te brengen overeenkomstig de gecodificeerde regel van artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999. Ten vierde voert zij aan dat het argument van de Commissie, dat Ierland en AAL de litigieuze vrijstelling niet met strikte inachtneming van de in de rechtspraak (arrest van 11 december 1973, Lorenz,120/73, Jurispr., EU:C:1973:152) geformuleerde voorwaarden, die nadien zijn gecodificeerd in verordening nr. 659/1999, tot uitvoering hebben gebracht, haar niet kan worden tegengeworpen, omdat de Commissie zelf van dit rechtskader is afgeweken door Ierland aan te bieden, de brief van 28 januari 1983 als aanmelding te beschouwen en zichzelf daardoor de mogelijkheid heeft ontnomen om binnen een redelijke termijn van twee maanden haar standpunt te bepalen. Subsidiair voert zij aan, dat het argument van de Commissie inzake de gestelde onvolledigheid van de aanmelding haar niet kan worden tegengeworpen, omdat de Commissie, nadat zij door Ierland op de hoogte was gebracht van de ophanden zijnde tenuitvoerlegging van de steun, in de brief van 22 maart 1983 geen aanvullende aanmelding heeft geëist. Ten vijfde wijst zij erop dat de Commissie tot juli 2000 heeft stilgezeten en gezwegen, te weten gedurende 17 jaar vanaf de aanmelding van de litigieuze vrijstelling en de kennisgeving van de ophanden zijnde tenuitvoerlegging daarvan. Ten zesde baseert zij zich op de omstandigheid dat de Commissie, toen zij op 17 juli 2000 aanmelding van de vrijstelling heeft gevorderd en op 30 oktober 2001 de formele onderzoeksprocedure heeft geopend, de op 28 januari 1983 verrichte aanmelding buiten beschouwing heeft gelaten, hetgeen tot een fout bij de kwalificatie van de steun heeft geleid. Ten zevende verwijst zij naar de vierde overweging van beschikking 92/510, die gelijkstaat met erkenning door de Commissie dat de litigieuze vrijstelling bestaande steun was. Ten achtste stelt zij dat de situatie die de Commissie in het leven heeft geroepen en gedurende een lange periode heeft aanvaard, objectief gebiedt de litigieuze steun als bestaande steun aan te merken.
138
Volgens de Commissie zijn de onderhavige onderdelen van elk eerste middel ongegrond.
139
In dit verband dient er om te beginnen aan te worden herinnerd, dat het EG-Verdrag in verschillende procedures voor bestaande steun en voor nieuwe steun voorziet. Terwijl nieuwe steun overeenkomstig artikel 88, lid 3, EG vooraf bij de Commissie moet worden aangemeld en niet tot uitvoering mag worden gebracht vóór de procedure tot een eindbeslissing heeft geleid, kan bestaande steun overeenkomstig artikel 88, lid 1, EG rechtmatig tot uitvoering worden gebracht zolang de Commissie die steun niet onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard (zie arrest van 24 maart 2011, Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt/Commissie, T‑443/08 en T‑455/08, Jurispr., EU:T:2011:117, punt 187en aldaar aangehaalde rechtspraak). Met betrekking tot bestaande steun kan dus in voorkomend geval slechts een beschikking worden gegeven waarbij de onverenigbaarheid ervan met gevolgen voor de toekomst wordt vastgesteld (zie arrest Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt/Commissie, reeds aangehaald, EU:T:2011:117, punt 187en aldaar aangehaalde rechtspraak).
140
Voor zover verzoekers formeel schending van artikel 1, onder b), iii), van verordening nr. 659/1999 aanvoeren, dient er overigens op te worden gewezen, dat op het tijdstip waarop de Commissie de bestreden beschikking heeft vastgesteld, de in laatstgenoemde bepaling geformuleerde materiële regel al op 16 april 1999 in werking was getreden. Ofschoon volgens de rechtspraak (arresten van 14 mei 1975, CNTA/Commissie,74/74, Jurispr., EU:C:1975:59, punten 33‑43; 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie,C‑152/88, Jurispr., EU:C:1990:259, punten 16 en 17, en 5 oktober 1993, Driessen e.a.,C‑13/92–C‑16/92, Jurispr., EU:C:1993:828, punten 30‑35) de bescherming van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van gewettigd vertrouwen grenzen stelt aan de onmiddellijke toepassing van materiële regels, gelden deze grenzen in geval van onrechtmatige steun of aangemelde steun niet vóór deze door de Commissie is goedgekeurd. Binnen het stelsel en de logica van het toezicht op steunmaatregelen van de staten wordt de situatie immers niet onmiddellijk en definitief vastgesteld door de aanmelding of de verlening van de steun, maar blijft zij open totdat de instellingen van de Unie een beslissing nemen. In deze context staat het aan de Commissie, de materiële regels toe te passen die van kracht zijn op het tijdstip waarop zij uitspraak doet over de betrokken steun of steunregeling en over de verenigbaarheid van die steun of steunregeling met de gemeenschappelijke markt, en dit zijn de enige regels waaraan haar beslissing dienaangaande moet worden getoetst (zie, in die zin en naar analogie, arrest van 11 december 2008, Commissie/Freistaat Sachsen,C‑334/07 P, Jurispr., EU:C:2008:709, punt 53). Op het tijdstip waarop de Commissie de bestreden beschikking heeft vastgesteld, was artikel 1, onder b), iii), van verordening nr. 659/1999 van kracht, zodat deze bepaling in het onderhavige geval van toepassing is.
141
De in artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 geformuleerde procedurele regels, waarnaar artikel 1, onder b), iii), van die verordening verwijst, gelden echter niet voor procedurele handelingen die vóór de inwerkingtreding van die verordening op 16 april 1999 zijn gesteld. Volgens de rechtspraak worden procedurele regels immers in het algemeen geacht te gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen (zie in die zin arresten van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a.,212/80–217/80, Jurispr., EU:C:1981:270, punt 9, en 23 februari 2006, Molenbergnatie,C‑201/04, Jurispr., EU:C:2006:136, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak). Tijdens de periode van het vooronderzoek van de litigieuze vrijstelling, waarin de litigieuze steun als door de Commissie goedgekeurd zou zijn beschouwd, te weten in de loop van het jaar 1983, waren deze regels echter nog niet in werking getreden. Er dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat, zoals de Commissie in overweging 67 van de aluminiumoxide I-beschikking terecht heeft erkend, artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 met name de codificatie beoogde van een aantal procedurele regels die volgens de rechtspraak van het Hof voortvloeiend uit het arrest Lorenz, punt 137 supra (EU:C:1973:152, punt 6) (hierna: „Lorenz-rechtspraak”) van toepassing waren op het tijdstip waarop de aangevoerde procedurele handelingen zijn gesteld. Volgens deze door AAL in zaak T‑69/06 RENV II aldaar aangehaalde rechtspraak impliceerde artikel 93, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) dat wanneer de Commissie, na door een lidstaat op de hoogte te zijn gebracht van een voornemen tot invoering of wijziging van een steunmaatregel, nalaat de contradictoire procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) (of formele onderzoeksprocedure) te openen door de betrokken lidstaat in de gelegenheid te stellen opmerkingen in te dienen, deze laatste, nadat er voldoende tijd voor een eerste onderzoek is verstreken, de voorgenomen steunmaatregel tot uitvoering kan brengen mits hij de Commissie daarvan vooraf op de hoogte heeft gebracht, waarna deze steun onder de regeling voor bestaande steun komt te vallen (arrest van 9 augustus 1994, Namur-Les assurances du crédit,C‑44/93, Jurispr., EU:C:1994:311, punt 12). Wat de voor de Commissie voldoende of redelijke termijn voor het verrichten van een eerste onderzoek (of vooronderzoek) betreft, heeft het Hof verklaard, dat daarvoor te rade diende te worden gegaan met de termijn van twee maanden die in de artikelen 173 van het EG-Verdrag en 175 van het EG-Verdrag (thans artikelen 230 EG en 232 EG) is vastgesteld voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring en van een beroep wegens nalaten. (arrest Lorenz, punt 137 supra, EU:C:1973:152, punt 6).
142
De grieven inzake schending van artikel 1, onder b), iii), van verordening nr. 659/1999 dienen dus te worden begrepen als grieven die in wezen betrekking hebben op schending van de Lorenz-rechtspraak.
143
In het onderhavige geval betogen verzoekers vooral dat de Commissie in de bestreden beschikking een vergissing heeft begaan door de litigieuze steun als nieuwe steun aan te merken en door te gelasten dat die steun met terugwerkende kracht wordt teruggevorderd, terwijl het ging om bestaande steun in de zin van de Lorenz-rechtspraak, omdat de Commissie niet binnen een redelijke termijn vanaf de aanmelding van de litigieuze vrijstelling een standpunt daarover had bepaald.
144
In de eerste plaats, primair, te worden onderzocht, of de brief van 28 januari 1983 niet formeel als een aanmelding van de litigieuze vrijstelling in de zin van artikel 88, lid 3, EG zou kunnen worden beschouwd, en subsidiair, of die aanmelding onvolledig was, omdat Ierland in de brief van 6 mei 1983 niet had geantwoord op de vraag die Commissie in de brief van 22 maart 1983 had gesteld over de duur van de steun aan AAL.
145
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat in het kader van de rechtmatigheidstoetsing het Gerecht in elk geval zijn eigen motivering niet in de plaats kan stellen van die van de instelling die de bestreden handeling heeft gesteld (zie, naar analogie, arrest van 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie,C‑73/11 P, Jurispr., EU:C:2013:32, punt 89en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat het Gerecht zich niet, zonder de grenzen van zijn toetsingsbevoegdheid te overschrijden, voor de afwijzing van een voor hem aangevoerd middel tot nietigverklaring kan baseren op gronden niets te maken hebben met de litigieuze beschikking (zie, in die zin en naar analogie, arrest Frucona Košice/Commissie, reeds aangehaald, EU:C:2013:32, punt 88).
146
In overweging 67 van de aluminiumoxide I-beschikking heeft de Commissie gewezen op het volgende:
„[...] de steun [kan] niet worden geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van artikel 4, lid 6, van verordening (EG) nr. 659/1999. Frankrijk en Italië hebben de maatregelen nimmer aangemeld. In zijn schrijven van 6 mei 1983 bevestigde Ierland dat de steun pas op dat tijdstip ten uitvoer werd gelegd en dat zijn schrijven aan de Commissie als een aanmelding overeenkomstig artikel 93, lid 3 van het [EG-]Verdrag [...] kon worden beschouwd. Ierland heeft de Commissie echter nooit formeel voorafgaandelijk in kennis gesteld van zijn voornemen de steun ten uitvoer te leggen, zoals echter ingevolge artikel 4, lid 6, van verordening (EG) nr. 659/1999 is vereist. Integendeel, het legde de maatregel ten uitvoer amper één week na het schrijven van 6 mei 1983 waarin de Commissie werd verzocht de steun als zijnde aangemeld te beschouwen. Daarom komt het de Commissie voor dat de steun als onrechtmatige steun in de zin van artikel 1, onder f), van verordening (EG) nr. 659/1999 moet worden aangemerkt. Ook de Franse en Italiaanse steun werden ten uitvoer gelegd zonder de toestemming van de Commissie af te wachten, hetgeen in strijd is met artikel 88, lid 3, van het Verdrag. Lidstaten kunnen zich voor dergelijke steun niet beroepen op de toepassing van de regels van artikel 4, lid 6, van verordening (EG) nr. 659/1999. Zelfs al werd verordening (EG) nr. 659/1999 pas in 1999 van kracht, toch waren gelijksoortige regels al voordien van toepassing, in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie [...].”
147
Bovendien heeft de Commissie in artikel 5, lid 5, van de aluminiumoxide I-beschikking Ierland met name gelast, de tussen 3 februari 2002 en 31 december 2003 verleende litigieuze steun van de begunstigde ervan, te weten AAL, terug te vorderen.
148
Uit overweging 67 van de aluminiumoxide I-beschikking blijkt dat de Commissie in die beschikking weliswaar aan de Franse Republiek en de Italiaanse Republiek heeft tegengeworpen dat deze de door hen toegepaste accijnsvrijstellingen niet bij haar hebben aangemeld, maar dat zij Ierland nooit heeft verweten de litigieuze vrijstelling niet bij haar te hebben aangemeld. Zij heeft Ierland alleen verweten, haar niet overeenkomstig de in de Lorenz-rechtspraak geformuleerde eis vooraf op de hoogte te hebben gebracht van zijn voornemen om die vrijstelling tot uitvoering te brengen. Ierland heeft de vrijstelling tot uitvoering gebracht een week na het versturen van de brief 6 mei 1983 waarin zij de Commissie verzocht de brief van 28 januari 1983 als aanmelding te beschouwen. Dit spoort met het feit dat Ierland in de brief van 6 mei 1983 slechts heeft ingestemd met een door de Commissie in de brief van 22 maart 1983 geformuleerd voorstel om de brief van de 28 januari 1983, waarmee Ierland haar op de hoogte had gebracht van zijn voornemen om de litigieuze vrijstelling tot uitvoering te brengen, als aanmelding in de zin van artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag te beschouwen.
149
Aangezien in de bestreden beschikking geen sprake is van de grond, dat Ierland de litigieuze vrijstelling niet of onvolledig bij de Commissie heeft aangemeld, kan het Gerecht het eerste onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel niet op een dergelijke grond afwijzen zonder de grenzen van zijn toetsingsbevoegdheid in het kader van een beroep tot nietigverklaring te overschrijden.
150
Bijgevolg dient afwijzend te worden beslist op de argumenten die de Commissie tegen het eerste onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel heeft aangedragen en die primair aan ontbreken van aanmelding van de litigieuze vrijstelling in de zin van artikel 88, lid 3, EG en subsidiair aan onvolledigheid van de gestelde aanmelding waren ontleend.
151
In de tweede plaats dient het verweermiddel te worden onderzocht dat de Commissie tegen het tweede onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel heeft aangedragen en dat in wezen is ontleend aan de omstandigheid zij slechts dankzij de brief van 6 mei 1983 de brief van 28 januari 1983 als aanmelding van de litigieuze vrijstelling in de zin van artikel 88, lid 3, EG heeft kunnen beschouwen, zodat de termijn moet worden geacht te zijn ingegaan vanaf de ontvangst van de brief van 6 mei 1983.
152
In dit verband dient erop te worden gewezen dat Ierland pas bij de brief van 6 mei 1983 de Commissie heeft verzocht, zijn brief van 28 januari 1983 als aanmelding in de zin van artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag te beschouwen, zoals de Commissie in de brief van 22 maart 1983 had voorgesteld. De Commissie betoogt dus terecht dat er geen formele aanmelding van de litigieuze steun kon worden geacht te zijn verricht vóór de ontvangst van de brief van 6 mei 1983, zodat de voldoende of redelijke termijn voor de Commissie om een eerste onderzoek van die steun te verrichten, slechts kon ingaan vanaf de ontvangst van die brief.
153
In de derde plaats dient het verweermiddel te worden onderzocht dat de Commissie tegen het eerste onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en tegen het tweede onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel heeft aangedragen en dat is ontleend aan de omstandigheid dat, anders dan verzoekers stellen, de brief van 6 mei 1983 niet als de door de rechtspraak geëiste voorafgaande kennisgeving van het voorgenomen tot uitvoering brengen van de steun kon worden beschouwd.
154
In dit verband blijkt zowel uit de inhoud als uit de doelstellingen van de bepalingen van artikel 93 van het EG-Verdrag (thans artikel 88 EG) dat als bestaande steun in de zin van lid 1 van dat artikel met name moet worden beschouwd de steun die rechtmatig tot uitvoering kon worden gebracht onder de voorwaarden van artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag, met inbegrip van de voorwaarden die voortvloeien uit de uitlegging die het Hof in het arrest Lorenz punt 137 supra (EU:C:1973:152, punten 4‑6) van dat artikel heeft gegeven (arresten Namur-Les assurances du crédit, punt 141 supra, EU:C:1994:311, punt 13, en 17 juni 1999, Piaggio,C‑295/97, Jurispr., EU:C:1999:313, punt 48). Gelet op de uit de Lorenz-rechtspraak voortvloeiende procedurele regels is de overgang van aangemelde steun in bestaande steun afhankelijk van twee noodzakelijke en voldoende voorwaarden, te weten dat de lidstaat de Commissie vooraf op de hoogte brengt van het voorgenomen tot uitvoering brengen van de steun, en dat de Commissie nalaat om binnen twee maanden volgend op de volledige aanmelding van de steun de in artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag bedoelde procedure op tegenspraak in te leiden (zie in die zin arrest van 15 februari 2001, Oostenrijks/Commissie,C‑99/98, Jurispr., EU:C:2001:94, punt 84).
155
In het onderhavige geval dient slechts uitspraak te worden gedaan over de eventuele niet-inachtneming van de voorwaarde dat de lidstaat de Commissie vooraf op de hoogte brengt van het voorgenomen tot uitvoering brengen van de steun, de enige voorwaarde die de Commissie in overweging 67 van de bestreden beschikking heeft onderzocht (zie punt 146 hierboven).
156
Zelfs indien wordt geoordeeld dat Ierland de litigieuze vrijstelling volledig bij de Commissie heeft aangemeld op de datum waarop het de Commissie bij zijn brief van 6 mei 1983 heeft verzocht, zijn brief van 28 januari 1983 als aanmelding in de zin van artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag te beschouwen zoals de Commissie in haar brief van 22 maart 1983 had voorgesteld, beschikte deze laatste, gelet op de uit de Lorenz-rechtspraak voortvloeiende procedurele regels, over een termijn van twee maanden om de formele onderzoeksprocedure in te leiden. Uit deze procedurele regels volgt dat Ierland de litigieuze vrijstelling pas bij het verstrijken van die termijn, te weten in beginsel op 7 juli 1983, tot uitvoering mocht brengen (zie in die zin arrest Oostenrijk/Commissie, punt 154 supra, EU:C:2001:94, punt 77), op voorwaarde dat het de Commissie daarvan vooraf op de hoogte had gebracht, waarna de op basis van die vrijstelling verleende steun onder regeling van bestaande steunmaatregelen valt (arrest Namur-Les assurances du crédit, punt 141 supra, EU:C:1994:311, punt 12).
157
Vast staat echter, enerzijds, dat de brief van 6 mei 1983, waarmee de aanmelding van de litigieuze vrijstelling bij de Commissie werd bevestigd, niet tevens als een voorafgaande kennisgeving van het tot uitvoering brengen van die vrijstelling kon worden beschouwd. Vast staat immers dat, zelfs indien zou worden aanvaard dat de voorafgaande kennisgeving vóór het verstrijken van de termijn van twee maanden voor het inleiden van de formele onderzoeksprocedure kon worden gedaan, dus in een periode waarin Ierland de litigieuze vrijstelling hoe dan ook niet tot uitvoering mocht brengen, Ierland in die brief de Commissie niet heeft laten weten dat het bij stilzwijgen van de Commissie de litigieuze vrijstelling tot uitvoering zou brengen, maar slechts heeft erkend dat de litigieuze vrijstelling moest worden aangemeld, slechts heeft bevestigd dat zij deze vrijstelling bij de Commissie aanmeldde, en de Commissie slechts aanvullende informatie over die vrijstelling heeft verstrekt. Anderzijds staat vast dat uit de stukken niet kan worden opgemaakt dat Ierland de Commissie, na het toesturen van de brief van 6 mei 1983 en vóór het tot uitvoering brengen van de litigieuze vrijstelling op 12 mei 1983, een handeling heeft doen toekomen die een voorafgaande kennisgeving van het tot uitvoering brengen van die vrijstelling kan vormen.
158
Bijgevolg betoogt de Commissie terecht dat in het onderhavige geval niet alle in de rechtspraak geformuleerde voorwaarden voor overgang van aangemelde steun in een bestaande steun waren vervuld.
159
In de vierde plaats dienen de argumenten te worden onderzocht die verzoekers ontlenen aan de omstandigheid dat de Commissie zich zou hebben gedragen alsof de litigieuze steun bestaande steun was, en die in feite zijn gebaseerd op de inhoud van de op voorstel van de Commissie vastgestelde goedkeuringsbeschikkingen van de Raad alsmede op de lange periode waarin de Commissie heeft nagelaten een formele onderzoeksprocedure te openen.
160
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het antwoord op de vraag, of een steunmaatregel nieuwe dan wel bestaande steun is volgens de in punt 154 hierboven aangehaalde rechtspraak, en of voor de invoering ervan dus de door artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag voorgeschreven procedure van voorafgaand onderzoek moet worden gevolgd, niet mag afhangen van een subjectief oordeel van de Commissie (zie in die zin arrest Piaggio, punt 154 supra, EU:C:1999:313, punten 47 en 48). Bovendien kan het feit alleen dat de Commissie gedurende een vrij lange periode geen onderzoek heeft geopend naar een bepaalde overheidsmaatregel, die maatregel niet het objectieve karakter van bestaande steun verlenen, zo het al om steun gaat (arrest van 30 april 2002, Government of Gibraltar/Commissie,T‑195/01 en T‑207/01, Jurispr., EU:T:2002:111, punt 129).
161
Uit de in punt 160 hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt dat de argumenten van verzoekers, die in wezen zijn ontleend aan de omstandigheid dat het gedrag van de Commissie uitdrukte dat deze de litigieuze steun als een bestaande steun beschouwde, ongegrond zijn en moeten worden afgewezen.
162
Om al deze redenen staat vast dat de Commissie geen vergissing heeft begaan door niet te oordelen dat de litigieuze steun na aanmelding ervan in een bestaande steun was overgegaan. Zij heeft dus evenmin, door te gelasten dat die steun met terugwerkende kracht tot 3 februari 2002 wordt teruggevorderd, inbreuk gemaakt op de procedure betreffende bestaande steunregelingen, zoals die is gecodificeerd in de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 659/1999, aangezien die procedure niet van toepassing was op die steun.
163
Bijgevolg dienen het eerste onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en het tweede onderdeel van eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel ongegrond te worden verklaard.
Tweede onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en derde onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende schending van artikel 88 EG en de artikelen 1, onder b), iv), en 15, lid 3, van verordening nr. 659/1999, in hun onderlinge samenhang gelezen
164
Verzoekers voeren aan dat de Commissie in overweging 68 van de aluminiumoxide I-beschikking inbreuk heeft gemaakt op artikel 88 EG en op de artikelen 1, onder b), iv), en 15, lid 3, van verordening nr. 659/1999, in hun onderlinge samenhang gelezen, doordat zij voor de kwalificatie van de litigieuze steun als bestaande steun in de zin van artikel 88, lid 3, EG vanaf 17 juli 1990 geen rekening heeft gehouden met het feit dat AAL deze steun sinds september 1983 ontving, dat de in artikel 15, lid 3, van verordening nr. 659/1999 bepaalde verjaringstermijn van tien jaar voor de bevoegdheid van de Commissie op het gebied van terugvordering van steun dus was verstreken op het tijdstip waarop de Commissie op 17 juli 1990 handelend is opgetreden, en dat vanaf die datum de litigieuze steun moest worden geacht bestaande steun te zijn.
165
Verder verwijt Ierland de Commissie in zaak T‑50/06 RENV II dat deze de procedurele regels betreffende bestaande steunregelingen, zoals die in de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 659/1999 zijn gecodificeerd, heeft geschonden door in de bestreden beschikking te gelasten dat de litigieuze steun met terugwerkende kracht wordt teruggevorderd, zonder rekening te houden met het feit dat zij in het kader van het permanente toezicht op de bestaande steunregelingen slechts bevoegd was de afschaffing of wijziging van die steun binnen een door haar vast te stellen termijn op te leggen.
166
In dit verband beroept Ierland zich ten eerste op het feit dat, volgens de rechtsleer, de verjaring na afloop van de verjaringstermijn is verkregen wanneer, zoals in het onderhavige geval, de kenmerken van de steun in de loop van die termijn niet zijn veranderd. Ten tweede beroept het zich op de verplichting om elke steunmaatregel van de staat als „bestaande” dan wel als „nieuwe” steun in de zin van artikel 15 van verordening nr. 659/1999 aan te merken, daar verordening nr. 659/1999 niet voorziet in het begrip „gedeeltelijk bestaande en gedeeltelijk nieuwe” steun. Ten derde verwijst het naar de rechtspraak volgens welke de verjaringstermijn met name de rechten of belangen van bepaalde belanghebbende partijen, waaronder de betrokken lidstaat en de begunstigde van de steun, beoogt te beschermen. Ten vierde voert het aan dat de brief van17 juli 2000, die na het verstrijken van de in artikel 15, lid 3, van verordening nr. 659/1999 bepaalde verjaringstermijn is opgesteld, de verjaringstermijn niet heeft gestuit. Ten vijfde verwijst het naar het begrip „bestaande steun” in verordening nr. 659/1999, dat niet alleen ziet op financiële voordelen die op een bepaalde datum daadwerkelijk zijn ontvangen, maar ook de steunregelingen omvat. Verder verwijt Ierland de Commissie, zakelijk weergegeven, dat deze de procedurele regels betreffende bestaande steunregelingen, zoals die in de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 659/1999 zijn gecodificeerd, heeft geschonden door in de bestreden beschikking te gelasten dat de litigieuze steun met terugwerkende kracht wordt teruggevorderd, zonder rekening te houden met het feit dat zij in het kader van het permanente toezicht op de bestaande steunregelingen slechts bevoegd was de afschaffing of wijziging van die steun binnen een door haar vast te stellen termijn op te leggen.
167
AAL voert ten eerste aan dat de door de Commissie in de bestreden beschikking gegeven uitlegging van artikel 15 van verordening nr. 659/1999, volgens welke slechts het gedeelte van de op grond van de litigieuze vrijstelling verleende steun waarvoor de verjaringstermijn is verstreken, wordt als bestaande steun wordt beschouwd, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Ten tweede betoogt zij dat de Commissie niet voor het eerst in het verweerschrift kon stellen dat de litigieuze vrijstelling een steunregeling was veeleer dan individuele steun die haar werd verleend telkens wanneer zij op grond van de litigieuze vrijstelling in kader van een douaneverrichting werd vrijgesteld van accijns. Ten derde baseert zij zich op de term „wordt beschouwd” in artikel 15, lid 3, van verordening nr. 659/1999, waaruit in het onderhavige geval zou kunnen worden afgeleid dat de individuele steun als bestaande steun wordt beschouwd vanaf het verstrijken van de verjaringstermijn van tien jaar vanaf eerste verlening van de steun in 1983.
168
Volgens de Commissie zijn de onderhavige onderdelen van elk eerste middel ongegrond.
169
Voor zover verzoekers schending van artikel 1, onder b), iv), van verordening nr. 659/1999 stellen, dient erop te worden gewezen dat, volgens de in punt 140 hierboven aangehaalde rechtspraak, die bepaling van kracht was op het ogenblik waarop de Commissie over de litigieuze steun heeft beslist, zodat zij in het onderhavige geval van toepassing is.
170
Volgens laatstgenoemde bepaling moet als „bestaande steun” worden aangemerkt, „steun die overeenkomstig artikel 15 als bestaande steun wordt beschouwd”.
171
Artikel 15 van verordening nr. 659/1999 luidt als volgt:
„1. De bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen verjaren na een termijn van tien jaar.
2. Deze termijn gaat in op de dag waarop de onrechtmatige steun als individuele steun of in het kader van een steunregeling aan de begunstigde is verleend. Door elke maatregel van de Commissie of een op haar verzoek optredende lidstaat ten aanzien van de onrechtmatige steun wordt de verjaring gestuit. Na elke stuiting begint de termijn van voren af aan te lopen. De verjaring wordt geschorst, zolang over de beschikking van de Commissie een beroep aanhangig is bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
3. Steun ten aanzien waarvan de verjaringstermijn is verstreken, wordt als bestaande steun beschouwd.”
172
Zoals uit de veertiende overweging van verordening nr. 659/1999 blijkt, beoogt de verjaringstermijn van artikel 15 van die verordening met name bepaalde belanghebbende partijen, waaronder de betrokken lidstaat en de begunstigde van de steun, te beschermen (arrest van 6 oktober 2005, Scott/Commissie,C‑276/03 P, Jurispr., EU:C:2005:590, punt 30).
173
Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat artikel 15 van verordening nr. 659/1999 een procedurele regel is die overeenkomstig de in punt 141 hierboven aangehaalde rechtspraak wordt geacht van toepassing te zijn vanaf de inwerkingtreding ervan, in het onderhavige geval vanaf 16 april 1999. Aangezien artikel 15 van verordening nr. 659/1999, anders dan artikel 11, lid 2, laatste alinea, van die verordening, echter geen overgangsbepalingen betreffende de toepassing ervan in de tijd bevat, dient te worden geoordeeld dat het van toepassing is op alle formele onderzoeksprocedures die op 16 april 1999 hangende waren of na die datum zijn geopend (zie in die zin arrest van 28 november 2008, Hotel Cipriani e.a./Commissie,T‑254/00, T‑270/00 en T‑277/00, Jurispr., EU:T:2008:537, punt 357). Hieruit volgt dat, zelfs indien de steun vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 15 van verordening nr. 659/1999 is verleend, deze verlening niettemin tot gevolg heeft dat de in dat artikel bepaalde verjaringstermijn van tien jaar ingaat, wanneer de beschikking waarbij de terugvordering van deze steun wordt gelast, zoals in het onderhavige geval, na de inwerkingtreding van dat artikel is gegeven.
174
In het onderhavige geval betogen verzoekers, zakelijk weergegeven, dat de Commissie een vergissing heeft begaan door te oordelen dat de litigieuze steun bestaande steun was, ofschoon zij in overweging 68 van de aluminiumoxide I-beschikking tot de slotsom was gekomen dat de op grond van de litigieuze vrijstelling verleende steun overeenkomstig artikel 15 van verordening nr. 659/1999 voor de periode vóór 17 juli 1990 als bestaande steun in de zin van artikel 1, onder b), iv), van verordening nr. 659/1999 werd beschouwd, en ofschoon het voordeel van de in artikel 15 van verordening nr. 659/1999 bedoelde verjaring ook voor de litigieuze steun moest gelden.
175
In overweging 68 van de aluminiumoxide I-beschikking heeft de Commissie gewezen op het volgende:
„[...] de steun [kan], uit hoofde van artikel 15 van verordening (EG) nr. 659/1999, slechts ten dele worden aangemerkt als zijnde bestaande steun. Volgens dat artikel geldt voor de bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen een verjaringstermijn van tien jaar; die termijn gaat in op de dag waarop de onrechtmatige steun is verleend. [...] In het geval van Ierland werd deze termijn gestuit door de brief van de Commissie van 17 juli 2000. Dit betekent dat alleen de Ierse vrijstelling, voor zover zij de periode vóór 17 juli 1990 betreft, als bestaande steun kan worden aangemerkt.”
176
Uit de hierboven aangehaalde overweging van de aluminiumoxide I-beschikking blijkt dat de Commissie in die beschikking heeft geoordeeld dat voor de periode vóór 17 juli 1990 de litigieuze vrijstelling overeenkomstig artikel 15 van verordening nr. 659/1999 als bestaande steun in de zin van artikel 1, onder b), iv), van verordening nr. 659/1999 werd beschouwd.
177
In haar schrifturen voert de Commissie aan dat deze oplossing gerechtvaardigd is wegens het feit dat de litigieuze vrijstelling een „steunregeling” in de zin van artikel 1, onder d), van verordening nr. 659/1999 is, en dat volgens artikel 15 van die verordening de verjaringstermijn pas is ingegaan op de dag waarop in het kader van die regeling daadwerkelijk onrechtmatige steun is verleend aan AAL.
178
Artikel 1, onder d), van verordening nr. 659/1999 bepaalt dat onder „steunregeling” wordt verstaan „elke regeling op grond waarvan aan ondernemingen die in de regeling op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, alsmede elke regeling op grond waarvan steun die niet gebonden is aan een specifiek project voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan een of meer ondernemingen kan worden toegekend”. Deze bepaling codificeert en preciseert eerdere rechtspraak (zie in die zin arrest van 5 juni 1996, Kahn Scheepvaart/Commissie,T‑398/94, Jurispr., EU:T:1996:73, punten 41 en 49).
179
In het onderhavige geval staat vast dat de litigieuze vrijstelling in het Ierse recht is ingevoerd bij de Order van 1983, die in werking is getreden op 13 mei 1983. Bij deze Order wordt op de accijns die geldt voor minerale oliën die als brandstof worden gebruikt bij de productie van aluminiumoxide, een korting verleend die gelijk is aan het bedrag van die accijns, wat in de praktijk neerkomt op een vrijstelling van accijns. Zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de in goedkeuringsbeschikkingen van de Raad vastgestelde specifieke plaats- en tijdgebonden voorwaarden voor de litigieuze vrijstelling (zie in die zin arrest Commissie/Ierland e.a., punt 27 supra, EU:C:2013:812, punt 50), komt deze maatregel, anders dan AAL betoogt, overeen met een „steunregeling” in de zin van artikel 1, onder d), van verordening nr. 659/99, omdat de begunstigden van de steun daarin op algemene en abstracte wijze worden omschreven als, zakelijk weergegeven, de aluminiumoxideproducenten, en het bedrag van de aan deze producenten verleende steun onbepaald blijft.
180
Voor zover AAL de Commissie verwijt dat deze voor het eerst in het verweerschrift heeft geoordeeld dat de litigieuze vrijstelling een steunregeling veeleer dan individuele steun was, volstaat het erop te wijzen dat deze grief berust op het postulaat dat de bestreden beschikking uitsluit dat de litigieuze vrijstelling als steunregeling in de zin van artikel 1, onder d), van verordening nr. 659/1999 kan worden aangemerkt. AAL heeft echter geen enkel element ter ondersteuning van een dergelijk postulaat aangedragen. Bijgevolg moet de onderhavige grief worden afgewezen.
181
Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, blijkt uit artikel 15, lid 2, van verordening nr. 659/1999 dat in het kader van een steunregeling de verjaringstermijn ingaat op de dag waarop de onrechtmatige steun aan de begunstigde is verleend. Dit is in het onderhavige geval telkens wanneer AAL minerale oliën bestemd om als brandstof te worden gebruikt bij de productie van aluminiumoxide in haar fabriek in de regio Shannon heeft ingevoerd, of dergelijke minerale oliën vanuit een raffinaderij of een opslagentrepot aan AAL zijn geleverd. Het is immers bij elk van deze handelingen dat AAL in feite de litigieuze vrijstelling heeft genoten en op grond van die vrijstelling individuele steun heeft gekregen (zie arrest Hotel Cipriani e.a./Commissie, punt 173 supra, EU:T:2008:537, punt 364en aldaar aangehaalde rechtspraak). Anders dan verzoekers stellen, is de verjaringstermijn van artikel 15 van verordening nr. 659/1999 dus voor elke steun die in het kader van de met de litigieuze vrijstelling overeenkomende steunregeling is verleend, ingegaan op de dag van de verlening van die steun (zie in die zin arrest van 8 december 2011, France Télécom/Commissie,C‑81/10 P, Jurispr., EU:C:2011:811, punt 84).
182
Aan deze uitlegging van artikel 15 van verordening nr. 659/1999, betreffende de begindatum (dies a quo) van de verjaringstermijn voor in het kader van een steunregeling verleende steun, wordt niet afgedaan door het door Ierland in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde arrest Scott/Commissie, punt 172 supra (EU:C:2005:590), dat alleen betrekking had op de vraag of met betrekking tot individuele steun de in dat artikel bedoelde stuiting van de verjaringstermijn afhankelijk was van een voorwaarde van kennisgeving van de stuitingshandeling aan de begunstigde van de steun.
183
De verjaringstermijn van artikel 15 van verordening nr. 659/1999 is ten aanzien van de litigieuze vrijstelling overigens gestuit bij de brief van de Commissie van 17 juli 2000.
184
In deze context heeft de Commissie in overweging 68 van de aluminiumoxide I-beschikking dus terecht verklaard dat de verjaringstermijn van artikel 15 van verordening nr. 659/1999 slechts was verstreken ten aanzien van de vóór 17 juli 1990 verleende vrijstelling en dat de na die datum verleende litigieuze steun dus niet kon worden beschouwd als bestaande steun in de zin van artikel 1, onder b), iv), van verordening nr. 659/1999, gelezen in samenhang met artikel 15, lid 3, van deze verordening. Zij heeft dus evenmin, door te gelasten dat die steun met terugwerkende kracht tot 3 februari 2002 wordt teruggevorderd, inbreuk gemaakt op de procedure betreffende bestaande steunregelingen, zoals die is gecodificeerd in de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 659/1999, aangezien die procedure niet van toepassing was op die steun.
185
Bijgevolg dienen het tweede onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en het derde onderdeel van eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel ongegrond te worden verklaard.
Derde onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en eerste onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende, in wezen, schending van artikel 88 EG en van de in artikel 1, onder b), i), van verordening nr. 659/1999 gecodificeerde regel
186
Verzoekers voeren, zakelijk weergegeven, aan dat de Commissie in de bestreden beschikking artikel 88 EG en de in artikel 1, onder b), i), van verordening nr. 659/1999 gecodificeerde regel heeft geschonden door voor de kwalificatie van de litigieuze steun als nieuwe steun in de zin van artikel 88, lid 3, EG geen rekening te hebben gehouden met het feit dat Ierland zich vóór zijn toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG) op 1 januari 1973 juridisch bindend jegens Alcan had verbonden ter zake van de toepassing van de litigieuze vrijstelling in het kader van de exploitatie van de fabriek voor de productie van aluminiumoxide die Alcan in de regio Shannon had gebouwd en later aan AAL heeft overgedragen, zodat de litigieuze steun was verleend vóór het EEG-Verdrag op zijn grondgebied in werking trad.
187
In dit verband baseert Ierland zich ten eerste op de al in 1970 in een briefwisseling met Alcan formeel gedane toezegging dat geen enkel recht verschuldigd zou zijn op de grondstoffen die worden gebruikt voor de productie van aluminiumoxide in de fabriek die Alcan van plan was in de regio Shannon te bouwen. Ten tweede beroept het zich op de omstandigheid dat die toezegging naar Iers recht juridisch bindend was, zoals door de juridisch adviseurs van de Ierse regering en door de Attorney General in 1981 is bevestigd. Ten derde voert het aan dat de Commissie de aard van deze toezegging naar Iers recht niet grondig heeft onderzocht. Ten vierde verwijst het naar de inhoud van de brief van 6 mei 1983, waarin het nooit heeft erkend dat de litigieuze steun geen nieuwe steun was, maar alleen heeft geantwoord op het aanbod van de Commissie om de brief van januari 1983 als kennisgeving van het tot uitvoering brengen van de litigieuze vrijstelling te beschouwen. Ten vijfde voert het aan dat het niet ter zake dienend is dat de Order van 1983 pas na de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag op zijn grondgebied is vastgesteld, aangezien die Order slechts de formele tenuitvoerlegging was van een juridisch bindende toezegging die het vóór die inwerkingtreding aan Alcan had gedaan, en op het tijdstip waarop de toezegging was gedaan, de wet die de minister toestond die Order vast te stellen, reeds van kracht was.
188
AAL beroept zich ten eerste op de juridisch bindende toezegging die Ierland in april 1970 aan Alcan had gedaan en volgens welke geen enkel recht verschuldigd zou zijn op de grondstoffen die voor de productie van aluminiumoxide worden gebruikt in de fabriek die in de regio Shannon zou worden gebouwd, een juridische toezegging waarvan het bestaan aan Alcan is bevestigd door de brief van Ierland aan de Commissie van 28 januari 1983. Ten tweede beroept AAL zich op het standpunt dat Ierland voortdurend – en ook in zijn brief van 6 mei 1983 – heeft ingenomen, namelijk dat de litigieuze vrijstelling een steunmaatregel was die niet moest worden aangemeld omdat zij reeds bestond op het tijdstip van zijn toetreding tot de EEG, en waarvan alleen het tot uitvoering brengen de Commissie in 1983 ter kennis is gebracht. Ten derde wijst zij erop dat de specifieke belastingregeling niet ter zake dienend was, daar de steun bestond in een algemene vrijstelling van de binnenlandse belasting op voor verwerking bestemde grondstoffen. Ten vierde beroept zij zich op de aard van de Ierse wetgevingsprocedure, waarin de minister bij verordening beslist en het Parlement vervolgens die verordening bij wet bevestigd.
189
Volgens de Commissie dient het derde onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel niet-ontvankelijk te worden verklaard op grond van de regel nemo potest venire contra factum proprium, omdat Ierland in het kader van de administratieve procedure een tegenovergesteld standpunt heeft ingenomen. In elk geval zou het derde onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel ongegrond zijn. Verder is de Commissie van mening dat het eerste onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel ongegrond moet worden verklaard.
190
Voor zover verzoekers formeel schending van artikel 1, onder b), i), van verordening nr. 659/1999 stellen, dient om te beginnen te worden opgemerkt dat, volgens de in punt 140 hierboven aangehaalde rechtspraak, artikel 1, onder b), i), van verordening nr. 659/1999 van kracht was op het ogenblik waarop de Commissie over de litigieuze steun heeft beslist, zodat het in het onderhavige geval van toepassing is.
191
Volgens laatstgenoemde bepaling kan „alle steun die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag in de respectieve lidstaat bestond, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot uitvoering zijn gebracht en die na de inwerkingtreding nog steeds van toepassing zijn”, als „bestaande steun” worden aangemerkt.
192
Wat in de eerste plaats de exceptie van niet-ontvankelijkheid betreft die de Commissie heeft opgeworpen tegen het derde onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel, dient eraan te worden herinnerd, dat volgens de regel nemo potest venire contra factum proprium niemand kan betwisten wat hij aanvankelijk heeft erkend (zie, in die zin en naar analogie, beschikking van 13 februari 2014, Marszałkowski/BHIM,C‑177/13 P, EU:C:2014:183, punten 73 en 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
193
In de veronderstelling dat de Commissie zich op de regel nemo potest venire contra factum proprium mag beroepen met betrekking tot aanvankelijk in het kader van de administratieve procedure geponeerde stellingen, dient in het onderhavige geval te worden onderzocht of Ierland in de loop van die procedure heeft toegegeven, de litigieuze steun niet vóór zijn toetreding tot de EEG op 1 januari 1973 te hebben verleend.
194
In de brief van 6 mei 1983 heeft Ierland verklaard dat het, op basis van de argumenten die de Commissie had aangevoerd in de brief van 22 maart 1983 betreffende de toezeggingen die Ierland aan Alcan had gedaan, kon aanvaarden dat het tot uitvoering brengen van die toezeggingen overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag moest worden aangemeld, en heeft het bijgevolg gevraagd zijn brief van 28 januari 1983 als een dergelijke aanmelding te willen behandelen. In de laatste zin van overweging 65 van de aluminiumoxide I-beschikking heeft de Commissie er aldus op gewezen dat Ierland in zijn brief van 6 mei 1983 had ingestemd met haar argumenten dat de litigieuze steun moest worden aangemeld, wat erop neerkwam dat het van oordeel was dat het niet ging om bestaande steun, maar om nieuwe steun in de zin van artikel 1, onder c), van verordening nr. 659/1999, aangezien alleen voor nieuwe steun de aanmeldingsplicht van artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag gold (arrest Piaggio, punt 154 supra, EU:C:1999:313, punt 48).
195
Uit overweging 53 van de bestreden beschikking blijkt echter dat Ierland in het kader van de formele onderzoeksprocedure had herinnerd aan de achtergrond van de litigieuze vrijstelling en had volgehouden dat deze als bestaande steun moest worden aangemerkt.
196
In de brief van AAL aan de Commissie van 1 maart 2002 was dit geschil beperkt tot de vraag of de litigieuze vrijstelling, die aanvankelijk nieuwe steun was, na de aanmelding ervan bij de Commissie geen bestaande steun was geworden overeenkomstig de Lorenz-rechtspraak, die later is gecodificeerd in artikel 1, onder b), iii), van verordening nr. 659/1999 (zie punten 135 en 136 hierboven). In die brief wees AAL er immers op dat „de vrijstelling in mei 1983 door de Ierse autoriteiten als staatssteun [was] aangemeld en bestaande steun [was] geworden in de zin van de regels inzake steunmaatregelen van de staten”.
197
In punt 3.1 van zijn brief van 8 januari 2002, die in overweging 13 van de bestreden beschikking is aangehaald en waarvan een kopie is overlegd als antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht, heeft Ierland echter verklaard van het van mening bleef „dat de betrokken steun in 1970, dus vóór de toetreding van Ierland tot de EEG, door de autoriteiten was goedgekeurd en sinds 1982 bestond”. Bovendien heeft Ierland als bijlage bij de brief van 26 april 2002, die in overweging 13 van de bestreden beschikking is aangehaald en waarvan een kopie is overlegd als antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht, op verzoek van de Commissie een aantal documenten overgelegd om aannemelijk te maken dat het de litigieuze steun vóór zijn toetreding tot de EEG had verleend.
198
Uit het onderzoek van de stukken blijkt aldus dat Ierland na de aanmelding van de vrijstelling bij de Commissie, tijdens de administratieve procedure heeft blijven betogen dat het de litigieuze steun vóór zijn toetreding tot de EEG had verleend, wat de Commissie ertoe heeft gebracht dit punt te onderzoeken.
199
In een dergelijke context kan, ook al heeft Ierland positief geantwoord op het aanbod van de Commissie om de brief van januari 1983 als een kennisgeving van het tot uitvoering brengen van de litigieuze vrijstelling te behandelen, slechts worden vastgesteld dat Ierland in het kader van het derde onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel feitelijke en juridische elementen heeft betwist die het eerder in het kader van de administratieve procedure had erkend.
200
Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat de stelling van de Commissie, dat Ierland tijdens de administratieve procedure heeft toegegeven dat het de litigieuze steun niet vóór zijn toetreding tot de EEG op 1 januari 1973 heeft verleend, feitelijke grondslag mist, en dient de door de Commissie op basis van de regel nemo potest venire contra factum proprium opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid dus te worden afgewezen.
201
Wat in de tweede plaats de gegrondheid van het derde onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en het eerste onderdeel van eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel betreft, dient eraan te worden herinnerd dat een steunregeling slechts als „bestaande steun” in de zin van artikel 1, onder b), i), van verordening nr. 659/1999 kan worden aangemerkt, indien zij niet alleen vóór de toetreding van de betrokken lidstaat tot de EEG is ingevoerd in de zin dat de bevoegde nationale autoriteit door middel van een juridisch bindende handeling heeft toegezegd op grond van die regeling steun te verlenen (zie in die zin arrest van 14 januari 2004, Fleuren Compost/Commissie,T‑109/01, Jurispr., EU:T:2004:4, punten 73 en 74), maar ook tot uitvoering is gebracht in de zin dat bepaalde in het kader van die regeling verleende steun daadwerkelijk is betaald.
202
In het onderhavige geval is tussen partijen in confesso dat de litigieuze vrijstelling, die volgens verzoekers voortvloeide uit een toezegging die Ierland, vóór zijn toetreding tot de EEG op 1 januari 1973, aan Alcan had gedaan, in elk pas vanaf 1983, dus lang na die toetreding, tot uitvoering is gebracht. Op een ter terechtzitting dienaangaande gestelde vraag hebben verzoekers niet weten aan te tonen dat in het onderhavige geval was voldaan aan de voorwaarde van het tot uitvoering brengen van de betrokken steunregeling vóór de toetreding van de betrokken lidstaat tot de EEG, een voorwaarde waaraan moet zijn voldaan om die steunregeling als „bestaande steun” in de zin van artikel 1, onder b), i), van verordening nr. 659/1999 te kunnen aanmerken.
203
Zonder dat hoeft te worden nagaan of, zoals verzoekers stellen, Ierland vóór zijn toetreding tot de EEG aan Alcan een juridisch bindende toezegging had gedaan ter zake van de toepassing van de litigieuze vrijstelling in het kader van de exploitatie van de fabriek voor de productie van aluminiumoxide die Alcan in de regio Shannon had gebouwd en later aan AAL had overgedragen, kan aldus worden vastgesteld dat in het onderhavige geval niet was voldaan aan een van de voorwaarden om de litigieuze vrijstelling als „bestaande steun” in de zin van artikel 1, onder b), i), van verordening nr. 659/1999 te kunnen aanmerken. Bijgevolg dienen het derde onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en het eerste onderdeel van eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel te worden afgewezen.
204
Aangezien alle onderdelen van het eerste middel ter ondersteuning van elk van de onderhavige beroepen aldus zijn afgewezen, dienen die middelen in hun geheel te worden afgewezen.
Derde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende schending van het beginsel van eerbiediging van het gewettigd vertrouwen, en vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van het rechtszekerheidsbeginsel
205
In het kader van het derde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel betoogt Ierland dat de Commissie in de bestreden beschikking het beginsel van eerbiediging van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden door te beslissen dat het gewettigd vertrouwen van AAL in de rechtmatigheid van de steun die zou zijn toegekend, was geëindigd op 2 februari 2002, te weten de dag van de bekendmaking van het besluit waarbij de formele onderzoeksprocedure is geopend. In dit verband voert Ierland allereerst aan dat AAL gewettigd vertrouwen kon hebben in de kwalificatie van de litigieuze steun als bestaande steun. Enerzijds beroept het zich op het tegenstrijdige karakter van de aluminiumoxide I-beschikking, in de overwegingen 68 en 104 waarvan tot de slotsom wordt gekomen dat de litigieuze steun ten dele bestaande steun is, te weten de steun die vóór 17 juli 1990 is verleend, maar tevens wordt aangegeven dat de litigieuze steun grotendeels met de gemeenschappelijke markt onverenigbare nieuwe steun in de zin van artikel 87, lid 3, EG is. Anderzijds voert het aan dat de Commissie een vergissing heeft begaan door, ten eerste, de litigieuze steun niet als bestaande steun aan te merken, ten tweede, in het onderhavige geval de procedure betreffende bestaande steunregelingen zoals gecodificeerd in verordening nr. 659/1999 niet toe te passen, en, ten derde, te laat te oordelen dat de litigieuze steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, EG was, daar de bestreden beschikking is gegeven meer dan 43 maanden nadat de Commissie in april 2002 het antwoord van Ierland op haar laatste verzoek om aanvullende inlichtingen had ontvangen. Verder betoogt Ierland dat de Commissie zich niet het recht of de bevoegdheid mocht toe-eigenen om in de bestreden beschikking te beslissen op welk moment zij bij AAL gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de beweerdelijk verleende steun zou hebben doen ontstaan, en op welk moment dat gewettigd vertrouwen zou zijn geëindigd. Ten slotte geeft Ierland als zijn mening te kennen dat Ierland en AAL het recht hadden zich te baseren op beschikking 2001/224, die Ierland toestond de litigieuze vrijstelling toe te passen tot en met 31 december 2006.
206
In repliek voert Ierland aan dat, gelet op artikel 7, lid 6, van verordening nr. 659/1999, waarin staat dat de Commissie ernaar moet streven binnen 18 maanden een beschikking te geven, op het beginsel van billijkheid en op het feit dat de Commissie zich de bevoegdheid heeft toegeëigend om zelf te beslissen over de toepassing van het beginsel van eerbiediging van het gewettigd vertrouwen van AAL, de terugvordering van de steun diende te worden beperkt tot de periode van 18 maanden vóór de vaststelling van de aluminiumoxide I-beschikking. Verder zou rekening moeten worden gehouden met het feit dat de Commissie tegenstrijdige signalen heeft gegeven aan AAL, en dat deze laatste niet in staat was haar verlies te beperken in geval van restitutie van de steun die vanaf 3 februari 2002 zou zijn verleend. Ten slotte zou rekening moeten worden gehouden met het feit dat de Commissie heeft nagelaten op grond van artikel 11, lid 1, verordening nr. 659/1999 een bevel tot opschorting van de litigieuze steun te gegeven, en dus niet heeft geprobeerd, de gevolgen van die steun voor de gemeenschappelijke markt te verzachten.
207
In het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel betoogt AAL dat de Commissie in de bestreden beschikking het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Dit middel bestaat uit twee onderdelen, waarvan het tweede onderdeel slechts de voortzetting van het eerste onderdeel op basis van aanvullende argumenten is.
208
In het kader van het eerste onderdeel van het vierde middel voert AAL aan dat de Commissie in de bestreden beschikking het beginsel van eerbiediging van het gewettigd vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden, met name door terugvordering van de litigieuze steun te gelasten op de in de overwegingen 98 en 99 van de aluminiumoxide I-beschikking uitgezette gronden dat, enerzijds, de bekendmaking van het besluit waarbij de formele onderzoeksprocedure is geopend, het gewettigd vertrouwen van AAL in de rechtmatigheid van de litigieuze steun had beëindigd, en anderzijds, het rechtszekerheidsbeginsel niet meer gold vanaf het ogenblik waarop de Commissie een voorheen onduidelijke situatie had verduidelijkt. Zij is van mening dat in het onderhavige geval uitzonderlijke omstandigheden haar overeenkomstig de rechtspraak toestaan zich te beroepen op gewettigd vertrouwen in het feit dat de litigieuze steun rechtmatig was verleend op grond van beschikking 2001/224 en niet zou worden teruggevorderd, en in het feit dat de litigieuze vrijstelling overeenkomstig die beschikking rechtmatig kon worden toegepast tot en met 31 december 2006 en dit zelfs na de bekendmaking van het besluit waarbij de formele onderzoeksprocedure in geopend. Die bekendmaking zou geen einde hebben gemaakt aan de onduidelijke situatie ter zake van de rechtmatigheid van de litigieuze vrijstelling. In dit verband beroept AAL zich ten eerste op de aanmelding van de litigieuze vrijstelling bij de Commissie in 1983 en op het feit dat de Commissie gedurende 17 jaar heeft stilgezeten of gezwegen. Ten tweede beroept zij zich op de door de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen vastgestelde goedkeuringsbeschikkingen, die haar ertoe hebben gebracht ervan uit te gaan dat de litigieuze steun rechtmatig was voor zover die beschikkingen vaststelden of op het postulaat berustten dat de litigieuze vrijstelling geen distorsies van de mededinging meebracht, en Ierland toestonden de litigieuze vrijstelling toe te passen tot uiteindelijk eind 2006. Ten derde baseert zij zich op het voorstel voor een goedkeuringsbeschikking van de Raad van november 1999, waaruit bleek dat de Commissie van plan was om op termijn intrekking te verkrijgen van de toestemming om de litigieuze vrijstelling toe te passen, maar niet om de op grond van die vrijstelling verleende steun terug te vorderen over de periode waarin deze door de Raad was goedgekeurd. Ten vierde beroept zij zich op haar gewettigd vertrouwen in het feit dat Ierland de krachtens de regels inzake staatssteun op hem rustende verplichtingen nakwam. Ten vijfde verwijst zij naar de bekendmaking van het besluit waarbij de formele onderzoeksprocedure is geopend, waaruit alleen bleek dat de Commissie twijfelde of de litigieuze steun verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt, maar dat, gelet op beschikking 2001/224, geen afbreuk kon doen aan haar vertrouwen dat in elk geval de tot met 2006 verleende steun niet zou worden teruggevorderd. Ten zesde beroept zij zich op haar gewettigd vertrouwen in het feit dat de formele onderzoeksprocedure niet zou uitlopen op een negatieve beschikking inzake staatssteun. Ten zevende beroept zij zich op het feit dat de Commissie te lang heeft gewacht met de vaststelling van de aluminiumoxide I-beschikking, namelijk, in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur en met het rechtszekerheidsbeginsel, meer dan 43 maanden nadat zij in april 2002 het antwoord van Ierland op haar laatste verzoek om aanvullende inlichtingen had ontvangen, wat het gewettigd vertrouwen van AAL in het feit dat de litigieuze steun niet zou worden teruggevorderd, heeft versterkt. Ten achtste verwijst zij naar het gedrag van de Commissie naar aanleiding van de vaststelling van richtlijn 2003/96 door de Raad, namelijk het perscommuniqué van 27 oktober 2003 waarin de Commissie de vaststelling van die richtlijn begroette, dat haar gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de litigieuze steun ten aanzien van de regels inzake steunmaatregelen van de staten heeft versterkt. Ten negende vermeldt zij het feit dat de Commissie heeft nagelaten Ierland op grond van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 659/1999 te gelasten de betaling van de vermeend onrechtmatige steun op te schorten totdat zij over de verenigbaarheid van die steun met de gemeenschappelijke markt zou hebben beslist. Ten tiende beroept zij zich op de belangrijke investeringen op lange termijn die zij in de herfst 2003 te goeder trouw heeft verricht op basis van haar gewettigd vertrouwen in de toepassing van de litigieuze vrijstelling tot 31 december 2006 of althans in het feit dat de tot die datum verleende steun niet zou worden teruggevorderd, te weten, enerzijds, de bouw van een warmtekrachtcentrale van ongeveer 100 miljoen EUR, en anderzijds, een investering van 70 miljoen EUR om haar productiecapaciteit te verhogen.
209
Volgens de Commissie zijn de onderhavige middelen ongegrond.
210
Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat, voor zover AAL in het kader van het eerste onderdeel van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel een grief inzake schending van rechtszekerheidsbeginsel formuleert, dat onderdeel samenvalt met de, eveneens aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel ontleende grief, die in het kader van het tweede ter ondersteuning van datzelfde beroep aangevoerde middel is geformuleerd.
211
Om de in de punten 59 en 61 tot en met 74 hierboven genoemde redenen moet die grief echter ongegrond worden verklaard.
212
Voor overige betreffen het derde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel in wezen de vraag, of de Commissie, door in de bestreden beschikking terugvordering van de litigieuze steun te eisen, het beginsel van eerbiediging van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden.
213
In dit verband dient er allereerst aan te worden herinnerd dat volgens het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, een fundamenteel beginsel van het Unierecht (arrest van 14 oktober 1999, Atlanta/Europese Gemeenschap,C‑104/97 P, Jurispr., EU:C:1999:498, punt 52), iedere marktdeelnemer bij wie een instelling gegronde verwachtingen heeft gewekt, zich op dat beginsel kan beroepen [arresten van 11 maart 1987, Van den Bergh en Jurgens en Van Dijk Food Products (Lopik)/EEG, 265/85, Jurispr., EU:C:1987:121, punt 44; 24 maart 2011, ISD Polska e.a./Commissie,C‑369/09 P, Jurispr., EU:C:2011:175, punt 123, en 27 september 2012, Producteurs de légumes de France/Commissie,T‑328/09, EU:T:2012:498, punt 18]. Wanneer echter een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer de vaststelling door de instellingen van een voor zijn belangen nadelige maatregel kan voorzien, kan hij zich niet op dit beginsel beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld (arresten van 1 februari 1978, Lührs,78/77, Jurispr., EU:C:1978:20, punt 6, en 25 maart 2009, Alcoa Trasformazioni/Commissie,T‑332/06, EU:T:2009:79, punt 102). Voor een beroep op gewettigd vertrouwen moet aan drie cumulatieve voorwaarden zijn voldaan. Ten eerste moet de belanghebbende van de overheid nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen hebben gekregen, die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn. Ten tweede moeten deze toezeggingen een legitieme verwachting kunnen wekken bij degene aan wie zij zijn gedaan. Ten derde moeten de gedane toezeggingen in overeenstemming zijn van de toepasselijke bepalingen (zie arrest Producteurs de légumes de France/Commissie, reeds aangehaald, EU:T:2012:498, punt 19en aldaar aangehaalde rechtspraak).
214
Vervolgens dient, wat meer in het bijzonder de toepasselijkheid van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen op het gebied van steunmaatregelen van de staten betreft, eraan te worden herinnerd dat een lidstaat waarvan de autoriteiten in strijd met de procedurele regels van artikel 88 EG steun hebben verleend, zich op het gewettigd vertrouwen van de begunstigde onderneming kan beroepen om voor de Unierechter de geldigheid te betwisten van een beschikking van de Commissie waarbij hij wordt gelast die steun terug te vorderen, maar niet om zich te onttrekken aan zijn verplichting, de nodige maatregelen te treffen voor de uitvoering van die beschikking (zie arrest van 14 januari 1997, Spanje/Commissie,C‑169/95, Jurispr., EU:C:1997:10, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien blijkt uit de rechtspraak dat, gelet op de fundamentele rol van de aanmeldingsverplichting om een doeltreffend toezicht van de Commissie op de steunmaatregelen van de staten mogelijk te maken, welk toezicht een dwingend karakter heeft, de begunstigden van de steun in beginsel slechts gewettigd vertrouwen kunnen hebben in de regelmatigheid van die steun, wanneer deze met inachtneming van de procedure van artikel 88 EG is verleend, en een behoedzame marktdeelnemer normaliter in staat is zich ervan te vergewissen of deze procedure in acht is genomen. In het bijzonder wanneer steun tot uitvoering wordt gebracht zonder voorafgaande aanmelding bij de Commissie of, zoals in het onderhavige geval, zonder de door de Lorenz-rechtspraak geëiste voorafgaande kennisgeving van het tot uitvoering brengen (zie punten 154 en 156‑158 hierboven), zodat hij op grond van artikel 88, lid 3, EG onrechtmatig is, kan de begunstigde op dat tijdstip geen gewettigd vertrouwen hebben in de regelmatigheid van de verlening van die steun (zie in die zin arrest Producteurs de légumes de France/Commissie, punt 213 supra, EU:T:2012:498, punten 20 en 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak), behoudens in uitzonderlijke omstandigheden (arrest van 20 september 1990, Commissie/Duitsland,C‑5/89, Jurispr., EU:C:1990:320, punt 16; zie ook arresten van 29 april 2004, Italië/Commissie,C‑298/00 P, Jurispr., EU:C:2004:240, punt 86en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 november 2009, Frankrijk/Commissie,T‑427/04 en T‑17/05, Jurispr., EU:T:2009:474, punt 263en aldaar aangehaalde rechtspraak).
215
Verder dient eraan te worden herinnerd dat de inachtneming van een redelijke termijn bij de afwikkeling van een administratieve procedure een algemeen beginsel van het Unierecht is (arrest van 27 november 2003, Regione Siciliana/Commissie,T‑190/00, Jurispr., EU:T:2003:316, punt 136). Bovendien vergt de fundamentele eis van rechtszekerheid, die zich ertegen verzet dat de Commissie eindeloos kan wachten met de uitoefening van haar bevoegdheden, dat de rechter nagaat of het verloop van de administratieve procedure erop wijst dat deze instelling uiterst tardief heeft gehandeld (arresten van 24 september 2002, Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie, C‑74/00 P en C‑75/00 P, Jurispr., EU:C:2002:524, punten 140 en 141, en Fleuren Compost/Commissie, punt 201 supra, EU:T:2004:4, punten 145‑147).
216
De vertraging waarmee de Commissie steun onrechtmatig verklaart en bepaalt dat hij door een lidstaat ongedaan moet worden gemaakt en moet worden teruggevorderd, kan in bepaalde omstandigheden bij de begunstigden van die steun een gewettigd vertrouwen doen ontstaan, dat eraan in de weg staat dat de Commissie genoemde lidstaat gelast die steun terug te vorderen (arrest van 24 november 1987, RSV/Commissie,223/85, Jurispr., EU:C:1987:502, punt 17).
217
Het feit alleen dat verordening nr. 659/1999, behalve de verjaringstermijn van tien jaar (vanaf de datum waarop de steun is verleend) na het verstrijken waarvan geen terugvordering van de steun meer kan worden gelast, volgens artikel 13, lid 2, van die verordening, waarin staat dat de Commissie niet is gebonden aan de in artikel 7, lid 6, van die verordening bepaalde termijn, geen enkele, zij het indicatieve, termijn bevat waarbinnen de Commissie onrechtmatige steun moet onderzoeken, staat niet eraan in de weg dat de Unierechter nagaat of die instelling een redelijke termijn in acht heeft genomen dan wel uiterst tardief heeft gehandeld (zie, in die zin en naar analogie, met betrekking tot een indicatieve termijn, arresten van 15 juni 2005, Regione autonoma della Sardegna/Commissie,T‑171/02, Jurispr., EU:T:2005:219, punt 57, en 9 september 2009, Diputación Foral de Álava e.a.,T‑230/01–T‑232/01 en T‑267/01–T‑269/01, EU:T:2009:316, punten 338 en 339, en Diputación Foral de Álava e.a./Commissie, T‑30/01–T‑32/01 en T‑86/02–T‑88/02, Jurispr., EU:T:2009:314, punten 259 en 260).
218
Ten slotte dient eraan te worden herinnerd dat, volgens de rechtspraak, het rechtszekerheidsbeginsel eist dat, wanneer de Commissie in strijd met de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht een onduidelijke situatie heeft gecreëerd door de invoering van elementen van onzekerheid, door een gebrek aan duidelijkheid van de toepasselijke regeling en door bovendien met veel vertraging te reageren, hoewel zij kennis had van de betrokken steunmaatregelen, zij die situatie opheldert alvorens actie te ondernemen om terugvordering van de reeds betaalde steun te gelasten (zie in die zin arrest van 9 juli 1970, Commissie/Frankrijk,26/69, Jurispr., EU:C:1970:67, punten 28‑32).
219
Tegen de achtergrond van de in de punten 210 en 218 in herinnering geroepen regels dienen de argumenten van partijen te worden beoordeeld.
220
In het onderhavige geval dient allereerst te worden beklemtoond dat, zelfs al zou de litigieuze vrijstelling bij de brieven van 28 januari en 6 mei 1983 bij de Commissie zijn aangemeld, die vrijstelling op onrechtmatige wijze tot uitvoering is gebracht, omdat een van de uit de Lorenz-rechtspraak voortvloeiende procedurele regels, namelijk de regel volgens welke de lidstaat de Commissie vooraf op de hoogte moet brengen van het tot uitvoering brengen van de voorgenomen steunmaatregel, niet in acht is genomen (zie punten 154 en 156‑158 hierboven). De litigieuze steun is aldus in strijd met artikel 88, lid 3, EG op onrechtmatige wijze tot uitvoering gebracht.
221
Vervolgens heeft de bekendmaking in het Publicatieblad van het besluit waarbij de formele onderzoeksprocedure is geopend, anders dan verzoekers betogen, een einde kunnen maken aan het gewettigd vertrouwen dat AAL, gelet op de onduidelijke situatie die voorheen was gecreëerd door de bewoordingen van de door de Raad op voorstel van de Commissie vastgestelde goedkeuringsbeschikkingen, daaronder begrepen beschikking 2001/224 die van kracht was in de periode waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, in de regelmatigheid van de litigieuze vrijstelling kon hebben.
222
In de punten 52 en 53 van het arrest Commissie/Ierland e.a., punt 27 supra (EU:C:2013:812), die volgens artikel 61, tweede alinea, van het Statuut van het Hof verbindend zijn voor het Gerecht, heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat de goedkeuringsbeschikkingen van de Raad op voorstel van de Commissie zijn vastgesteld, en dat laatstgenoemde instelling nooit gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden waarover zij krachtens artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81 of de artikelen 230 EG en 241 EG beschikte om intrekking of wijziging van die goedkeuringsbeschikkingen te verkrijgen, gelet op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van het rechtszekerheidsbeginsel in aanmerking moest worden genomen voor de verplichting om de onverenigbare steun terug te vorderen, zoals de Commissie in de aluminiumoxide I-beschikking had gedaan door geen terugvordering te gelasten van de steun die was verleend vóór 2 februari 2002, de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van de besluiten waarbij de formele onderzoeksprocedure was geopend. Deze overweging is voor het Hof beslissend geweest om in punt 54 van het arrest Commissie/Ierland e.a., punt 27 supra (EU:C:2013:812) vast te stellen dat de in de punten 39 tot en met 44 van datzelfde arrest geformuleerde rechtsoverwegingen geen rechtsgrondslag konden bieden voor de slotsom van het Gerecht dat de aluminiumoxide I-beschikking de geldigheid van de goedkeuringsbeschikkingen van de Raad ter discussie stelde en daardoor het rechtszekerheidsbeginsel en het vermoeden van wettigheid van de handelingen van de instellingen schond, en voor de op dezelfde rechtsoverwegingen berustende slotsom dat de Commissie in zaak T‑62/06 RENV het beginsel van behoorlijk bestuur had geschonden.
223
Gelet op de uit het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiende eisen, stond de onduidelijke situatie die door de bewoordingen van de door de Raad op voorstel van de Commissie vastgestelde goedkeuringsbeschikkingen was gecreëerd, alleen in de weg aan terugvordering van de steun die vóór de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van het besluit waarbij de formele goedkeuringsprocedure is geopend, op grond van de litigieuze vrijstelling was verleend. Vanaf de datum van die bekendmaking moest AAL echter weten dat de litigieuze steun, indien hij staatssteun vormde, door de Commissie moest worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 88 EG.
224
Hieruit volgt dat de bekendmaking van het besluit waarbij de formele onderzoeksprocedure is geopend, daadwerkelijk een einde heeft gemaakt aan het gewettigd vertrouwen dat AAL voordien, gelet op de eerder door de Raad op voorstel van de Commissie vastgestelde goedkeuringsbeschikkingen, in de rechtmatigheid van de litigieuze vrijstelling kon hebben.
225
In overweging 98 van de aluminiumoxide I-beschikking heeft de Commissie dus terecht rekening gehouden met de uitzonderlijkheid van de omstandigheden van het onderhavige geval, omdat zij een zekere onduidelijkheid had gecreëerd en in stand had gehouden door haar voorstellen aan de Raad, en met de omstandigheid dat, aangezien zij niet kon vaststellen of, en zo ja wanneer, de verschillende begunstigden daadwerkelijk door de lidstaten in kennis waren gesteld van haar besluit om de formele onderzoeksprocedure te openen, niet kon worden uitgesloten dat de begunstigden zich tot en met 2 februari 2002, tijdstip waarop haar besluiten om de formele onderzoeksprocedure te openen met betrekking tot de accijnsvrijstellingen in het Publicatieblad waren bekendgemaakt, op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen konden beroepen, daar ten laatste bij de bekendmaking daarvan eventuele onzekerheden in verband met de vraag of de betrokken maatregelen, indien zij staatssteun vormden, door de Commissie overeenkomstig artikel 88 EG moesten worden goedgekeurd, werden weggenomen.
226
Aan de gegrondheid van die oplossing wordt niet afgedaan door de andere argumenten van verzoekers.
227
Met betrekking tot het argument van Ierland inzake het tegenstrijdige karakter van de aluminiumoxide I-beschikking doordat in de overwegingen 68 en 104 van die beschikking tot de slotsom wordt gekomen dat de litigieuze steun ten dele bestaande steun en ten dele nieuwe steun is, dient om in de punten 174 tot en met 184 hierboven uiteengezette redenen te worden opgemerkt dat de Commissie in die overwegingen een correcte en niet intrinsiek tegenstrijdige toepassing heeft gegeven van de regel van artikel 15 van verordening nr. 659/1999, gelet op het feit dat de litigieuze vrijstelling een „steunregeling” in de zin van artikel 1, onder d), die verordening is. Bijgevolg dient het onderhavige middel ongegrond te worden verklaard.
228
Met betrekking tot het argument van Ierland inzake de vergissing die de Commissie zou hebben begaan door de litigieuze steun niet als bestaande steun aan te merken en door de voor bestaande steunregelingen geldende procedure niet op de litigieuze vrijstelling toe te passen, staat om de in de punten 139 tot en met 143, 155 tot en met 162, 190 en 201 tot en met 203 hierboven genoemde redenen vast dat de Commissie in deze overwegingen geen vergissing heeft begaan door op de op grond van de litigieuze vrijstelling verleende litigieuze steun artikel 1, onder b), iii), van verordening nr. 659/1999, gelezen in samenhang met de Lorenz-rechtspraak, alsmede artikel 1, onder b), i), van die verordening toe te passen. Bijgevolg dient het onderhavige argument ongegrond te worden verklaard.
229
Met betrekking tot het argument dat AAL ontleent aan de omstandigheid dat de Commissie na de aanmelding van de litigieuze vrijstelling in 1983 kennelijk 17 jaar lang heeft stilgezeten, dient te worden opgemerkt dat, voor zover, zoals in overweging 5 van beschikking 2001/224 in herinnering is gebracht, de goedkeuringsbeschikkingen van de Raad Ierland niet vrijstelden van de verplichting om de voorgenomen staatssteun aan te melden (zie in die zin arrest Commissie/Ierland e.a., punt 27 supra, EU:C:2013:812, punt 51), en voor zover Ierland de litigieuze vrijstelling na de aanmelding ervan tot uitvoering heeft gebracht zonder de door de Lorenz-rechtspraak geëiste voorafgaande kennisgeving van het tot uitvoering brengen ervan (zie punt 220 hierboven), aan de Commissie niet kan worden verweten dat deze niet binnen een redelijke termijn vanaf de ene of de andere van deze gebeurtenissen een beschikking met een beslissing over de verenigbaarheid van de litigieuze vrijstelling met de regels inzake steunmaatregelen van de staten heeft gegeven. Bijgevolg dient het onderhavige argument ongegrond te worden verklaard.
230
Met betrekking tot het argument dat AAL ontleent aan het vertrouwen dat zij zou hebben gehad in het feit dat Ierland zijn verplichtingen inzake staatssteun nakwam, dient eraan te worden herinnerd dat, om de litigieuze vrijstelling rechtmatig tot uitvoering te kunnen brengen, Ierland niet alleen zijn verplichting om die vrijstelling overeenkomstig artikel 88, lid 3, EG bij de Commissie aan te melden diende te na komen, maar ook de door de Lorenz-rechtspraak geëiste voorafgaande kennisgeving van het tot uitvoering brengen daarvan had moeten verrichten. Bovendien is het vaste rechtspraak dat, gelet op het dwingende karakter van het door de Commissie krachtens artikel 88 EG uitgeoefende toezicht op de steunmaatregelen van de staten, ondernemingen die steun genieten, in beginsel slechts gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun kunnen hebben wanneer die steun met inachtneming van de procedure van dat artikel is verleend. Een behoedzame marktdeelnemer zal immers normaliter in staat zijn, zich ervan te vergewissen of deze procedure is gevolgd (arresten Commissie/Duitsland, punt 214 supra, EU:C:1990:320, punt 14, en Spanje/Commissie, punt 214 supra, EU:C:1997:10, punt 51). In het onderhavige geval stond het aldus aan AAL om, in voorkomend geval bij de Commissie, navraag te doen of Ierland al de op hem rustende verplichtingen, en met name de verplichting om de Commissie vooraf op de hoogte brengen van het tot uitvoering brengen van de litigieuze vrijstelling, was nagekomen. Bijgevolg dient het onderhavige argument ongegrond te worden verklaard.
231
Met betrekking tot de argumenten die verzoekers ontlenen aan de vertraging waarmee de Commissie de aluminiumoxide I-beschikking heeft vastgesteld, dient te worden opgemerkt dat dit geen uitzonderlijke omstandigheid is die bij AAL opnieuw gewettigd vertrouwen in de regelmatigheid van de litigieuze steun kon doen ontstaan, en dit om de redenen die in de punten 232 tot en met 255 hieronder zullen worden uiteengezet.
232
In de eerste plaats dient te worden onderzocht of de duur van de formele onderzoeksprocedure in het onderhavige geval de grenzen van het redelijke heeft overschreden.
233
In dit verband dient erop te worden gewezen dat het Hof in het arrest RSV/Commissie, punt 216 supra (EU:C:1987:502), heeft geoordeeld dat de Commissie de grenzen van het redelijke had overschreden door 26 maanden te wachten alvorens haar beschikking te geven.
234
Voorts dient eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 7, lid 6, van verordening nr. 659/1999 de referentietermijn voor het afwikkelen van een formele onderzoeksprocedure in het kader van aangemelde steunmaatregelen van de staten 18 maanden bedraagt. Deze termijn verstrekt, ook al geldt hij volgens artikel 13, lid 2, van verordening nr. 659/1999 niet voor onrechtmatige steun (zie punt 217 hierboven), een nuttig referentiepunt om beoordelen of de duur van een formele onderzoeksprocedure die, zoals in de onderhavige zaken, betrekking heeft op een op onrechtmatige wijze tot uitvoering gebrachte maatregel, redelijk is (zie punt 220 hierboven).
235
In het onderhavige geval staat vast dat de Commissie de Franse Republiek, Ierland en de Italiaanse Republiek op 17 juli 2000 heeft verzocht, de accijnsvrijstellingen bij haar aan te melden op grond van de regels inzake staatssteun. De antwoorden daarop, die niet de hoedanigheid van aanmelding hadden, zijn in september, oktober en december 2000 bij haar ingekomen. Daarop heeft zij bij besluit van 30 oktober 2001, dat op 5 november 2001aan de betrokken lidstaten ter kennis is gebracht en op 2 februari 2002 in het Publicatieblad is bekendgemaakt, de formele onderzoeksprocedure geopend. Vervolgens heeft zij opmerkingen ontvangen van AAL (brieven van 26 februari en 1 maart 2002), Eurallumina (brieven van 28 februari 2002), Alcan Inc. (brief van 1 maart 2002) en de European Aluminium Association (brief van 26 februari 2002). Op 26 maart 2002 zijn deze opmerkingen ter kennis gebracht van Ierland, de Italiaanse Republiek en de Franse Republiek. Ierland heeft zijn commentaar op het besluit waarbij de formele onderzoeksprocedure is geopend, ingediend op 8 januari 2002. Op 18 februari 2002 heeft de Commissie Ierland om aanvullende inlichtingen verzocht. Op 26 april 2002 heeft Ierland daarop geantwoord na om verlenging van de antwoordtermijn te hebben verzocht. Na op 21 november 2001 eveneens om verlenging van de antwoordtermijn te hebben verzocht, heeft de Franse Republiek op 12 februari 2002 commentaar geleverd op het openingsbesluit. De Italiaanse Republiek heeft haar commentaar op 6 februari 2002 ingediend.
236
De aluminiumoxide I-beschikking is vastgesteld op 7 december 2005.
237
Er zijn aldus iets meer dan 49 maanden verstreken tussen de vaststelling van het besluit waarbij de formele onderzoeksprocedure is geopend, en de vaststelling van de aluminiumoxide I-beschikking.
238
Een dergelijke duur, die nagenoeg het dubbele is van de duur die in aanmerking is genomen in het arrest RSV/Commissie, punt 216 supra (EU:C:1987:502), en iets meer dan het dubbele van de termijn die in artikel 7, lid 6, van verordening nr. 659/1999 is bepaald voor het afwikkelen van een formele onderzoeksprocedure in het kader van aangemelde steunmaatregelen van de staten, lijkt a priori onredelijk. Volgens de rechtspraak dient echter te worden onderzocht of die duur niet kan worden gerechtvaardigd door de omstandigheden van het concrete geval.
239
De door de Commissie in dit verband aangevoerde omstandigheden kunnen een onderzoeksduur van 49 maanden echter niet rechtvaardigen.
240
Bij de beoordeling van deze duur dient weliswaar rekening te worden gehouden met, enerzijds, de aan de lidstaten en de begunstigden verleende termijn voor het indienen van hun opmerkingen, en anderzijds, het feit dat de Franse, de Ierse en de Italiaanse regering de Commissie om verlenging van de termijn voor het indienen van hun opmerkingen en antwoorden in het kader van de formele onderzoeksprocedure hebben verzocht. Gelet op de nauwe banden die er in het onderhavige geval tussen de accijnsvrijstellingen bestaan, aangezien het gaat om gelijksoortige maatregelen die aan het einde van gelijklopende procedures bij dezelfde beschikking van de Raad zijn goedgekeurd, dient rekening te worden gehouden met alle procedurele handelingen in de betrokken dossiers en in het bijzonder met de omstandigheid dat Ierland op 26 april 2002 heeft geantwoord op het laatste verzoek van de Commissie om aanvullende inlichtingen.
241
Na deze laatste datum zijn er echter nog iets meer dan 43 maanden verstreken alvorens de Commissie de aluminiumoxide I-beschikking heeft vastgesteld. Gelet op alle door de betrokken lidstaten en de belanghebbende partijen ingediende opmerkingen kan een dergelijk lange tijd om de betrokken dossiers te onderzoeken echter niet worden gerechtvaardigd door de omstandigheden van het concrete geval.
242
Wat ten eerste de gestelde moeilijkheid van de dossiers betreft, deze is niet aangetoond en, zelfs indien dat wel het geval ware, zou zij een zo lange onderzoeksduur als in het onderhavige geval niet kunnen rechtvaardigen. Het dossier bevat immers geen enkele aanwijzing dat de Commissie voor bijzonder belangrijke juridische problemen is komen te staan en de aluminiumoxide I-beschikking is overigens niet overdreven lang (112 overwegingen) en doet niet blijken van kennelijke moeilijkheden. Verder had de Commissie lang vóór de opening van de formele onderzoeksprocedure kennis van de accijnsvrijstellingen, daar de eerste verzoeken om vrijstelling dateerden van 1992 voor Ierland, van 1993 voor de Italiaanse Republiek en van 1997 voor de Franse Republiek. Het is overigens de Commissie die de achtereenvolgende voorstellen voor beschikkingen houdende goedkeuring van de accijnsvrijstellingen aan de Raad heeft toegestuurd, na verzoeken daartoe te hebben ontvangen van de Franse Republiek, Ierland en de Italiaanse Republiek. Ten slotte heeft de Commissie in het kader van haar rapporten betreffende de steunmaatregelen van de staten de WTO op de hoogte gebracht van het bestaan van de Ierse vrijstelling.
243
Bovendien heeft de Commissie zelf verklaard dat zij sinds 1999 van mening was dat de accijnsvrijstellingen in strijd waren met de regels inzake steunmaatregelen van de staten. Zij had dus vanaf die datum de gelegenheid om grondiger na te denken over de regelmatigheid van die vrijstellingen ten aanzien van die regels.
244
Het feit dat de Commissie de Franse Republiek, Ierland of de Italiaanse Republiek in de loop van de 43 maanden die aan de vaststelling van de aluminiumoxide I-beschikking zijn voorafgaan, niet meer om aanvullende inlichtingen heeft verzocht, bewijst overigens, dat zij toen al beschikte over alle elementen die zij voor haar beschikking over de accijnsvrijstellingen nodig had.
245
Ten slotte kan de Commissie zich niet op goede gronden beroepen op de moeilijkheid die uit de evolutie van de communautaire regeling inzake het heffen van belasting op minerale oliën en met name uit de vaststelling van richtlijn 2003/96 zou voortvloeien. De aluminiumoxide I-beschikking betreft immers een juridische situatie die niet viel onder de nieuwe regeling inzake het heffen van belasting op minerale oliën voortvloeiend uit richtlijn 2003/96, die pas op 1 januari 2004 in werking is getreden, maar wel onder de voorheen geldende regeling inzake het heffen van belasting op minerale oliën. Bijgevolg was de door de Commissie aangevoerde evolutie van de communautaire regeling in het onderhavige geval niet ter zake dienend. Dit wordt bevestigd door het feit dat de Commissie in de aluminiumoxide I-beschikking een nieuwe formele onderzoeksprocedure heeft geopend met betrekking tot de vrijstellingen van accijns op minerale oliën die als brandstof worden gebruikt bij de productie van aluminiumoxide in de regio Gardanne, de regio Shannon en op Sardinië vanaf 1 januari 2004, de datum waarop de nieuwe regeling inzake het heffen van belasting op minerale oliën voortvloeiend uit richtlijn 2003/96 van toepassing werd. In elk geval dient te worden beklemtoond dat de aluminiumoxide I-beschikking nagenoeg twee jaar na richtlijn 2003/96 is vastgesteld. De door de Commissie gestelde noodzaak om in de aluminiumoxide I-beschikking rekening te houden met de nieuwe regeling inzake het heffen van belasting op minerale oliën voortvloeiend uit richtlijn 2003/96, kon op zichzelf echter niet volstaan om een zo lange duur als in het onderhavige geval te rechtvaardigen.
246
In die omstandigheden had de Commissie een goede kennis van de juridische en feitelijke context van de accijnsvrijstellingen en is zij bij de toetsing daarvan aan de regels inzake steunmaatregelen van de staten voor geen kennelijke moeilijkheden komen te staan.
247
Wat ten tweede de door de Commissie gestelde praktische moeilijkheden en taalproblemen betreft, deze kunnen, zelfs al zouden zij zijn aangetoond, een zo lange duur als in het onderhavige geval niet rechtvaardigen. De Commissie beschikte in elk geval over diensten die haar in stelden het hoofd te bieden aan de door haar gestelde taalproblemen en aan het gelijklopende onderzoek van de accijnsvrijstellingen binnen een veel kortere periode als die in het onderhavige geval, met name door een goede coördinatie van haar diensten.
248
Bijgevolg is de duur van het onderzoek van de litigieuze steun in het onderhavige geval onredelijk.
249
In de tweede plaats dient te worden onderzocht of de vertraging waarmee de Commissie de bestreden beschikking heeft gegeven, AAL redelijkerwijze heeft kunnen doen geloven dat de Commissie geen twijfels meer had en dat de litigieuze vrijstelling op geen enkel bezwaar stuitte, en of deze vertraging eraan in de weg kon staan dat de Commissie terugvordering gelast van de steun die tussen 3 februari 2002 en 31 december 2003 op grond van de vrijstelling was verleend, zoals in het arrest RSV/Commissie, punt 216 supra (EU:C:1987:502, punt 16) is geoordeeld.
250
In dit laatste arrest heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat de 26 maanden die de Commissie had genomen om haar beschikking te geven, bij de verzoekende partij, begunstigde van de steun, een gewettigd vertrouwen had kunnen doen ontstaan dat eraan in de weg stond dat de Commissie de betrokken nationale autoriteiten gelast die steun te vorderen.
251
Ook al dient te worden toegezien op de eerbiediging van de dwingende vereisten van rechtszekerheid ter bescherming van particuliere belangen, toch dienen deze dwingende vereisten ook te worden afgewogen tegen de dwingende vereisten van bescherming van het algemeen belang, waaronder op het gebied van staatssteun het belang te voorkomen dat de werking van de markt wordt vervalst door staatssteun die schadelijk is voor de mededinging, wat volgens vaste rechtspraak eist dat onrechtmatige steun wordt teruggegeven om de vroegere toestand te herstellen [zie arrest van 5 augustus 2003, P & O European Ferries (Vizcaya) en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie, T‑116/01 en T‑118/01, Jurispr., EU:T:2003:217, punten 207 en 208 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
252
In de rechtspraak is het arrest RSV/Commissie, punt 216 supra (EU:C:1987:502), dus in die zin uitgelegd dat de concrete omstandigheden van de zaak die tot dat arrest heeft geleid, een beslissende rol hebben gespeeld voor de richting die het Hof heeft gekozen (zie in die zin arresten Italië/Commissie, punt 214 supra, EU:C:2004:240, punt 90; Italië/Commissie, punt 120 supra, EU:C:2004:234, punt 119; Diputación Foral de Álava e.a./Commissie, punt 217 supra, EU:T:2009:314, punt 286, en Diputación Foral de Álava e.a., punt 217 supra, EU:T:2009:316, punt 344). In het bijzonder is rekening gehouden met het feit dat de steun die aan de orde was in het arrest RSV/Commissie, punt 216 supra (EU:C:1987:502), was verleend vóór de Commissie de formele onderzoeksprocedure dienaangaande had geopend. Bovendien was die steun, weliswaar na betaling ervan, formeel bij de Commissie aangemeld. Verder hing die steun samen met extra kosten in verband met door de Commissie goedgekeurde steunmaatregelen en had hij betrekking op een sector die sinds 1977 door de Commissie goedgekeurde steun had gekregen. Ten slotte vergde de toetsing van de verenigbaarheid van de steun geen grondig onderzoek.
253
Niet alle uitzonderlijke omstandigheden die aanwezig waren in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest RSV/Commissie, punt 216 supra (EU:C:1987:502), zijn echter terug te vinden in de onderhavige zaak. Net als in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest RSV/Commissie, punt 216 supra (EU:C:1987:502), had de Commissie, tijdens de periode waarin zij kennelijk heeft stilgezeten, al een goede kennis van de litigieuze vrijstelling en was zij dus in staat zich een mening te vormen over de regelmatigheid van die vrijstelling ten aanzien van de regels inzake steunmaatregelen van de staten, zodat zij dienaangaande geen grondig onderzoek meer hoefde te verrichten. Andere in het arrest RSV/Commissie, punt 216 supra (EU:C:1987:502), in aanmerking genomen wezenlijke omstandigheden ontbreken echter. In het bijzonder is de litigieuze steun in de onderhavige zaak verleend nadat de Commissie de formele onderzoeksprocedure had geopend met betrekking tot de litigieuze vrijstelling.
254
Daardoor verschillen de concrete omstandigheden van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest RSV/Commissie, punt 216 supra (EU:C:1987:502), fundamenteel van die welke ten grondslag liggen aan de onderhavige zaak.
255
Verder dient rekening te worden gehouden met het feit dat het Hof, in punt 52 van het arrest van 11 november 2004, Demesa en Territorio Histórico de Álava/Commissie (C‑183/02 P en C‑187/02 P, Jurispr., EU:C:2004:701), met betrekking tot de uitzonderlijke omstandigheden die bij de begunstigde van onrechtmatige steun op goede gronden gewettigd vertrouwen in de regelmatigheid van die steun konden doen ontstaan, heeft geoordeeld dat het kennelijke stilzitten van de Commissie niet ter zake dienend was wanneer de steunregeling niet bij de Commissie was aangemeld. Een dergelijke oplossing ligt ook voor de hand in een geval waarin, zoals in de onderhavige zaken, een steunregeling tot uitvoering is gebracht zonder de door de Lorenz-rechtspraak geëiste voorafgaande kennisgeving van het tot uitvoering brengen (zie punt 220 hierboven) en dus zonder dat de procedure van artikel 88 EG volledig is gevolgd (zie de rechtspraak aangehaald in punt 214 hierboven). In het onderhavige geval is het kennelijke stilzitten van de Commissie gedurende 43 maanden na het antwoord van Ierland op het laatste verzoek van de Commissie om aanvullende inlichtingen (zie punt 241 hierboven), hoezeer dit ook in strijd is met het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn, echter niet van bijzondere betekenis voor de toepassing van de regels inzake steunmaatregelen van de staten op de litigieuze steun, die niet volgens de regels tot uitvoering is gebracht. Bijgevolg volstaat dit stilzitten niet voor de vaststelling van het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden die bij AAL opnieuw gewettigd vertrouwen in de regelmatigheid van de litigieuze steun ten aanzien van de regels inzake steunmaatregelen van de staten konden doen ontstaan. Hieruit volgt dat in het onderhavige geval de schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn voor de vaststelling van de aluminiumoxide I-beschikking op zichzelf niet eraan in de weg stond dat de Commissie in die beschikking terugvordering van de litigieuze steun gelast.
256
De argumenten inzake niet-inachtneming van een redelijke termijn moeten aldus worden afgewezen.
257
Met betrekking tot het argument dat Ierland ontleent aan niet-inachtneming van de in artikel 7, lid 6, van verordening nr. 659/1999 bedoelde termijn van 18 maanden, dient erop te worden gewezen dat die bepaling alleen voorschrijft dat in geval van aangemelde steunmaatregelen „[d]e Commissie [...] er zoveel mogelijk naar [streeft] binnen 18 maanden na de inleiding van de [formele onderzoeks]procedure een beschikking aan te nemen”. Uit dit artikel blijkt niet dat het enkele verstrijken van de daarin vermelde termijn eraan in de weg zou staan dat de Commissie de steun terugvordert, onverminderd de in artikel 15, lid 1, van verordening nr. 659/1999 bepaalde verjaringstermijn van 10 jaar. Artikel 7, lid 7, van verordening nr. 659/1999 bepaalt immers dat„[w]anneer deze termijn is verstreken, [...] de Commissie op verzoek van de betrokken lidstaat binnen twee maanden een beschikking [geeft] op basis van de informatie waarover zij beschikt”. Bijgevolg dient het onderhavige argument ongegrond te worden verklaard.
258
Met betrekking tot het argument dat AAL ontleent aan het feit dat de Commissie de vaststelling van richtlijn 2003/96 door de Raad openlijk heeft begroet, dit argument faalt, omdat het feit dat artikel 18, lid 1, van richtlijn 2003/96, gelezen in samenhang met artikel 28, lid 2, van deze richtlijn, Ierland toestond, de litigieuze vrijstelling verder toe te passen vanaf 1 januari 2003, niet relevant is voor een eventueel gewettigd vertrouwen van AAL in de rechtmatigheid van de litigieuze vrijstelling ten aanzien van de regels inzake steunmaatregelen van de staten. Op de datum waarop artikel 18, lid 1, van richtlijn 2003/96 van toepassing is geworden, te weten op 1 januari 2003, moest AAL immers al op de hoogte zijn van het bestaan van een hangende formele onderzoeksprocedure met betrekking tot de litigieuze vrijstelling en van het feit dat, indien de litigieuze vrijstelling staatssteun vormde, zij door de Commissie moest worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 88 EG. Deze situatie kon niet worden gewijzigd door de vaststelling en inwerkingtreding, respectievelijk op 27 en 31 oktober 2003, van richtlijn 2003/96, in overweging 32 waarvan uitdrukkelijk wordt verklaard dat deze richtlijn „geen afbreuk [doet] aan het resultaat van enigerlei toekomstige, uit hoofde van de artikelen 87 [EG] en 88 [EG], ingeleide procedure inzake staatssteun” (zie, in die zin en naar analogie, arrest Commissie/Ierland e.a., punt 27 supra, EU:C:2013:812, punt 51). Artikel 18, lid 1, van richtlijn 2003/96 kon aldus, na de bekendmaking van het besluit waarbij de formele onderzoeksprocedure is geopend, bij AAL niet opnieuw gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de litigieuze vrijstelling ten aanzien van de regels inzake steunmaatregelen van de staten doen ontstaan.
259
Met betrekking tot de argumenten die verzoekers ontlenen aan de omstandigheid dat de Commissie in het onderhavige geval heeft nagelaten, krachtens artikel 11, lid 1, van verordening nr. 659/1999 een bevel tot opschorting van de litigieuze steun te geven, kan worden volstaan met eraan te herinneren, zoals in punt 79 hierboven al is uiteengezet, dat deze bepaling de Commissie niet de verplichting oplegt, een opschortingsbevel te geven wanneer bepaalde voorwaarden zijn vervuld, maar alleen bepaalt dat de Commissie een dergelijk bevel kan geven wanneer zij dat nodig acht. Hieruit volgt dat AAL in het onderhavige geval geen enkele conclusie kan trekken uit het feit dat de Commissie het niet nodig heeft gevonden een opschortingsbevel te geven. Bijgevolg moet het onderhavige argument ongegrond worden verklaard.
260
Met betrekking tot het argument dat AAL ontleent aan de investeringen op lange termijn die zij in haar in de regio Shannon gebouwde fabriek voor de productie van aluminiumoxide heeft gedaan, dient erop te worden gewezen dat de Commissie daarmee in het onderhavige geval terecht geen rekening heeft gehouden. AAL kan immers niet op goede gronden stellen dat deze investeringen zijn gedaan op basis een gewettigd vertrouwen dat zij zou hebben gehad in het feit dat deze investeringen zouden kunnen worden afgeschreven dankzij, met name, het voordeel dat zij tot en met 31 december 2006 uit de litigieuze vrijstelling zou halen. Dienaangaande blijkt uit de verklaringen die AAL zelf in haar schrifturen heeft afgelegd, dat de betrokken investeringen zijn „besteld in de herfst van 2003”, dus na de bekendmaking, op 2 februari 2002, van het besluit van de Commissie waarbij de formele onderzoeksprocedure is geopend. Welnu, zoals uit de punten 221 tot en met 225 hierboven voortvloeit, kon AAL na de bekendmaking daarvan geen gewettigd vertrouwen meer hebben in de rechtmatigheid van de litigieuze vrijstelling ten aanzien van de regels inzake steunmaatregelen van de staten en in het feit dat, indien deze vrijstelling staatssteun vormde, de Commissie terugvordering van die steun kon gelasten. Zoals in punt 258 hierboven al is opgemerkt, kan de vaststelling van richtlijn 2003/96, waarvan de bepalingen slechts harmonisatie van de wettelijke regelingen betreffende de accijns regelden, na de bekendmaking van het besluit waarbij de formele onderzoeksprocedure is geopend, bij AAL niet opnieuw gewettigd vertrouwen doen ontstaan in de rechtmatigheid van de litigieuze steun ten aanzien van de regels inzake steunmaatregelen van de staten en in het feit dat die steun niet op grond van die regels zou worden teruggevorderd. In elk geval heeft AAL geen enkel element aangedragen dat aannemelijk maakt dat zij deze investeringen zou hebben gedaan op basis het gewettigde vertrouwen dat zij zou hebben gehad in het feit dat die investeringen zouden kunnen worden afgeschreven dankzij, met name, het voordeel dat zij tot en met 31 december 2006 uit de litigieuze vrijstelling zou halen. Een van die investeringen is overigens gedaan in het kader van een prijsvraag, te weten de Irish Capacity 2005 Competition, die AAL in 2003 heeft gewonnen. Bijgevolg heeft de Commissie in de bestreden beschikking op goede gronden geen rekening gehouden met het gewettigde vertrouwen dat AAL naar eigen zeggen zou hebben gehad in het feit dat haar investeringen in haar in de regio Shannon gebouwde fabriek voor de productie van aluminiumoxide zouden kunnen worden afgeschreven dankzij, met name, het voordeel dat zij tot en met 31 december 2006 uit de litigieuze vrijstelling zou halen. Bijgevolg moet het onderhavige argument ongegrond worden verklaard.
261
Wat ten slotte de stelling van Ierland betreft, dat AAL vóór 31 december 2003 niet in staat was haar verliezen te dekken in geval van restitutie van de op grond van de litigieuze vrijstelling verleende steun, deze stelling kan niet worden aanvaard omdat zij niet nader is uiteengezet en niet is onderbouwd in de repliek in zaak T‑50/06 RENV II, waarin zij is geformuleerd.
262
Gelet op een en ander staat vast dat verzoekers in het onderhavige geval niet hebben aangetoond dat er uitzonderlijke omstandigheden waren op grond waarvan AAL redelijkerwijze ervan mocht uitgaan dat de Commissie geen twijfels meer had en dat de litigieuze vrijstelling op geen enkel bezwaar stuitte, hetgeen eraan in de weg zou hebben gestaan dat de Commissie in de bestreden beschikking terugvordering van de litigieuze steun gelast.
263
Bijgevolg moeten het derde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel ongegrond worden verklaard.
Grief inzake schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn, aangevoerd in het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel, en vijfde middel, betreffende schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn, van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van behoorlijk bestuur, wat de overdreven lange duur van de formele onderzoeksprocedure betreft, aangevoerd ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II
264
In het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel verwijt Ierland de Commissie, zakelijk weergegeven, dat deze het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn heeft geschonden door te lang te wachten met de vaststelling van de bestreden beschikking (zie punten 45 en 51 hierboven).
265
In het kader van het vijfde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel betoogt AAL dat de Commissie het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden door te lang te wachten met de vaststelling van de aluminiumoxide I-beschikking, die pas is vastgesteld meer dan 43 maanden nadat de Commissie in april 2002 het antwoord van Ierland op haar laatste verzoek om aanvullende inlichtingen had ontvangen.
266
Volgens de Commissie moeten de onderhavige grief en het onderhavige middel ongegrond worden verklaard.
267
In dit verband dient eraan te worden herinnerd, dat de fundamentele eis van rechtszekerheid zich ertegen verzet dat de Commissie eindeloos wacht met de uitoefening van haar bevoegdheden (arresten van 14 juli 1972, Geigy/Commissie,52/69, Jurispr., EU:C:1972:73, punten 20 en 21, en Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie, punt 215 supra, EU:C:2002:524, punt 140).
268
Bovendien is het een beginsel van behoorlijk bestuur dat de Commissie zich bij de vaststelling van beschikkingen na afloop van administratieve procedures inzake mededinging aan een redelijke termijn moet houden (zie arrest van 20 oktober 2011, Eridania Sadam/Commissie,T‑579/08, EU:T:2011:608, punt 79en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo beschikt de Commissie, wanneer zij op het gebied van steunmaatregelen van de staten beslist de formele onderzoeksprocedure te openen, over een redelijke termijn om deze procedure af te wikkelen (beschikking van 11 juli 1979, Fédération nationale des producteurs de vins de table et vins de pays/Commissie,59/79, Jurispr., EU:C:1979:188, blz. 2425, blz. 2428).
269
Zoals in punt 248 hierboven is opgemerkt, is in het onderhavige geval de duur van het onderzoek van de litigieuze steun zeker onredelijk.
270
De schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn rechtvaardigt de nietigverklaring van de na afloop van die termijn vastgestelde beschikking echter slechts wanneer zij tevens schending van de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen inhoudt. Wanneer niet is aangetoond dat als gevolg van het verstrijken van overdreven veel tijd de betrokken ondernemingen zich minder doeltreffend hebben kunnen verdedigen, heeft de niet-inachtneming van het beginsel van een redelijke termijn immers geen gevolgen voor de geldigheid van de administratieve procedure en kan zij dus slechts worden aangemerkt als een schade brengend feit dat voor de Unierechter kan worden aangevoerd [zie arrest Eridania Sadam/Commissie, punt 268 supra, EU:T:2011:608, punt 80en aldaar aangehaalde rechtspraak].
271
In elk geval dient eraan te worden herinnerd dat tijdens de in artikel 88, lid 2, EG bedoelde onderzoeksfase, de belanghebbenden, zoals in het onderhavige geval AAL, zich niet kunnen beroepen op de rechten van verdediging die toekomen aan de personen tegen wie een procedure is geopend, maar alleen het recht hebben om, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, op passende wijze bij de administratieve procedure te worden betrokken [zie arrest Eridania Sadam/Commissie, punt 268 supra, EU:T:2011:608, punt 81en aldaar aangehaalde rechtspraak].
272
In het onderhavige geval stellen verzoekers niet dat de Commissie tijdens de formele onderzoeksprocedure inbreuk heeft gemaakt op het recht van AAL om te worden gehoord en om, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, op passende wijze bij de administratieve procedure te worden betrokken.
273
Bijgevolg dienen de grief inzake schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn, aangevoerd in het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel, en vijfde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel ongegrond te worden verklaard.
274
Aangezien alle ter ondersteuning van de onderhavige beroepen aangevoerde middelen en geformuleerde grieven zijn afgewezen, moeten die beroepen zelf in hun geheel worden verworpen.
Kosten
275
Volgens artikel 219 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht beslist het Gerecht in beslissingen die na vernietiging en terugverwijzing zijn gegeven, over de kosten betreffende, enerzijds, de bij hem ingeleide procedures, en anderzijds, de procedure van hogere voorziening voor het Hof. Aangezien het Hof in de arresten Commissie/Ierland e.a., punt 22 supra (EU:C:2009:742), en Commissie/Ierland e.a., punt 27 supra (EU:C:2013:812), de beslissing omtrent de kosten heeft aangehouden, dient het Gerecht in het onderhavige arrest ook uitspraak te doen over de kosten die op die procedures van hogere voorziening zijn gevallen.
276
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Volgens artikel 135, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering echter kan het Gerecht in uitzonderlijke gevallen, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij, behalve in haar eigen kosten, slechts ten dele wordt verwezen in de kosten van de andere partij. Bovendien kan het Gerecht, volgens artikel 135, lid 2, van dat Reglement, een partij, ook wanneer deze in het gelijk wordt gesteld, ten dele of zelfs volledig in de kosten verwijzen, indien dit gerechtvaardigd lijkt wegens haar houding, daaronder begrepen haar houding vóór het instellen van het beroep. Het Gerecht kan met name een instelling waarvan de beschikking niet nietig is verklaard, in de kosten verwijzen wanneer de ontoereikendheid van die beschikking een verzoeker ertoe kan hebben gebracht beroep in te stellen (zie, naar analogie, arrest van 9 september 2010, Evropaïki Dynamiki/Commissie,T‑387/08, EU:T:2010:377, punt 177en aldaar aangehaalde rechtspraak).
277
Verzoekers zijn in het ongelijk gesteld. In het kader van het onderzoek van de onderhavige beroepen is in punt 248 hierboven echter vastgesteld dat de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn heeft geschonden, hetgeen verzoekers ertoe kan hebben aangezet beroep in stellen om die schending te doen vaststellen. In die omstandigheden acht het Gerecht het eerlijk en billijk, in de zaken T‑50/06, T‑50/06 RENV I en T‑50/06 RENV II Ierland te verwijzen in zijn eigen kosten en in drie vierde van de kosten van de Commissie en deze laatste te verwijzen in een vierde van haar eigen kosten, en in de zaken T‑69/06, T‑69/06 RENV I en T‑69/06 RENV II AAL te verwijzen in zijn haar eigen kosten en in drie vierde van de kosten van de Commissie en deze laatste te verwijzen in een vierde van haar eigen kosten. In zaak T‑69/06 R dient AAL echter te worden verwezen in alle kosten. In de zaken C‑89/08 P en C‑272/12 P dienen, aangezien in elk van die zaken vijf partijen tegenover de Commissie stonden, volgens de verdeelsleutel die in de zaken T‑50/06, T‑50/06 RENV I en T‑50/06 RENV II en in de zaken T‑69/06, T‑69/06 RENV I en T‑69/06 RENV II is gehanteerd, Ierland en AAL elk te worden verwezen in hun eigen kosten en in drie twintigste – te weten een vijfde van drie vierde – van de kosten van de Commissie en dient deze laatste te worden verwezen in een vijfde van haar eigen kosten.
HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid),
rechtdoende, verklaart:
1)
De beroepen worden verworpen.
2)
Ierland wordt verwezen in zijn eigen kosten en in drie vierde van de kosten van de Europese Commissie in de zaken T‑50/06, T‑50/06 RENV I en T‑50/06 RENV II alsmede in drie twintigste van de kosten van de Commissie in de zaken C‑89/08 P en C‑272/12 P.
3)
Aughinish Alumina Ltd wordt verwezen in haar eigen kosten, in drie vierde van de kosten van de Commissie in de zaken T‑69/06, T‑69/06 RENV I en T‑69/06 RENV II, in drie twintigste van de kosten van de Commissie in de zaken C‑89/08 P en C‑272/12 P alsmede in alle kosten in zaak T‑69/06 R.
4)
De Commissie wordt verwezen in een vierde van haar eigen kosten in de gevoegde zaken T‑50/06 en T‑69/06, de gevoegde zaken T‑50/06 RENV I en T‑69/06 RENV I en de gevoegde zaken T‑50/06 RENV II en T‑69/06 RENV II alsmede in een vijfde van haar eigen kosten in de zaken C‑89/08 P en C‑272/12 P.
Kanninen
Pelikánová
Buttigieg
Gervasoni
Madise
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 april 2016.
ondertekeningen
Inhoud
Voorgeschiedenis van het geding
Litigieuze vrijstelling
Administratieve procedure
Aluminiumoxide I-beschikking
Procedure en conclusies van partijen
In rechte
Tweede middel, betreffende schending van het rechtszekerheidsbeginsel, van het beginsel van estoppel en van artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81, en vierde middel, betreffende schending van het beginsel van estoppel en misbruik van bevoegdheid, die zijn aangevoerd ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II, en tweede middel, betreffende schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van nuttig effect van de handelingen van de instellingen, alsmede bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van bevoegdheid, dat is aangevoerd ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II
Derde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende het niet voldoen aan de eisen van artikel 3, lid 1, onder m), EG en van artikel 157 EG
Zesde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van artikel 87, lid 1, EG
Eerste ter ondersteuning van elk van de onderhavige beroepen aangevoerde middel, betreffende onjuiste rechtsopvatting bij de kwalificatie van de litigieuze steun ten aanzien van artikel 88 EG
Eerste onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en tweede onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende schending van artikel 88 EG en van de in artikel 1, onder b), iii), van verordening nr. 659/1999 gecodificeerde regel, alsmede, in zaak T‑50/06 RENV II, schending van de procedurele regels betreffende de bestaande steunregelingen, zoals die zijn gecodificeerd in de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 659/1999
Tweede onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en derde onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende schending van artikel 88 EG en de artikelen 1, onder b), iv), en 15, lid 3, van verordening nr. 659/1999, in hun onderlinge samenhang gelezen
Derde onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel en eerste onderdeel van het eerste ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende, in wezen, schending van artikel 88 EG en van de in artikel 1, onder b), i), van verordening nr. 659/1999 gecodificeerde regel
Derde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende schending van het beginsel van eerbiediging van het gewettigd vertrouwen, en vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II aangevoerde middel, betreffende schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van het rechtszekerheidsbeginsel
Grief inzake schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn, aangevoerd in het kader van het vierde ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑50/06 RENV II aangevoerde middel, en vijfde middel, betreffende schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn, van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van behoorlijk bestuur, wat de overdreven lange duur van de formele onderzoeksprocedure betreft, aangevoerd ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑69/06 RENV II
Kosten
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy