ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
17 november 2009 ( *1 )
„Dumping — Invoer van polyethyleentereftalaatfolie uit India — Verordening tot beëindiging van tussentijds nieuw onderzoek — Verbintenissen inzake minimuminvoerprijzen — Vaststelling van uitvoerprijs — Toepassing van andere werkwijze dan bij oorspronkelijk onderzoek — Keuze van rechtsgrondslag — Artikel 2, leden 8 en 9, en artikel 11, leden 3 en 9, van verordening (EG) nr. 384/96”
In zaak T-143/06,
MTZ Polyfilms Ltd, gevestigd te Mumbai (India), vertegenwoordigd door P. De Baere, advocaat,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.-P. Hix als gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, advocaat,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan en K. Talabér-Ritz als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 366/2006 van de Raad van 27 februari 2006 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1676/2001 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op polyethyleentereftalaatfolie (PET-folie) uit onder meer India (PB L 68, blz. 6),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, E. Cremona (rapporteur) en S. Frimodt Nielsen, rechters,
griffier: C. Kantza, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 december 2008,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
1
Artikel 2, leden 8 en 9, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij met name verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004 (PB L 77, blz. 12) (hierna: „basisverordening”), bepaalt:
„8. De uitvoerprijs is de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het product dat vanuit het land van uitvoer met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap wordt verkocht.
9. Wanneer geen uitvoerprijs voorhanden is of deze onbetrouwbaar blijkt wegens het bestaan van een associatie of een compensatieregeling tussen de exporteur en de importeur of een derde partij, mag de uitvoerprijs worden samengesteld op basis van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of, indien de producten niet aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of niet worden doorverkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, op elke redelijke grondslag.
[…]”
2
Artikel 8, lid 9, van de basisverordening luidt:
„9. Wanneer een verbintenis door een partij wordt geschonden of opgezegd, of wanneer de aanvaarding van de verbintenis door de Commissie wordt opgezegd, wordt de aanvaarding van de verbintenis na overleg ingetrokken door middel van hetzij een besluit hetzij een verordening van de Commissie, en zijn automatisch de door de Commissie op grond van artikel 7 ingestelde voorlopige rechten of de door de Raad op grond van artikel 9, lid 4, ingestelde definitieve rechten van toepassing, op voorwaarde dat de betrokken [ex]porteur de gelegenheid heeft gehad opmerkingen te maken, tenzij hij zelf de verbintenis heeft opgezegd. […]”
3
Artikel 11, leden 3, 6, 9 en 10, van de basisverordening bepaalt:
„3. De noodzaak tot handhaving van maatregelen kan eveneens worden onderzocht, hetzij op initiatief van de Commissie, hetzij op verzoek van een lidstaat, hetzij, op voorwaarde dat sedert de instelling van de definitieve maatregel een redelijke termijn van ten minste één jaar is verstreken, op verzoek van een exporteur, een importeur of de producenten van de Gemeenschap, dat is gestaafd met voldoende bewijs van de noodzaak van een dergelijk tussentijds nieuw onderzoek.
Een tussentijds nieuw onderzoek wordt geopend wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat dat handhaving van de maatregel niet langer noodzakelijk is om een einde te maken aan de dumping en/of dat het onwaarschijnlijk is dat de schade zal blijven bestaan of zich opnieuw zal voordoen indien de maatregel wordt ingetrokken of gewijzigd, dan wel dat de bestaande maatregel niet of niet langer toereikend is om de dumping en de daaruit voortvloeiende schade tegen te gaan.
Bij een overeenkomstig dit lid uitgevoerd onderzoek kan de Commissie onder meer nagaan, of de omstandigheden met betrekking tot dumping en schade ingrijpend zijn gewijzigd, dan wel of met de bestaande maatregelen het beoogde resultaat, namelijk het wegnemen van de eerder overeenkomstig artikel 3 vastgestelde schade, wordt bereikt. Dienaangaande wordt bij de definitieve vaststelling rekening gehouden met al het relevante, naar behoren gestaafde bewijsmateriaal.
[…]
6. Nieuwe onderzoeken uit hoofde van dit artikel worden door de Commissie geopend na raadpleging van het raadgevend comité. Wanneer deze onderzoeken daartoe aanleiding geven, worden de maatregelen overeenkomstig lid 2 ingetrokken of gehandhaafd, dan wel overeenkomstig de leden 3 en 4 ingetrokken, gehandhaafd of gewijzigd door de instelling van de Gemeenschap die ze heeft ingevoerd. Wanneer maatregelen ten aanzien van individuele exporteurs, maar niet ten aanzien van een land in zijn geheel worden ingetrokken, blijft de procedure op deze exporteurs van toepassing, die automatisch kunnen worden onderworpen aan enig nieuw onderzoek dat overeenkomstig dit artikel voor het betrokken land wordt ingesteld.
[…]
9. Bij alle overeenkomstig dit artikel uitgevoerde nieuwe onderzoeken of met het oog op de terugbetaling van rechten ingestelde onderzoeken gaat de Commissie, voor zover de omstandigheden niet zijn gewijzigd, op dezelfde wijze te werk als bij het onderzoek dat tot instelling van het recht heeft geleid, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, in het bijzonder de leden 11 en 12 daarvan, en artikel 17.
10. Bij elk uit hoofde van dit artikel uitgevoerd onderzoek gaat de Commissie overeenkomstig artikel 2 na, of de exportprijzen betrouwbaar zijn. Wordt evenwel besloten de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, samen te stellen, dan worden de betaalde antidumpingrechten bij de berekening van deze prijs niet in mindering gebracht indien afdoende bewijs wordt geleverd dat het recht behoorlijk in de wederverkoopprijzen en de latere verkoopprijzen in de Gemeenschap tot uitdrukking is gebracht.”
Voorgeschiedenis van het geding
4
Verzoekster, MTZ Polyfilms Ltd, is een vennootschap naar Indiaas recht die polyethyleentereftalaatfolie (PET) produceert, welke zij uitvoert naar de Europese Gemeenschap en derde landen.
5
Op 13 augustus 2001 heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EG) nr. 1676/2001 vastgesteld, tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve invordering van het voorlopige recht op de invoer van folie van polyethyleentereftalaat uit India en de Republiek Korea (PB L 227, blz. 1). In punt 80 van de considerans van deze verordening werd voor verzoekster een individueel antidumpingrecht van 49% voorgesteld.
6
Bij besluit 2001/645/EG van 22 augustus 2001 houdende aanvaarding van verbintenissen in verband met de antidumpingprocedure betreffende de invoer van folie van polyethyleentereftalaat uit India en de Republiek Korea (PB L 227, blz. 56) heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen door verzoekster en vier andere Indiase exporteurs aangeboden verbintenissen aanvaard om PET-folie naar de Gemeenschap uit te voeren tegen minimuminvoerprijzen. De minimuminvoerprijzen verschilden per exporteur. De invoer van door verzoekster en de vier andere Indiase exporteurs geproduceerde PET-folie in de Gemeenschap werd met het oog op deze verbintenissen krachtens artikel 2 van verordening nr. 1676/2001 vrijgesteld van antidumpingrechten.
7
Op 22 november 2003 heeft de Commissie uit hoofde van artikel 11, lid 3, van de basisverordening een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek ingesteld naar verordening nr. 1676/2001, met betrekking tot de vorm van de maatregelen die van toepassing waren op de vijf Indiase exporteurs waarvoor de minimuminvoerprijzen golden. In het kader van dit nieuwe onderzoek stelde de Commissie met name vast dat het assortiment verkochte productsoorten en het prijsverschil in bepaalde productgroepen (reeks van waarden van producten), alsmede de verdeling van de verkopen over de verschillende productgroepen sinds de aanvaarding van de verbintenissen inzake minimuminvoerprijzen aanzienlijk waren veranderd. Daar de minimuminvoerprijzen waren vastgesteld op basis van de assortimenten van productsoorten en hun waarde ten tijde van de oorspronkelijke onderzoeksperiode, waren de minimuminvoerprijzen naar haar mening „specifiek” geworden door de vastgestelde veranderingen en waren de verbintenissen niet langer „doeltreffend” om het schadelijke effect van de dumping tegen te gaan.
8
Na afloop van dit nieuwe onderzoek heeft de Raad verordening (EG) nr. 365/2006 van 27 februari 2006 vastgesteld, tot wijziging van verordening nr. 1676/2001 en tot beëindiging van het tussentijdse onderzoek betreffende de compenserende maatregelen ten aanzien van PET-folie uit onder meer India (PB L 68, blz. 1). Overeenkomstig punt 25 van de considerans van deze verordening is de aanvaarding van de verbintenissen inzake minimuminvoerprijzen die waren aangeboden door verzoekster en vier andere Indiase exporteurs, ingetrokken.
9
Op 4 januari 2005 heeft de Commissie uit hoofde van artikel 11, lid 3, van de basisverordening een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek ingesteld naar verordening nr. 1676/2001. Dit nieuwe onderzoek had slechts betrekking op de dumping door de vijf Indiase exporteurs die aan de minimuminvoerprijzen waren gebonden, en op de hoogte van het residuele antidumpingrecht. Het had tot doel te bepalen of de bestaande maatregelen moesten worden gehandhaafd, ingetrokken dan wel qua hoogte gewijzigd.
10
Na afloop van dit nieuwe onderzoek heeft de Raad verordening (EG) nr. 366/2006 van 27 februari 2006 vastgesteld, tot instelling van een definitief antidumpingrecht op PET-folie uit onder meer India (PB L 68, blz. 6; hierna: „bestreden verordening”). In de bestreden verordening werd verzoekster voortaan een individueel antidumpingrecht opgelegd ter hoogte van 18%.
11
Ter onderbouwing van de oplegging van dit definitieve antidumpingrecht benadrukt de Raad in punt 27 van de considerans van de bestreden verordening in wezen dat het nieuwe onderzoek in het kader van de vaststelling van de uitvoerprijs erop is gericht om na te gaan of de dumpingmarge is gewijzigd en of een eventuele wijziging daarvan als van duurzame aard kan worden beschouwd. In dit verband kunnen de uitvoerprijzen volgens de Raad niet alleen worden beoordeeld op basis van een onderzoek van het gedrag van de exporteurs in het verleden. Hij preciseert dat moet worden vastgesteld of de uitvoerprijzen naar de Gemeenschap in een bepaalde periode een betrouwbare aanwijzing zijn voor hun waarschijnlijke ontwikkeling in de toekomst. Hij geeft aan dat, gelet op de aanvaarding van verbintenissen in onderhavig geval, is nagegaan of het bestaan daarvan van invloed is geweest op de gehanteerde uitvoerprijzen, zozeer dat deze laatste onbruikbaar zijn geworden om het toekomstige gedrag van de exporteurs te extrapoleren.
12
Uit punt 28 van de considerans van de bestreden verordening blijkt dat de betrouwbaarheid van de prijzen die door de betrokken Indiase exporteurs, waaronder verzoekster, werden gehanteerd bij de verkoop naar de Gemeenschap, is getoetst op basis van een vergelijking tussen deze prijzen en de minimuminvoerprijzen uit de aanvaarde verbintenissen. Zo is nagegaan of het gewogen gemiddelde van de door ieder van de exporteurs gehanteerde prijzen al dan niet aanmerkelijk hoger was dan dat van de minimuminvoerprijzen. Wanneer de uitvoerprijzen ruim boven de minimuminvoerprijzen lagen, werd ervan uitgegaan dat deze uitvoerprijzen onafhankelijk van de minimuminvoerprijzen waren vastgesteld en derhalve een betrouwbare indicatie waren. Wanneer de uitvoerprijzen daarentegen onvoldoende boven de minimuminvoerprijzen lagen, werd ervan uitgegaan dat zij beïnvloed waren door de verbintenissen en niet voldoende betrouwbaar waren om gebruikt te worden voor de dumpingberekening overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.
13
In punt 30 van de considerans van de bestreden verordening wordt voornamelijk vastgesteld dat de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap van drie Indiase exporteurs, waaronder verzoekster, zeer dicht bij de minimuminvoerprijzen lagen, terwijl hun prijzen bij uitvoer naar derde landen aanzienlijk lager waren dan de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap, hetgeen het volgens de Raad waarschijnlijk maakte dat, indien er geen verbintenissen waren geweest, de prijzen voor dezelfde soorten producten bij uitvoer naar de Gemeenschap even laag zouden zijn geweest als de prijzen bij uitvoer naar andere derde landen. Volgens hem kunnen de prijzen van deze drie exporteurs bij uitvoer naar de Gemeenschap derhalve niet worden gebruikt om betrouwbare uitvoerprijzen vast te stellen in de zin van artikel 2, lid 8, van de basisverordening. Om deze reden werd volgens punt 31 van de considerans van de bestreden verordening besloten om de uitvoerprijzen van deze exporteurs vast te stellen aan de hand van hun prijzen bij export naar derde landen.
14
Uit de punten 33 en 34 van de considerans van de bestreden verordening blijkt in wezen dat het gebruik van de prijzen bij uitvoer naar derde landen in plaats van de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap niet is gebaseerd op artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening, maar op de noodzaak om overeenkomstig de doelstellingen van het tussentijdse nieuwe onderzoek uit hoofde van artikel 11, lid 3, van die verordening te onderzoeken met welke waarschijnlijkheid de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap in de toekomst zouden worden gehandhaafd en derhalve met welke waarschijnlijkheid opnieuw dumping zou optreden.
15
Volgens punt 48 van de considerans van de bestreden verordening is de dumpingmarge voor iedere exporteur overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening vastgesteld door een vergelijking tussen de gewogen gemiddelde normale waarde en de gewogen gemiddelde uitvoerprijs. Uit lezing van punt 49 in samenhang met punt 56 van de considerans van de bestreden verordening blijkt dat het door de aanzienlijke verlaging van de individuele dumpingmarges passend werd geacht het residuele antidumpingrecht te wijzigen, dat overeenkomstig artikel 11, lid 9, van de basisverordening was bepaald. De dumpingmarge van verzoekster, waarvan de uitvoerprijs wegens de onbetrouwbaarheid van haar uitvoerprijzen naar de Gemeenschap was bepaald op basis van de prijzen bij uitvoer naar derde landen, bedraagt 26,7% (punten 50 en 54 van de considerans van de bestreden verordening).
16
Blijkens de punten 51 tot en met 56 van de considerans van de bestreden verordening berust deze wijziging van het residuele antidumpingrecht voornamelijk op de vaststelling overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening, dat de verandering van de omstandigheden met betrekking tot de dumping in vergelijking met de situatie ten tijde van het oorspronkelijk onderzoek duurzaam was.
Procesverloop en conclusies van partijen
17
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 mei 2006, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
18
Bij beschikking van 13 november 2006 heeft de president van de Vijfde kamer de Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.
19
Na in eerste instantie te zijn toegewezen aan de Vijfde kamer, is de zaak bij beslissing van de president van het Gerecht van 6 februari 2007 opnieuw toegewezen aan de Derde kamer. Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zesde kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen. Aangezien de rechter-rapporteur verhinderd was, heeft de president van het Gerecht de zaak bij beslissing van 17 januari 2008 opnieuw toegewezen aan de Derde kamer.
20
Bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang is de Raad uitgenodigd om een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden. Hij heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
21
Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 9 december 2008.
22
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
—
de bestreden verordening nietig te verklaren;
—
de Raad te verwijzen in de kosten.
23
De Raad, ondersteund door de Commissie, concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
Omvang van de vordering tot nietigverklaring
24
Vooraf zij opgemerkt dat de bestreden verordening een definitief antidumpingrecht instelt op de invoer van PET door meerdere ondernemingen.
25
Verzoekster vordert nietigverklaring van de bestreden verordening in haar geheel. In de uiteenzetting van haar middelen en argumenten betwist zij echter slechts de rechtmatigheid van de vaststelling van haar eigen uitvoerprijs.
26
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de eventuele onrechtmatigheid van deze vaststelling de wettigheid van de bestreden verordening slechts aantast voor zover hierin een antidumpingrecht wordt opgelegd aan verzoekster. Zij tast daarentegen niet de wettigheid van de overige onderdelen van de bestreden verordening aan, te weten met name de antidumpingrechten welke zijn opgelegd aan de andere ondernemingen waaraan de verordening is gericht.
27
Daarenboven blijkt uit de rechtspraak dat wanneer bij een verordening tot instelling van een antidumpingrecht een reeks ondernemingen verschillende rechten worden opgelegd, een onderneming enkel individueel wordt geraakt door de bepalingen waarbij haar een bijzonder antidumpingrecht wordt opgelegd en waarin de hoogte ervan wordt vastgesteld, en niet door die waarbij antidumpingrechten aan andere ondernemingen worden opgelegd, zodat het beroep van die onderneming slechts ontvankelijk is voor zover het strekt tot nietigverklaring van de bepalingen van de bestreden verordening die uitsluitend haar betreffen (zie arrest van het Hof van 15 februari 2001, Nachi Europe, C-239/99, Jurispr. blz. I-1197, punt 22, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
In deze omstandigheden moet, gelet op de middelen en argumenten die verzoekster ter staving van haar beroep naar voren heeft gebracht, de vordering tot nietigverklaring aldus worden uitgelegd dat zij slechts strekt tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden verordening, voor zover hierin een definitief antidumpingrecht wordt opgelegd aan verzoekster.
Ten gronde
29
Verzoekster laakt in wezen de werkwijze die door de Raad in de bestreden verordening is gehanteerd bij de vaststelling van de uitvoerprijs. Ze voert tegen deze werkwijze drie middelen aan, namelijk ten eerste schending van artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening, ten tweede schending van de artikelen 2.1, 2.3 en 11 van de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (GATT) (PB L 336, blz. 103), vermeld in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (PB 1994, L 336, blz. 3), en ten derde het ontbreken van rechtsgrondslag en schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
Ontbreken van rechtsgrondslag
30
Verzoekster voert in het kader van het eerste en het derde middel meerdere argumenten aan om te bewijzen dat de werkwijze die in de bestreden verordening is gebruikt om de uitvoerprijs van verzoekster vast te stellen, rechtsgrondslag ontbeert. Het Gerecht acht het opportuun om deze argumenten gezamenlijk te behandelen.
— Argumenten van partijen
31
Met haar derde middel, het ontbreken van rechtsgrondslag, stelt verzoekster dat de Raad in de bestreden verordening geen rechtsgrondslag vermeldt voor de werkwijze die is gebruikt om de uitvoerprijs vast te stellen, maar slechts in punt 34 van de considerans aangeeft dat de werkwijze niet is gebaseerd op artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening. De Raad wijst hiertoe voor de eerste maal in zijn verweerschrift artikel 11, lid 3, van deze verordening aan als rechtsgrondslag. Aangezien ieder tussentijds nieuw onderzoek moet worden uitgevoerd krachtens artikel 11, lid 3, van de basisverordening, is deze bepaling echter geenszins van invloed op de keuze van de relevante rechtsgrondslag op basis waarvan de uitvoerprijs van verzoekster is vastgesteld.
32
In het kader van haar eerste middel, schending van artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening, stelt verzoekster allereerst dat deze bepalingen de berekening van de uitvoerprijs regelen en dat uitdrukkelijk in artikel 11, leden 9 en 10, van de basisverordening is voorzien dat zij van toepassing zijn op tussentijdse nieuwe onderzoeken, zonder dat er in het kader van deze onderzoeken sprake is van een specifieke berekeningswijze. Verzoekster stelt zich vervolgens op het standpunt dat de door de Commissie bij een nieuw onderzoek uitgevoerde analyse van de waarschijnlijkheid dat er opnieuw sprake zal zijn van dumping, irrelevant is en niet van invloed mag zijn op de berekening van de dumpingmarge. Verzoekster wijst er ten slotte op dat artikel 11, lid 3, van de basisverordening geen geldige rechtsgrondslag vormt voor de berekening van de uitvoerprijs, aangezien hierin niet de minste aanwijzing staat aan de hand waarvan kan worden bepaald op welke wijze een dumpingmarge en a fortiori een uitvoerprijs moeten worden berekend.
33
De Raad stelt dat artikel 11, lid 3, van de basisverordening in casu de relevante rechtsgrondslag vormt voor de wijze waarop de uitvoerprijs is vastgesteld.
34
De keuze van deze wijze is volgens hem ingegeven door het in artikel 11, lid 3, van de basisverordening bedoelde vereiste om in het kader van een tussentijds nieuw onderzoek na te gaan of de omstandigheden met betrekking tot de dumping ingrijpend zijn gewijzigd. Derhalve zijn de door verzoekster gehanteerde prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap door de instellingen verworpen op grond dat deze prijzen geen afspiegeling vormden van een blijvende wijziging van het prijsbeleid van verzoekster, aangezien ze slechts eenvoudigweg een gevolg waren van de minimuminvoerprijzen. Deze conclusie is gebaseerd op de vaststelling dat de prijzen van verzoekster bij uitvoer naar de Gemeenschap gemiddeld slechts 7% boven de minimuminvoerprijzen lagen, terwijl ze 12% hoger waren dan haar prijzen bij uitvoer naar derde landen. Aangezien de door verzoekster gehanteerde prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap niet onafhankelijk van de minimuminvoerprijzen waren bepaald, waren ze niet betrouwbaar en konden ze niet gebruikt worden om een uitvoerprijs vast te stellen. De „meest logische” aanpak was dus om de uitvoerprijs te bepalen op basis van de prijzen die door verzoekster werden gehanteerd voor de verkoop naar derde landen.
35
Wat het argument van verzoekster betreft dat volgens artikel 11, leden 9 en 10, van de basisverordening artikel 2 daarvan van toepassing is op nieuwe onderzoeken, stelt de Raad in zijn verweerschrift ten eerste dat de instellingen ingevolge artikel 11, lid 9, bij een nieuw onderzoek een andere werkwijze kunnen toepassen dan die welke is gebruikt in het kader van het oorspronkelijke onderzoek indien de omstandigheden zijn veranderd. Hij wijst er dienaangaande op dat de invloed van de ten tijde van de onderzoeksperiode geldende verbintenissen inzake minimuminvoerprijzen op de door verzoekster gehanteerde prijzen, een verandering van omstandigheden vormt in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening. Ten tweede stelt hij dat de noodzaak voor de instellingen om te bepalen of een wijziging betreffende dumping of schade blijvend is en derhalve een wijziging van de maatregelen rechtvaardigt, niet door de leden 9 en 10 van artikel 11 wordt weggenomen.
36
In het kader van zijn antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht en zijn opmerkingen ter terechtzitting benadrukt de Raad dat hij zijn verweer niet wil baseren op artikel 11, lid 9, van de basisverordening als rechtsgrondslag voor de in casu toegepaste berekeningswijze van de uitvoerprijs en dat het Gerecht de vermelding van veranderde omstandigheden in zijn verweerschrift niet in die zin moet uitleggen en evenmin als rechtvaardiging op zich voor de afwijking van de bij artikel 2 van genoemde verordening voorgeschreven berekeningswijze van de dumpingmarge.
37
Tot slot is de Raad van mening dat het onderscheid tussen de analyse van de waarschijnlijkheid dat zich opnieuw dumping voordoet en de berekening van een dumpingmarge, zoals door verzoekster voorgesteld, onjuist is, gezien het feit dat het nieuwe onderzoek tot doel heeft vast te stellen of de dumpingmarges zijn gewijzigd en of deze eventuele wijzigingen als duurzaam kunnen worden beschouwd, waardoor de intrekking of wijziging van de bestaande antidumpingmaatregelen zou worden gerechtvaardigd.
— Beoordeling door het Gerecht
38
Vooraf zij eraan herinnerd dat verzoekster de instellingen verwijt dat zij hun beoordeling van de betrouwbaarheid van de door haar gehanteerde prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap niet hebben gebaseerd op de in artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening bepaalde criteria. De Raad voert zijnerzijds in wezen aan dat hij van de in artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening bepaalde werkwijze is afgeweken wegens de noodzaak om overeenkomstig artikel 11, lid 3, van deze verordening na te gaan of er sprake is van enige blijvende wijziging, hetgeen leidt tot de intrekking of de eventuele wijziging van de bestaande maatregelen in het kader van een tussentijds nieuw onderzoek.
39
Derhalve moet worden onderzocht of artikel 11, lid 3, van de basisverordening een toereikende rechtsgrondslag vormt om af te wijken van de bij artikel 2, leden 8 en 9, van deze verordening bepaalde criteria voor vaststelling van de uitvoerprijs.
40
Dienaangaande dient te worden vastgesteld dat de bestreden verordening is vastgesteld na afloop van een tussentijds nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 11, lid 3, van de basisverordening, waarin de voorwaarden worden bepaald om een dergelijk nieuw onderzoek te openen alsook de voornaamste doelstellingen hiervan. Zo wordt krachtens artikel 11, lid 3, tweede alinea „[e]en tussentijds nieuw onderzoek […] geopend wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat dat handhaving van de maatregel niet langer noodzakelijk is om een einde te maken aan de dumping”. Artikel 11, lid 3, derde alinea, bepaalt dat de Commissie bij het nieuwe onderzoek „onder meer [kan] nagaan, of de omstandigheden met betrekking tot dumping en schade ingrijpend zijn gewijzigd”.
41
In casu wordt niet betwist dat de Raad op goede gronden een beroep kon doen op artikel 11, lid 3, van de basisverordening om vast te stellen dat er sprake was van aanzienlijke veranderingen in de omstandigheden met betrekking tot dumping en dat hij, nadat hij had bevestigd dat deze wijzigingen duurzaam van aard waren, mocht concluderen dat het residuele antidumpingrecht moest worden gewijzigd (punt 56 van de considerans van de bestreden verordening). Artikel 11, lid 3, van die verordening geeft de Raad daarentegen niet de bevoegdheid om, onder verwijzing naar de noodzaak om een prospectieve beoordeling te maken van de door de betrokken exporteurs gehanteerde prijzen, in de context van een tussentijds nieuw onderzoek een werkwijze ter vaststelling van de uitvoerprijs te gebruiken die onverenigbaar is met de in artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening vastgestelde eisen, zoals hij in casu heeft gedaan.
42
Uit artikel 11, lid 9, van de basisverordening blijkt dat de instellingen in het kader van een nieuw onderzoek in de regel op dezelfde wijze te werk moeten gaan als bij het oorspronkelijke onderzoek dat tot instelling van het antidumpingrecht heeft geleid, ook wat betreft de wijze van vaststelling van de uitvoerprijs uit hoofde van artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening. Deze bepaling voorziet in een uitzondering op grond waarvan de instellingen enkel voor zover de omstandigheden zijn gewijzigd, op andere wijze te werk mogen gaan dan bij het oorspronkelijke onderzoek, welke uitzondering evenwel strikt dient te worden uitgelegd. Bovendien komt uit artikel 11, lid 9, van de basisverordening naar voren dat bij de toegepaste werkwijze rekening moet worden gehouden met het bepaalde in de artikelen 2 en 17 van de basisverordening.
43
De instellingen zijn derhalve in het kader van een tussentijds nieuw onderzoek, net als bij een oorspronkelijk onderzoek, in beginsel gehouden om de uitvoerprijs vast te stellen volgens de in artikel 2 van de basisverordening bepaalde criteria.
44
Ondanks de uitdrukkelijke vermelding van artikel 11, lid 9, van de basisverordening in punt 49 van de considerans van de bestreden verordening en zijn verklaring dat de omstandigheden die bepalend waren voor de uitvoerprijzen van verzoekster daadwerkelijk waren veranderd toen zij eenmaal werden beïnvloed door de verbintenissen inzake minimuminvoerprijzen, heeft de Raad in het kader van zijn schriftelijke antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht en zijn opmerkingen ter terechtzitting echter duidelijk aangegeven dat hij geen beroep wilde doen op de in artikel 11, lid 9, van deze verordening voorziene uitzondering. De Raad heeft daarentegen ter rechtvaardiging van de toepassing van een werkwijze voor de vaststelling van de uitvoerprijs die afwijkt van die welke is toegepast in het kader van het oorspronkelijke onderzoek alsook van de in artikel 2, leden 8 en 9, van die verordening bepaalde criteria, slechts een beroep gedaan op artikel 11, lid 3, van deze verordening.
45
Evenwel moet worden vastgesteld dat artikel 11, lid 3, van de basisverordening niet voorziet in enige expliciete afwijking van de regel van artikel 11, lid 9, dat de uitvoerprijs moet worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening.
46
Overigens kan in casu uit niets worden geconcludeerd dat de onderliggende doelstellingen van artikel 11, lid 3, van de basisverordening, met inbegrip van de eventuele noodzaak om een prospectieve analyse te maken van de door de betrokken exporteurs gehanteerde prijzen, de betrokken instellingen een impliciete bevoegdheid verlenen om de in artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening voorgeschreven werkwijze te vervangen door een werkwijze op basis van een dergelijke analyse.
47
Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat het bestaan van een impliciete bevoegdheid, die een afwijking van het in artikel 5, eerste alinea, EG neergelegde beginsel van bevoegdheidsverlening vormt, restrictief moet worden beoordeeld. Dergelijke impliciete bevoegdheden worden door de rechtspraak slechts bij wijze van uitzondering erkend en hiertoe is vereist dat zij noodzakelijk zijn om de bepalingen van het betrokken verdrag of van de betrokken basisverordening een nuttig effect te geven (zie in die zin arrest van het Hof van 9 juli 1987, Duitsland e.a./Commissie, 281/85, 283/85–285/85 en 287/85, Jurispr. blz. 3203, punt 28, en arrest van het Gerecht van 17 september 2007, Frankrijk/Commissie, T-240/04, Jurispr. blz. II-4035, punt 37, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het nuttig effect van artikel 11, lid 3, van de basisverordening ruimschoots wordt gewaarborgd door het feit dat de instellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken, met inbegrip van de mogelijkheid om in het kader van hun onderzoek naar de noodzaak tot handhaving van bestaande maatregelen een prospectieve beoordeling te maken van het door de betrokken exporteurs gehanteerde prijsbeleid.
49
Wanneer deze noodzaak eenmaal is beoordeeld en de instellingen hebben besloten om de bestaande maatregelen te wijzigen, zijn zij bij de vaststelling van de nieuwe maatregelen echter gebonden aan het bepaalde in artikel 11, lid 9, van de basisverordening, waarin hun de uitdrukkelijke bevoegdheid en verplichting worden opgelegd om de in artikel 2 van die verordening voorgeschreven werkwijze te hanteren.
50
Hieruit volgt enerzijds dat de gestelde bevoegdheid voor de instellingen om in het kader van de vaststelling van de uitvoerprijs prospectieve analyses uit te voeren niet noodzakelijk is om het nuttig effect van artikel 11, lid 3, van de basisverordening te waarborgen, en zelfs is uitgesloten bij artikel 11, lid 9 van deze verordening, en anderzijds dat de gestelde, uit eerstbedoelde bepaling voortvloeiende impliciete bevoegdheid niet kan prevaleren boven de expliciete bevoegdheden die zijn voorzien in laatstbedoelde bepaling, gelezen in samenhang met artikel 2 van die verordening.
51
Dientengevolge kunnen de instellingen artikel 11, lid 3, van de basisverordening niet gebruiken als rechtsgrondslag om bij de vaststelling van de uitvoerprijs af te wijken van de in artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening voorgeschreven werkwijze. Door van deze werkwijze af te wijken en de uitvoerprijs vast te stellen op basis van criteria die niet in deze bepalingen zijn voorzien, heeft de Raad de bestreden verordening dus vastgesteld op een onjuiste rechtsgrondslag.
52
Derhalve moeten het eerste en het derde middel worden aanvaard voor zover zij het ontbreken van rechtsgrondslag stellen, en moet de bestreden verordening dus nietig worden verklaard voor zover zij betrekking heeft op verzoekster, zonder dat het nodig is de middelen en grieven inzake schending van de artikelen 2.1, 2.3 en 11 van de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT van 1994, alsmede schending van het rechtszekerheidsbeginsel te behandelen.
Kosten
53
Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van verzoekster in de kosten worden verwezen.
54
Volgens artikel 87, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering dragen de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. Bijgevolg zal de Commissie, die is tussengekomen aan de zijde van de Raad, haar eigen kosten dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Verordening (EG) nr. 366/2006 van de Raad van 27 februari 2006 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1676/2001 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op polyethyleentereftalaatfolie (PET-folie) uit onder meer India, wordt nietig verklaard, voor zover hierbij een antidumpingrecht wordt opgelegd aan MTZ Polyfilms Ltd.
2)
De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten alsmede die van MTZ Polyfilms. De Commissie van de Europese Gemeenschappen draagt haar eigen kosten.
Azizi
Cremona
Frimodt Nielsen
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 17 november 2009.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy